De armoedeval Een nieuwe kijk op een oud probleem



Dovnload 419.03 Kb.
Pagina1/8
Datum20.08.2016
Grootte419.03 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8



De armoedeval
Een nieuwe kijk op een oud probleem

B. Taner


P. Hendrix
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Inhoudsopgave
Samenvatting…………………………………………………………..………….………3
Inleiding…………………………………………………………………….….….………7
Hoofdstuk I Wat we al weten……………………………..……………...……...8
Hoofdstuk II De omvang van financiële incentives in de praktijk...11
1 Uitgangspunten en veronderstellingen………………………………………………...11
2 De werkloosheidsval vanuit een minimum werkloosheidsuitkering………………...15

2.1 De doelgroep

2.2 Het brutoloon

2.3 De inkomensmutatie

2.4 Het benodigde brutoloon

2.5 Veranderingen 2002-2006


3 De herintredersval………………………………………………………………………26

3.1 De doelgroep

3.2 Het brutoloon

3.3 De inkomensmutatie

3.4 Het benodigde brutoloon

3.5 Veranderingen 2002-2006


4 De deeltijdval……………………………………………………………………………34

4.1 De populatie

4.2 Het extra brutoloon

4.3 De marginale druk

4.4 Veranderingen 2002-2006
5 De doorstroomval…………………….…………………………………………………39

5.1 De populatie

5.2 De incidentele loonstijging

5.3 De marginale druk bij een incidentele loonstijging

5.4 Veranderingen in de marginale druk 2002-2006

5.5 Het carrièrepatroon


Hoofdstuk III Invloed armoedeval op het arbeidsmarktgedrag..…43
1 Gedragseffecten arbeidsmarkt

2 Factoren die van invloed zijn op het vergroten van het arbeidsaanbod

3 Conclusie
Literatuur…………………………………………………….……………………………48

Samenvatting
Er is veel onderzoek gedaan naar de armoedeval. Telkens komt naar voren dat een afweging gemaakt moet worden tussen de gewenste bestrijding van de armoedeval, het streven naar een evenwichtige inkomensontwikkeling en het streven naar gezonde overheidsfinanciën. Deze drie randvoorwaarden vormen het afwegingskader (zie figuur 1), waarbinnen de armoedeval moet worden beoordeeld:

Figuur 1:




Deze afwegingen komen ook terug in de vormgeving van de Nederlandse sociale zekerheid. Solidariteit met de lage inkomens is een belangrijk fundament van de Nederlandse sociale zekerheid. Gerichte inkomensondersteuning is belangrijk om deze solidariteit ook betaalbaar te houden, maar gerichte inkomensondersteuning brengt per definitie met zich mee dat inkomensondersteuning moet worden afgebouwd. Hierdoor ontstaat ook de armoedeval.


De armoedeval kan gedefinieerd worden als het gebrek aan financiële prikkels om (meer) te gaan werken. De armoedeval wordt in dit werkdocument in vier delen gesplitst. Het gaat dan om een te geringe toename in netto-inkomen of zelfs achteruitgang:

  • bij het aanvaarden van werk vanuit een uitkeringssituatie (werkloosheidsval);

  • bij het aanvaarden van werk vanuit een situatie zonder eigen inkomsten (herintredersval);

  • het uitbreiden van het aantal gewerkte uren (deeltijdval);

  • het doorstromen naar een nieuwe baan vanuit een bestaande baan (doorstroomval).

Hieronder wordt per ‘armoedeval’ een overzicht gegeven van de belangrijkste resultaten. Deze resultaten zijn gebaseerd op een analyse die afwijkt van eerdere SZW-analyses. In bijvoorbeeld de SZW-begroting 2006 wordt gebruik gemaakt van kengetallen die zijn gebaseerd op een aantal voorbeeldsituaties en waarbij wordt verondersteld dat de inkomensafhankelijke regelingen1 volledig worden benut. Hierdoor wordt geen inzicht gegeven in de spreiding van de feitelijke financiële effecten voor verschillende huishoudens. Om deze spreiding in beeld te brengen is in dit werkdocument gebruik gemaakt van een representatieve steekproef van de bevolking (60.000 huishoudens). Vervolgens wordt bij verschillende gebeurtenissen de meest waarschijnlijke inkomensverandering gesimuleerd.


Werkloosheidsval

Er zijn in totaal circa 390.000 werkloze uitkeringsgerechtigden met een inkomen op minimumniveau. De werkloosheidsval wordt veroorzaakt door de geringe afstand tussen het verwachte inkomen uit werk en de uitkering, het feit dat een deel van de uitkeringsgerechtigden zal uitstromen naar deeltijdbanen en het verlagen of vervallen van inkomensafhankelijke regelingen. De belangrijkste oorzaak van een negatieve of lage mutatie van het netto huishoudinkomen bij uitstroom naar een baan ligt in de lage verdiencapaciteit in de baan en de relatief hoge uitkering die vervalt bij het vinden van een baan. Het vervallen van inkomensafhankelijke regelingen heeft maar een beperkte betekenis. Pas bij een grotere bruto mutatie wordt het effect van het vervallen van inkomensafhankelijke regelingen groter (belangrijkste zijn huurtoeslag, zorgtoeslag en kwijtschelding lokale lasten). Het relatief geringe effect heeft ondermeer te maken met het feit dat niet alle minima gebruik maken of recht hebben op alle inkomensafhankelijke regelingen.

De werkloosheidsval is in de periode 2002-2006 verbeterd. Dit komt door maatregelen zoals de verhogingen van de arbeidskorting en het afschaffen van de categoriale bijzondere bijstand. Voor mensen die vanuit een uitkeringssituatie uitstromen naar banen boven het WML zijn ook de aanpassing van de WTOS en de wijzigingen in de kinderkortingen verbeteringen.
Herintredersval

Bij de groep herintreders (circa 780.000 partners zonder eigen inkomsten ) is vooral voor gezinnen met jonge opgroeiende kinderen de inkomensvooruitgang bij participatie van de niet werkende partner beperkt. Dit heeft te maken met het lage verwachte loon (vanwege de veelal lage opleiding en het belang van de deeltijdbanen) bij herintreden, de kosten voor kinderopvang en het (gedeeltelijk) vervallen van het recht op inkomensafhankelijke regelingen.


In de periode 2002-2006 hebben maatregelen als de verhoging van de overheidsbijdrage kinderopvang, de verhogingen van de combinatiekorting en de invoering en verhoging van de aanvullende combinatiekorting bijgedragen aan een verlaging van de herintredersval. Daarentegen hebben in de periode 2002-2006 hogere pensioenpremies, een hogere premie AWBZ en het vervallen van het voordeel van de ZFW-verzekering voor particulier verzekerde partners per januari 2006 bijgedragen aan de vergroting van de herintredersval. De herintredersval is in de periode 2002-2006 per saldo enigszins verslechterd.
Deeltijdval en doorstroomval

Er zijn ruim 2 miljoen mensen die in deeltijd (minder dan 32 uur) werken. Hiervan is een groot deel vrouw (82%). Bijna 4 miljoen mensen werken voltijds. Bij de deeltijdval hebben gezinnen met jonge kinderen te maken met een hoge marginale druk. Dit heeft te maken met de belasting- en premiedruk bij uitbreiding van het aantal gewerkte uren, de kosten voor kinderopvang en het (gedeeltelijk) vervallen van het recht op inkomensafhankelijke regelingen. Deze punten zijn ook bij de doorstroomval (alle werknemers vanaf 23 jaar in een voltijdbaan vallen onder de doorstroomval) verantwoordelijk voor de uitschieters in de marginale druk bij een verhoging van het brutoloon. Voor bijna 85% van de werkenden in een voltijdbaan ligt de marginale druk2 tussen de 40% en 60%.


De gemiddelde marginale druk is voor deeltijders bij uitbreiding van het aantal gewerkte uren en voor werknemers in voltijdbanen bij verhoging van het brutoloon in de periode 2002-2006 gestegen. Dit is onder meer veroorzaakt door een stijging van het belastingtarief tweede schijf, een hogere premie AWBZ-premie en een stijging van de pensioenpremies.
Een onderlinge vergelijking

Onderstaande figuur geeft de omvang van de marginale druk voor de verschillende ‘armoedevallen’. Voor de herintreders is de situatie naar verhouding het meest gunstig. Bijna 60% van de potentiële herintreders heeft bij het accepteren van een baan een marginale druk van minder dan 40%. Van het verdiende bruto inkomen blijft dus uiteindelijk meer dan 60% over. Daarbij is rekening gehouden met het vervallen van het recht op inkomensafhankelijke regelingen. Wanneer de werknemers die minder dan 32 uur werken een dag meer zouden gaan werken heeft 30% van hen een marginale druk van minder dan 40%. Tegelijkertijd heeft bijna 20% een marginale druk van meer dan 60%. De spreiding is hier groot. Vooral deeltijders met een kleine deeltijdbaan hebben een lage marginale druk. Aan de andere kant zijn er veel deeltijders die te maken hebben met inkomensafhankelijke regelingen zoals kinderopvang.


Bij de doorstroomval is de spreiding geringer. De meeste voltijd werkenden die een extra loonsverhoging krijgen moeten 50 tot 60% daarvan afdragen in de vorm van belastingen, premies of het verlies van inkomensafhankelijke regelingen. Naar verhouding zijn er minder voltijd werkenden die bij een loonsverhoging een marginale druk hebben boven de 60% dan bij de deeltijders die meer uren gaan werken.

De marginale druk is het grootst bij de werkloze minima. Bij deze groep vervalt de uitkering, en vaak ook andere inkomensafhankelijke regelingen wanneer een baan wordt gevonden.


Figuur 2 Aandeel personen naar hoogte marginale druk


Het is qua verhoging van het arbeidsaanbod het meest effectief als de inkomensgroepen die een hoge bevolkingsdichtheid (de middeninkomens) en/of arbeidsaanbodelasticiteit3 hebben niet met een hoge marginale druk worden geconfronteerd.
De invloed op het gedrag

Het achterliggende doel van het verminderen van de armoedeval is het verhogen van het arbeidsaanbod. De vraag is in welke mate vermindering van de armoedeval het arbeidsaanbod stimuleert. Dit is afhankelijk van de mate waarin de armoedeval in de praktijk een rol speelt bij de participatiebeslissingen op de arbeidsmarkt.


Om antwoord te kunnen geven op de bovengestelde vraag zijn een aantal veronderstellingen gemaakt dat vervolgens is getoetst aan de ervaringen van mensen uit de praktijk. Hierbij is er gebruik gemaakt van interviews met mensen die in hun dagelijks werk op enigerlei wijze te maken hebben met de problemen op de arbeidsmarkt.
Uit de interviews komt naar voren dat de invloed van de armoedeval afhankelijk is van het perspectief op doorgroei op de arbeidsmarkt. Mensen met een lage kans om door te stromen naar beter betaalde banen maar wel kans maken op een laagbetaalde baan kunnen vaak op eigen kracht geen grote inkomensvooruitgang vanuit een uitkeringssituatie realiseren. Deze groep vertoont vaak calculerend gedrag en er kan sprake zijn van alternatieve inkomstenbronnen. Het is daarom van belang het verschil tussen inkomsten uit werk en de uitkeringen op een voldoende “gezond” niveau te houden.
Voor mensen die geen perspectief op doorgroei hebben en geen kans maken op een laagbetaalde baan is de armoedeval niet het meest relevante probleem. Gebrek aan opleiding en capaciteiten en andere persoonlijke belemmeringen zorgen voor een lage participatiekans.
Naast de invloed van de armoedeval op het arbeidsmarktgedrag heeft de bestrijding van de armoedeval ook een meer fundamentele dimensie. Net als het garanderen van een bestaansminimum binnen onze sociale zekerheid is het ook belangrijk om ervoor te zorgen dat werken loont.
Participatiebevordering is daarnaast noodzakelijk om de sociale zekerheid ook in de toekomst betaalbaar te houden. Hiervoor moet het arbeidsaanbod gestimuleerd worden. Een belangrijke vraag hierbij is bij welke groep nog de meeste winst te halen valt. Met de WWB is er aan de onderkant van de arbeidsmarkt veel bereikt. Ten opzichte van het verleden zijn er ook steeds minder partners zonder eigen inkomsten. Participatiebevordering door grotere deeltijdbanen biedt nog mogelijkheden voor de toekomst.

Inleiding
Door de toenemende vergrijzing en de kosten die daarmee gepaard gaan voor de samenleving heeft het kabinet de stimulering van het arbeidsaanbod een speerpunt van het beleid gemaakt. Ook vanuit het perspectief van zelfstandigheid en het deelnemen aan de samenleving vindt het kabinet het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen participeren op de arbeidsmarkt en niet afhankelijk zijn van een uitkering. Hierbij wordt de armoedeval gezien als een belangrijke participatiebelemmerende factor.

De armoedeval wordt gedefinieerd als het gebrek aan financiële prikkels om (meer) te gaan werken. Dit wordt veroorzaakt door de hoge marginale druk die mensen ondervinden. Met marginale druk wordt bedoeld het deel van elke extra verdiende euro dat iemand weer kwijtraakt bij een stijging van het bruto-inkomen.


Dit werkdocument begint met een samenvatting van de literatuur en onderzoeken over de armoedeval. Vervolgens wordt inzicht verschaft in de omvang van de armoedeval in de praktijk. De benadering die in dit werkdocument wordt gehanteerd om de armoedeval te analyseren wijkt af van eerdere SZW-analyses. In bijvoorbeeld de SZW-begroting wordt gebruik gemaakt van kengetallen die zijn gebaseerd op een aantal voorbeeldsituaties en waarbij wordt verondersteld dat de inkomensafhankelijke regelingen volledig worden benut. Hierdoor wordt geen inzicht gegeven in de feitelijke financiële effecten voor verschillende huishoudens, noch in de spreiding daarvan.

Om deze spreiding in beeld te brengen is in dit werkdocument gebruik gemaakt van een representatieve steekproef van de bevolking (65.000 huishoudens). Vervolgens wordt bij verschillende gebeurtenissen de meest waarschijnlijke inkomensverandering gesimuleerd. Deze gebeurtenissen zijn het aanvaarden van werk vanuit een uitkeringssituatie (de werkloosheidsval), van geen inkomen naar een baan (de herintredersval), uitbreiding van het aantal arbeidsuren door deeltijders (de deeltijdval) en een verhoging van het bruto loon (de doorstroomval). Deze verschillende ‘vallen’ vormen een nadere invulling van het bredere begrip armoedeval.

Op basis van de meest waarschijnlijke bruto inkomensverandering bij verschillende gebeurtenissen wordt de verandering in het netto huishoudinkomen berekend. Daarmee ontstaat een beter beeld van de omvang van de financiële effecten zoals deze zich in de praktijk voordoen en van het aantal huishoudens dat met die financiële effecten wordt geconfronteerd.
Na de kwantitatieve beschrijving van de armoedeval rijst de vraag in welke mate vermindering van de armoedeval het arbeidsaanbod stimuleert. Het antwoord hierop is afhankelijk van de vraag in hoeverre de armoedeval een rol speelt bij de participatiebeslissing. Om hier zicht op te krijgen is een aantal interviews gehouden met mensen die in hun dagelijks werk op enigerlei wijze te maken hebben met de problemen op de arbeidsmarkt. Het doel van deze interviews is om te achterhalen of financiële prikkels inderdaad een belangrijke rol spelen bij de participatiebeslissing en zo ja voor welke groepen.

Hoofdstuk I Wat we al weten
De armoedeval staat al een lange tijd hoog op de politieke agenda. Er zijn daarom ook verschillende onderzoeken gedaan naar de armoedeval. Om enig inzicht te krijgen in de geschiedenis van het onderwerp zal een aantal studies naar (onderdelen van) de armoedeval de revue passeren, waarbij de belangrijkste bevindingen kort weergegeven worden. Hierbij gaat het om de volgende onderzoeken:


  • Armoede en Armoedeval, de rol van inkomensafhankelijke regelingen (commissie Derksen), Interdepartementale Commissie Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen, september 1997

  • Gemeentelijke kwijtscheldingsbeleid en armoedeval, Maarten Allers en Sandra Schrantee in opdracht van het ministerie van SZW, BZK en Financiën, januari 2000

  • De armoedeval, analyse en oplossingen, Rapport van de Werkgroep Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen, februari 2000

  • De onderkant van de arbeidsmarkt in internationaal perspectief- Minimumloon, armoedeval en productiviteitsval, het Ministerie van SZW, september 2004

  • De betekenis van de armoedeval, onderzoek van het SCP en CPB in de armoedemonitor 2005


Armoede en Armoedeval

De commissie Derksen werd ingesteld om de mogelijkheden tot harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen te onderzoeken. In het rapport wordt aangegeven dat inkomensafhankelijke regelingen van oudsher door een dilemma worden gekenmerkt. Enerzijds leveren zij een bijdrage aan de bestrijding van de armoede en anderzijds vergroten ze de marginale druk. Terwijl een vermindering van de armoede gebaat zou zijn met (meer) inkomensafhankelijke regelingen, zou de bestrijding van de armoedeval juist gebaat zijn met minder inkomensafhankelijkheid van regelingen.


De commissie concludeert dat de stelling dat met inkomensafhankelijke regelingen armoede wordt verlicht moet worden genuanceerd. Dit heeft te maken met het niet-gebruik van inkomensafhankelijke regelingen. Het beïnvloeden van het keuzegedrag van burgers doordat sectorale markten worden verstoord omdat kostenverschillen worden weg gesubsidieerd waardoor de daadwerkelijke preferenties niet tot uitdrukking komen is ook een belangrijk nadeel van inkomensafhankelijke regelingen. Verder is armoede behalve een groepsprobleem een heterogeen probleem geworden dat moeilijk te identificeren huishoudens treft. Inkomensafhankelijke regelingen moeten ook in het licht van hun effect op de arbeidsmarkt bezien worden (lees armoedeval). In het algemeen dragen inkomensafhankelijke regelingen ertoe bij dat velen in een uitkeringssituatie gevangen worden gehouden. De bestrijding van de armoede op de lange termijn is vooral gebaat met het verdwijnen van de armoedeval, omdat burgers dan meer kansen hebben om zelf in hun bestaan te voorzien.
De commissie concludeert dat de nadelen van inkomensafhankelijke regelingen als instrument ter bestrijding van armoede de komende jaren zwaarder wegen dan de voordelen. Om die reden zou de inkomensafhankelijkheid van het geheel van regelingen moeten worden beperkt. De bestrijding van de armoede zou bij voorkeur langs andere wegen moeten plaatsvinden, met name via een generieke vorm van lastenverlichting. De commissie komt met een aantal voorstellen.
Op de korte termijn kan harmonisatie van regelingen de controleerbaarheid en overzichtelijkheid van de regelingen vergroten en de administratieve belasting van burgers en overheid verkleinen. Op de langere termijn is een perspectief voor harmonisatie de integratie van inkomensafhankelijke regelingen in de belastingheffing. Een tweede perspectief voor de lange termijn is de overstap naar een meer generiek beleid. Het belastingstelsel neemt dan de inkomensondersteunende functie van de inkomensafhankelijke regelingen over. Generiek beleid kan niet voorkomen dat individuen in financiële problemen kunnen komen en daarom zou van de bijzondere bijstand en de schuldsanering een grotere bijdrage worden gevraagd.

Gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid en armoedeval

In dit onderzoek is nagegaan in hoeverre het toenmalige (1999) gemeentelijke kwijtscheldingsbeleid een belemmering vormt voor het aanvaarden van werk door uitkeringsontvangers. Gemeenten zijn vrij te bepalen van welke belastingen kwijtschelding mogelijk is, en kunnen binnen zekere grenzen zelf beslissen aan wie zij kwijtschelding verlenen. Hierdoor zijn de verschillen tussen gemeenten groot. De kwijtscheldingsnorm is in vrijwel alle gemeenten hetzelfde en is op 100% van de bijstandsnorm gesteld. In het onderzoek wordt er van uitgegaan dat een baan die minder dan 10% extra koopkracht oplevert dan een uitkering financieel niet interessant is.


Veruit de grootste bijdrage aan de armoedeval wordt geleverd door de huursubsidie. De invloed van de gemeentelijke kwijtschelding is echter niet verwaarloosbaar. Zonder kwijtschelding ligt het loon waarbij werken aantrekkelijk wordt ten minste vier procentpunten WML lager. Verkleinen van de armoedeval kan dus worden bereikt door het kwijtscheldingsbeleid te verkrappen. Verruiming van het kwijtscheldingsbeleid door bijvoorbeeld de kwijtscheldingsnorm te verhogen heeft weinig effect, omdat door het afbouwen van de huursubsidie bij een hoger inkomen de koopkracht nauwelijks toeneemt. Verlaging van de kwijtscheldingsnorm heeft een soortgelijk effect. Een anticumulatieregel, die bijvoorbeeld zou kunnen bepalen wie gebruik maakt van de bijzondere bijstand niet langer voor kwijtschelding in aanmerking komt, verkleint de armoedeval. De koopkracht van de minima wordt wel aangetast, maar dat dilemma valt eigenlijk niet te ontlopen. De inkomensafhankelijke regelingen moeten integraal aangepakt worden, waarbij van de huursubsidie de grootste ontmoedigende werking uitgaat.
De armoedeval, analyse en oplossingen

In dit onderzoek is het effect van de inkomensafhankelijke regelingen op de armoedeval geïnventariseerd. Daarnaast is gekeken naar verdere harmonisatie en vereenvoudiging van de regelingen. Uit de analyse blijkt dat de marginale druk (inclusief de belasting- en premiedruk) bij het samengaan van rijks- en lokale inkomensafhankelijke regelingen rond het minimum de 100% benadert en soms daar bovenuit komt. Uit de analyse blijkt dat de huursubsidie en de kwijtschelding van lokale regelingen leiden tot een hoge marginale druk.


Volgens het onderzoek moet gestreefd worden naar het beperken en afbouwen van het aantal en de reikwijdte van de inkomensafhankelijke regelingen in combinatie met generieke inkomenscompensatie. Vervolgens wordt er per inkomensafhankelijke regeling aangegeven welke beleidsmaatregelen genomen zouden kunnen worden Voor de huursubsidie doet de werkgroep het voorstel de minimum eigen bijdrage in de huur te verhogen en tegelijkertijd het traject waarop de subsidie niet wordt afgebouwd te verlengen. Rond kwijtschelding wordt voorgesteld de kwijtscheldingsnorm onder de bijstandsnorm vast te stellen, waardoor de doelgroep van de regeling wordt beperkt. Verder moet het uitgangspunt zijn dat inkomensafhankelijke regelingen met een generiek karakter tot de verantwoordelijkheid van het rijk behoren. De gemeenten moeten in individuele gevallen maatwerk verrichten en de bijzondere bijstand moet als vangnet functioneren. Bij de kinderopvang is de mogelijkheid nagegaan om de ouderbijdragen aan te passen (via fiscale weg), zodat de marginale druk lager wordt bij een inkomensstijging door het aanvaarden van een baan.
De onderkant van de arbeidsmarkt in internationaal perspectief- Minimumloon, armoedeval en productiviteitsval

Dit onderzoekt geeft een integraal beeld van de problemen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het arbeidsmarktbeleid zou zowel op bestrijding van de armoedeval als de productiviteitsval (de arbeidskosten zijn te hoog) gericht moeten zijn. Daarnaast wordt aangegeven dat om de marginale druk te reduceren een verdere hervorming van inkomensafhankelijke subsidies gewenst is. Voor veel uitkeringsontvangers loont werk niet. Toeslagen voor werknemers die werk lonend moeten maken, dienen zoveel mogelijk generiek vorm te krijgen, zodat deze kunnen worden opgenomen in het belastingsysteem. Daarnaast onderstreept het onderzoek het belang van scholing voor laagopgeleiden. Scholingssubsidies zouden sterker op de werknemer gericht moeten worden (zoals via een persoonlijk scholingsbudget).


De betekenis van de armoedeval

In de armoedemonitor 2005 presenteren het SCP en CBS een onderzoek naar de armoedeval “De betekenis van de armoedeval”. In dit onderzoek proberen de onderzoekers te achterhalen of de armoedeval het zoekgedrag van uitkeringsontvangers beïnvloedt.


Volgens het onderzoek is de armoedeval in 2003 relevant voor 237.000 huishoudens. Dit zijn huishoudens met een laag inkomen, die afhankelijk zijn van een sociale uitkering wegens werkloosheid (incl. bijstand) of arbeidsongeschiktheid. Voor alleenstaanden geldt bovendien dat zij huursubsidie dienen te ontvangen om met de armoedeval geconfronteerd te worden. Van de totale groep is bijna 45% alleenstaand en is bijna 25% hoofd van een éénoudergezin. Paren met en paren zonder kinderen vormen beide met een achtste deel een duidelijke minderheid.
Uit het onderzoek blijkt dat er zwakke aanwijzingen zijn dat de armoedeval het zoekgedrag van uitkeringsontvangers beïnvloedt. Het verschil in het aantal sollicitaties van gebruikers en niet-gebruikers van inkomensafhankelijke regelingen is echter klein. De aanwijzingen zijn iets sterker wanneer wordt gekeken naar veranderingen in arbeidsmarktstatus. Gebruikers van een inkomensafhankelijke regeling, hebben minder vaak een baan gevonden of zijn minder vaak meer uren gaan werken dan rechthebbende niet-gebruikers. Wanneer echter rekening gehouden wordt met andere factoren die het zoekgedrag of de verandering in arbeidsmarktstatus kunnen verklaren, blijkt dat de rol van de inkomensafhankelijke regelingen nagenoeg wegvalt. Kenmerken als leeftijd, geslacht, opleiding, gezondheid en inkomensbron zijn factoren waarmee het waargenomen gedrag beter is te verklaren. Wanneer met deze achtergronden van mensen rekening wordt gehouden, neemt het belang van de inkomensafhankelijke regelingen af bij de participatiebeslissing. De onderzoekers komen tot de conclusie dat het erop lijkt dat de armoedeval slechts een beperkte rol speelt in de participatiebeslissing.
Samenvattend beeld onderzoeken

Uit de onderzoeken blijkt dat door belasting- en premiedruk en het samengaan van rijks- en lokale inkomensafhankelijke regelingen de marginale druk rond het minimum sterk stijgt. De onderzoeken concluderen dat gestreefd moet worden naar het beperken en afbouwen van het aantal en de reikwijdte van de inkomensafhankelijke regelingen. Dit moet gedaan worden in combinatie met generieke inkomenscompensatie. Voor individuele gevallen die in financiële problemen kunnen komen zou de bijzondere bijstand en de schuldsanering een grotere bijdrage kunnen leveren.



  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina