De armoedeval Een nieuwe kijk op een oud probleem



Dovnload 419.03 Kb.
Pagina3/8
Datum20.08.2016
Grootte419.03 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

2.2 Het brutoloon

Om de financiële incentives van participatie in beeld te kunnen brengen moet eerst het verwachte loon in de nieuwe baan worden vastgesteld. Naarmate het verwachte loon in een baan hoger is wordt werken aantrekkelijker. Het verwachte loon in een baan wordt bepaald door het product van het verwachte aantal arbeidsuren en het verwachte uurloon. In box I wordt beschreven hoe deze verwachtingen worden berekend. Deze verwachting is niet gebaseerd op het waargenomen loon van werklozen die een baan hebben gevonden. De verwachting wordt gebaseerd op de arbeidsduur en de loonvoet van werkenden die wat betreft een aantal kenmerken (opleiding, leeftijd, aanwezigheid partner, kinderen ed.) vergelijkbaar zijn met de werkloze minima.


BOX 1 Verwachte arbeidsduur en de verwachte loonvoet

De verwachte arbeidsduur van inactieven kan worden vastgesteld op basis van de geobserveerde verdeling van arbeidsuren van werkenden. Daartoe is per geslacht een model geschat waarin de keuze voor een bepaalde arbeidsduurklasse afhankelijk is van een aantal factoren. Daarbij is ondermeer rekening gehouden met de financiële aantrekkelijkheid van de keuze voor een bepaalde arbeidsduur. Een hoog partnerinkomen maakt bijvoorbeeld veel uren werken minder noodzakelijk; een relatief hoog netto uurloon voor een deeltijdbaan maakt deze deeltijdbaan aantrekkelijk. Daarnaast wordt rekening gehouden met de leeftijd en opleiding van de betrokkene, de aanwezigheid van een partner en kinderen evenals de uitgaven voor kinderen en de hoogte van de woonlasten. Op basis van dit model kan ook voor de niet werkenden de verwachte arbeidsduur worden vastgesteld. Verondersteld wordt daarbij dat er geen sprake is van selectiviteit. Dit betekent dat de keuze van de arbeidsduur bij de niet-werkenden op gelijke wijze plaats vindt als bij de werkenden.
De verwachte loonvoet (het uurloon) wordt ook geschat op basis van de geobserveerde loonvoeten van de werkenden. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat de loonverdeling aan de onderkant wordt afgekapt door het bestaan van het minimumloon. Verklarende variabelen voor de loonvoet zijn leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsduur (het loon in deeltijdbanen is gemiddeld lager dan in voltijdbanen). Verder wordt rekening gehouden met selectie effecten. Hiermee wordt geprobeerd zo goed mogelijk te corrigeren voor het feit dat de geobserveerde loonvoet van werkenden niet altijd onmiddellijk haalbaar is voor de niet-werkenden met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Daarbij wordt de afstand tot de arbeidsmarkt gemeten op basis van etniciteit, leeftijd, opleiding, huishoudsituatie en de aanwezigheid van (jonge) kinderen. Een grote afstand tot de arbeidsmarkt verlaagt de verwachte loonvoet.
Als gevolg van niet geobserveerde kenmerken (taalproblemen, psychische gesteldheid) is het waarschijnlijk dat dit selectie-effect nog wordt onderschat. Het gevolg hiervan is dat de berekende verwachte loonvoet niet altijd onmiddellijk bij het vinden van een baan bereikt zal kunnen worden. De inkomensvooruitgang wordt dan te positief ingeschat. Pas na verloop van tijd, wanneer de invloed van de werkloosheidsperiode op de verdiencapaciteiten kleiner wordt, komt de verwachte loonvoet binnen bereik van de werkzoekenden.

Uit figuur 2.1 blijkt dat, gezien de kenmerken van de werklozen, voor een groot aantal van hen een deeltijdbaan te verwachten is. Voor ongeveer driekwart van de éénoudergezinnen en 35% van de alleenstaanden (veel oudere vrouwen) met een minimum uitkering ligt een baan van minder dan 32 uur het meest voor de hand. Deze verwachting is gebaseerd op het feit dat de wel werkende éénoudergezinnen en oudere vrouwen vaak in deeltijd werken.


Berekend kan worden dat wanneer alle 400.000 werkloze minima zouden werken tegen de verwachte arbeidsduur, dit ruim 300.000 voltijds arbeidsplaatsen zou opleveren.
Figuur 2.1 Verwachte arbeidsduur van werkloze minima


Figuur 2.2 geeft de verwachte uurlonen van werkloze minima weer. Werklozen met een minimum uitkering hebben vaak een laag verwacht uurloon. Het minimumloon is vooral een loon voor jongeren (<24 jaar) en deeltijd werknemers. De meeste werklozen blijken niet te zijn aangewezen op het minimumloon maar op een iets hoger CAO loon. In totaal heeft ruim 55% van de werkzoekende minima een verwacht uurloon tot 130% van het minimumloon. Onder alle werknemers is dit 20%. Dit relatief lage uurloon van de werkloze minima heeft te maken met factoren als opleiding en verlies van werkervaring waardoor de productiviteit lager wordt. Dit betekent dat werken relatief weinig extra inkomen oplevert. Omdat niet met alle factoren die relevant zijn voor iemands afstand tot de arbeidsmarkt rekening kan worden gehouden ligt het voor de hand dat het hier berekende verwachte loon niet voor alle minima onmiddellijk bij het vinden van een baan binnen bereik ligt.
Figuur 2.2 Verwachte uurloon van werkloze minima bij het vinden van een baan

Het verwachte loon (aantal uren x loonvoet) is weergeven in figuur 2.3. Dit loon vormt de basis voor de berekening van de inkomenseffecten van participatie. Uit de figuur blijkt dat 17% van de werkloze minima is aangewezen op maximaal een half minimumloon.


Figuur 2.3 Verwachte loon van werkloze minima bij het vinden van een baan


Dit betreft voor een groot deel oudere alleenstaanden (veel vrouwen) en éénoudergezinnen. In deze gevallen is er nauwelijks sprake van een inkomensstijging en blijft er veelal recht bestaan op een minimumuitkering om het inkomen aan te vullen.
Wanneer de mogelijkheid bestaat om ook in voltijd te werken (bijvoorbeeld omdat er geen jonge kinderen aanwezig zijn) blijft in de WWB wel de verplichting bestaan om te zoeken naar een voltijdbaan. De geringe inkomensstijging bij uitstroom naar een deeltijdbaan zal zich dan uiteindelijk in de praktijk niet voordoen. Het kan echter ook voorkomen dat de oriëntatie op deeltijdarbeid en daarmee blijvende bijstandsafhankelijkheid, er voor zorgt dat mensen niet uitstromen naar een baan. Het hier weergegeven beeld van de inkomenseffecten bij uitstroom zal dan ook in de praktijk niet gerealiseerd worden. Het gaat hier ook echter niet om de incentives van de uitstromers (de meest kansrijke groep) maar van de gehele populatie werkloze minima.
Een substantieel deel van werklozen op minimum niveau (18%) heeft een verwacht loon boven 150% van het minimumloon. Dit zijn vooral jongere alleenstaanden maar ook huishoudleden en samenwonenden met kinderen. Het blijkt dus dat de werkloze minima een zeer heterogene groep vormen.
2.3 De inkomensmutatie

Naast het relatief lage verwachte bruto inkomen zorgen de heffingen op het arbeidsinkomen en het vervallen van subsidies er voor dat de toename van het huishoudinkomen bij uitstroom naar de arbeidsmarkt beperkt blijft. Figuur 2.4 geeft voor de alleenstaanden, éénoudergezinnen en samenwonenden de verwachte mutatie van het besteedbare inkomen als gevolg van participatie.

Opvallend is dat er nog een flinke groep minima is met een grote verwachte inkomensstijging. Dit heeft een aantal oorzaken:


  • Een hoog verwacht uurloon bij uitstroom in een voltijdbaan

  • Een laag inkomen dat wegvalt bij het vinden van een baan. Dit geldt vooral voor jongeren beneden de 21 jaar en huishoudens met een gekorte uitkering vanwege het inkomen van kinderen, het ontbreken van woonlasten of de aanwezigheid van vermogen.

  • Geen gebruik van inkomensafhankelijke regelingen. Dit kan zijn omdat er geen recht bestaat op deze regeling of omdat er sprake is van niet-gebruik.

  • Recht op alimentatie; dit bedrag wordt gekort op de bijstand. Bij uitstroom uit de bijstand vormt dit een extra inkomensbestanddeel.

Er ontstaat een geringe inkomensvooruitgang of zelfs achteruitgang door:



  • Een laag verwacht loon bij uitstroom, bijvoorbeeld door deeltijdarbeid.

  • Een relatief hoge uitkering; dit geldt vooral voor samenwonenden 21+

  • Recht op een langdurigheidstoeslag in de bijstand. Het recht hierop vervalt ook bij een deeltijdbaan met aanvullende bijstand4.

  • Gebruik bijzondere bijstand

  • Het gebruik van (meerdere) inkomensafhankelijke regelingen

In de berekening is geen rekening gehouden met schuldsanering. Door een inkomensvooruitgang moet vaak een groter deel van de schulden terugbetaald worden, waardoor de werkloosheidsval wordt vergroot. Onder de huishoudens met een inkomen tot 150% van het sociaal minimum zijn er 67.000 tot 124.000 met problematische schulden (IVA, 2004). Daarvan heeft één op de zes professionele hulp gezocht om uit de problemen te komen. In de helft van deze gevallen heeft dit geleid tot een schuldregeling.


Er wordt ook geen rekening gehouden met inkomen uit informele arbeid of andere bronnen van inkomen zoals kamerverhuur, informele alimentatie of financiële ondersteuning vanuit de sociale omgeving. Uit onderzoek in een aantal armoedewijken in Amsterdam en Rotterdam blijkt dat een derde van de huishoudens een dergelijk inkomen heeft (Engbersen in Arm Nederland). Voorzover deze inkomens vervallen bij het vinden van een baan zorgt dit ook voor een grotere werkloosheidsval.
Tenslotte is er ook geen rekening gehouden met strafkortingen op de uitkering of uitstroompremies die door gemeenten kunnen worden vertrekt. Deze verkleinen de werkloosheidsval.

Figuur 2.4 Inkomensmutaties als gevolg van het vinden van een baan





In het algemeen blijkt uit figuur 2.4 dat alleenstaanden bij uitstroom de grootste inkomensstijging hebben. Voor éénoudergezinnen is de stijging minder net als voor de (relatief kleine groep) samenwonenden. Oorzaak hiervan is het verschil in de hoogte van de uitkering ten opzichte van het loon. De uitkering is het laagst voor alleenstaanden en ligt voor éénoudergezinnen en samenwonenden in de buurt van het minimumloon.


In tabel 2.2 is de inkomensmutatie weergegeven naar een aantal relevante achtergrondkenmerken. Daarbij zijn alle onderdelen die de hoogte van de inkomensmutatie bepalen (het inkomen zonder participatie, het brutoloon en de marginale druk) weergeven.
Tabel 2.2 Spreiding inkomensmutaties bij het vinden van een baan 2006




Inkomensmutatie (aantal x 1000)

<0% 0-10% 10-50% >50%

Totaal aantal

Huidig inkomen

Bruto mutatie

Margi-nale druk

Netto mutatie

Verwachte loon




















%

%

tot 50% wml

17

47

.

.

66

14700

4200

97

2

50-100% wml

12

55

22

.

91

15100

12100

92

9

100-150% wml

.

13

104

44

161

12800

20000

79

46

150-200% wml

.

.

21

30

51

12300

27100

74

70

meer dan 200%

.

.

.

15

18

12900

37400

69

107

Huishoudens




























Huishoudlid

.

.

.

20

23

6000

18900

61

156

Alleenstaand

8

39

72

59

178

10700

18700

83

42

Éénoudergezin

16

50

38

.

107

17100

13100

90

11

Paar zonder kind

.

8

19

5

35

15000

19100

85

24

Paar met kind

.

18

21

.

44

19900

19100

86

18

Regelingen




























Geen gebruik

.

.

6

26

37

7700

18000

70

115

Een regeling

5

16

33

31

85

11800

17800

80

44

Twee regelingen

9

35

56

21

121

13800

17400

85

27

Drie regelingen

13

62

57

12

144

16100

16600

89

18































Huurtoeslag

23

94

109

24

250

15400

16600

88

19

SF, WTOS

5

21

20

.

48

19300

16400

89

14

Kwijtschelding

13

63

74

33

183

14000

17600

87

26

Gemeentelijk beleid

21

92

110

52

275

14100

17100

86

28

Kinderopvang 1)

.

14

10

.

26

20700

14700

87

10

Totaal

29

115

152

91

387

13600

17200

84

36

  1. Gebruik formele kinderopvang in geval van participatie

Van de bijna 400.000 werkloze minima gaan er 30.000 naar verwachting in inkomen op achteruit bij het vinden van een baan. 115.000 gaan er minder dan 10% op vooruit. Voor een alleenstaande komt 10% vooruitgang neer op 85 euro per maand. Samen met de niet financiële voordelen van werk (tijdsstructurering, status en identiteit ontleend aan het werk, opleiding, carrièreperspectief) moet dit afgewogen worden tegen de financiële en niet financiële nadelen van werk (niet vergoede reis- en verwervingskosten, slechte kwaliteit van het werk, verlies aan vrije tijd).


De geringe inkomensvooruitgang heeft deels te maken met een hoge marginale druk als het gevolg van het verliezen van de uitkering en het verminderde recht op inkomensafhankelijke regelingen. Voor een derde van de minima is de marginale druk zelfs meer dan 90%. Een andere oorzaak is dat de inkomensstijging vaak beperkt is. Een gering financieel voordeel komt dan ook het meest voor bij huishoudens met een laag verwacht loon. Het zijn vooral alleenstaanden en alleenstaande ouders die op zoek zijn naar een deeltijdbaan en er weinig op vooruitgaan.
De inkomensvooruitgang van de groep die feitelijk uitstroomt, kan afwijken van de hier berekende potentiële inkomensstijging van de totale groep minima. Uit een onderzoek van Regioplan naar het feitelijke inkomen van ex-bijstandscliënten blijkt dat alleenstaanden er 36% op vooruit zijn gegaan en éénoudergezinnen 25%. Bij samenwonenden was de inkomensvooruitgang 32%. Dit onderzoek had betrekking op huishoudens die minimaal een jaar bijstandsgerechtigd waren. Hierdoor waren vooral alleenstaande jongeren (met een hoge inkomensvooruitgang) ondervertegenwoordigd. Dit kan de lagere inkomensstijging ten opzicht van de hier berekende inkomensstijging (36 versus 42%) verklaren. Bij alleenstaande ouders en samenwonenden is de gemeten inkomensmutatie groter dan hier berekend. Dit kan komen omdat de uitstroom relatief kansrijker is en daardoor een beter perspectief heeft dan de totale populatie werkloze minima. Verder speelt een rol dat in het onderzoek van Regioplan geen rekening is gehouden met het verlies aan kwijtschelding, gemeentelijk beleid en kinderopvang. Daardoor wordt de inkomensverbetering overschat.
Figuur 2.5 geeft de samenstelling van de gemiddelde inkomensmutatie in euro’s. De lengte van de staven geeft het verdiende brutoloon weer. Binnen de staven is aangegeven wat op het brutoloon in mindering komt: het verlies van de netto uitkering, het verlies aan subsidies (WTOS, WSF, huurtoeslag, gemeentelijk inkomensbeleid, zorgtoeslag en langdurigheidstoeslag), de extra kosten (thuiszorg, kinderopvang) en de heffingen op het loon (belasting, premies). Het restant is de netto inkomensmutatie.
Figuur 2.5 Bestemming brutoloonmutatie naar hoogte inkomensstijging bij het vinden van een baan, 2006


Uit de figuur blijkt dat de belangrijkste oorzaak van een negatieve of lage mutatie van het netto huishoudinkomen ligt in de lage verdiencapaciteit in de baan en de relatief hoge uitkering die vervalt bij het vinden van een baan. Het vervallen van subsidies heeft maar een beperkte betekenis. Pas bij een grotere bruto mutatie wordt het effect van het vervallen van inkomensafhankelijke regelingen groter. Het relatief geringe effect heeft ondermeer te maken met het feit dat niet alle minima gebruik maken of recht hebben op alle inkomensafhankelijke regelingen. Van de doelgroep heeft 64% huurtoeslag en maakt 47% gebruik van de mogelijkheden tot kwijtschelding van lokale lasten. Op basis van de gehanteerde veronderstellingen doet 70% beroep op bijzondere bijstand. De invloed van extra uitgaven voor thuiszorg en kinderopvang zijn gemiddeld zo beperkt dat het effect niet zichtbaar is in de figuur. Ongeveer 7% van de werkloze minima heeft bij het vinden van een baan behoefte aan formele kinderopvang.
Niet bij alle gebruikers van deze regelingen neemt de subsidie door participatie af (al is de verwachting van de betrokkenen vaak wel zo). Tabel 2.3 geeft weer hoeveel werkloze minima gebruik maken van inkomensafhankelijke regelingen en van welk deel van de gebruikers het voordeel van de regelingen bij het vinden van een baan afneemt. Ook het gemiddelde verlies bij het vinden van een baan wordt per regeling vermeld.


1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina