De armoedeval Een nieuwe kijk op een oud probleem



Dovnload 419.03 Kb.
Pagina4/8
Datum20.08.2016
Grootte419.03 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

Tabel 2.3 Vermindering recht op inkomensafhankelijke regelingen, 2006




Aantal x 1000

In % aantal gebruikers

Gemiddeld bedrag per jaar

Huurtoeslag

165

66

-1100

Gemeentelijk beleid

271

98

-350

Kwijtschelding

131

72

-400

Zorgtoeslag

246

63

-250

Langdurigheidstoeslag

223

100

-350

Formele kinderopvang

26

100

-200

Totaal

361




-1300

De belangrijkste inkomensafhankelijke regelingen die bijdragen aan de werkloosheidsval zijn het gemeentelijke beleid5, de huurtoeslag en de zorgtoeslag. Het recht op gemeentelijk inkomensbeleid vervalt meestal. Voor de meeste gebruikers van de huurtoeslag (66%) vermindert de toeslag; gemiddeld met 1100 euro. De zorgtoeslag neemt in 60% van de gevallen af (250 euro). Bij het vinden van een baan vervalt in alle gevallen het recht op de langdurigheidstoeslag. Deze toeslag wordt overigens alleen verstrekt aan personen zonder arbeidsinkomen met weinig perspectief op een baan. Hierdoor blijft de invloed hiervan op de werkloosheidsval in de praktijk beperkt.


2.4 Het benodigde bruto loon

Werkloze minima zullen voor zichzelf een beeld hebben van de minimale inkomensvooruitgang bij uitstroom. De afweging is daarbij of financiële en niet financiële voordelen van werk opwegen tegen de geleverde inspanning (het verlies aan vrije tijd, investeringen in opleiding) en andere nadelen: reistijd, bezwarende werkomstandigheden, kwaliteit van het werk evenals extra kosten welke niet worden vergoed door de werkgever. Gemiddeld kunnen deze voor de laagste inkomens worden geschat worden op 5% van het loon (Antonides en van Raay, 2000). Een inkomensstijging van 5% is dus minimaal nodig.


Wanneer we er van uitgaan dat het reserveringsloon van alle werkzoekenden een vast percentage, bijvoorbeeld 10 of 20% hoger ligt dan het uitkeringsinkomen, kunnen we nagaan welk brutoloon nodig is om deze netto inkomensstijging te bereiken. Door het verlies aan inkomensafhankelijke regelingen, waaronder de uitkering, is dit bruto benodigde loon verschillend per huishouden. Figuur 2.6 geeft weer hoeveel procent van de werkloze minima er bij een bepaald bruto loon minimaal 10 of 20% op vooruit gaat.
Figuur 2.6 Het benodigde loon voor een inkomensvooruitgang van 10 en 20%


Met 100% van het minimumloon gaat 78% van de werkzoekende minima er naar verwachting 10% of meer op vooruit. Een vooruitgang van 20% of meer ligt voor 42% van de minima in het verschiet bij een baan op minimumloon niveau. Bij een baan tegen 120% van het minimumloon gaat 90% van de minima er minimaal 10% op vooruit. Pas bij 150% van het minimumloon geldt dat 90% van de minima er minimaal 20% op vooruit gaan.
De vraag is of het benodigde brutoloon voor een vooruitgang van 10 of 20%, gezien het verwachte aantal uren werk en de verwachte verdiencapaciteit van de werkloze minima ook reëel is. In figuur 2.7 is het loon dat nodig is om een bepaalde inkomensvooruitgang te bereiken vergeleken met het verwachte loon. De hoogte van de staven geeft het percentage minima aan waarvoor het verwachte loon lager ligt dan het loon dat nodig is om een 10 of 20% vooruitgang te bereiken.
Figuur 2.7 Verwachte loon lager dan loon dat nodig is om 10 en 20% inkomensstijging te bereiken, 2006


In totaal is voor bijna 40% van de minima het benodigde brutoloon om 10% vooruitgang te bereiken hoger dan het loon dat verwacht mag worden. Voor deze groep ligt een inkomensvooruitgang van 10% dus niet onmiddellijk in het vooruitzicht. Voor de helft van de minima is het benodigde brutoloon om een inkomensverbetering van 20% te bereiken niet reëel. Dit geldt vooral voor alleenstaande ouders.
2.5 Veranderingen 2002-2006

Tussen 2002 en 2006 zijn verschillende maatregelen genomen welke de werkloosheidsval hebben verkleind, waaronder:



  • verhoging van de arbeidskorting

  • afschaffen van de categoriale bijstand

  • vermindering kwijtschelding lokale lasten (afschaffen gebruikersdeel OZB)

  • verlaging WTOS (afschaffen lesgeld 16-17 jarigen)

  • aanpassing kinderkortingen

  • verhoging van de combinatiekorting

Hiertegenover staat een stijging van de pensioenpremies welke heeft bijgedragen aan een vergroting van de werkloosheidsval wanneer een baan wordt gevonden boven het niveau van het minimumloon.


De werkloosheidsval is in de periode 2002-2006 per saldo kleiner geworden. Dit blijkt uit figuur 2.8. Hierin is voor dezelfde huishoudens de inkomensmutatie bij het vinden van een baan berekend voor 2002 en 2006. Het aantal huishoudens dat er bij het vinden van een baan op achteruit gaat is beduidend afgenomen.
Figuur 2.8 Inkomensmutatie bij het vinden van een baan 2002 en 2006



3 De herintredersval
3.1 De populatie

Samenwonende partners kunnen er voor kiezen om arbeid en zorgtaken onderling te verdelen. Eén van de mogelijkheden daarbij is dat één partner het inkomen verwerft en de andere partner zich richt op zorgtaken. Voor deze niet werkende partners berekenen we hier het financiële effect van participatie.



Onder niet werkende partners verstaan we samenwonende personen zonder enige persoonlijke bron van inkomen. Daarbij gaat het om winst, loon of enige uitkering. Tabel 3.1 geeft de samenstelling van deze groep weer.
Tabel 3.1 Samenstelling populatie partners zonder inkomensbron, raming 2006




Aantal personen zonder inkomen x 1000

als % totale groep

Aandeel totaal categorie




Aantal personen zonder inkomen x 1000

als % totale groep

Aandeel totaal categorie

Levensfase




%

%

Inkomensbron partner




%

%

Tot 35 jaar zonder kind

25

3.2

3.3

Arbeid

623

79.7

12.4

Jongste kind <5 jaar

157

20.1

11.8

Uitkering ex prepensioen

118

15.1

21.9

Jongste kind 5-12 jaar

138

17.6

11.4

Uitkering prepensioen

41

5.2

33.0

Zonder kind <12










Gemeentegrootte










35-44 jaar

47

6.0

8.6

Tot 50000

466

59.6

12.7

45-54 jaar

198

25.3

13.3

50000 – 150000

186

23.8

11.1

55-59 jaar

133

17.0

19.1

150000 – 250000

56

7.2

11.0

60-64 jaar

85

10.9

18.5

250000 of meer

73

9.3

11.9

Opleiding










Etniciteit










Basis

101

12.9

24.5

Autochtoon

643

82.2

11.5

Lbo, mavo

371

47.4

17.9

Westers allochtoon

56

7.2

12.0

Mbo, havo

204

26.1

9.7

Niet-westers allochtoon

83

10.6

19.0

Hbo

76

9.7

5.7













Wo

22

2.8

4.1













TOTAAL__782__100__12.1__TOTAAL'>TOTAAL

782

100

12.1

TOTAAL

782

100

12.1

In totaal zijn er 780.000 samenwonende partners, meestal vrouwen, zonder eigen bron van inkomen. Onder de jongere generatie is het aantal partners zonder inkomen nog maar 3% van het totale aantal samenwonenden. Een aantal partners, meestal vrouwen, kiest er voor om (tijdelijk) uit te treden en zelf voor de kinderen te zorgen. Bij de gezinnen met jonge kinderen stijgt het aantal partners zonder inkomen daardoor tot bijna 12%. De meeste partners hebben dus een eigen bron van inkomen.

Wanneer we alleen naar de vrouwen met jonge kinderen kijken heeft 20% geen eigen bron van inkomen. Het grootste deel werkt in een baan van minder dan 35 uur per week (Figuur 3.1).
Figuur 3.1 Arbeidsmarktpositie vrouwen met jonge kinderen

Wanneer de kinderen ouder worden is het door het verlies aan recente werkervaring en kennis en het gebrek aan geschikte (deeltijd) banen niet altijd gemakkelijk om weer opnieuw een baan te vinden. Uit tabel 3.1 blijkt dat de participatie stijgt wanneer het jongste kind ouder dan 12 jaar wordt en vervolgens weer afneemt bij het ouder worden. Ruim de helft van de partners zonder eigen bron van inkomen heeft geen jonge kinderen (meer) en is ouder dan 45 jaar.


Uit tabel 3.1 komt ook naar voren dat er bij partners onderling een relatie bestaat tussen het al dan niet hebben van werk. Wanneer de ene partner een uitkering heeft dan heeft de andere partner vaak ook geen eigen inkomen.
Het zijn vooral laag opgeleide partners die geen eigen inkomen hebben. 60% van de partners heeft een opleiding tot maximaal lbo/mavo niveau. Net als bij het hoge aantal laag opgeleiden onder de minima kan dit te maken hebben met zowel vraag als aanbod factoren. Een verschil is wel dat hier sprake is van een grotere mate van keuzevrijheid. Omdat er nog een partnerinkomen aanwezig is kan er gemakkelijker een keuze gemaakt worden tussen een (niet altijd even aantrekkelijke) baan en vrije tijd.
In tegenstelling tot de werkzoekenden met een minimum uitkering zijn de partners zonder eigen inkomen geconcentreerd in de kleinere gemeenten. Het aandeel partners zonder eigen inkomen verschilt veel minder tussen allochtonen en autochtonen dan bij de werkloze minima.
In de afgelopen decennia is de omvang van de groep potentiële herintreders fors gedaald (tabel 3.3). De stijging van de arbeidsparticipatie is in de jaren zeventig begonnen met hoog opgeleide vrouwen gevolgd door de vrouwen met een lagere opleiding. De toename van de laag opgeleide vrouwen is het laatst op gang gekomen. Dit proces is nog niet voltooid. Het aantal potentiële herintreders met een opleiding tot maximaal lbo/mavo is weliswaar fors gedaald maar dit vormt nog steeds de grootste groep.
Tabel 3.3 Ontwikkeling aantal personen zonder inkomen 1985-2006




1985

1993

2002

2006 1)

Levensfase












Tot 35 jaar zonder kind

73

52

33

25

Jongste kind <5 jaar

440

318

187

157

Jongste kind 5-12 jaar

382

253

157

138

Zonder kind tot 12













35-44 jaar

157

115

55

47

45-54 jaar

315

319

219

198

55-59 jaar

183

155

145

133

60-64 jaar

104

88

79

85

Opleiding













Basis

520

260

112

101

Lbo, mavo

665

624

411

371

Mbo, havo

363

299

231

204

Hbo

67

81

85

76

Wo

27

25

25

22

TOTAAL

1654

1301

874

782

1) raming
Het aantal potentiële herintreders onder de gezinnen met jonge kinderen is ook substantieel gedaald. Hier is mogelijk sprake van een cohort effect. Onder de jongere generaties is het werken van beide partners de norm. Naarmate de jongere generatie ouder wordt zou de participatie onder de ouderen daardoor verder kunnen gaan stijgen.
3.2 Het brutoloon

Voor niet werkende partners van alleenverdieners berekenen we de financiële gevolgen van het vinden van een baan. De eerste stap daarbij is het vaststellen van het brutoloon in de baan. Evenals bij de berekening van de werkloosheidsval gaan we uit van de verwachte arbeidsduur en het verwachte uurloon.


De herintreders zullen, gezien hun persoons- en huishoudsituatie, naar verwachting voor bijna 85% terecht komen in een deeltijdbaan van minder dan 32 uur. Het grote aandeel deeltijdbanen in Nederland wijkt sterk af van het aandeel in andere EU landen. Dit is enerzijds het gevolg van een grote vraag naar deeltijdarbeid welke flexibel ingezet kan worden. Anderzijds is ook het aanbod van deeltijdarbeid groot. Dit komt deels voort uit de voorkeur voor het zelf zorgen voor de kinderen. Ook onder oudere werknemers is het aandeel deeltijders echter groot. Berekend kan worden dat wanneer alle 780.000 personen zonder inkomensbron zouden gaan werken tegen het verwachte aantal uren, dit 430.000 voltijdbanen zou opleveren.
Figuur 3.2 Verwachte arbeidsduur niet werkende partners

Het verwachte uurloon van niet werkende partners ligt in de helft van de gevallen beneden 120% van het minimumloon (figuur 3.3). De spreiding is kleiner dan bij de werkloze minima. Er zijn onder de herintreders minder mensen met een hogere verdiencapaciteit te vinden dan onder de werklozen. De lagere loonvoet wordt ook veroorzaakt door de sterke voorkeur voor deeltijdarbeid. Het loon in deeltijdbanen ligt vaak lager. Deeltijdwerk beperkt ook de mogelijkheden voor opwaartse mobiliteit, waardoor ook na verloop van tijd de beloning lager blijft (zie ook paragraaf 4.2).


Figuur 3.3 Verwachte uurloon niet werkende partners


Het verwachte loon bij participatie (arbeidsduur x uurloon) ligt in 35% van de gevallen beneden een half minimumloon. Een groot deel betreft gezinnen met jonge kinderen en partners van 55 jaar en ouder.

1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina