De avonturen van Willem Barentsz



Dovnload 89.81 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte89.81 Kb.

G
eheugen van Nederland


De avonturen van Willem Barentsz




Docentenhandleiding

Inleiding



'Je mag het eigenlijk niet zo zeggen, maar geschiedenis is toch eigenlijk een aantal waargebeurde verhalen op een rijtje', aldus een geschiedenisleraar. 'In ieder geval', vervolgde hij, ' kunnen de verhalen de geschiedenis dichter bij de leerlingen brengen'.
Is de eerste stelling voor discussie vatbaar, de opmerkingen dat verhalen geschiedenis dichter bij leerlingen kunnen brengen lijkt te kloppen. De vraag is alleen hoe je de verhalen interessant en uitdagend maakt voor de leerlingen van vandaag? De tijd dat kinderen stilzaten en met hun armen over elkaar luisterden naar wat de meester vertelde (heeft dit ideaalbeeld eigenlijk ooit wel bestaan?) is voorbij. Een verhaal moet je beleven, niet ondergaan.
I
een verhaal

moet je beleven,

niet ondergaan
n 1996 organiseerde het Nederlands Scheepvaart-museum in Amsterdam een tentoonstelling over de overwintering van Willem Barentsz op Nova Zembla, toen 400 jaar geleden. De expositie was een groot succes. Het verhaal van Willem Barentsz en zijn mannen spreekt nog steeds haast iedereen tot de verbeelding. Het is een van de best gedocumenteerde Nederlandse ontdekkingsreizen en daarom een must als afsluiting van het tijdperk van ontdekkers en hervormers.

Eenmaal meegenomen in het avontuur staat de ontvanger, leerling os niet, open voor allerlei informatie die hem in staat stelt het avontuur mede vorm te geven.


In de computerapplicatie De avonturen van Willem Barentsz wordt de geur van avontuur en heldendom maximaal uitgebuit. De vormgevers zijn er in geslaagd het spel een ijzige uitstraling te geven met gierende poolwinden, grote stapels sneeuw en ijs en een duistere poolnacht. Om het gevoel van authenticiteit te vergroten zijn als basis historische prenten gebruikt, onder meer uit het dagboek van Gerrit de Veer.

De avonturen van Willem Barentsz bestaat uit vier delen:


  • de heenreis - waarin gezocht wordt naar de motieven en voorbereidingen van de ontdekkingsreizigers.

  • de overwintering - het centrale spel waarin leerlingen worden uitgedaagd zelf de keuzes te maken voor problemen die Willem Barentsz en zijn mannen moesten oplossen, maar waarin zij ook de consequenties van hun keuzes onder ogen moeten zien …

  • de terugreis - aan de hand van dagboekfragmenten wordt de terugreis gereconstrueerd.

  • de tijdsbalk - geeft achtergrond bij de gebeurtenissen die op Nova Zembla en in Nederland hebben plaatsgevonden na de overwintering.



Doelgroep
Het verhaal van de belevenissen van Willem Barentsz is zeer aantrekkelijk voor kinderen in de leeftijd van 12 tot 14 jaar. Voor deze leeftijdsgroep is de computerapplicatie dan ook ontworpen. Wel is er een differentiatie tussen de spellen gemaakt.

  • H
    het centrale spel

    de overwintering is zeer geschikt voor VMBO door zijn

    game-karakter


    et centrale spel, de overwintering is door zijn adventure-game-achtige aanpak zeer geschikt voor leerlingen van het VMBO. Het spel is goed zelfstandig te spelen en heeft een eigen afgerond einde.

  • De spellen de heenreis en de terugreis zijn door hun 'taligheid' meer geschikt voor leerlingen van HAVO-VWO.

  • De tijdsbalk biedt verdieping voor deze laatste leerlingen.


Leerdoelen

Wat willen de samenstellers met De avonturen van Willem Barentsz bereiken? Er zijn verschillende doelen geformuleerd:




  • onderwijskundige doelen

  • Leerlingen leren gebruik te maken van informatie- en communicatie technologie om historische bronnen, in de vorm van tekst- en beeldmateriaal

  • Leerlingen leren te werken met informatie uit verschillende bronnen: ze kunnen deze opzoeken, ordenen en beoordelen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit.

  • Leerlingen kunnen zich een goed beeld vormen van historische gebeurtenissen, rekening houdend met de standplaatsgebondenheid van de bronnen en de eigen standplaatsgebondenheid.




  • inhoudelijke doelen

  • Leerlingen weten waarom een poging is ondernomen om de Noordelijke doorvaart te vinden

  • Leerlingen weten van het dagboek van Gerrit de Veer.

  • Leerlingen kennen enkele van de levensomstandigheden in het Behouden Huys (eten, drinken tijdverdrijf)

  • Leerlingen kennen het verhaal van de terugreis

  • Leerlingen weten hoe het Behouden Huys in de negentiende eeuw is teruggevonden en hoe het verhaal van de overwintering in die tijd een nieuw leven is gaan leiden.




  • affectieve doelen

  • Leerlingen kunnen het zich voorstellen hoe het is om op ontdekkingsreis te gaan

  • Leerlingen kunnen zich verplaatsen in de barre situatie waarin de mannen zich bevonden

Het belangrijkste doel van de samenstellers was een lesstofvervangend computerspel te maken. Het spel zit zo in elkaar dat de leerlingen schijnbaar ongemerkt lesstof tot zich nemen en toepassen om te overleven. Daarom past De avonturen van Willem Barentsz zo goed binnen de huidige kerndoelen van het voortgezet onderwijs.

I
een lesstof-vervangend

computerspel


n grote lijnen valt dit binnen

  • Domein A (de geschiedkundige vaardigheden),

  • Domein B (Levensonderhoud)

Daarbij komen met name de volgende doelen goed tot zijn recht:


  • Domein A: Geschiedkundige vaardigheden

1 De leerlingen kunnen met het oog op de beantwoording van een gegeven of een door hen zelf gestelde vraag hun behoefte aan historische informatie vaststellen en relevante (elektronische) bronnen en/of bronfragmenten selecteren, daarbij lettend op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit.
2 De leerlingen kunnen ordening aanbrengen in historische gebeurtenissen, verschijnselen, ontwikkelingen en personen.
In dat verband kunnen zij:

- historische gebeurtenissen, verschijnselen, ontwikkelingen en personen plaatsen in historische perioden-prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroeg-moderne tijd, moderne tijd- en in maatschappijtypen- pré-agrarisch, agrarisch, agrarisch-stedelijk, industrieel;

- verschijnselen uit verschillende perioden en samenlevingen vergelijken;

- in ontwikkelingen aspecten van continuïteit en verandering herkennen;

- veranderingen onderscheiden naar de snelheid waarmee deze plaatsvinden, van schoksgewijs tot geleidelijk.
3 De leerlingen kunnen verklaringen geven voor historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen.
In dat verband kunnen zij:

- directe en indirecte oorzaken onderscheiden;

- de directe aanleiding herkennen als de uiteindelijke oorzaak;

- de rol van opvattingen en handelingen van individuen en groepen herkennen;

- onderscheid maken tussen oorzaken van meer en minder belang;

- gevolgen die op korte termijn spelen onderscheiden van gevolgen op lange termijn.


4 De leerlingen kunnen zich een weloverwogen beeld vormen van historische gegevens.
In dat verband kunnen zij:

- rekening houden met de standplaatsgebondenheid van de bronnen en met de eigen standplaatsgebondenheid;

- gegevens beoordelen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit;

- een beredeneerde conclusie formuleren.


5 De leerlingen kunnen ten aanzien van een gegeven of door hen zelf gestelde vraag een eigen standpunt weergeven en beargumenteren.
In dat verband kunnen zij:

- zich verplaatsen in opvattingen, waarden en motieven van mensen in het verleden, ermee rekening houdend dat zij niet over dezelfde kennis konden beschikken als wij nu;

- opvattingen, waarden en motieven, waardoor mensen in het verleden werden geleid, vergelijken met opvattingen, waarden en motieven van henzelf en anderen nu.


  • Domein B: Levensonderhoud

7 De leerlingen kunnen enkele belangrijke economische ontwikkelingen beschrijven.
Het gaat daarbij om:

- de ontwikkeling van handelskapitalisme en ondernemerschap in de Republiek


De spellen sluiten perfect aan bij de voorstellen van de Commissie De Rooy voor het vak Geschiedenis en de huidige kerndoelen. Het valt binnen het tijdvak ‘ontdekkers en hervormers (1500 - 1600).’ Helaas gebruiken veel lesmethoden buitenlandse voorbeelden en ontdekkingsreizen. De ervaring leert dat de verhalen die dicht bij huis zijn gebeuren een betere voedingsbodem vinden bij de leerlingen.


Voorbereiding en lesplanning voor de docent

H
voorbereiding

niet noodzakelijk,

wel mogelijk


et programma vereist geen voorbereiding van de leerling en de docent. Toch zal het leereffect van het spel verhoogd worden als vanuit het curriculum een relatie wordt gelegd met De avonturen van Willem Barentsz. Achterin de docentenhandleiding is een achtergrondartikel opgenomen voor de docent en een kort leesverhaal voor de leerling. Een vragenlijst bij dit leesverhaal met antwoordmodel zijn eveneens toegevoegd.

Het programma kan op verschillende manieren worden toegepast is de lessituatie:




  • In klasverband - als u beschikt over een computer lokaal kunnen leerlingen individueel of in koppels van twee werken aan het spel. VMBO leerlingen beginnen met het spel de overwintering. Duur van dit spel is erg afhankelijk van de leerling, maar binnen een lesuur is het voor VMBO-leerlingen goed af te ronden.

HAVO/VWO leerlingen beginnen met spel 1, de heenreis. Na 15 minuten zouden zij met dit spel klaar kunnen zijn en kunnen beginnen met de overwintering.


Begin altijd met de versie voor beginners, waarin twee rondes zijn. De versie voor gevorderden gaat over vier rondes en duurt daarom soms te lang.


  • Tijdens werklessen - omdat het programma heel goed zelfstandig door de leerling te gebruiken is, kan het ook worden ingezet tijdens werklessen. Terwijl een deel van de klas aan opdrachten werkt kunnen één of meer leerlingen, of koppels werken aan de Avonturen van Willem Barentsz.

I
één lesuur


n project- of themaweken, als voorbereiding op spreekbeurten, in aansluiting op thema's als Ontdekkingsreizen Gouden Eeuw, VOC, Europese expansie: met het programma heeft u levendig materiaal voor een heel lesuur.
Omdat het programma op internet te vinden is kan het ook als huiswerk worden opgegeven.
Leerlingen hebben GEEN pen, papier of ander materiaal nodig. Alle spellen zijn zelf-corrigerend.
Tips

Bijvoorbeeld: leerlingen kunnen het spel ook thuis spelen, als huiswerk.


Literatuurverwijzing

  • Om de Noord, De tochten van Willem Barentsz en Jacob van Heemskerck en de overwintering op Nova Zembla, zoals opgetekend door Gerrit de Veer. Vertaling inleiding en annotatie Vibeke Roeper en Diederick Wildeman, Nijmegen 1996


Technische gegevens

Het spel kan via internet gespeeld worden. Voor het spel is shockwave vereist. Dit is een applicatie die gratis is te downloaden op www.macromedia.com. U kunt per computer shockwave downloaden (http://sdc.shockwave.com/shockwave/download/download.cgi?&P5_Language=English), maar u kunt ook een licentie aanvragen (http://sdc.shockwave.com/support/shockwave/info/licensing/). In dat laatste geval haalt u 1 file op, die u vervolgens zelf bijvoorbeeld via uw netwerk op andere computers kunt installeren. Beide opties zijn geheel gratis.

Het kleinste spel is 1,5 mb en het grootste 3,5 mb. Bij trage internetverbindingen kan het daarom zijn dat het een tijdje duurt voordat u het spel kan spelen. Als dit naar uw mening te lang is, kan u de spellen vooraf downloaden. Ze komen dan stand-alone op uw computer. Dat betekent dat er geen internetbrowsers meer nodig zijn en ook geen internetverbindingen. Deze files zijn wel heel groot, dus het duurt een tijdje om ze te downloaden. Op de docentenpagina staat omschreven hoe u dit moet doen.

Als u het spel eenmaal speelt of heeft gedownload is het niet nodig om in contact te blijven met het internet. U kunt desgewenst uw verbinding met internet verbreken.

Er zijn enkele geluidseffecten gebruikt. Deze zijn wel leuk maar niet noodzakelijk, dus als u liever geen geluid gebruikt tijdens de les is dit geen probleem.

De avonturen van Willem Barentsz

Concept, techniek, vormgeving: TWVmedia Amsterdam

Tekst en inhoud: Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam

In opdracht van: het Geheugen van Nederland, Den Haag

© 2003


De avonturen van Willem Barentsz




Achtergrond

Nederland in de zestiende eeuw

Ondanks de strijd tegen Spanje maakte de handel in Holland tijdens de laatste decennia van de zestiende eeuw een enorme groei door. De Hollanders transporteerden goederen door heel Europa. Er werd onder andere hout, koper en ijzer uit Noorwegen gehaald (de zogenaamde noordvaart), hout, graan, teer en pek uit Rusland (oostvaart), marmer, wijn, zuidvruchten, olie, zijde en katoen uit Italië en Turkije (straatvaart) en zout, wijn, zilver, ijzer en wol uit Frankrijk en Spanje (westvaart). Een ding was onder Spaans bestuur echter onmogelijk, namelijk handel drijven met gebieden buiten Europa. Echter, nadat enkele Hollandse machthebbers tegen Spanje in opstand waren gekomen trokken de steden zich niets meer aan van het Spaanse gezag en begon men de wereld te verkennen. Veel protestantse kooplieden, geleerden, uitgevers en kaartmakers uit onder andere Antwerpen, vluchtten naar het noorden toen de Spanjaarden als reactie op de opstand de zuidelijke Nederlanden binnenvielen. Deze injectie van financiële middelen en kennis zorgde ervoor dat vooral Amsterdam, dat tot dan toe als handelsstad slechts een ondergeschikte rol had gespeeld, uitgroeide tot de rijkste en grootste stapelmarkt van Europa.


Deze combinatie van rijkdom en nieuw verworven kennis zorgde ervoor dat het mogelijk werd om naar nieuwe handelsgebieden te zoeken. Kooplieden investeerden graag in expedities die werden uitgerust om op zoek te gaan naar waardevolle koopwaar. Vooral het vinden van een zeeroute naar Azië was een belangrijk doel. Sinds 1580 waren de Portugezen, die als enige op Azië voeren, er niet meer in geslaagd om voldoende Aziatische producten (voornamelijk specerijen) op de Europese markt te brengen om aan de vraag te kunnen voldoen.
De weg naar Azië

Ondertussen hadden de Hollanders voldoende informatie verzameld met betrekking tot routes naar en handelsmogelijkheden en gebruiken in Azië om zelf een poging te willen wagen de weg naar dit gebied te gaan zoeken. De informatie kwam onder andere via-via uit Portugal (kaarten, beschrijvingen en dergelijke), maar ook Hollanders die in dienst van de Portugezen zelf in Azië waren geweest droegen een steentje bij. Een bekend voorbeeld hiervan was Jan Huygen van Linschoten. Hij verbleef lange tijd in Azië en legde zijn ervaringen vast in het boek 'Itinerario'.


Een alternatieve route

Hoewel de Hollanders dus op de hoogte waren van de route die via Kaap de Goede Hoop naar Azië leidde, waren ze niet meteen van plan om dezelfde route als de Portugezen te varen. Hiervoor had men verschillende redenen, namelijk:



  • Men dacht dat de route om Afrika veel te gevaarlijk was. In de eerste plaats omdat de Spanjaarden en Portugezen de route bewaakten, maar ook omdat de Zuid Atlantische oceaan onveilig werd gemaakt door Engelse en Franse kapers.

  • Men dacht dat een reis via het koele noorden veel gezonder was voor de bemanning.

De hitte eiste tijdens reizen door tropische gebieden immers regelmatig slachtoffers.

  • Men dacht dat de noordoostelijke route veel korter was dan alle andere mogelijk routes. Dit was een gevolg van het feit dat men in de zestiende eeuw de wereld veel kleiner schatte. Bovendien had men een verkeerd beeld van de vorm en grootte van Azië


Hoe ziet de noordpool eruit?

In Barentsz.' tijd was er niet veel bekend over het gebied rond de noordpool. Met de wateren ten westen van Scandinavië tot aan de Witte Zee was men, als gevolg van de noordvaart, wel vertrouwd. Ook had een Engelse expeditie rond 1556 al eens de zuidkust van Nova Zembla bereikt. Men vermoedde dat achter Nova Zembla een open zee lag, en een stuk naar het oosten een grote kaap; Kaap Tabin. Na het passeren van deze kaap zou de kust naar het zuiden afbuigen. Schepen zouden vervolgens via Straat Anian, tussen Azië en Amerika door, Japan en China kunnen bereiken.


Men was het er echter niet over eens of de zeeën in de noordoostelijke gebieden bevaarbaar waren.

Hierover bestonden onder geleerden verschillende opvattingen, namelijk:



  • Alle wateren zouden dichtgevroren zijn.

  • Het water in de meest noordelijke gebieden zou wel bevroren zijn, maar als je een zo zuidelijk mogelijke koers aanhield, wat betekende dat je zo dicht mogelijk bij de kust moest blijven, zou je zonder problemen door kunnen varen.

  • Alleen in de buurt van land zou het water bevroren zijn, omdat op de pool de zon in de zomer 24 uur schijnt, het water op zee zou daardoor opwarmen en niet bevriezen.

Deze laatste opvatting werd onder andere verdedigd door de Amsterdamse geleerde Petrus Plancius, de leermeester van Willem Barentsz. Bovendien achtte Plancius het niet onaannemelijk dat de zuidelijke doorgang tussen Nova Zembla en het vasteland slechts toegang gaf tot een binnenzee. Om deze redenen besloot Barentsz. om Nova Zembla aan de noordkant te passeren.


De eerste reis, 5/6/1594-16/9/1594

Aan de eerste reis namen vier schepen deel. Twee waren er uitgerust door de stad Amsterdam, terwijl de andere schepen afkomstig waren uit Zeeland en Enkhuizen. Hun taak was het vinden van een route naar de legendarische Kaap Tabin, van waaruit schepen een doorgang konden bereiken die leidde naar Japan en China, het toenmalige Cathay.

Al voor het vertrek ontstond er onenigheid over de te varen koers. De schippers uit Zeeland en Enkhuizen waren er van overtuigd dat de zuidelijke doorgang de meest geschikte route was. De Amsterdamse schippers, die Barentsz. als stuurman bij zich hadden, wilden echter via het noorden van Nova Zembla varen. Uiteindelijk besloot men de schepen dan maar verschillende routes te laten varen. De twee schepen uit Amsterdam namen de noordelijke route, terwijl het Zeeuwse schip, samen met het schip uit Enkhuizen de zuidelijke doorvaart zou verkennen.
Tijdens de tocht naar het noordelijkste punt van Nova Zembla, bracht Barentsz. als eerste de westkust in kaart. Toen de schepen het noordelijkste punt bereikt hadden, werd hen echter, tegen de theorie van Plancius in, de weg versperd door ondoordringbare ijsmassa's. Daarop besloot men terug te gaan en de andere schepen op te zoeken. Bij de ingang van Straat Waigatsj kwam hij ze tegen, net toen ze op de terugtocht waren. Ze hadden voorzichtig de route naar de Kara Zee verkend, die helemaal ijsvrij was geweest. Onderweg hadden ze een eiland ontdekt dat ze Stateneiland hadden genoemd. Ze waren naar het noordoosten gevaren en hadden al vrij snel land gezien.
Ze hadden gedacht dat Kaap Tabin nu vlakbij was en waren, in de overtuiging dat hun missie geslaagd was, na een verkenningstocht van slechts twee dagen teruggekeerd. Samen voeren de vier schepen terug naar Amsterdam, waar ze op 16 september 1594, 3 maanden na hun vertrek, aankwamen.
De tweede reis 2/7/1595-?/11/1595

De tweede reis werd grootser aangepakt dan de eerste. Men was er nu van overtuigd dat de doorvaart bestond en bevaarbaar was. Dit keer voeren zeven schepen uit, waaronder enkele grote koopvaarders. Ter verdediging voeren ook één of meer oorlogsschepen mee. Natuurlijk hadden de schepen dit keer allemaal de opdracht gekregen om de zuidelijke doorvaart te nemen.


Al met al rustte er op deze reis geen zegen. Al in het begin vond er een botsing plaats tussen twee van de schepen, waarbij vier mannen overboord sloegen en verdronken en de schepen veel schade opliepen. Daarnaast waren er problemen met de discipline. Toen enkele mannen bij Straat Waigatsj aan land gingen, ontmoetten ze daar enkele Samojeden, die onmiddellijk op de vlucht sloegen, daarbij hun volgeladen sleden achterlatend. Tegen de orders van hun bevelhebber Cornelis Nay in, namen de mannen een paar huiden mee. Nay moest deze ongehoorzaamheid wel streng straffen, dus werden de daders gekielhaald, wat één van hen niet overleefde.
Toen de vloot verder Straat Waigatsj in wilde varen, bleek er veel meer ijs te liggen dan het jaar ervoor. Ook de Kara Zee lag vol drijfijs. Toch ging de vloot door en bereikte na veel manoeuvreren eindelijk Stateneiland. Enkele mannen gingen het eiland op om er bergkristal te zoeken, maar werden daar door een ijsbeer aangevallen en voor de ogen van hun kameraden verslonden. Daarop brak onder de matrozen een opstand uit, die echter snel werd onderdrukt. De vijf leiders werden op Stateneiland opgehangen.
Ook onder de officiers waren er spanningen. De Amsterdammers, onder leiding van Willem Barentsz., waren het nog steeds niet eens met de gekozen route. De andere officiers waren gefrustreerd door het vele ijs dat hen de doorgang versperde, terwijl tijdens de vorige reis alles nog zo voorspoedig ging. Een voorstel van Barentsz. om op Stateneiland te overwinteren, zodat de volgende lente zo bij goede omstandigheden snel mogelijk kon worden vertrokken werd afgewezen. Half september gaf Nay het bevel om terug te keren. De schepen bleven dit keer niet bij elkaar en bereikten eind oktober en begin november hun thuishavens.
De teleurstelling was natuurlijk groot, en de investeerders trokken zich terug.

Wel werd ter stimulatie nog een beloning van meer dan

€ 10.000,- uitgeloofd aan degene die erin slaagde de noordelijke doorvaart te vinden.
De derde reis, 10/5/1596-1/11/1597

Met deze beloning in het achterhoofd besloten enkele avontuurlijk aangelegde kooplieden uit Amsterdam om zelf een expeditie uit te rusten. In vergelijking met de tweede reis was het maar een kleinschalige operatie. Op 10 Mei 1596 vertrokken twee kleine schepen uit Amsterdam. Het ene was ongeveer 23 meter lang, met aan boord Jan Cornelisz. Rijp als schipper en opperkoopman. Het andere was kleiner, ongeveer 19 meter. Als schipper en opperkoopman was Jacob van Heemskerck aan boord. De opperstuurman was wederom Willem Barentsz., hij was de oudste en tevens de meest ervaren zeeman aan boord.


Dat de schepen zo klein waren had niet alleen te maken met geldgebrek. Op reizen waarop men niet wist wat men kon verwachten gebruikte men het liefst kleine boten, omdat deze gemakkelijker en sneller konden manoeuvreren. Bovendien zijn ze gemakkelijker vlot te trekken als ze eens aan de grond lopen. Toch was het wel degelijk de bedoeling dat de schepen Azië zouden bereiken. Er was koopwaar en contant geld aan boord, om na aankomst handel te kunnen drijven.
Een echte ontdekkingsreis

In tegenstelling tot de tweede tocht, waarvan de route van tevoren bekend was, werd de derde reis een echte ontdekkingstocht. Men zou niet de route langs het land aanhouden, zoals de vorige expedities hadden gedaan, maar in plaats daarvan vanaf het noordelijkste punt van Noorwegen rechtstreeks naar de noordpool varen. Dit werd gedaan op initiatief van Plancius. Zijn theorie luidde als volgt:

Aangezien het op 23 graden ten noorden en ten zuiden van de evenaar ongeveer even warm was als op de evenaar zelf. Plancius concludeerde hieruit dat het in principe op de noordpool dus niet kouder hoefde te zijn dan 23 graden daaronder. Op 67 graden Noorderbreedte (ongeveer halverwege de Noorse kust) was de zee helemaal ijsvrij. Bovendien wist men dat op de pool de zon in de zomer niet onderging. Het was voor Plancius dus volkomen logisch om te concluderen dat er een goede kans bestond dat de poolzeeën bevaarbaar waren.

Het feit dat er wel ijs voorkwam verklaarde Plancius als volgt:

Het land was op een dergelijke hoogte permanent bevroren, met als gevolg dat er altijd ijs langs de kust lag. Dit ijs kwam dan via de grote Russische rivieren uiteindelijk in de Kara Zee en in de zeeën ten zuiden van Nova Zembla terecht.
Wat is de juiste koers?

Toch ontstond er al tijdens de reis onenigheid over de te varen route. Opvallend was dat het ditmaal Willem Barentsz. was die van Plancius’ route wilde afwijken. In plaats van pal het noorden aan te houden gaf Barentsz. de voorkeur aan een meer noordoostelijke koers. Na een lange discussie werd besloten om toch de oorspronkelijke koers aan te houden. Tijdens hun gezamenlijke tocht ontdekten ze twee eilanden; Bereneiland, dat zo genoemd werd omdat ze daar het gevecht aan moesten gaan met een ijsbeer en het woeste eiland Spitsbergen, dat zijn naam te danken heeft aan de vele hoge bergen met spitse pieken die de mannen er zagen. In feite ontdekte men pas later dat Spitsbergen een eilandengroep was, eerst werd nog aangenomen dat men met een deel van Groenland te maken had. Na deze tweede ontdekking stuitte de expeditie eind juni op een enorm ijsveld, waardoor ze genoodzaakt waren om terug te keren. Onderweg stelde Rijp voor om nog een poging via het noorden te wagen. Barentsz. stond er echter op om noordoost te varen.

Hierop gingen beide schepen op 1 juli vanaf Bereneiland hun eigen weg. Ook de tweede poging van Rijp mislukte en omdat hij er niet meer in slaagde Barentsz. achterna te varen keerde hij terug naar Holland, waar hij in het najaar arriveerde.
Barentsz. gaat zijn eigen weg

Ondertussen hadden Barentsz. en Van Heemskerck vrij snel de westkust van Nova Zembla bereikt. Half augustus passeerden ze, ondanks de vele hinder die ze ondervonden van het ijs, het noordelijkste punt van Nova Zembla. Ze voeren verder langs de oostkust en ontdekten een baai die ze IJshaven noemden. Van daaruit probeerden ze de oversteek te maken naar Kaap Tabin, maar hun weg werd versperd door ondoordringbaar ijs. Ze beseften dat het te laat in het jaar was om de oversteek te kunnen maken. Toen ze probeerden terug te varen om via de oostkust van Nova Zembla weer naar Straat Waigatsj te gaan, bleek dat deze weg ook door het ijs was afgesneden. Uiteindelijk vroor het schip vast in het ijs en zat er voor de mannen niets anders op dan ter plekke te overwinteren.


Een huis op Nova Zembla

Omdat de kans bestond dat het schip gekraakt zou worden door het ijs, en omdat het schip niet genoeg bescherming bood tegen de kou en ijsberen, besloten de mannen een huis te bouwen. Enkele kilometers van het schip verwijderd vonden de mannen een zoetwaterstroom en een grote stapel drijfhout. Het waren complete bomen, die vanuit Rusland waren aangespoeld Er werd in eerste instantie dus geen hout van het schip gebruikt, omdat men hoopte er nog mee terug zouden kunnen keren.


Van de aangespoelde stammen bouwden ze het grootste deel van het huis. Het dak en een deel van de muren werden later afgetimmerd met hout dat onder andere afkomstig was van de kajuit van het schip. Het huis werd gebouwd naar een ontwerp van de timmerman, die al tijdens de bouw overleed.

Het huis, dat ze later de naam Behouden Huys gaven, werd gebouwd op Noorse wijze. De palen van het skelet konden vanwege de permafrost niet in de grond worden geslagen. De stevigheid moest dan ook komen van het onderste deel van de muren, waarvoor boomstammen, zoals bij een blokhut, kruislings op elkaar werden gestapeld. Om de stevigheid zo groot mogelijk te houden werd deze onderste “ring” niet doorbroken om deuropeningen te maken, waardoor de drempels nogal hoog waren (ongeveer 1 meter). Het huis werd voorzien van een voorportaal, dat werkte als een soort sluis om zodoende de warmte, voor zover die er was, zoveel mogelijk binnen te houden. Na zes weken (om precies te zijn op 24 oktober) was het huis klaar en werden de voorraden van het schip naar het huis gebracht, de overwintering kon beginnen.


Dagelijks leven tijdens de overwintering

De dagen tijdens de overwintering werden gekenmerkt door verveling en kou. In november ging de zon voor het laatst onder, om pas weer op te komen in februari van het volgende jaar. Het donker maakte de mannen neerslachtig. Ze waren meestal gedwongen om binnen te zitten, omdat het te koud was om naar buiten te gaan. De gemiddelde wintertemperatuur op Nova Zembla is -22 graden, terwijl ook temperaturen van -40 geen uitzondering zijn. Als het dan ook nog eens stormt, zoals het daar ongeveer 1 op de 2 dagen doet, is het levensgevaarlijk om naar buiten te gaan. De tijd werd, vooral in het begin, onder andere doorgebracht met houtsnijden. De resultaten hiervan zijn vandaag de dag nog op Nova Zembla terug te vinden. Toen de mannen eens een ijsbeer hadden geschoten en deze van zijn vetlaag hadden ontdaan hadden ze opeens meer dan genoeg brandstof voor de olielampen. Vanaf dat moment brandden de lampen veelvuldig, en konden zij die de kunst machtig waren zich bezig gaan houden met het lezen van boeken. Als het weer het wél toeliet om naar buiten te gaan, haalden ze brandhout en controleerden de vallen die ze buiten het huis hadden gebouwd om poolvossen te vangen, welke ze met smaak opaten. Ook gebruikten ze de huiden van de vossen om mutsen te maken.


Het bleek namelijk dat de uitrusting van de mannen absoluut niet voldeed aan de verwachtingen. De lederen kleding, waarvan men dacht dat deze de beste bescherming bood tegen wind en dus kou, isoleerde absoluut niet. Het kwam zelfs zover dat de leren schoenen die ze droegen bevroren, “zodat het leek alsof ze van hoorn gemaakt waren”. Hierop maakten ze schoenen van hun vilten hoeden, die uitstekend dienst deden, tot de lente inzette.
Het is niet bekend of de mannen ook de huiden van ijsberen gebruikten om kleding te maken. Wel is zeker dat ze verschillende ijsberen doodden en vilden.
De discipline in het huis was streng. De hiërarchie zoals die in het schip gold bleef gehandhaafd, en iedereen kreeg klusjes te doen, zoals hout hakken voor het vuur. Het vuur was de enige warmtebron in het huis, maar zelfs als het brandde was het in het huis nog zo koud, dat er ijs aan de binnenkant van het dak en aan de provisorisch getimmerde kooien zat. Eenmaal besloten de mannen wat kolen op het vuur te gooien, omdat die meer warmte leverden. Om te voorkomen dat de warmte meteen weer weg zou stromen werden de schoorsteen en alle gaten en kieren dichtgestopt. Het werd al snel lekker warm in het huis, maar na een tijdje werden de mannen duizelig. Gelukkig slaagde één van hen erin een deur open te trekken, waarmee hij hen allemaal van een vergiftiging door koolmonoxide redde. Om toch warm te blijven namen de mannen stenen en kogels mee naar bed die ze eerst in het vuur hadden warm gestookt. De enige echt warme plek in huis was het stoombad, dat in opdracht van de chirurgijn werd gemaakt. Het bestond uit een wijnton waarin stenen werden gelegd, die eerst in het vuur waren verhit. Na een dergelijke behandeling voelden de mannen zich telkens verkwikt en monter.
Om de sleur van alledag te doorbreken probeerde men de feestdagen zoals Driekoningen, Maria-Lichtmis en Vastenavond toch zo goed en zo kwaad als het ging te vieren. Iedereen leverde een deel van zijn rantsoen in, waarmee dan een feestmaal werd aangericht. Van de viering van Driekoningen weten we dat de mannen pannenkoeken hebben gebakken van meel, water, olie en misschien wat bier. Het meel was eigenlijk bedoeld als stijfsel voor de kardoezen, een soort zakjes waarin het kruit voor de kanonnen werd verpakt.
Voedsel

Hieruit blijkt wel dat het voedsel schaars begon te worden. Vanaf het begin had van Heemskerck het voedsel, dat ze uit het schip hadden gehaald, al op rantsoen gedaan, zodat er tot en met december nog voldoende te eten was. De mannen hadden zelfs kans gezien nog iets van hun rantsoenen te bewaren, wat ze in de eerste maanden van het nieuwe jaar goed van pas kwam. In mei, toen het voedsel echt bijna op was, hebben de mannen hun afkeer van ijsberenvlees voor één keer van zich afgezet. Ze kookten de lever van een ijsbeer die ze hadden geschoten en aten die op. Het smaakte goed, maar later werden enkele mannen enorm ziek en vervelden van top tot teen. Zonder het te weten hadden ze zichzelf een flinke vitamine A vergiftiging bezorgd. De poolvossen, waarvan er gedurende de hele winter ongeveer 25 aan het spit eindigden, waren uiteindelijk de redding van de mannen zonder dat ze dit zelf wisten. Het vlees, dat in tegenstelling tot ijsberenvlees goed smaakte, bevatte zoveel vitaminen (onder andere vitamine C) dat de mannen niet stierven als gevolg van scheurbuik. Hierdoor was er slechts één bemanningslid dat de overwintering in het huis niet overleefde.


Het wordt lente

In februari kwam dan eindelijk de zon weer tevoorschijn en met het verstrijken van de dagen werd het warmer. Rond mei begonnen de mannen onrustig te worden, ze wilden zo snel mogelijk terugkeren om te voorkomen dat ze hier nog een winter vast zouden zitten.

Jacob van Heemskerck wilde liever wachten, omdat het schip nog steeds niet los was gekomen uit het ijs, en hij zich liever niet zonder schip en lading bij zijn investeerders wilde melden. Hij zag echter ook wel in dat te lang wachten een te groot risico met zich mee bracht en in juni gaf hij de mannen opdracht zich klaar te maken voor de terugreis. Zijn bedoeling was om met de twee kleine sloepen terug te varen naar Straat Waigatsj.

Daarvoor moesten de sloepen wel eerst zeewaardig worden gemaakt. Dit ging wat langzamer dan gepland, omdat de mannen erg zwak waren als gevolg van het eenzijdige voedsel van de voorgaande maanden. Willem Barentsz. en Claes Andriesz. waren zelfs zo ziek dat ze niet meer konden helpen bij de voorbereidingen. Uiteindelijk werden de sloepen waar nodig versterkt en opgehoogd, zodat golven minder snel naar binnen konden slaan.


Op 13 juni was al het werk afgerond en konden ze vertrekken. Voordat ze dit deden, stelde Van Heemskerck een verklaring op waarin hij schreef hoe de mannen op Nova Zembla terecht waren gekomen, hoe ze de winter hadden doorstaan en dat ze niet hadden kunnen wachten tot het schip vrij kwam uit het ijs, omdat ze dan ongetwijfeld weer vast zouden komen te zitten. De verklaring werd door iedereen die zijn naam kon schrijven ondertekend en in een lege kruithoorn in de schoorsteen van het huis gehangen. Op de terugreis konden ze alleen het allernoodzakelijkste en wat luxe koopwaar meenemen. Al het andere werd in het huis achtergelaten.
Terug naar Holland

De terugtocht was erg zwaar. Overal rondom de sloepen dreef ijs. Het was zelfs zo erg dat gedurende de hele reis de sloepen meerdere keren aan land moesten worden gebracht, om te voorkomen dat ze door het ijs in elkaar gedrukt zouden worden. Op 20 juni stierf Willem Barentsz. vrij onverwacht. Kort na hem stierf ook Claes Andriesz. De verslagenheid onder de bemanning was groot, maar ze wisten dat ze gewoon door moesten gaan als ze zelf de tocht wilden overleven. Waarschijnlijk kregen de beide overledenen een symbolisch graf in de sneeuw op het ijs.


Een onverwacht weerzien

Na meer dan een maand op zee te hebben gezeten ontmoetten ze een groep Russen. Verrassend genoeg herkenden deze van Heemskerck en enkele van zijn mannen. Het waren mannen die ze tijdens de tweede reis ook tegen waren gekomen. Toen hadden ze de Russen bij hen aan boord uitgenodigd en getrakteerd op wijn. De Russen konden niet geloven dat dit dezelfde mannen waren door wie ze twee jaar geleden zo gul waren onthaald.

Van Heemskerck en zijn mannen zagen er inderdaad erbarmelijk uit. Ze hadden zich in leven gehouden met het kleine beetje voedsel dat ze nog hadden meegenomen. Daarnaast waren ze enkele keren aan land gegaan om eieren te zoeken en vogels te vangen, waarbij ze verschillende keren werden aangevallen door ijsberen. Onderweg was Jan Fransz. van Haarlem, een neef van Claes Andriesz. overleden. Allemaal leden ze aan scheurbuik.

Die avond aten ze samen met de Russen, waarna ze de volgende dag met goede moed weer verder gingen, blij dat ze na meer dan een jaar weer eens andere mensen hadden gezien. Toen de mannen kort daarna aan land gingen hadden ze geluk. Ze vonden er lepelblad, een plant die bekend stond als een probaat middel tegen scheurbuik (dit klopt, want lepelblad bevat veel vitamine C). Al snel na het eten van het lepelblad voelden ze zich stukken beter.

Enkele dagen later, op 4 augustus, ontmoetten ze een Russisch schip. Ze vroegen de bemanning of ze de juiste kant op voeren. Het bleek dat ze nog minstens drie dagen varen verwijderd waren van het punt waar ze dachten dat ze zich bevonden, een flinke domper.
Onderweg naar het eiland Kildin ontmoetten de mannen nog meer Russische schepen. Van de bemanning kochten of kregen ze voedsel en aanwijzingen over de te varen koers.

Tijdens een storm, die werd gevolgd door zware mist raakten de twee sloepen elkaar kwijt. De scheepjes staken vervolgens individueel de Witte Zee over. Na deze oversteek kwam de sloep waarin Gerrit de Veer zich bevond in een klein vissersdorpje terecht, waar ze door de inwoners gastvrij werden ontvangen. Tijdens een korte wandeling om lepelblad te zoeken, ontmoetten ze wonder boven wonder de mannen uit de andere sloep, die dus ook de Witte Zee met succes waren overgestoken. Samen zetten ze daarna koers naar Kildin.


Onderweg vertelden Russische zeelieden hen dat er in de haven van Kola enkele Nederlandse schepen voor anker zouden liggen. In eerste instantie gingen de mannen hier niet op in. Ze wilden naar Waerhuysen (nu: Vardö), omdat ze bang waren dat ze opgehouden zouden worden in Kola, omdat daar de Russische grens loopt. Na Kildin te zijn gepasseerd werden ze door een zware storm gedwongen aan land te gaan. Daar ontdekten de mannen een klein huisje dat werd bewoond door drie Russen. Toen deze hoorden dat de mannen onderweg waren naar Holland, beweerden ook zij dat er in de nabijgelegen havenstad Kola enkele Hollandse schepen lagen, waarvan er bovendien ieder moment twee konden vertrekken.
Op de vraag of ze één van hen als gids wilden begeleiden naar Kola antwoordden ze ontkennend, ze konden hun hut niet achterlaten. Ze kenden echter wel een Lap, die tegen betaling één van de mannen naar Kola wilde brengen. Vier dagen later keerde de Lap alleen terug, met een briefje voor de achtergebleven mannen. Het briefje was geschreven door de schipper van een van de Nederlandse schepen. Er stond in dat ze moesten blijven waar ze waren en dat ze zo snel mogelijk zouden worden opgehaald. Het bericht was tot de stomme verbazing van de mannen ondertekend door Jan Cornelisz. Rijp, dezelfde waarmee ze ruim een jaar geleden samen op weg waren gegaan. De volgende dag arriveerde een schip, dat de mannen de volgende dag voorging naar Kola. Drie dagen later bereikten ze Kola en het schip van Rijp. Nadat alles uit de sloepen was overgeladen naar het schip van Rijp, zetten ze op 18 september koers naar Holland.
Op 29 oktober bereikte het schip de Maas, en op 1 november waren de mannen terug in Amsterdam. Direct na aankomst brachten ze, overigens nog steeds gekleed in hun zelfgemaakte poolkleding, een bezoek aan Pieter Hasselaar. Hij was een van de reders van de schepen waarmee Van Heemskerck en Rijp vertrokken waren. Het nieuws van de terugkomst van de inmiddels doodgewaande expeditieleden had zich ondertussen als een lopend vuurtje door de stad verspreidt, tot in het Prinsenhof aan toe. De mannen werden ontboden om hun verhaal te komen vertellen aan de Burgemeesters en de Ambassadeur van de koning van Denemarken en Noorwegen, die daar op bezoek was. Daarna kregen de mannen hun loon en vertrokken zij allen naar huis.
Het boek van Gerrit de Veer

In 1598 verscheen het boek van de Veer, dat hij had geschreven aan de hand van het logboek van Barentsz. en zijn eigen aantekeningen van de reis. Dat het boek pas na terugkeer werd geschreven is op te maken uit enkele vooruitwijzingen die in het verhaal voorkomen. Dit geldt ook voor de prenten, die waarschijnlijk op aanwijzing van een der bemanningsleden, wellicht De Veer zelf, werden gemaakt. Het boek is doorspekt met allerlei (min of meer aangedikte of geromantiseerde) persoonlijke anekdotes en vormt dus geen puur zakelijk reisverslag. Het is waarschijnlijk hierom dat het boek zowel in binnen- als buitenland zo populair werd. Ook in latere eeuwen, tot aan het einde van de achttiende eeuw, bleef het verhaal populair.


Juist toen het verhaal een beetje in de vergetelheid dreigde te raken leefde aan het begin van de negentiende eeuw het nationalisme op. De Hollandse Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen loofde zelfs prijzen uit voor de beste nationalistische kunstwerken. De dichter Hendrik Tollens schreef een heldendicht, getiteld ‘Tafereel van de overwintering op Nova Zembla’ en won er in 1818 een gouden penning mee.
In de jaren daarna werd de reis vaker aangehaald als voorbeeld van Nederlandse heldhaftigheid.
De ontdekking van het Behouden Huys

Op 9 september 1871 zeilde het Noorse schip Solid langs de oostkust van Nova Zembla. De schipper, Elling Carlsen, was een pelsjager, die deze onbekende wateren had opgezocht, in de hoop er meer buit te kunnen behalen dan in de veelbevaren wateren rond Spitsbergen. In de baai waar Barentsz. vast was komen te zitten ontdekte hij enkele walrussen. Even later zag hij ook het huis, dat inmiddels was ingestort. Alleen de onderste vier balken lagen nog op hun plaats. In de dagen die daarop volgden maakte Carlsen tekeningen van het huis en verzamelde allerlei objecten die Barentsz. en zijn mannen hadden achtergelaten. Na aankomst in zijn thuishaven Hammerfest verkocht Carlsen de objecten aan de Engelsman Ellis C. Lister Kay. Pas in 1872 bereikte het nieuws van de ontdekking Nederland, waarna er alles aan gedaan werd om de objecten naar Nederland te halen, wat uiteindelijk lukte.

In 1876 deed de Engelsman Charles Gardiner Nova Zembla aan tijdens een ijsberenjacht. Ook hij verzamelde allerlei objecten die hij later over droeg aan de Nederlandse staat. Echter, tijdens zijn speurtocht ging de volledig op objecten gefixeerde Gardiner zo grondig te werk, dat er bij zijn vertrek letterlijk geen steen meer op de andere stond. Een schat aan historische informatie ging op deze manier verloren.
Latere expedities brachten niet veel nieuws aan het licht. Een tijd lang kon het eiland niet eens door buitenlandse expedities bezocht worden, omdat Rusland het gebruikte als nucleair testgebied. In die tijd werd het Behouden Huys wel enkele keren bezocht door de Russische ingenieur Kravtsjenko, die in 1980 een stuk van Barentsz.' schip blootlegde, dat overigens pas in 1992 werd opgehaald. In datzelfde jaar arriveerden er voor het eerst sinds de overwintering weer Nederlanders op de plek, tijdens een Russisch-Nederlandse expeditie. In 1995 slaagde een expeditie er nog in een aantal kleine voorwerpen te vinden, door onder andere de afvalkuil te doorzoeken.

De avonturen van Willem Barentsz




Een leesverhaal


Gevangen in het ijs
In 1596 vertrokken twee schepen vanuit Amsterdam naar het noorden. Het ene schip stond onder leiding van Jan Cornelisz de Rijp. Aan boord van het andere schip waren stuurman Willem Barentsz en koopman Jacob van Heemskerck. Over de reis van het laatste schip weten we veel: een van de opvarenden genaamd Gerrit de Veer, hield een dagboek bij.

Het was de derde keer dat Nederlanders een weg probeerden te vinden naar Azië via het noorden. De route via het zuiden, langs Afrika, was in handen van de Portugezen. De Nederlanders dachten dat de weg via het noorden korter, veiliger en gezonder zou zijn. Korter omdat ze dachten dat Azië kleiner was dan het in werkelijkheid was. Veiliger omdat je onderweg geen Portugezen, Spanjaarden, Engelsen of Fransen tegen zou te komen en gezonder omdat de temperatuur veel prettiger zou zijn: geen tropische hitte.

De eerste twee keer moesten de schepen rechtsomkeert maken. IJsvelden belemmerden hen de doorvaart.

Willem Barentsz had het vertrouwen dat het nu wel zou lukken. Aanvankelijk verliep de reis heel voorspoedig. Maar na zes weken werden de schippers van de twee schepen het niet eens over de te volgen koers. Beide schepen gingen vanaf dat moment hun eigen weg.

Barentsz zeilde met veel moeite langs het noorden van het eiland Nova Zembla om langs de oostkant weer naar het zuiden te gaan. Het schip had veel last van ijsvelden. Op een gegeven moment lag het schip muurvast: gevangen in het ijs. Met geen mogelijkheid konden de mannen het schip los krijgen. Door de enorme druk van het ijs dreigde het schip vermorzelt te worden.

Men besloot aan land te gaan, om daar een hut te bouwen en af te wachten tot het schip weer loskwam. Steeds moest men op de hoede zijn voor ijsberen. Tijdens de bouw van het huis werden de mannen regelmatig aangevallen door nieuwsgierige en hongerige ijsberen. Na zes weken werken in ijzige kou, stond de hut er. Op 24 oktober trokken ze erin. Het kreeg de naam 'het Behouden Huys'.

Zo'n acht maanden zouden de mannen moeten verblijven in de hut. In november viel de poolnacht in. Het was 24 uur per dag donker. De werd buiten -20 tot -40 graden. Binnen vroor het ook: duimendik zat het ijs aan de binnenwand. Het vuur kon de hut nauwelijks verwarmen. De mannen hadden niet veel te doen. Eigenlijk behoorde het gaande houden van het vuur, het bereiden van het eten en het vangen van vossen in vallen tot de belangrijkste activiteiten.

Eind januari kwam de zon weer boven de horizon. Het zou echter tot eind mei duren voordat de mannen zich klaar begonnen te maken voor de terugreis. Hun schip bleef echter muurvast in het ijs zitten. Barentsz besloot daarom de twee sloepen die op de heenreis aan boord waren gereed te maken voor een lange zeereis. Op 13 juni vertrokken de overwinteraars. Na ruim een week stierf de zieke Willem Barentsz en een van de andere mannen. Van de zeventien bemanningsleden waren er nu nog twaalf over. Zij bereikten na veel afzien, honger en scheurbuik de kust van het Russische vasteland. Hier werden zij door de lokale bevolking geholpen. Toch zou het nog tot 1 november duren voordat als helden Amsterdam werden: ze waren de eerste Europeanen die een poolwinter hadden overleefd.

De ontdekkingsreis van Barentsz is de laatste poging geweest om via het noorden naar Azië te varen. De route om Afrika werd de gangbare route.

De avonturen van Willem Barentsz




Vragen bij het leesverhaal


  1. Noem drie redenen waarom men probeerde een weg naar Azië te vinden via het noorden?

1
2


3


  1. Waarom was het veiliger een huis te bouwen dan te blijven aan boord van het schip?

Om het huis te bouwen is drijfhout gebruikt dat de mannen op het eiland vonden. Er is maar weinig hout van het schip zelf af gesloopt.





  1. Waarom heeft men maar weinig hout van het schip zelf gebruikt?



  1. Eenmaal hebben de mannen het huis warm gestookt met kolen in plaats van hout. Om de warmte vast te houden hadden ze de kieren en de schoorsteen dicht gestopt. De mannen zijn maar net aan de dood ontsnapt. Wat was het gevaar?



  1. Het was moeilijk voor de mannen om de dagen te tellen. Waarom?




  1. Waarom zouden de mannen niet veel te doen hebben gehad in de hut?




  1. Er is veel hout verstookt in het Behouden Huys. Toch was het niet altijd mogelijk om drijfhout te verzamelen. Waarom niet?

Eeuwen later is het Behouden Huys door poolreizigers terug gevonden. Er bevonden zich nog voorwerpen in het huis die de mannen hebben moeten achterlaten.


  1. Wat zal het grootste 'voorwerp' zijn dat op Nova Zembla is teruggevonden?




  1. Waarom werd Willem Barentsz zelf niet als held Amsterdam binnengehaald?

De avonturen van Willem Barentsz




Antwoorden bij het leesverhaal



  1. De route zou korter, veiliger en gezonder zijn.




  1. Betere bescherming tegen kou, ijsberen en drukkrachten van ijs.




  1. Men had de hoop nog met dit schip te kunnen vertrekken.




  1. Vergiftiging door koolmonoxide.




  1. Het was tijdens een paar maanden dag en nacht donker.




  1. Kou, gering licht, weinig energie.




  1. De koude was levensgevaarlijk.




  1. Delen van het schip van Barentsz.




  1. Hij was op de terugweg gestorven.




Docentenhandleiding




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina