De afval [he apostasia]



Dovnload 19.62 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte19.62 Kb.
Apostasia” in 2 Thessalonicenzen:
Afval of Opname?

Door Bob Jones, http://www.biblefood.com/apostasia.html

Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling (1977 of HSV)
Vertaling (licht bewerkt) door M.V.

Vraag:

Wat betekent “tenzij eerst de afval [he apostasia] gekomen is” in 2 Thessalonicenzen 2:3?



Antwoord:

Deze passage is het onderwerp geweest van veel controverse, namelijk wegens de vraag of dit vers spreekt over een periode van grote “afval”, of dat het verwijst naar het “vertrek” of “opname” van de kerk.

Ik geloof dat de uitdrukking “afval” in 2 Thessalonicenzen 2:3 verwijst naar het “vertrek” of de “opname” van de kerk.

Dit woord “afval” is de vertaling van het Griekse woord apostasia en de grondbetekenis daarvan is “vertrekken van” of “weggaan van”.

Het Griekse woord apostasia is een samenstelling van twee Griekse woorden: “apo” = “weg” (bewegen) en “stasis” betekent “standpunt of toestand” of “staan”.

Letterlijk vanuit zijn fundamentele definitie betekent apostasia “weggaan van” of “vertrekken van” of “veranderen van het ene standpunt naar het andere”, of “veranderen van de ene toestand naar de andere”.



Apostasia werd gebruikt in buitenbijbelse Griekse literatuur om een politieke revolte te beschrijven, of een “weggaan van de gevestigde orde”, en in de Septuaginta of Griekse Oude Testament, als de Joden wilden “weggaan” van God om andere goden te aanbidden.

Apostasia komt enkel nog op één andere plaats voor in het Nieuwe Testament: in Handelingen 21:21 om “afvalligheid” of een “heengaan” te beschrijven van de leringen van Mozes.

Apostasion, het zelfstandige naamwoord, verschijnt in Mattheüs 5:31 & 19:7 en Markus 10:4 waar een “brief van scheiding” wordt beschreven (opdat iemand kan “weggaan”)

Apostasia betekent letterlijk “vertrekken van” of “weggaan van”, en dit “weggaan van” moet bepaald worden vanuit de context.

Wat nu is de context van zowel de eerste als de tweede brief aan de kerk te Thessalonika? Het hele onderwerp en de context van beide brieven is de “opname” of “vertrek” van de Kerk (ekklesia: de uitgeroepenen), en advies voor de kerk terwijl ze wacht op de komst van Christus voor Zijn Kerk. De tweede brief werd door Paulus blijkbaar geschreven om misverstanden aangaande de eerste brief op te ruimen (2 Thessalonicenzen 2:1-5).

Het Griekse woord apostasia in 2 Thessalonicenzen 2:3 heeft ook het Griekse lidwoord he (de/het) ervoor staan in de Griekse tekst, waardoor het niet een algemeen “vertrek” betreft maar wel “het vertrek”, een bijzondere gebeurtenis waarvan de lezer verondersteld wordt reeds te weten.

Met andere woorden, het gebruik van het lidwoord “de/het” in 2 Thessalonicenzen 2:3 geeft aan dat Paulus verwacht dat de Thessalonicenzen begrijpen dat he apostasia een bekende gebeurtenis voor hen is.

Had Paulus de Thessalonicenzen dan al iets onderwezen over een bijzondere gebeurtenis die beschreven zou kunnen worden als “het vertrek” of “het weggaan”? Absoluut wel. Hij deed dat in zijn eerste brief, in 1 Thessalonicenzen 4:13-18. In 2 Thessalonicenzen 2:5 zegt Paulus: “Herinnert u zich niet dat ik u deze dingen zei, toen ik nog bij u was?”

Ik zie in zijn eerste brief nergens dat Paulus hen had onderwezen over “een afvallen van de waarheid”, maar hij leerde hen over de opname van de kerk, in ten minste vijf passages in 1 Thessalonicenzen:

1) 1 Th 1:10: “en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij uit de doden heeft opgewekt, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn”.

2) 1 Th 2:19: “Want wat is onze hoop of blijdschap of erekroon? Bent ook u dat niet voor het aangezicht van onze Heere Jezus Christus bij Zijn komst?”.

3) 1 Th 3:13: “opdat Hij uw harten zou versterken om onberispelijk te zijn in heiliging voor het aangezicht van onze God en Vader, bij de komst van onze Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen”.

4) 1 Th 4:13 - 5:10:

4:13 Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben.

4:14 Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem.

4:15 Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.

4:16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan.

4:17 Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.

4:18 Zo dan, troost elkaar met deze woorden.

5:1 Maar wat de tijden en de gelegenheden [= dispensaties] betreft, broeders, is het voor u niet nodig dat men u schrijft.

5:2 Want u weet zelf heel goed dat de dag van de Heere [verdrukking en tweede komst naar de aarde] komt als een dief in de nacht.

5:3 Want wanneer zij zullen zeggen: Er is vrede en veiligheid, dan zal een onverwacht verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw, en zij zullen het beslist niet ontvluchten.

5:4 Maar U, broeders, bent niet in duisternis, zodat die dag U als een dief zou overvallen.

5:5 U bent allen kinderen van het licht en kinderen van de dag. Wij zijn niet van de nacht en ook niet van de duisternis.

5:6 Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn.

5:7 Want zij die slapen, slapen „s nachts en zij die dronken zijn, zijn ‘s nachts dronken.

5:8 Maar laten wij, die van de dag zijn, nuchter zijn, bekleed met het borstharnas van geloof en liefde, en met de hoop op de zaligheid als helm.

5:9 Want God heeft ons niet bestemd tot toorn [de verdrukking: Gods toorn over de aarde], maar tot het verkrijgen van de zaligheid [Grieks soteria: redding of veiligheid], door onze Heere Jezus Christus,

5:10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zouden leven.

5) 1 Th 5:23: “En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen, en mogen uw geheel oprechte geest, de ziel en het lichaam onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heere Jezus Christus”.

Ook, in Paulus’ tweede brief, in 2 Thessalonicenzen 2:2, vinden we dat iemand blijkbaar een brief geschreven had aan de kerk van Thessalonika waarin gezegd werd dat de “dag van Christus” al zou aangebroken zijn, met andere woorden: zij hadden de opname gemist en waren nu in de “dag des Heren” of zevenjarige verdrukking beland.

In 2 Thess 2:1-5 bewijst Paulus dat zij de opname niet gemist hadden, maar dat de opname nog steeds toekomstig was. Paulus zegt:

1 En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem [de opname van de Kerk],

2 dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus [de verdrukkingstijd] al aangebroken zou zijn [en geen vereniging met Hem].

3 Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval [he apostasia: “het vertrek” van de Kerk] gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf [de Antichrist], geopenbaard is,

4 de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.

5 Herinnert u zich niet dat ik u deze dingen zei, toen ik nog bij u was? (2 Thess 2:1-5).

In bovenstaande verzen vertelt Paulus hen “dit kan niet gebeuren”, want TWEE dingen moeten gebeuren vóór de “dag des Heren” of zevenjarige verdrukking:

1° “DE opname eerst” [he apostasia proton], en

2° “de openbaring van mens der wetteloosheid, de zoon van het verderf”

Dus geloof ik dat Paulus aan de Thessalonicenzen bewijst dat zij zich niet in de “verdrukking” van de dag des Heren bevinden, zoals iemand hen had geschreven, want de zeven jarige verdrukking kan niet beginnen tenzij eerst de “opname” van de Kerk gebeurt en de openbaring van “mens der wetteloosheid” (de Antichrist).

Als Paulus zou verwezen hebben naar een “algemene afvalligheid van de waarheid”, zou dat niets bewezen hebben voor de Thessalonicenzen omdat er al “afvalligheid” in die tijd was en doorheen de hele kerkbedeling zouden er perioden zijn van grote afvalligheid.

Alle schriftverwijzingen die ik kan vinden, naar de “wegraping” of “opname” van de levende heiligen, worden beschreven als zijnde “imminent”: het kan dus altijd gebeuren, op elk moment - er moeten geen profetieën vervuld worden voordat de opname komt.

Voor mij is “het vertrek” van 2 Thess. 2:3 precies het tegenovergestelde van “de afval” van Gods waarheid. Het staat in een context van de “opname van de Kerk”, de dag dat Jezus zal terugkomen in de lucht en de Kerk zal opnemen (alle wedergeboren christenen in de wereld) en hen zal meenemen naar het Vaderhuis.
Gerelateerd artikel:

“De belofte van de Opname in Thessalonicenzen” :



http://www.verhoevenmarc.be/PDF/opname-apostasia.pdf
verhoevenmarc@skynet.be - www.verhoevenmarc.be - Nieuwste Artikelen







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina