De armoedeval Een nieuwe kijk op een oud probleem



Dovnload 419.03 Kb.
Pagina6/8
Datum20.08.2016
Grootte419.03 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

Figuur 4.1 Brutoloonstijging door 1 dag extra werken

Wanneer alle werknemers met een deeltijdbaan van minder dan 32 uur per week 1 dag extra zouden werken zou het arbeidsvolume met 0.5 mln. voltijdbanen toenemen. Dit arbeidspotentieel is daarmee meer dat van de werkloze minima en de potentiële herintreders.


Uit het CBS onderzoek (CBS,2005) blijkt dat in 2003 84% van alle werknemers (voltijd en deeltijd) tevreden is met de huidige arbeidsduur. 6% wil meer uren werken, 10% wil minder uren werken of stoppen met werken. Dit laatste komt vooral veel voor onder werknemers boven de 50 jaar en onder vrouwen met jonge kinderen. Vrouwen met een kind tussen de 4 en 18 jaar willen vaak meer uren werken.
4.3 De marginale druk

In figuur 4.2 wordt een beeld gegeven van de omvang van de marginale druk die ontstaat door een extra dag werken. De marginale druk omvat niet alleen de directe heffingen op het inkomen maar ook het effect van en afname van inkomensafhankelijke regelingen. Omdat het aantal uren arbeid wordt uitgebreid ontstaat er in een aantal gevallen ook een grotere behoefte aan kinderopvang. Voorzover het hier gaat om vraag naar formele opvang zijn de kosten hiervan meegenomen.



Figuur 4.2 Puntenwolk marginale druk

Voor de meeste werknemers met een laag loon (kleine deeltijdbanen) is de marginale druk relatief laag. Dit wordt ondermeer veroorzaakt door de franchise in pensioenpremies en WW, de hogere arbeidskorting (vanaf 50% minimumloon) en het ontstaan van recht op combinatiekorting. Vanaf het minimumloon stijgt de marginale druk naar ca 50%. Dit is gelijk aan de marginale druk die ontstaat bij een loonstijging (figuur 5.3).


Van alle deeltijd werkenden heeft 19% te maken met een marginale druk van meer dan 60% bij uitbreiding van de arbeidsduur (tabel 4.2).
Tabel 4.2 Spreiding marginale druk (aantallen x 1000), 2006




Marginale druk

<40% 40-60% 60-80% >80% Totaal




Huidig loon



















< 0,5 minimum

189

108

37

9

343




0,5-1 minimum

472

220

73

37

802




min – modaal

73

549

125

52

799




1-1,5 modaal

11

223

45

14

293




>1,5 modaal

2

102

20

10

134




Huishouden



















Tot 35 jaar zonder kind

166

214

8

9

397




Jongste kind <5 jaar

123

203

112

43

481




Jongste kind 5-12 jaar

158

207

65

31

461




Zonder kind tot 12



















35-44 jaar

68

143

24

8

243




45-54 jaar

157

286

67

18

528




55-59 jaar

58

109

16

8

191




60-64 jaar

17

39

7

5

68




Regelingen 1)



















Geen gebruik.

363

752

41

19

1175




Minimum uitkering

2

6

9

29

46




Huurtoeslag

24

30

33

31

118




WSF, WTOS

36

84

78

15

213




Kinderopvang

13

55

141

52

261




Zorgtoeslag

377

382

110

58

927




Totaal

747

1201

299

120

2367




  1. Het betreft hier aantallen deeltijders, geen huishoudens. Een huishouden met

huurtoeslag waarin beide partners in deeltijd werken wordt dus twee keer geteld.

Vooral gezinnen met jonge kinderen hebben vaak te maken met een hoge marginale druk. Deze ontstaat door de extra kosten van kinderopvang, welke maar voor een deel worden gecompenseerd door een hogere werkgevers- en overheidsbijdrage. Ook gebruikers van huurtoeslag, tegemoetkomingen studiekosten en inkomensgetoetste minimum uitkeringen hebben een hoge marginale druk. De belangrijkste inkomensafhankelijke regeling is de zorgtoeslag. Deze zorgt echter in de meeste gevallen niet voor een grote marginale druk.


Opvallend is verder dat ouderen boven de 60 jaar, waarvan een groot aantal in deeltijd werkt, niet te maken heeft met een hoge marginale druk bij uitbreiding van de arbeidsduur. De deeltijdval is voor die groep dus geen probleem.
Ouders met kinderen

Ouders die voorafgaand aan de uitbreiding van het aantal uren al gebruik maakten van formele kinderopvangvoorzieningen krijgen te maken met hogere kosten. Bij een ander deel van de ouders zal pas na de uitbreiding behoefte aan kinderopvang ontstaan. Tabel 4.3 geeft een raming van het aantal werknemers met behoefte aan kinderopvang na de uitbreiding van de arbeidsduur.


Tabel 4.3 Deeltijdwerknemers met verwachte behoefte aan

kinderopvang (aantallen x 1000), 2006




Jongste kind <5 jaar

Jongste kind

5-12 jaar



Totaal

480

462

Eigen opvang thuis

12

30

Informele opvang

269

324

Formele opvang

199

108










Wv eigen bijdrage <10% netto loon

99

69

10-20% netto loon

94

36

>20% netto loon

.

.










Wv eigen bijdrage <3% huishoudinkomen

99

69

3-6% huishoudinkomen

94

36

>6% huishoudinkomen

.

.

In een aantal gevallen kan de kinderopvang nog thuis worden geregeld. Dat kan zijn omdat de partner niet werkt of in deeltijd werkt. Vooral bij kinderen die al naar de basisschool is het gemakkelijker om arbeid en zorg te combineren. Wanneer er kinderopvang nodig is, wordt dit in de meeste gevallen informeel geregeld6.


De ouderbijdrage voor formele kinderopvang die nodig is bij uitbreiding van de arbeidsduur loopt op tot 20% van het extra netto loon. De omvang van dit bedrag is sterk afhankelijk van het inkomen van de andere partner. De extra eigen bijdrage is meestal minder dan 6% van het huishoudinkomen.
Omdat deze extra uitgaven zo zichtbaar zijn en cumuleren met andere heffingen is het belang hiervan in de financiële afweging waarschijnlijk groter dan de normale marginale druk van premies en belasting. Daar staat weer tegenover dat ouders met jonge kinderen ook los van financiële overwegingen een voorkeur kunnen hebben om in deeltijd te werken. Bijna 16% van de werkende vrouwen met kinderen van 0-3 jaar geeft aan minder uren te willen werken. Daarbij kunnen overigens ook de kosten van formele opvang een rol spelen.
Vooral wanneer de kinderen ouder worden neemt de vraag naar uitbreiding van de arbeidsduur toe. 10% van de vrouwen met oudere kinderen geeft aan meer uren te willen werken. Voor deze groep is het daarom relevant om na te gaan of financiële belemmeringen hier een rol spelen. Het gaat dan om deeltijdwerkenden met kinderen van 5-11 jaar waarbij nog behoefte bestaat aan naschoolse opvang en om deeltijders met kinderen vanaf 12 jaar.
Tabel 4.4 Deeltijdwerkers met kinderen 5-16 jaar

(aantallen x 1000), 2006




Jongste kind 5-11 jaar

Jongste kind 12-16 jaar

Totaal aantal

461

190

Wv huidig loon < minimumloon

303

103

Marginale druk > 60%

96

35

Marginale druk >80%

44

8

Met huurtoeslag

31

7

Met formele kinderopvang

70

0

Met WTOS,WSF

39

61


1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina