De armoedeval Een nieuwe kijk op een oud probleem



Dovnload 419.03 Kb.
Pagina7/8
Datum20.08.2016
Grootte419.03 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

In deze groep ligt het loon veelal beneden het minimumloon. Dit levert, zo bleek uit figuur 6.2 een lage marginale druk op bij uitbreiding van de arbeidsduur. Toch heeft nog altijd bijna 20% van de deeltijders met een kind van 5-11 jaar en 18% van de deeltijders met een kind tussen de 12 en 16 jaar een marginale druk boven de 60%.


In een aantal gevallen bestaat recht op huurtoeslag en tegemoetkoming in de studiekosten voor oudere kinderen. Deze regelingen dragen bij aan een hoge marginale druk bij uitbreiding van de arbeidsduur. Een hoge marginale druk voor deeltijders met kinderen van 5-11 jaar ontstaat ook door het gebruik van naschoolse opvang.
4.4 Veranderingen 2002-2006

Tussen 2002 en 2006 is de marginale druk bij uitbreiding van het aantal arbeidsuren voor deeltijd werknemers vergroot. Figuur 4.3 brengt dit in beeld. Dit is ondermeer veroorzaakt door een stijging in het belastingtarief in de tweede schijf en een stijging van de pensioenpremies.


Figuur 4.3 Marginale druk meer uren werken 2002 en 2006


5 De doorstroomval
5.1 De populatie

De financiële incentive voor betere prestaties en investeren in opleidingen wordt teniet gedaan wanneer er van de bruto loonstijging uiteindelijk netto weinig over blijft. Dit verschijnsel noemen we hier de doorstroomval. Deze doorstroomval berekenen we hier voor alle werknemers vanaf 23 jaar in een voltijdbaan.


De doorstroomval kan op korte termijn leiden tot ontevredenheid over de financiële compensatie van extra inspanningen (overwerk, hogere loonschaal ed.). Dit kan de motivering voor het leveren van prestaties aantasten. Daarnaast kan het oordeel over het lange termijnperspectief dusdanig zijn dat dit het investeren in een carrière ontmoedigd. Hier wordt vooral het financiële rendement van loonsverhogingen op korte termijn verkend.
5.2 De incidentele loonstijging

Uitgangspunt voor het berekenen van de doorstroomval op korte termijn is de verwachte incidentele loonstijging, dat wil zeggen de loonstijging als gevolg van individuele prestaties en toegenomen ervaring (periodieken) binnen hetzelfde bedrijf. Carrière door verandering van baan naar een andere werkgever blijft dus buiten beschouwing. De hoogte van deze incidentele loonmutatie kan berekend worden uit het AVO onderzoek van SZW.


Jongeren profiteren het meest van incidentele loonstijgingen (figuur 5.1). De stijging is groter naarmate het opleidingsniveau hoger is. Alleen de werknemers met alleen basisniveau hebben een hogere incidentele loonstijging.
Figuur 5.1 Brutoloonmutatie naar inkomensniveau



5.3 De marginale druk bij een incidentele loonstijging

In figuur 5.2 wordt een beeld gegeven van de omvang van de marginale druk die ontstaat door een incidentele loonstijging. De marginale druk omvat niet alleen de directe heffingen op het inkomen maar ook het effect van en afname van inkomensafhankelijke regelingen.


Figuur 5.2 Puntenwolk marginale druk

Het niveau van de marginale druk is over hele linie hoog. Opvallend is dat de marginale druk voor werknemers niet toeneemt met het inkomen. Over de gehele linie ligt de marginale druk tussen de 40 en 60%. Van een loonstijging moet dus in alle gevallen ongeveer de helft weer worden ingeleverd. Hier staan wel hogere rechten tegenover zoals hogere loongerelateerde uitkeringen en hogere pensioenaanspraken.


Specifieke problemen met de marginale druk doen zich voor bij de inkomens tot 60.000 euro. Daar is de spreiding in marginale druk groot. Deze kan oplopen tot boven de 80% en zelfs boven de 100%. Oorzaak is het vervallen van inkomensafhankelijke regelingen.
Tabel 5.1 Spreiding marginale druk (aantallen x 1000) 2006




Marginale druk

<40% 40-60% 60-80% >80% Totaal




Huidig loon



















< modaal

132

1085

128

57

1402




1-1.5 modaal

43

1237

121

52

1453




1.5 -2 modaal

18

458

32

11

519




2-3 modaal

11

253

11

5

280




>3x modaal

7

151

.

.

160




Huishouden



















Huishoudlid

14

281

.

.

295




Alleenstaand

57

707

8

10

782




Éénoudergezin

13

48

19

12

92




Alleenverdiener zonder kind

6

123

.

.

134




Alleenverdiener met kind

20

265

42

21

348




Tweeverdiener zonder kind

54

867

.

.

926




Tweeverdiener met kind

49

893

220

77

1239




Regelingen



















Geen gebruik.

105

2218

39

25

2387




Huurtoeslag

11

25

16

23

75




SF, WTOS

14

81

75

65

235




Kinderopvang

14

198

64

13

289




Totaal

211

3184

293

126

3814



Zoals blijkt uit tabel 5.1 is de marginale druk vooral hoog bij gezinnen met kinderen. Hier speelt de marginale druk van SF, WTOS en kinderopvang.


5.4 Veranderingen in de marginale druk 2002-2006

In de spreiding van de marginale druk is tussen 2002 en 2006 nauwelijks gewijzigd. Het gemiddelde marginale druk is iets gestegen Dit is vooral veroorzaakt door een stijging in het belastingtarief in de tweede schijf en een stijging van de pensioenpremies.


Figuur 5.3 Marginale druk loonstijging 2002 en 2006


5.5 Het carrièrepatroon

Behalve de incidentele loonsverhoging op een bepaald moment is ook het langere termijn perspectief van belang. De vraag is dan hoe zich over een groter aantal jaren het investeren in opleidingen ook een hoger loon oplevert. Figuur 5.4 geeft voor voltijd werknemers de ontwikkeling van het loon naar opleidingsniveau en leeftijd. Zoals al bleek uit figuur 4.1 is de loonstijging het grootst onder de jongeren. Onder de laagst opgeleiden stijgt het brutoloon gemiddeld genomen niet substantieel. Bij de hoogst opgeleiden stijgt het gemiddelde loon met 180% tot aan de 45-50 jarige leeftijd. Voor de werknemers met een hbo opleiding is de stijging 170% tot aan de 55-60 jarige leeftijd. Investeren in onderwijs betaalt zich dus terug in een beter carrièreperspectief.


Figuur 5.4 Ontwikkeling brutoloon voltijd werknemers


De daling van het gemiddelde loon die zichtbaar is in de hoogste leeftijdsklasse heeft niet noodzakelijk betrekking op het loon van individuele werknemers. Wanneer het loon van de ouderen door incidentele verhogingen minder stijgt dan voor jongeren (zoals bleek in figuur 5.1) daalt het gemiddelde loon van ouderen ten opzichte van de jongeren. Voor individuele werknemers betekent dit echter geen verlaging van het bruto loon.
Hoofdstuk III Invloed armoedeval op arbeidsmarktgedrag
Het achterliggende doel van het verminderen van de armoedeval is het verhogen van het arbeidsaanbod. De vraag is in welke mate vermindering van de armoedeval het arbeidsaanbod stimuleert. Dit is afhankelijk van de mate waarin de armoedeval in de praktijk een rol speelt bij de participatiebeslissingen op de arbeidsmarkt.
Om antwoord te kunnen geven op de bovengestelde vraag zijn een aantal veronderstellingen gemaakt die vervolgens zijn getoetst aan de ervaringen van mensen uit de praktijk. Hierbij is er gebruik gemaakt van interviews met mensen die in hun dagelijks werk op enigerlei wijze te maken hebben met de problemen op de arbeidsmarkt. Deze groep van mensen die zijn geïnterviewd varieert van onderzoekers tot bijstandconsulenten. De analyse die hierna volgt is gebaseerd op de verschillende interviews en vormt in die zin ook een samenvatting van de interviews. De interviews zijn in de periode december 2004/januari 2005 gehouden.
1 Gedragseffecten arbeidsmarkt

De volgende veronderstellingen zijn voorgelegd aan de geïnterviewden:



  • Er wordt de veronderstelling gemaakt dat een ieder een baan accepteert op het moment dat hij of zij daar financieel op vooruit gaat. De vraag rijst of dit voor alle mensen in gelijke mate geldt en of er niet een onderscheid bestaat tussen mensen die kans maken op banen op lagere en hogere inkomensniveaus.

  • De veronderstelling is dat voor de laatstgenoemde groep de keus ligt tussen niet werken of het aanvaarden van een goedbetaalde baan met vele niet-financiële voordelen, zoals ontplooiingsmogelijkheden op intellectueel gebied.

  • Voor de eerste groep wordt verwacht dat de keus ligt tussen niet-werken of een baan die zwaar is (lichamelijk en of psychisch). De veronderstelling is dat er bij de keuze voor dit soort werk vooral financiële overwegingen ten grondslag liggen, omdat laagbetaald werk in het algemeen minder ontplooiingsmogelijkheden biedt dan hoogbetaald werk. Daarom is het aannemelijk dat deze groep de keus voor werk alleen zal maken als het financieel gezien echt loont. De veronderstelling is dat mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt calculerender zullen opereren dan mensen aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. Calculerend optreden houdt in dat zij financiële factoren zwaarder zullen laten wegen bij de participatiebeslissing op de arbeidsmarkt.

  • Binnen beide groepen kan er verder onderscheid gemaakt worden tussen mensen met een hoge en mensen met een lage participatiekans. Voor mensen met een lage participatiekans, als gevolg van bijvoorbeeld te lage opleiding, weinig ervaring of een taalbarrière, zal het ontbreken van een financiële prikkel om te gaan werken niet de doorslaggevende toetredingsbelemmering vormen. Het ligt daarom voor de hand dat de groep met een hoge participatiekans en bij wie sprake is van calculerend optreden, als het gaat om het aanvaarden van werk, positief reageert op financiële prikkels.

Deze veronderstellingen worden samengevat in tabel 3.1. In deze tabel is een onderverdeling aangebracht naar kenmerken van personen op de arbeidsmarkt. Op de linkeras is een onderverdeling gemaakt naar het carrièreperspectief of de doorstroomkans van de inactieve. Een lage doorstroomkans houdt in dat men alleen in aanmerking komt op banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt en dat dit in de toekomst ook niet verbetert.

Een hoge doorstroomkans houdt in dat men in aanmerking komt op hoger betaalde banen of dat men na verloop van tijd kan doorstromen naar een hoger segment van de arbeidsmarkt. Dit hogere segment van de arbeidsmarkt wordt hier gekenmerkt door banen die beter betalen en een hogere kwaliteit/intrinsieke waarde bevatten. Op de horizontale as staat de participatiekans van werkenden/inactieven onderverdeeld naar mensen die respectievelijk een hoge dan wel een kleine afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Deze kans is naast opleidingsniveau, ook afhankelijk van andere factoren zoals communicatieve vaardigheden en psychische gesteldheid.
Tabel 3.1 Onderverdeling “arbeidsmarktkansen”




Participatiekans

Doorstroomkans/

Carrièreperspectieven



Laag

Hoog

Laag

1

2

Hoog

3

4

Dit is een simpele statische indeling7, maar deze indeling kan wel gebruikt worden bij het maken van een analyse naar het belang van financiële en niet-financiële factoren voor verschillende groepen.


Beschrijving van de groepen

Uit tabel 1 kunnen vier groepen afgeleid worden:

1. Mensen met een lage participatiekans en een lage doorstroomkans

2. Mensen met een hoge participatiekans en een lage doorstroomkans

3. Mensen met een lage participatiekans en een hoge doorstroomkans

4. Mensen met een hoge participatiekans en een hoge doorstroomkans


1. Mensen met een lage participatiekans en een lage doorstroomkans worden gevormd door mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (zowel uitkeringsgerechtigden als mensen zonder eigen inkomsten). Veelal zijn zij langdurig aangewezen op een uitkering of zitten langdurig in een situatie waarbij ze niet beschikken over eigen inkomsten (bijvoorbeeld vrouwen die de arbeidsmarkt verlaten hebben na het krijgen van kinderen).

2. Mensen met een hoge participatiekans met weinig carrièreperspectief beschikken over een startkwalificatie, maar kunnen vanwege een gebrek aan capaciteiten en opleidingen niet op eigen kracht een substantiële inkomensvooruitgang realiseren. Ze hebben weinig tot geen doorgroeimogelijkheden.

3. De groep met een lage participatiekans maar met een goed carrièreperspectief wordt vooral gevormd door hogere opgeleiden die vanwege andere (bijvoorbeeld psychische) belemmeringen niet goed kunnen participeren op de arbeidsmarkt. Als éénmaal de participatiebelemmeringen overwonnen zijn, zijn hun arbeidsmarktpositie en -vooruitzichten goed. Deze groep vormt een minderheid.

4. Mensen met een hoge participatiekans en een kans om door te stromen naar beter betaald werk zijn ook veelal laag- tot middelbaar opgeleid8, maar beschikken daarnaast over de noodzakelijke capaciteiten om zich op te werken.


In dit hoofdstuk staan de groepen 1, 2 en 4 centraal.
2 Factoren die van invloed zijn op het vergroten van het arbeidsaanbod
Korte beschrijving geïnterviewden

De geïnterviewden9 hebben in hun dagelijks werk te maken met de problemen op de arbeidsmarkt. De geïnterviewde personen hebben de volgende functies: hoogleraar Algemene Sociologie, een manager van een reïntegratiebedrijf, verschillende bijstandconsulenten van grote gemeenten, een salesmanager van het UWV, een procesmanager van Divosa10, een consulent van het CWI en onderzoekers van het SCP.


De geïnterviewde personen hebben uit hoofde van hun functie te maken met verschillende groepen op de arbeidsmarkt. Dit varieert van laagopgeleide mensen die langdurig in de bijstand zitten (o.a. alleenstaande ouders) tot mensen die recentelijk hun baan hebben verloren en een WW-uitkering krijgen. Ook herintredende vrouwen en hoogopgeleide mensen die kort (of soms lang) in de bijstand zitten behoren tot het cliëntenbestand.
Belang financiële factoren (inclusief sancties en uitstroompremies)

Kenmerkend voor de groepen aan de onderkant (groepen 1 en 2) van de arbeidsmarkt is het ‘safety first principe’. Dat slaat op gedrag dat is gericht op ‘income maintenance’ en niet op sociale mobiliteit. Dat zorgt ervoor dat mensen bang zijn voor de risico’s als ze gaan werken en daardoor kiezen voor behoud van hun uitkering. Hierdoor wordt werken belemmerd en mensen worden minder gevoelig voor financiële prikkels. De mate waarin het “safety first principe” bepalend is voor het arbeidsmarktgedrag verschilt per groep.


Een deel van de uitkeringsgerechtigden maken een afweging tussen inkomsten uit werk en inkomen uit een uitkering plus inkomensafhankelijke regelingen. De uitkering plus inkomensafhankelijke regelingen (en eventueel ‘zwarte’ bijverdiensten) worden gezien als een basisinkomen en dat basisinkomen wordt vergeleken met de inkomsten uit een formele baan. Het verschil tussen de inkomsten uit die formele baan en de uitkering plus inkomensafhankelijke regelingen (en eventuele ‘zwarte’ bijverdiensten) wordt gezien als de beloning voor de formele baan. Financiële prikkels zijn daarom alleen effectief als het om substantiële bedragen gaat en als ze zichtbaar zijn. Sancties en uitstroompremies zijn ook effectieve financiële prikkels om mensen aan het werk te helpen. De effectiviteit van uitstroompremies en sancties (bijvoorbeeld in de vorm van kortingen op de uitkering) is ook afhankelijk van de bijverdiensten in de informele economie en van de participatiekans van de betrokkenen.
Bij de bovengenoemde afweging hebben uitkeringsgerechtigden een vertekend beeld van de inkomensafhankelijke regelingen. Volgens dat beeld is een uitkering per definitie gelijk aan allerlei inkomensafhankelijke regelingen en werk is per definitie gelijk aan verlies van die regelingen. Verder zijn ze niet op de hoogte van verschillende fiscale kortingen en andere subsidies waar ze recht op hebben als ze eenmaal een baan hebben. Werk wordt vaak ook heel statisch benaderd. Er wordt geen rekening gehouden met doorgroeimogelijkheden als ze eenmaal een baan hebben (voor veel laagopgeleiden zal dit ook wel een realistisch beeld zijn).
Kosten van kinderopvang spelen een belangrijke rol bij de participatiebeslissing of bij de beslissing om meer uren te gaan werken voor vrouwen met jonge kinderen. Men vindt het financieel niet altijd even aantrekkelijk om te gaan werken vanwege de kosten van kinderopvang. Dit geldt vooral voor de midden en hogere inkomensgroepen, waarbij ook sprake is van een inkomen van de partner.

Bovendien hopen veel uitkeringsgerechtigden (vooral alleenstaande ouders) eerst op garantie van kinderopvangfaciliteiten (in de vorm van werkgevers- en gemeentelijke bijdrage) vóór het accepteren van een baan terwijl dit alleen kan ná het accepteren van een baan.


Belang prikkels per groep

De armoedeval is niet het belangrijkste probleem bij het arbeidsmarktgedrag voor lager opgeleiden die een lage (of geen) participatiekans hebben (groep 1 tabel 3.1). Deze groep laat zich vooral leiden door het eerdergenoemde “safety-first” principe en daarom is deze groep eerder geneigd om te kiezen voor behoud van de uitkering dan voor werk. Naast het gebrek aan financiële prikkels heeft deze groep vaak ook te maken met andere -dan direct financiële- belemmeringen bij de participatiebeslissing (onvoldoende scholing, taal en psychische belemmeringen). Voor deze mensen is calculerend gedrag niet relevant, omdat zij weinig keuzemogelijkheden hebben wat betreft het wel of niet aanvaarden van werk. Daarnaast kent ook een deel van deze bijstandsgerechtigden een forse schuldenproblematiek die hun persoonlijke marginale druk erg opvoert. Voor mensen binnen deze groep die wel een arbeidsmarktperspectief krijgen (na een reïntegratietraject) kunnen sancties een belangrijke rol spelen om ze te activeren.


Mensen die wel een participatiekans hebben, maar geen doorgroeimogelijkheden hebben (groep 2), kunnen niet op eigen kracht een substantiële inkomensvooruitgang realiseren. Vanwege hun beperkte opleiding zullen ze alleen banen vinden rond het minimumloon, waarbij het verschil met een uitkering heel klein is. Deze banen zitten aan de onderkant van de arbeidsmarkt, waarvan de intrinsieke waarde veelal laag is. Het salaris vormt een heel belangrijke component van het werk, omdat mensen veel moeten opgeven (o.a. vrije tijd) voor een baan met een lage intrinsieke waarde. Daarom moet het financiële verschil tussen werken en niet-werken groter gemaakt worden. Vanwege de uitkering en de verschillende inkomensafhankelijke regelingen is dat verschil momenteel te klein om aan te zetten tot actief arbeidsmarktgedrag.
Voor mensen met een participatiekans en doorgroeimogelijkheden (groep 4) is de armoedeval relevant als ze doorstromen. Bij het accepteren van een baan kan deze groep veelal zelf een sterke bruto-inkomenvooruitgang realiseren vanuit de uitkeringssituatie waardoor de armoedeval niet het belangrijkste probleem is bij het accepteren van een baan. In een uitkeringssituatie laat deze groep wel calculerend gedrag zien, omdat zij minder snel een baan accepteren onder hun niveau en proberen de uitkering ‘zo lang mogelijk uit te zitten’ totdat ze een baan vinden die meer op hun niveau ligt. Sancties zijn voor deze groep in dit geval een effectief middel.
Naast de focus op de aanbodzijde van de arbeidsmarkt blijkt ook uit veel interviews dat de vraagkant van de arbeidsmarkt van invloed is op het arbeidsmarktgedrag: in een laagconjunctuur heeft de onderkant van de arbeidsmarkt het moeilijk. Werkgevers staan niet altijd te wachten op mensen die langdurig in een uitkeringssituatie hebben gezeten. Werkgevers zien een langdurige periode van inactiviteit als een risicofactor.
Nu het beleid van de gemeenten (met de nieuwe WWB) meer op activering is gericht bieden vrij ‘nieuwe’ groepen zich aan op de arbeidsmarkt (groepen 1 en 2 zie tabel 3.1)11; groepen die tot voor kort vanwege hun lage productiviteit niet voor een baan in aanmerking kwamen worden nu actiever richting werk geleid. Dit betekent dat er een nieuwe groep de arbeidsmarkt op komt die een lagere productiviteit heeft dan de groepen die tot voor kort uit de inactiviteit geleid werden. Dit heeft tot gevolg dat veel vaker dan vroeger het WML niet in overeenstemming zal zijn met hun productiviteit. In feite vormt deze groep de nieuwe ondergrens van de onderkant van de arbeidsmarkt.
Het voorgaande geeft geen volledig beeld van de problematiek. Naast de financiële factoren zijn er ook niet-financiële factoren die van groot belang zijn bij de participatiebeslissing.
Belang niet-financiële factoren

Uit de gesprekken komt naar voren dat het beleid van de verschillende geïnterviewde instanties zich kenmerkt door een grotere “verzakelijking” aan de ene kant en aan de andere kant een verschuiving richting de meer persoonlijke “ken je klant benadering”. De “verzakelijking” houdt in dat activering meer centraal is komen te staan daar waar vroeger de nadruk lag op de verzorging van de cliënt. Dit heeft tot gevolg dat werken of niet werken veel minder een keus is van de cliënten dan voorheen. Daarnaast laat de relatie van sociale diensten en andere uitvoeringsinstellingen met hun clientèle zich niet meer alleen kenmerken door een reeks bureaucratische en administratieve handelingen, maar is steeds persoonlijker geworden met nadruk op “maatwerk”. Er zijn steeds meer “consulenten” en “casemanagers” die proberen een cliënt langdurig te begeleiden zodat een cliënt steeds minder met wisselende medewerkers per instelling hoeft samen te werken.

Deze trends van “verzakelijking” en de “ken-je-klant” benadering komen duidelijk terug in de nieuwe Wet Werk en Bijstand.

Vanwege het eerder genoemde ‘safety first principe’ betekent werken voor veel bijstandsgerechtigden het verlaten van een bepaalde “comfort zone”. In de uitkeringssituatie is er sprake van een zekere mate van financiële zekerheid en veel begeleiding bij allerlei administratieve en organisatorische zaken.

Een voorbeeld hiervan is de schuldenproblematiek die onder deze groep toeneemt. In de uitkeringsituatie worden de betrokkenen hierbij begeleid doordat er afspraken worden gemaakt met schuldeisers. Deze begeleiding houdt op bij het accepteren van een baan. De behoefte aan begeleiding is vooral het grootst bij mensen die lang in een uitkeringssituatie hebben gezeten (groep 1). Door de grotere nadruk op activering in het uitkeringsbeleid worden uitkeringsgerechtigden al in de uitkeringssituatie steeds meer aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid. Dit zou op termijn de stap naar werken en dus verlies van de begeleiding gemakkelijker moeten maken.
De houding ten opzichte van werk versus uitkering kan ook per cultuur verschillen. Zo zijn er wijken die verarmd zijn waar een uitkering hebben de norm geworden is. Aan de andere kant zijn er ook culturen waar mensen zeer gericht zijn op het behoud van de eigen onafhankelijkheid.

Ook de combinatie van arbeid en zorg is cultuurbepaald. Deze combinatie is voor veel groepen een belemmering voor het accepteren van werk. Hierbij vormt vooral de kinderopvang een groot probleem. Veel vrouwen met kinderen kiezen ervoor om in deeltijd te werken om arbeid en zorg goed te kunnen blijven combineren12. Vaak is dit een bewuste keuze, zeker als de partner voldoende inkomsten heeft. Dit komt ook doordat deeltijdwerk in Nederland relatief veel voorkomt en maatschappelijk geaccepteerd is. In een aantal van de ons omringende landen wordt deeltijdwerk nog gezien als “minderwaardig werk”. Aan de andere kant is het in Nederland in vergelijking met bijvoorbeeld Scandinavische landen lang niet zo maatschappelijk gezien acceptabel om kinderen van jongs af aan naar de crèche te sturen. Ook bij de verdeling van de zorgtaken krijgt in Nederland vaak de vrouw het gros van de zorgtaken. Hierbij speelt ook een rol dat in Nederland arbeidstijden niet gemakkelijk kunnen worden afgestemd op zorgtaken (zoals de schooltijden van kinderen).


Er zijn ook mensen die bij gebrek aan financiële prikkels en andere belemmeringen willen werken, omdat ze niet afhankelijk willen zijn van een uitkering. Een goed voorbeeld hiervan zijn mensen die met behoud van uitkering ergens stage lopen of werken. Dit werd ook tijdens de verschillende gesprekken aangegeven.

1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina