De armoedeval Een nieuwe kijk op een oud probleem



Dovnload 419.03 Kb.
Pagina5/8
Datum20.08.2016
Grootte419.03 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

Figuur 3.4 Verwachte loon niet werkende partners


3.3 De inkomensmutatie

Het netto voordeel van participatie is weergegeven in figuur 3.5. Het lage verwachte brutoloon zorgt ervoor dat de inkomensmutatie bij participatie beperkt blijft. Hoewel de verwachte loonvoet onder de herintreders lager ligt dan onder de werkloze minima ligt de netto inkomensvooruitgang bij een laag bruto loon beduidend hoger. Dit komt omdat hier geen uitkering vervalt. De marginale druk is in 60% van de gevallen minder dan 40%. Negatieve inkomensmutaties als gevolg van participatie komen daardoor onder de herintreders nagenoeg niet voor.


Figuur 3.5 Puntenwolk inkomensmutaties naar verdiend loon

De procentuele inkomensmutatie als gevolg van herintreden wordt hoger naarmate het huishoudinkomen voorafgaand aan de participatie lager is (figuur 3.6). Een extra inkomen telt daar relatief zwaar aan. Herintreden leidt daarom voor lager opgeleiden, met over het algemeen ook een laag huishoudinkomen, tot een substantiële verbetering van het inkomen. Het omgekeerde is het geval onder de hogere inkomens. Voor deze potentiële herintreders is de financiële druk om te gaan werken minder groot. Tegelijkertijd is ook de bijdrage van een extra inkomen relatief gering.


Figuur 3.6 Puntenwolk inkomensmutaties naar huishoudinkomen


Tabel 3.2 laat dit ook zien. Een geringe inkomensstijging komt vooral voor bij herintreders met een verwacht loon tot 50% minimumloon. De grootste inkomensstijging bij herintreden ontstaat bij de inkomens tot modaal.
Een deel van de niet werkende partners maakt gebruik van inkomensafhankelijke regelingen. De marginale druk ligt onder de gebruikers van deze regelingen meer dan 10% punten hoger dan gemiddeld. Van de niet werkende partners heeft 8% huurtoeslag en maakt 16% gebruik van de tegemoetkoming studiekosten of studiefinanciering.
Ongeveer 9% van de niet werkende partners heeft bij het vinden van een baan behoefte aan formele kinderopvang. Voor kinderen tot 4 jaar wordt in meer dan de helft van de gevallen opvang in de informele sector gevonden (grootouders, kennissen). Voor oudere kinderen is dit veel vaker het geval. In de overige gevallen wordt beroep gedaan op een kinderopvanginstelling. Verondersteld is dat dit ook zal gelden voor de nog niet werkende partners.
Tabel 3.2 Spreiding inkomensmutaties als gevolg van participatie niet werkende partner, 2006




Inkomensmutatie (aantal x 1000)

<10% 10-20% 20-40% >40%

Totaal aantal

Huidig inkomen

Bruto mutatie

Margi-nale druk

Netto mutatie

Verwacht loon




















%

%

< 50% wml

140

92

42

.

276

24800

4300

43

12

50-75% wml

6

36

115

16

173

26000

10400

40

27

75-100% wml

.

11

62

51

126

27900

14200

38

40

>100% wml

.

8

47

147

205

28700

22900

41

60

Huidig inkomen




























Tot modaal

46

37

74

100

46

17700

11400

44

42

l-1.5 modaal

50

51

97

79

50

22700

11500

41

32

>1.5 modaal

55

59

95

38

55

40200

13700

38

24

Regelingen 1)




























Huurtoeslag

16

14

17

17

64

19800

11200

54

28

WSF, TS

32

32

39

24

127

24500

11500

52

26

Kinderopvang

8

17

33

15

73

29400

15100

50

30

Totaal

151

147

266

216

780

26600

12200

41

33

1) Gebruik van regeling zonder participatie partner, alleen gebruikte formele kinderopvang in geval van participatie.
Figuur 3.7 geeft de hoogte van de bruto inkomensmutatie weer en het deel dat daarvan weer wegvloeit als gevolg van heffingen en inkomensafhankelijke regelingen. De netto inkomensmutatie bij herintreden wordt vooral beperkt door de heffingen op het verdiende loon. Door het beperkte aantal gebruikers van inkomensafhankelijke regelingen is het effect van deze regelingen in het totaalbeeld beperkt.
Figuur 3.7 Bestemming brutoloonmutatie naar hoogte inkomensmutatie


Voor de huishoudens die gebruik maken van deze regelingen en te maken hebben met een verlies aan subsidie gaat het om substantiële bedragen (tabel 3.3). Vooral de afname van het recht op studiefinanciering (de aanvullende beurs) en de extra kosten voor kinderopvang zijn hoog.
Tabel 3.3 Vermindering recht op inkomensafhankelijke regelingen, 2006




Aantal x 1000

In % aantal gebruikers

Gemiddeld bedrag per jaar













Huurtoeslag

62

97

-1100

Studiefinanciering WSF

53

75

-2000

Tegemoetkoming studiekosten

44

68

-800

Zorgtoeslag

533

99

-400

Formele kinderopvang

73

100

-2700

Totaal

576




-1100



3.4 Het benodigde bruto loon

Wanneer we er van uitgaan dat het reserveringsloon van de potentiële herintreders een vast percentage, bijvoorbeeld hoger ligt dan het huidige inkomen, kunnen we nagaan welk bruto inkomen daarvoor nodig is. Figuur 3.8 geeft weer hoeveel procent van de herintreders een bepaald bruto loon nodig heeft om een gewenste inkomensvooruitgang van 20% en 30% te bereiken.


Figuur 3.8 Het benodigde loon voor een inkomensvooruitgang van 20 en 30%


Voor 65% van de herintreders wordt met een half minimumloon een inkomensvooruitgang van 20% of meer bereikt. 80% van het minimumloon is nodig om er voor te zorgen dat 90% van de herintreders er minimaal 20% op vooruit gaat.
De vervolgvraag is of dit bruto loon, gezien het verwachte aantal uren werk en de verwachte verdiencapaciteit van de herintreders ook reëel is. Uit figuur 3.9 blijkt dat voor 34% van de herintreders het benodigde brutoloon om 20% vooruitgang te bereiken hoger is dan verwacht mag worden. Voor deze groep ligt een inkomensvooruitgang van 20% dus niet in het vooruitzicht.
Figuur 3.9 Verwachte loon lager dan loon dat nodig is om 10 en 20% inkomensstijging te bereiken



3.5 Veranderingen 2002-2006

De veranderingen in de omvang van de herintredersval worden bepaald door veranderingen in de marginale druk (de regelgeving), veranderingen in het verwachte loon bij herintreden en in de hoogte van het partnerinkomen. Tussen 2002 en 2006 hebben een aantal maatregelen bijgedragen aan het verkleinen van de herintredersval, waaronder:



  • verhoging van de arbeidskorting

  • verlaging WTOS (afschaffen lesgeld 16-17 jarigen)

  • aanpassing kinderkortingen

  • verhoging overheidsbijdrage kinderopvang

  • verhoging combinatiekorting

Tegelijkertijd is de herintredersval vergroot door:



  • hogere pensioenpremies, hogere premie AWBZ

  • vervallen voordeel goedkope ZFW verzekering voor particulier verzekerde partners 2006

Per saldo is het aantal herintreders met een inkomensvooruitgang van meer dan 40% afgenomen en het aantal herintreders met een kleinere inkomensvooruitgang toegenomen (figuur 3.10).


Figuur 3.10 Inkomensmutatie bij herintreden 2002-2006



4 De deeltijdval
4.1 De populatie

Voor alle werknemers met een deeltijdbaan berekenen we hier het financiële effect van een uitbreiding van het aantal gewerkte uren. Onder deeltijdbanen verstaan we alle banen met een arbeidsduur van 32 uur per week of minder. Banen van studenten zijn buiten beschouwing gelaten.


In de jaren negentig heeft de toename van de werkgelegenheid voornamelijk plaats gevonden via deeltijdwerk. Vraagfactoren zoals de verschuiving van de werkgelegenheid naar bedrijfstakken met een grotere vraag naar deeltijdarbeid hebben bijgedragen aan de groei van het aantal deeltijdbanen. Ook de toegenomen behoefte van bedrijven aan organisatorische flexibiliteit heeft bijgedragen aan de groei van deeltijdwerk. Gedurende de sterke economische groei van de jaren negentig hebben de Nederlandse bedrijven ook moeten inspelen op de wensen van het groeiende arbeidsaanbod om voldoende nieuwe werknemers te kunnen aantrekken (CPB, 2004).
Bij gezinnen met jonge kinderen is de vraag naar deeltijdarbeid groot (tabel 4.1). De voorkeur voor het zelf zorgen voor de kinderen is een typisch Nederlands fenomeen. In de noordelijke Europese landen is het volledig uitbesteden zorg vanzelfsprekend. In zuidelijk Europa komt het zelf zorgen vaak op de eerste plaats, waarbij ook de familie een functie vervult. Nederland neemt een tussenpositie in: vooral vrouwen werken vaak niet of in een deeltijdbaan. Kinderopvang vindt vaak plaats door familie en bekenden.
Tabel 4.1 Samenstelling populatie werknemers met een deeltijdbaan, raming 2006




Aantal deeltijd-werkenden x 1000

als % totale groep

Aandeel totaal categorie




Aantal deeltijd-werkenden x 1000

als % totale groep

Aandeel totaal categorie

Levensfase




%

%

Inkomensbron partner




%

%

Tot 35 jaar zonder kind

397

16.8

20.9

Arbeid

1642

69.3

43.0

Jongste kind <5 jaar

480

20.3

44.9

Uitkering ex prepensioen

129

5.4

42.9

Jongste kind 5-12 jaar

462

19.5

45.3

Uitkering prepensioen

21

0.9

73.7

Zonder kind tot 12






















35-44 jaar

242

10.2

30.2

Geslacht










45-54 jaar

528

22.3

37.9

Mannen

421

17.8

11.0

55-59 jaar

190

8.0

39.0

Vrouwen

1947

82.2

65.3

60-64 jaar

69

2.9

49.9













Opleiding






















Basis

110

4.6

35.6

Etniciteit










Lbo, mavo

717

30.3

37.5

Autochtoon

2051

86.6

35.5

Mbo, havo

866

36.6

35.6

Westers allochtoon

176

7.4

33.0

Hbo

515

21.7

33.4

Niet-westers allochtoon

141

6.0

28.9

WO

161

6.8

26.4













TOTAAL

2368

100

34.8

TOTAAL

2368

100

34.8

Wanneer de kinderen ouder worden neemt in eerste instantie de vraag naar voltijdarbeid toe. Met het ouder worden wordt echter weer meer in deeltijd gewerkt. Boven de 60 jaar werkt bijna de helft van de werknemers minder dan 32 uur. Wanneer de partner van de werknemer een vut of prepensioen uitkering heeft is de kans groter dat er sprake is van een deeltijdbaan. Deeltijdarbeid komt minder vaak voor onder hoogst opgeleiden. Niet-westers allochtonen werken ook minder vaak in een deeltijdbaan.


4.2 Het extra bruto loon

Het financiële effect van meer uren werken meten we hier niet als inkomensvooruitgang maar als marginale druk. Om de omvang van de marginale druk bij uitbreiding van de arbeidsduur vast te kunnen stellen moet eerst de brutoloonmutatie worden vastgesteld. Dit stellen we hier gelijk aan het aantal extra uren arbeid maal de loonvoet in de huidige deeltijdbaan.


Uitbreiding van het aantal arbeidsuren kan op langere termijn bijdragen aan het vergroten van de carrièrekansen en daarmee het uurloon verhogen. Hiermee is hier geen rekening gehouden Onderzoek van het OSA laat zien dat deeltijdarbeid de kansen op opwaartse mobiliteit ook na uitbreiding van de arbeidsduur vermindert. Vrouwen hebben hier meer hinder van dan mannen. Personen die eerder in hun loopbaan in deeltijd hebben gewerkt hebben ook in een voltijdbaan een lager uurloon. Deze negatieve effecten op het uurloon zijn na verloop van tijd nog steeds merkbaar (OSA 2001).
Uit onderzoek van het CBS blijkt dat de meeste werknemers die meer willen werken ongeveer een dag extra willen werken (CBS, 2005). De financiële gevolgen voor uitbreiding van het aantal uren laten we daarom zien voor een uitbreiding van de arbeidsduur met 1 dag per week.
De bruto loonstijging bij een dag langer werken tegen het huidige uurloon is weergegeven in figuur 4.1. Voor de meeste deeltijders ligt de bruto vooruitgang tussen de 2500 en 10000 euro per jaar. In procenten van het huidige loon is de vooruitgang uiteraard het grootst voor de deeltijders met de kleinste banen.

1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina