De armoedeval Een nieuwe kijk op een oud probleem



Dovnload 419.03 Kb.
Pagina2/8
Datum20.08.2016
Grootte419.03 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

Hoofdstuk II De omvang van financiële incentives in de praktijk
De positie die personen innemen op de arbeidsmarkt is voor een deel het gevolg van individuele keuzes. Bij deze keuzes spelen ook financiële afwegingen een rol. Dit hoofdstuk beschrijft de financiële consequenties van een aantal van deze keuzes. Daarbij gaat het om de volgende overgangen:

  • Van een uitkering naar een baan (de werkloosheidsval)

  • Van geen inkomen naar een baan (de herintredersval)

  • Uitbreiding van aantal arbeidsuren door deeltijders (de deeltijdval)

  • Een verhoging van het brutoloon (de doorstroomval)

In al deze gevallen moet een afweging gemaakt worden of de financiële en niet financiële voordelen opwegen tegen de geleverde inspanning (het verlies aan vrije tijd, investeringen in opleiding) en andere niet materiële nadelen: reistijd, bezwarende werkomstandigheden, kwaliteit van het werk ed. We gaan niet in op de vraag hoe hoog het financiële voordeel moet zijn om de negatieve factoren te compenseren (dat is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en preferenties) maar alleen op de omvang van het feitelijke financiële effect van de gebeurtenis.


Voor het gedrag is relevant of mensen vooraf daadwerkelijk in staat zijn alle effecten van de gebeurtenis goed te overzien. Wanneer dat niet het geval is zullen ook vooroordelen zoals “Ik schiet er toch niets mee op want alles wat ik extra verdien ben ik kwijt aan een lagere huursubsidie” ook bepalend zijn voor het gedrag. Dit hoofdstuk beperkt zich tot het berekenen van de feitelijke financiële effecten zoals deze zich in bij de geselecteerde gebeurtenissen in de praktijk voordoen. De effecten worden berekend op basis van een representatieve steekproef van de bevolking. Uitgegaan wordt van de meest waarschijnlijke bruto inkomensverandering bij de verschillende gebeurtenissen. Op basis hiervan wordt de verandering in het netto huishoudinkomen berekend. Daarmee ontstaat een beeld van het aantal huishoudens dat te maken heeft met grote en kleine financiële incentives.
1 Uitgangspunten en veronderstellingen
Het databestand

De berekeningen zijn gemaakt op basis van een representatieve steekproef van 65.000 huishoudens (het WoningBehoeftenOnderzoek 2002). Voor ieder huishouden zijn de inkomensbronnen en de hoogte van het inkomen per inkomensbron bekend. De inkomens uit 2002 zijn geactualiseerd naar 2006, rekening houdend met alle wijzigingen bruto inkomens, belastingen, premies en inkomensafhankelijke regelingen. Door herweging zijn de veranderingen in de samenstelling van de bevolking tussen 2002 en 2006 in het bestand verwerkt. Op deze wijze is een representatief beeld ontstaan van de bevolking in 2006.


De inkomensverandering

Uitgangspunt voor de berekeningen is de regelgeving in het jaar 2006 en de ramingen uit de Macro Economische Verkenning 2006 van het CPB. De berekeningen zijn gemaakt met het microsimulatiemodel MICROS van SZW.


Bij het berekenen van de inkomensmutatie spelen de volgende inkomensbestanddelen een rol:

  • Het brutoloon in de nieuwe situatie (of de loonmutatie). Hier gaan we uit van de meest waarschijnlijke mutatie. De gemaakte veronderstellingen hierbij worden per gebeurtenis besproken.

  • Het vervallen van de uitkering van de betrokkene en diens partner. Rekening wordt gehouden met de bijstandsuitkering, de toeslagenwet, vrijstellingsbepalingen en toeslagen/kortingen op de bijstandsuitkering.

  • Belasting en premieheffing, ziektekostenverzekering: er wordt rekening gehouden met de meeste aspecten van de belasting- en premieheffing inclusief inkomen uit vermogen, eigen woning, persoonsgebonden aftrek ziektekosten.

  • Inkomensafhankelijke regelingen:

    • Veranderingen in het recht op huurtoeslag.

    • Veranderingen in het recht op studiefinanciering (aanvullende beurs) en tegemoetkoming studiekosten.

    • De veranderingen in de kosten van kinderopvang voor gebruikers van formele opvang. Bij het bepalen van het aantal benodigde aantal uren opvang is het uitgangspunt dat ouders maximaal zelf zorgen. Er wordt rekening gehouden met het feit dat een deel van de werkgevers geen werkgeversbijdrage betaalt.

    • De verandering in de eigen bijdrage voor de gebruikers van thuiszorg.

    • Veranderingen in de kwijtschelding van lokale lasten.

    • Gemeentelijk beleid: Categoriale bijstand is alleen maar mogelijk voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten. Dit blijft hier buiten beschouwing. Met bijzondere bijstand voor specifieke uitgaven is wel rekening gehouden.

De verwervingskosten welke niet vergoed worden door de werkgever worden niet in mindering gebracht op de inkomensmutatie. Deze kosten worden hier opgevat als een onderdeel van het reserveringsloon.


De pensioenpremie wordt in mindering gebracht op het brutoloon. Tegenover de betaalde pensioenpremie staat echter een toekomstig recht op een uitkering. Hierbij gaat het om het recht op een aanvullend oudedagspensioen, nabestaandenpensioen, prepensioen en het recht op het voortzetten van de pensioenopbouw tijdens arbeidsongeschiktheid. Wanneer hiermee rekening zou worden gehouden, wordt arbeid aantrekkelijker. Omdat dit recht in de praktijk waarschijnlijk geen grote rol speelt bij de participatiebeslissing blijft dit voordeel van werk hier verder buiten beschouwing.
Vervangingsvoet of marginale druk

De berekende mutatie in het besteedbare huishoudinkomen (en bestedingen) kan gerelateerd worden aan verschillende grootheden: de omvang van de initiële beloning (brutoloon of loonkosten), of aan het huishoudinkomen voorafgaand aan de gebeurtenis. In het eerste geval berekenen we de marginale druk (wat raken we kwijt van de initiële bruto beloning); in het tweede geval berekenen we de vervangingsvoet (het inkomen na de verandering gedeeld door het huidige inkomen). De vervangingsvoet (replacement rate) meet hetzelfde als de procentuele inkomensverandering (inkomensmutatie gedeeld door vorig inkomen).


De marginale druk (M) wordt bepaald door de verandering in de heffingen op het loon (h1-h0) en het vervallen van inkomensafhankelijke regelingen( s1-s0) als gevolg van de stijging van het brutoloon (b1-b0):
(1) M=((h1-h0) + (s1-s0))/(b1-b0)
De omvang van de marginale druk vloeit dus rechtstreeks voort uit de bestaande regelgeving.

Tussen de marginale druk (M) en de vervangingsvoet (V) bestaat de volgende relatie:


(2) V= y1/y0= (y0+(b1-b0)*(1-M))/y0

Waarbij y0,1 = besteedbaar inkomen uitgangssituatie, nieuwe situatie


Hieruit blijkt dat de vervangingsvoet V behalve van de marginale druk M ook afhankelijk is van de hoogte van het inkomen voorafgaand aan participatie (y0). Dit geeft aan dat een inkomensmutatie in euro’s relatief minder betekenis heeft naarmate het oude inkomen (bijvoorbeeld uit vermogen, van een partner of van een uitkering) al hoger is. Verder blijkt uit (2) dat het brutoloonmutatie (b1-b0) behalve via de marginale druk (1) ook nog een rechtstreekse invloed heeft op de vervangingsvoet. Personen met een hogere brutoloonmutatie (b1-b0) hebben bij een gegeven marginale druk altijd een hogere vervangingsvoet dan personen met een lagere loonmutatie. Een werkloze die veel kan gaan verdienen heeft dus altijd een hogere vervangingsvoet dan iemand met een lagere verdiencapaciteit.
De marginale druk is dus slechts een onderdeel van de totale vervangingsvoet. De marginale druk geeft een beeld van de effecten van de bestaande regelgeving (de instituties). De vervangingsvoet wordt daarnaast ook bepaald door het inkomen in de uitgangssituatie en de omvang van de bruto inkomensmutatie. Dit zijn aspecten van de persoon en het huishouden, zij het dat de overheid hier ook invloed op heeft. Voor werklozen bestaat het inkomen in de uitgangssituatie immers voornamelijk uit de uitkering. De bruto inkomensmutatie wordt mede beïnvloedt door de hoogte van het minimumloon en de ontwikkeling van de CAO lonen. Behalve de regelgeving beschrijft de vervangingsvoet echter ook de persoonlijke verdiencapaciteit en de huidige inkomenssituatie van de betrokkenen.
Wat is relevant?

Voor een volledig inzicht in de financiële incentives is de vervangingsvoet ofwel de procentuele mutatie van het huishoudinkomen het meest relevant. Zowel de financiële aantrekkelijkheid van de nieuwe situatie, de invloed van de regelgeving als de bestaande financiële situatie komt daarin volledig tot uitdrukking.


Het is echter de vraag in hoeverre deze elementen bij het keuzeproces onderling worden gewogen. Dit bepaalt de keuze tussen het gebruik van de marginale druk en de vervangingsvoet.
Voor minima waarvan een partner gaat werken gaat het op de eerste plaats om het verhogen van het huishoudinkomen. In dat geval ligt het gebruik van de vervangingsvoet ofwel de procentuele mutatie in het inkomen voor de hand. Bij de doorstroomval gaat het in de perceptie van de betrokkene waarschijnlijk meer om het deel van het extra bruto inkomen dat ingeleverd moet worden (dus de regelgeving) dan om de stijging van het totale huishoudinkomen. Het gebruik van de marginale druk ligt dan voor de hand. Bij herintredende vrouwen is het gebruik van de marginale druk weer minder vanzelfsprekend. Participatie door herintredende vrouwen heeft niet alleen te maken met regelgeving (zoals kinderopvang) maar kan ook te maken hebben met de huishoudsituatie zoals een laag partnerinkomen. In dat geval kan ook de vervangingsvoet, ofwel de relatieve inkomensvooruitgang, worden gebruikt.
Hier wordt voor de werkloosheidsval en de herintredersval gekozen voor de vervangingsvoet. Omdat de procentuele inkomensmutatie eenvoudiger te interpreteren dan de vervangingsvoet zullen we deze presenteren. Bij de doorstroomval en de uitbreiding van de arbeidsduur concentreren we ons op het effect van de regelgeving. In die gevallen zal de marginale druk worden berekend.
Andere relevante aspecten

Het is denkbaar dat het feitelijke gedrag niet gebaseerd wordt op het totale financiële effect van de verandering maar op bepaalde zichtbare onderdelen daarvan. Herintredende vrouwen kunnen het bruto-netto traject op hun loon voor lief nemen maar veel meer waarde toekennen aan het veel meer zichtbare effect van extra uitgaven voor kinderopvang. Daarom worden deze specifieke uitgaven ook wel afzonderlijk gerelateerd aan het extra verdiende netto inkomen. Voor minima ligt het voor de hand dat het effect van huurtoeslag of het vervallen van kwijtschelding van grotere betekenis is dan de reguliere belastingheffing over het looninkomen. Deze partiele effecten worden, daar waar relevant, in beeld gebracht.


Ten aanzien van het inkomen voorafgaand aan de gebeurtenis geldt niet alleen dat de hoogte van dit inkomen relevant is maar ook de hoogte van een aantal specifieke uitgaven. Hoge uitgaven voor kinderen of hoge woonlasten kunnen participatie stimuleren en uittreden moeilijker maken. Hierop wordt hier niet verder ingegaan.
Tenslotte speelt het tijdsaspect nog een rol. De vraag is in hoeverre mensen hun beslissing baseren op de onmiddellijke inkomensmutatie of ook rekening houden met toekomstige veranderingen, zoals door het ouder worden van de kinderen het vervallen van de uitgaven aan kinderopvang, de daling van een tijdsafhankelijke uitkering (WW) of carrièreperspectieven in een baan. Hiermee kan rekening gehouden worden door de contante waarde van de toekomstige geldstromen in twee situaties met elkaar te vergelijken. Vanwege de eenvoud is hier voor gekozen om dit niet te doen.
De kans op een gebeurtenis

Niet iedereen heeft een even grote kans om een baan te vinden of om meer te kunnen gaan verdienen. Drugsverslaafden in de bijstand of 62 jarige huisvrouwen zullen niet zo snel aan de slag gaan. Deze groepen zouden dus uit de analyse verwijderd kunnen worden. Het bezwaar daartegen is dat het gebrek aan financiële incentives ook de oorzaak kan zijn dat de kans op een baan zo klein is. Alleen kijken naar de meest kansrijken zou een te positief beeld geven van de financiële incentives. In de analyse wordt daarom het financiële effect van de gebeurtenissen berekend voor alle personen welke tot de doelgroep behoren, ongeacht de kans op de gebeurtenis.



2 De werkloosheidsval vanuit een minimum werkloosheidsuitkering
2.1 De doelgroep

De werkloosheidsval wordt hier berekend voor alle bijstandsgerechtigden beneden de 65 jaar en de werklozen met een WW uitkering welke zijn aangewezen op een minimumuitkering. Niet iedereen die tot deze doelgroep behoort, heeft een even grote kans om te gaan werken. De samenstelling van de doelgroep is weergegeven in tabel 2.1. Per categorie is aangegeven welk deel van de personen in de betreffende categorie behoort tot de werklozen met een minimum inkomen.


Tabel 2.1 Samenstelling werklozen met minimum inkomen, raming 2006

Categorie

Aantal personen

x 1000


Aandeel totaal groep

Aandeel totaal categorie

Categorie

Aantal personen

X 1000


Aandeel totaal groep

Aandeel totaal categorie







%

%







%

%

Huishoudtype










Gezondheid










Huishoudlid

23

5.9

2.1

Chronisch ziek/gehandicapt

90

23.3

12.3

Alleenstaand

178

46.0

10.0

Overig

297

76.7

3.2

Éénoudergezin

106

27.4

27.8

Gemeentegrootte










Paar zonder kind

35

9.0

1.4

Tot 50000

108

27.9

2.1

Paar met kind

44

11.4

1.1

50000 – 150000

115

29.7

4.4

Leeftijdsklasse










150000 – 250000

48

12.4

5.6

Tot 25 jaar

46

11.9

3.2

250000 of meer

116

30.0

8.8

25-34

83

21.4

3.7

Etniciteit










35-44

87

22.5

3.5

Autochtoon

210

54.3

2.6

45-54

83

21.4

3.6

Westers allochtoon

37

9.6

4.7

55-64

88

22.7

6.5

Niet-westers allochtoon

141

36.4

15.4

Opleiding






















Basis

121

31.3

16.9













Lbo, mavo, vmbo

156

40.3

5.3













Mbo, havo

66

17.1

2.1













Hbo

26

6.7

1.4













Wo

12

3.1

1.6













TOTAAL

387

100

3.9

TOTAAL

387

100

3.9

Eén op de tien alleenstaanden is aangewezen op een minimum inkomen. Dit komt ondermeer door het ontbreken van een partner met een eventueel eigen inkomen waardoor er automatisch al vaker recht ontstaat op bijstand. Alleenstaanden hebben echter ook vaker een lager uurloon en een lagere beroepsstatus dan samenwonenden.


Ook éénoudergezinnen (voornamelijk vrouwen) zijn sterk oververtegenwoordigd onder de werklozen. Wanneer vrouwen tijdens het huwelijk niet of weinig geïnvesteerd hebben in de positie op de arbeidsmarkt, ontstaat al snel afhankelijkheid van een sociale uitkering, meestal bijstand. Tot 2003 waren éénoudergezinnen met jonge kinderen niet sollicitatieplichtig. Bij de invoering van de Wet Werk en Bijstand is deze vrijstelling vervallen.
Ruim een kwart van de éénoudergezinnen is aangewezen op een minimum inkomen. Dit aandeel is in de tweede helft van de jaren negentig fors afgenomen. Voor die tijd had de helft van de éénoudergezinnen met minderjarige kinderen nog een minimuminkomen. Een mogelijke verklaring voor deze ontwikkeling is de toename van het aantal tweeverdieners. Beide partners blijven meer investeren in de arbeidsmarkt tijdens het huwelijk. Bij het uiteenvallen van een relatie hebben beide partners daardoor vaker een eigen inkomen waardoor er minder vaak beroep op de bijstand gedaan wordt.
Inactieven op minimumniveau hebben vaker een opleiding op basisniveau en lbo, mavo of vmbo. De oorzaken hiervan kunnen gezocht worden in de omvang van de vraag naar laag opgeleiden en in de kenmerken van het aanbod. De vraag naar laag opgeleiden is hoog in de sectoren landbouw, industrie en bouwnijverheid. De omvang van deze sectoren is in de afgelopen decennia afgenomen ten gunste van de dienstverlening waarin minder laaggeschoolden werken. Tegelijkertijd staan sectoren met veel laaggeschoolden (handel, horeca, huishoudelijke diensten) onder druk vanwege de grote gevoeligheid voor hoge arbeidskosten. Hier speelt de zgn. productiviteitsval: de arbeidskosten zijn hoger dan de arbeidsproductiviteit van de werknemer. Tegelijkertijd staat de vraag naar laag opgeleiden onder druk door verdringing door hoger opgeleiden.
De oververtegenwoordiging van laag opgeleiden wordt ook bepaald door aanbodfactoren. Bij de afweging tussen werk en uitkering spelen zowel materiele als immateriële factoren een rol. Werk zorgt voor tijdsstructurering, sociale contacten, ontplooiing en status. Anderzijds kan werk zorgen voor een te grote werkdruk, bezwarende werkomstandigheden, onregelmatige werktijden of een ondergeschikte positie. Naarmate de nadelen van werk groter zijn wordt de financiële compensatie belangrijker. Uit onderzoek naar ervaringen van werkenden en werklozen met een laag inkomen bleek dat de niet werkenden over het algemeen hun vorige baan als kwalitatief slecht beoordeelden, terwijl de werkenden met een laag inkomen hier veel positiever over waren (Antonides en van Raay, 2000). Wanneer het financiële voordeel van werken gering is maakt de geringe kwaliteit van het werk een uitkering al snel aantrekkelijker dan werk.
De oververtegenwoordiging van ouderen onder de werkzoekende minima kan zowel verband houden met het zoekgedrag als met de bereidheid van werkgevers om ouderen in dienst te nemen. Ook de gezondheid kan een rol spelen. Chronisch zieken en gehandicapten zijn oververtegenwoordigd onder de werkzoekende minima.
Werkzoekenden met een minimumuitkering zijn ook vaker te vinden in de grotere steden en onder niet-westerse allochtonen. Dit kan te maken hebben met de arbeidsmarktsituatie voor deze groepen. Ook het ontstaan van armoedeculturen waarin een uitkering de norm wordt en betaalde arbeid de uitzondering kan een rol spelen.
Naast de hier gegeven verklaringen voor de omvang en samenstelling van de groep werkloze minima, speelt ook de omvang van de financiële incentives een rol. De rest van deze paragraaf geeft een beeld van de financiële effecten van het vinden van een baan.

1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina