De begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Hoger onderwijs en Onderzoek, voor het jaar 2009



Dovnload 380.7 Kb.
Pagina1/8
Datum27.09.2016
Grootte380.7 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8

VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG


De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap <1> heeft op 8 december 2008 overleg gevoerd met minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Hoger onderwijs en Onderzoek, voor het jaar 2009.
Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van de Camp


De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Kler


**
Voorzitter: Van de Camp
Aanwezig zijn 11 leden der Kamer, te weten:
Anker, Besselink, Bosma, Van de Camp, Dibi, Jan Jacob van Dijk, Jasper van Dijk, Van der Ham, Joldersma, Van der Vlies en Zijlstra,
en de heer Plasterk, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Aan de orde is de behandeling van:

- de lijst van vragen en antwoorden bij de vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van OCW (VIII) voor het jaar 2009 (31700-VIII, nr. 32);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 november 2008 over de ontwikkeling van de instellingsbekostiging hoger onderwijs (31288, nr. 43);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 november 2008 over de bijverdiengrens & terugbetalingsvoorwaarden bij studieleningen (31288, nr. 42);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 15 oktober 2008 inzake het advies van de Commissie kwaliteit en bekostiging in het hoger onderwijs (31288, nr. 41);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 december 2008 met een beleidsreactie op het advies van de Commissie kwaliteit en bekostiging in het hoger onderwijs (31288, nr. 48);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 8 oktober 2008 met de stand van zaken toezeggingen hoger onderwijs (31288, nr. 40);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 31 oktober 2008 met de notitie Naar een volwassen bachelor-masterstructuur (29281, nr. 10);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 december 2008 met de antwoorden op vragen van de commissie over de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs (2008Z08300);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 december 2007 met een antwoord op een vraag van de commissie over de kwaliteit en intensiteit van het onderwijs (2008Z06641);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 november 2008 met de internationaliseringsagenda Hoger Onderwijs, Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid "Grenzeloos Goed" (31288, nr. 44);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 oktober 2008 inzake studiefinanciering minderjarigen in het hoger onderwijs vanaf september (24724, nr. 81);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 oktober 2008 met een reactie op het AOb-onderzoek bezoldiging topbestuurders hoger onderwijs (30111, nr. 32);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 15 oktober 2008 met de feitelijke stand van zaken rond de positie van Iraanse studenten in het hoger onderwijs in Nederland (31700-VIII, nr. 10);

- het afschrift van een brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de commissie-Fernhout inzake de sanctieregeling Iran (2008Z04876);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 28 april 2008 inzake studerende moeders (24724, nr. 74);

- de brief van de minister voor WWI d.d. 10 oktober 2008 met de voortgangsrapportage Nederlandse imam- en islamopleidingen (31700-XVIII, nr. 6);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 december 2007 met de Studentenmonitor (31200-VIII, nr. 127);

- de brief van de minister d.d. 19 november 2008 inzake studiekeuze en studiesucces (31288, nr. 46);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 juni 2008 bij de aanbieding van het jaarverslag 2007 van TNO (29338, nr. 74);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 9 mei 2008 bij de aanbieding van het Evaluatierapport NWO van de evaluatiecommissie-Van der Vliet inzake de rol van NWO in het wetenschapsbestel (29338, nr. 73);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 14 november 2008 met de voortgangsrapportage "Het Hoogste Goed", onderdeel Onderzoek- en Wetenschapsbeleid (31288, nr. 45);

- de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 november 2008 met de Nederlandse Roadmap Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten (27406, nr. 124).
De voorzitter: Ik heet u allen hartelijk welkom, in het bijzonder de minister en de dames en heren die hem begeleiden. Wij behandelen vandaag het onderdeel Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van de OCW-begroting voor het jaar 2009. De rest van de onderwijsbegroting zal ook deze week worden behandeld. Wij zullen de in totaal bijna 35 mld. dus heel compact goedkeuren.

Ik geef het woord aan de heer Jasper van Dijk, die voor zijn eerste termijn 14 minuten ter beschikking heeft.

**
De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Wij spreken over hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Nederland wordt steeds meer een kenniseconomie met kennis als basis van onze welvaart. Uitstekend hoger onderwijs met een brede toegankelijkheid is dus van groot belang. Elke investering in onderwijs en wetenschap betaalt zich terug, vaak met winst. Toch zie ik die urgentie niet terug in het beleid van de minister. Steeds wordt er gemorreld aan de toegang tot het hoger onderwijs. De studiefinanciering is gereduceerd tot een soort zakgeld. Collegegelddifferentiatie is mogelijk. Ook wordt hier en daar geselecteerd. Ik stel de minister een kernvraag: is het hoger onderwijs een taak van de overheid of vindt hij het meer een particuliere aangelegenheid? Als het een publieke taak is, vereist dat investeringen. Als het alleen gaat om persoonlijk gewin, moet de minister dat zeggen. Dan kan hij openlijk overgaan tot het invoeren van het profijtbeginsel. Studeren wordt dan weer een eliteaangelegenheid.

Enige jaren terug is de bachelor-masterstructuur ingevoerd. Toen werd afgesproken dat bachelor en master bij elkaar horen. Elke wetenschappelijke bachelor krijgt een soepele doorstroom naar een masteropleiding via een zachte knip. Nu wil de minister daarvan af met de invoering van een harde knip. Je mag pas aan je master beginnen als je je bachelor helemaal hebt afgerond. Ook als je slechts één vak uit je bachelor mist, mag je niet verder. Dit levert dus vertraging op. De student moet zich weer inschrijven en collegegeld betalen voor dat ene vak van de bachelor. Haalt hij dat vak niet, dan kost het misschien nog een jaar. Dat betekent dus meer dan een jaar studievertraging vanwege één vak. Het is te begrijpen dat veel studenten zullen afhaken. De studenten voeren daar actie tegen, en ik sta achter hen.

Wat zijn de bezwaren tegen de harde knip? Het leidt tot vertraging. Studenten worden in de wachtkamer gezet. Het gaat in tegen de internationalisering. Je gaat minder snel weg vanwege de tijdsdruk. Het gaat in tegen de kenniseconomie. Studenten zullen eerder stoppen met studeren. Studenten worden opgejaagd en zullen makkelijker vakken gaan volgen. Weg excellentie. Het is betuttelend om dit van bovenaf op te leggen. Laat dit over aan instelling en student. In feite neemt de minister studenten en universiteiten niet serieus. Alsof zij er zelf niet uitkomen. Een student is na drie jaar studie prima in staat om in overleg een keuze te maken voor zijn vervolgopleiding. De masteropleiding wordt minder toegankelijk. De volgende stap kan zijn dat de studiefinanciering met een jaar wordt ingekort. Daarmee wordt het voor minder draagkrachtige studenten moeilijker om verder te studeren. Eerder heeft de PvdA gepleit voor het omzetten van de studiefinanciering in een leenstelsel. Vorig jaar heeft de minister gesuggereerd dat het collegegeld voor de master verhoogd kan worden. Ook nu moeten studenten op hun hoede zijn, want de afbraak van het hoger onderwijs is dichterbij dan zij denken.

De minister wil dat studenten beter nadenken over de keuze van hun masteropleiding. Misschien doen zij dat nu al. Er is geen onderzoek naar gedaan. Hoe kan de minister dan zeggen dat studenten te weinig nadenken? Veel studenten kiezen voor de doorstroommaster. Dat gebeurt omdat het goed aansluit. Wat is daar mis mee?

Wil de minister op zijn minst onderzoek doen naar de keuzemotieven van studenten, voordat hij de harde knip invoert? Wat betreft mobiliteit is het ook de vraag of de harde knip gaat helpen. In de Studentenkamer zei de minister: "Meten is niet altijd weten. Ik verwacht eigenlijk pas op de lange termijn aantoonbaar effect". Als het effect onbekend is, waarom dan toch invoeren?

Dan is er de vraag of de wo-bachelor nu een eindopleiding is of niet. De minister ontkent het, maar in het rapport van CHEPS wordt het wel gezegd: kiezen voor de arbeidsmarkt na de wo-bachelor moet een serieuze optie zijn. Dat is tenminste duidelijk. De wo-bachelor wordt dan een eindopleiding, maar het wordt een wetenschappelijke opleiding, dus met een jaar ingekort. Waarom luistert de minister niet beter naar het veld? De LSVB en het ISO willen het niet, bepaalde universiteiten zoals Nijmegen, Groningen, Twente willen het zelf bepalen en ook de KNAW wil geen harde knip. Tegen de minister zeg ik: kies voor flexibel hoger onderwijs, zonder harde knip. Voorkom dat studeren een soort afvalrace wordt.

In de afgelopen decennia is het budget voor hoger onderwijs per student gehalveerd. Daarnaast is er de verhoging van het collegegeld, om de lerarensalarissen van te betalen. Het geld dat over is bij de studiefinanciering wordt gebruikt voor de kinderopvang. Op de UvA zien wij de gevolgen: het bestuur wilde de studenten extra laten betalen voor extra vakken. Op Kamervragen zei de minister terecht dat dit niet is toegestaan. Pas na acties gaf de UvA zich gewonnen, maar de bekostiging is wel een probleem. De collegevoorzitter zei: in 2001 kreeg de UvA nog €18.000 per student, in 2009 €13.000. Dat is dus €5000 minder. Dat probleem blijft dus nog wel bestaan.

De VSNU kwam in een brief van 3 december met een vergelijkbaar punt. In 2009 zal de prijs die instellingen voor diploma's ontvangen, 20% lager zijn dan de afgesproken prijs. Het gaat om een korting van 137 mln. Deze wig loopt op naarmate studenten sneller afstuderen.

Studenten van Iraanse afkomst worden op grond van hun nationaliteit mogelijk geweigerd bij studies waarin nucleaire technologie wordt onderwezen. Deze groep voelt zich terecht gediscrimineerd. Waarom sluit de minister een complete groep uit op grond van afkomst? Zelfs als de studenten een Nederlands paspoort hebben, worden zij geweigerd. Hebben wij dan twee soorten Nederlandse staatsburgers? Doe dit niet, het is pure discriminatie. Als de faculteit gevoelige informatie heeft, moet zij die geheimhouden, maar dit slaat nergens op.

De eenoudertoeslag voor studerende moeders wordt opgeteld bij de studieschuld. Wie zijn opleiding niet afmaakt, moet dat geld terugbetalen, terwijl het feitelijk voor het kind is bedoeld. Zo wordt het kind onterecht gestraft. De Stichting Steunpunt Studerende Moeders heeft eenmalig geld gekregen van de minister. Mijn voorstel is deze stichting wat extra steun te geven.

Mijn volgende punt is de bekostiging van een tweede studie. Een levenlang leren is een belangrijk uitgangspunt van dit kabinet. Toch kiest de minister ervoor om studenten die een tweede studie volgen, het instellingstarief te laten betalen. Dat werkt natuurlijk averechts, want dat bedrag is veel hoger. Om hoeveel studenten gaat het precies? Voor lerarenopleidingen en voor de zorg wordt een uitzondering gemaakt, maar waarom zou je dat niet voor alle studies laten gelden? Wij hebben naast docenten en zorgpersoneel toch ook bijvoorbeeld bèta's nodig?

De minister toont ambitie als het gaat om internationalisering. Hij wil meer Nederlandse studenten naar het buitenland en vice versa. De gezamenlijke organisaties voor hoger onderwijs onderschrijven de plannen, maar zijn kritisch over het budget. Denkt de minister deze ambities te kunnen waarmaken met 19 mln. in 5 jaar?

Mijn volgende punt betreft de klachten over de WISCAT op de pabo. Is de minister bereid om met de HBO-raad te overleggen over het gebruik van een andere toets? Het is voor studenten vaak niet duidelijk wat zij verkeerd doen.

De minister verwerpt het advies van de Commissie kwaliteit en bekostiging en komt in plaats daarvan met een prijsvraag, nominaties en een jury. Betrokkenen maken kans op een prijs voor bijzondere prestaties. Ik vind dat erg dun, er is ook geen groot budget voor vrijgemaakt. Als de minister het niet wil, moet hij het gewoon niet doen en moet hij investeren in goed hoger onderwijs.

Onafhankelijk onderzoek is van groot belang voor de samenleving. Als de overheid tekortschiet, gaat het bedrijfsleven bepalen wat universiteiten moeten onderzoeken.

Van de bijzonder hoogleraren aan universiteiten wordt 25% gesponsord door het bedrijfsleven. Deze hoogleraren tonen de groei van de vermenging van bedrijfsleven en wetenschap. Het is goed dat er openheid komt over de nevenfuncties van hoogleraren. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over de zogenaamde "Campina-professor", die adviseert dat melk gezond is. Wanneer komt het register echter naar buiten? De minister zou dit voor het eind van het jaar regelen en anders zou er wetgeving komen. Ik heb graag een update hierover.



Om onafhankelijke wetenschap beter te waarborgen heeft de KNAW een verklaring opgesteld. Daarin staan de basisregels voor onderzoek, namelijk dat onderzoek onafhankelijk moet zijn en publicatie nooit mag worden tegengehouden. Er is steeds meer reden om hiertoe over te gaan. Transparantie is echt van groot belang. Veel van de economen bijvoorbeeld die momenteel oordelen over de kredietcrisis, zijn tevens in dienst van banken. In de Groene Amsterdammer van 10 oktober staat een mooi overzicht: Lex Hoogduin zit bij de UvA en Robeco, Jaap Koelewijn zit bij Nyenrode en is consultant, Sjoerd IJsma is commissaris bij de Rabobank en heeft een leerstoel aan de UvA, en Dolf van den Brink zit bij de UvA en zat bij de ABN AMRO. Sponsoring is er ook. Neem het Amsterdam Center for Corporate Finance van de UvA. Dat wordt gesponsord door de Rabobank. De conclusie is: de verwevenheid neemt toe.
Mevrouw Joldersma (CDA): De heer Van Dijk zet steeds een heleboel dingen op een rijtje. Hij heeft dat in een vorig overleg ook al gedaan. Het lijkt echter alsof hij de wetenschappers in een soort verdachtenhoekje wil plaatsen, terwijl wij bij alle voorstellen en het kabinet zelf steeds hebben gezegd dat het van belang is dat onderzoeksresultaten naar de praktijk worden vertaald. Ik heb zelfs mevrouw Kant, fractievoorzitter van de SP, al eens horen zeggen dat wij de wetenschap moeten gaan nationaliseren. Dat vind ik allemaal heel gevaarlijke opvattingen. Wat wil de heer Van Dijk nu precies?
De heer Jasper van Dijk (SP): Dat het CDA er geen moeite mee heeft dat het bedrijfsleven invloed uitoefent op wetenschappelijk onderzoek, neem ik gewoon aan. Ik vind dat echter een heel zorgelijke ontwikkeling. Daarom dring ik in eerste instantie aan op transparantie. Ik vind het geen goede ontwikkeling dat een hoogleraar een uitspraak doet die zogenaamd wetenschappelijk is gefundeerd, terwijl hij tegelijkertijd in dienst is van een bank of de farmaceutische industrie. Wellicht heeft mevrouw Joldersma ook de uitzending van Zembla gezien waaruit blijkt dat het bedrijfsleven invloed uitoefent op de verkoop en het onderzoek naar geneesmiddelen. Ik vind dat de minister veel duidelijker kenbaar moet maken dat er transparantie moet zijn en dat onderzoek te allen tijde onafhankelijk moet zijn.
Mevrouw Joldersma (CDA): Tegen transparantie is natuurlijk geen bezwaar, maar ik hoor uit de hoek van de SP wel eens geluiden waarmee alle wetenschappers maar verdacht worden gemaakt. Laatst hoorde ik zelfs iemand beweren dat de invloed van de farmaceutische industrie zo ver gaat dat de wetenschappelijke ontwikkelingen rond de biologische benadering uit de koker van diezelfde industrie zouden komen. Dan meen ik dat wetenschappers helemaal zwart worden gemaakt.
De heer Jasper van Dijk (SP): Nogmaals: ik vind het zorgelijk dat het CDA er geen problemen mee heeft dat de farmaceutische industrie invloed uitoefent op wetenschappelijk onderzoek.
Mevrouw Joldersma (CDA): Toont u dat dan ook eens aan, mijnheer Van Dijk!
De heer Jasper van Dijk (SP): Ik noemde net de uitzending van Zembla en ik noem de radio-uitzendingen van Argos. Argos heeft grondig onderzoek gedaan naar de invloed van het bedrijfsleven. Ik heb daar vragen over gesteld aan de minister. Hij heeft toegezegd dat hij op zijn minst de functies van hoogleraren openbaar wil maken. Ik vraag hem nogmaals: lukt dat voor het eind van het jaar? Het is bijna kerst dus ik ben erg benieuwd wanneer die lijst er komt. Als die niet openbaar wordt gemaakt, dan wil ik graag dat er maatregelen worden genomen. Ik noemde ook al de verklaring van onafhankelijke wetenschap van de Academie van Wetenschappen. Als universiteiten alsook overheden die onderzoek in opdracht laten verrichten, deze verklaring hanteren, dan krijgen wij meer duidelijkheid over de status van het onderzoek.
Mevrouw Joldersma (CDA): Maar de heer Van Dijk is nog niet ingegaan op…
De voorzitter: Nee, mevrouw Joldersma, zo doen wij dat hier niet.

De heer Van Dijk vervolgt zijn betoog.

**
De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Dan kom ik op de overheveling van de eerste geldstroom naar de tweede geldstroom, die de minister vorig jaar heeft voorgesteld. Er zou 100 mln. worden overgeheveld. Daar zijn zorgen over. In de brief van de VSNU van 4 december staat dat maar liefst 500 mln. de komende jaren op de plank blijft liggen bij NWO. Dat kan niet de bedoeling zijn, zeker aangezien de minister duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat de overheveling bestemd is voor de vernieuwingsimpuls.

De VSNU stelt terecht dat het dan beter is om de overheveling uit te stellen, zodat het geld terechtkomt waar het hoort: bij de universiteiten. Kan de minister duidelijk toezeggen dat er in deze kabinetsperiode geen nieuwe overheveling op de rol staat?

Promovendi dienen gewone werknemers te zijn. De minister vindt dat ook, waarvoor hulde, maar hij grijpt niet in als universiteiten promovendi toch als studenten behandelen. In Groningen zijn nog steeds beurspromovendi zonder ontslagbescherming, pensioenopbouw, vakantiegeld en een collectieve ziektekostenverzekering. Het zou de minister sieren als hij iets meer doet met zijn opvattingen. Hij zou er bijvoorbeeld bij VSNU op aan kunnen dringen dat men stopt met de aanstelling van promovendi als "beursaal". Graag een reactie van de minister.

Er moet ook geïnvesteerd worden in de begeleiding van promovendi. Het aantal is de afgelopen tien jaar verdubbeld tot een kleine 7000, maar het wetenschappelijk personeel nam toe met bijna 2%. 30% van de promovendi haalt de eindstreep niet. Graag meer inzet op begeleiding, dan krijg je ook meer rendement.

Kortom, ik vraag de minister om zich sterk te maken voor hoger onderwijs en wetenschap. Hij moet dit niet overlaten aan onvoorspelbare krachten. Daar krijgt hij later spijt van.
De voorzitter: Dank u zeer. Dan gaan wij nu over naar de fractie van het CDA met twee woordvoerders. Zij hebben samen 18 minuten spreektijd. De globale tijdsindeling is: 10 minuten voor de heer Van Dijk en 8 minuten voor mevrouw Joldersma. Dan weten zij waar zij aan toe zijn. Het woord is aan de heer Jan Jacob van Dijk.

**
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Wij hadden gehoopt op dubbele spreektijd, voorzitter, door twee leden aan te melden.

Voorzitter. In oktober zijn wij op bezoek geweest in de Verenigde Staten als vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om te kijken hoe het daar staat met toegankelijkheid en excellentie. Na verloop van een aantal gesprekken werd ons de vraag gesteld: waarom komen jullie eigenlijk kijken hoe ons systeem werkt, terwijl jullie zelf een hartstikke goed systeem hebben? Ik moet zeggen dat het erg goed was om die ontnuchterende opmerking te horen. Het is waar dat de kwaliteit van het Nederlandse stelsel voor hoger onderwijs goed is. Alle Nederlandse universiteiten staan op de ranglijst van 100 beste universiteiten van de wereld. Het punt is alleen dat wij niet bij de beste 50 staan. Dat was met name het punt waar wij aandacht voor wilden. Hoe zorgen wij ervoor dat wij ook bij die beste 50 gaan horen? Eén van de belangrijkste uitdagingen waarvoor wij in de komende periode komen te staan is: hoe zorgen wij ervoor dat het Nederlandse stelsel voor hoger onderwijs mee kan in de internationale concurrentie en dat wij met ons stelsel in 2030 nog steeds aan de top staan en onze bijdrage kunnen leveren aan de belangrijke doelstellingen van Lissabon en op het terrein van de kenniseconomie?

Er is een aantal punten waarbij ik wil stilstaan om na te gaan in hoeverre wij die doelstelling kunnen halen. Het eerste onderwerp is internationalisering. Daarna kom ik bij de bekostiging. Ik heb ook nog vragen op het punt van de harde knip. Tot slot heb ik nog een enkele opmerking over toegankelijkheid en over diverse restonderwerpen.

In de eerste plaats de internationalisering. De doelstelling is goed. Internationaal gezien moeten wij op een hoog niveau komen te staan en wij moeten ervoor zorgen dat er meer Nederlandse studenten in het buitenland gaan werken en dat het aantrekkelijker wordt voor buitenlandse studenten om naar Nederland te komen. Wij moeten er alleen wel voor zorgen dat de kwaliteit van buitenlandse studenten die hier onderwijs willen volgen goed is. De ervaring leert dat het binnenhalen van studenten uit gebieden waar de kwaliteit van de diploma's iets anders is dan die van de Nederlandse diploma's, eerder zal zorgen voor een verzwakking van het Nederlands hoger onderwijs dan voor een versterking. Ik zie daar met name een rol weggelegd voor de Nuffic om daar strenger op toe te zien.

Wij hebben de Netherlands Education Support Offices, die vestigingen hebben in verschillende landen. Kan de minister aangeven hoe effectief die bureaus in de afgelopen periode zijn geweest? In het kader van de internationalisering suggereert de minister dat het verstandig zou kunnen zijn om op diverse masters joint degrees aan te bieden. Die zouden uitgebreid mogen worden naar 90 studiepunten. Wie bepaalt welke master daarvoor in aanmerking komt? Hoe wordt dat gefinancierd?


Mevrouw Besselink (PvdA): Kan de heer Van Dijk een toelichting geven op de rol van de Nuffic bij het toetsen van diploma's? Volgens mij doet Nuffic dat, dus ik snap niet helemaal wat hij meer wil.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): De ervaringen zijn niet altijd even positief. Er komen nogal wat studenten uit Zuidoost-Europa of Azië van wie de kwaliteit in veel gevallen onder de maat is. Ik roep Nuffic op om die taak wat serieuzer op te pakken. Dat is in belangrijke mate het punt.

Bij de bijdrage die wetenschap kan leveren aan de ontwikkeling van de economie, denk ik dat een goede beroepsbevolking cruciaal is voor derdewereldlanden of voor andere onderontwikkelde gebieden om ervoor te zorgen dat de economie een stuk verder gaat komen. Waarom denkt de minister niet creatief na over de mogelijkheid om een stuk financiering te vinden, misschien bij het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking, voor mensen die hier naartoe komen en na een studie te hebben verricht weer teruggaan? Ik denk dat dit een belangrijke bijdrage zou kunnen geven aan de economie en de ontwikkeling van die landen.

De minister heeft aangekondigd dat de nieuwe bekostiging niet op 1 januari 2010 zal ingaan, maar op 1 januari 2011. Vormt de overgangsproblematiek bij de universiteiten de voornaamste reden voor dit uitstel? Kan het hbo deze uitsteloperatie velen? Is het verstandig om er nog een jaar extra aan toe te voegen? Wij gaan ervan uit dat dit belangrijke document nog op een zorgvuldige manier kan worden behandeld door het parlement. Ik raad de minister aan om er in de tijdsplanning rekening mee te houden dat wij er goed naar willen kijken.

De heer Jasper van Dijk heeft al wat gezegd over het probleem van de wig; dat door een hoger studierendement de prijs die een universiteit krijgt per afgegeven diploma, fors naar beneden gaat. Dit is in feite een perverse prikkel en dat heeft nogal wat consequenties. Op welke manier kunnen wij deze problematiek omzeilen? Of schat de minister in dat deze problematiek veel minder groot is?

Vorig jaar is omstreeks deze tijd door mevrouw Besselink en de heer Zijlstra een motie ingediend om kwaliteitselementen voor de accreditatie op te nemen in het nieuwe bekostigingsstelsel. Wij waren daar al geen voorstander van, omdat wij vonden dat bij de instellingsaudit voor de accreditatie voldoende aandacht moet worden besteed aan de kwaliteit. Wij hebben nu het advies gezien van mevrouw Sorgdrager, die met een buitengewoon ingewikkeld stelsel komt. Ik ben blij dat de minister dat opzij heeft gezet.

Hij is met een alternatief gekomen dat een universiteit of een hbo-instelling via een prijsvraag een beloning kan krijgen als er een positief element is geweest. Mijn suggestie is om het andersom te doen door te zeggen dat instellingen voor hoger onderwijs uit het beschikbare bedrag subsidie kunnen aanvragen voor het starten van een interessant experiment, onder de voorwaarde dat positieve ervaringen breed worden gedeeld met andere instellingen, zodat zij daarvan kunnen leren. Ik denk dat dit ons een stap vooruit zou kunnen brengen. Verder ga ik ervan uit dat studie en handicap een serieuze plaats heeft gekregen bij de instellingsaudit voor de accreditatie.

Wij hebben de vorige keer ook uitgebreid gesproken over de hbo-titulatuur. In de brief over internationalisering staat in een voetnoot dat de minister vindt dat hiervoor voldoende aandacht is. Mijn ervaring is dat bijna niemand die voetnoot heeft gelezen. In de voetnoot staat dat het probleem niet zo groot is, maar van de HBO-raad hoor ik dat dit wel een groot probleem is. Ik daag de minister uit om voor 1 februari een heldere brief te sturen waarin nog even helder uiteen wordt gezet wat het probleem is bij het hbo en waarom de minister denkt dat dit geen probleem is. Iemand die van de Design Academy komt en een internationaal hoog aangeschreven diploma heeft, kan geen mastersopleiding in het buitenland volgen. Kan de minister daarop helder antwoord geven?

Ik ben het niet eens met wat de heer Jasper van Dijk naar voren heeft gebracht over de harde knip. Hij suggereert dat men buitengewoon veel studievertraging kan oplopen door de invoering hiervan.

Ik denk dat dit juist een stimulans kan zijn voor studenten om er net een tandje bij te doen om ervoor te zorgen dat zij de zaken net op tijd af hebben. Wij doen dit, omdat dit in belangrijke mate goed is voor de student, omdat hij dan veel meer ruimte heeft om zelf zijn master te kunnen kiezen en niet gedwongen is om bijna automatisch voor de doorstroommaster te kiezen.

Wij vinden het om die reden verstandig om wel de harde knip door te voeren, maar wij plaatsen daar wel een aantal kanttekeningen bij. In de eerste plaats vind ik het niet erg wanneer het aantal herkansingen dat iemand kan krijgen voor een vak, vergroot kan worden. In de tweede plaats moet bekeken worden of meerdere instapmomenten mogelijk zijn, zeker bij de grote masteropleidingen, zodat men ook op een ander moment de masteropleiding kan gaan volgen. Dat moet echter wel in redelijkheid zijn ten aanzien van de kosten. In de derde plaats vind ik dat wanneer één enkel vak dat niet relevant is voor de master, nog niet is gehaald, wij ervan moeten kunnen uitgaan dat de studierichting of de faculteit dan enige clementie toont op dit punt.


De heer Dibi (GroenLinks): Ik vind het interessant wat de heer Jan Jacob van Dijk zegt. Hij zegt eigenlijk dat het CDA geen principieel tegenstander van de harde knip is. Dat is prima, want dat zeg ik ook. Maar voordat wij dit landelijk gaan opleggen aan alle instellingen in het hoger onderwijs, moet volgende de heer Van Dijk aan drie voorwaarden zijn voldaan: ten eerste de mogelijkheid van meer instroommomenten, ten tweede wellicht meer herkansingsmogelijkheden en ten derde het uitgangspunt dat vakken die niet essentieel zijn voor de master, niet per se afgerond hoeven te zijn voor men toegang verkrijgt tot de master. Is dit wat de heer Jan Jacob van Dijk zegt tegen de minister?
De heer Jasper van Dijk (SP): Ik vind het nogal komisch dat de heer Jan Jacob van Dijk zegt dat hij de studenten gaat helpen met de invoering van de harde knip, want hij kan dit toch niet in alle oprechtheid menen. De voortgang van de studie wordt immers gewoon geblokkeerd. De student mag niet verder als hij niet alles heeft afgerond. Hij verbindt er echter wel een aantal voorwaarden aan. Hij zegt ook in een stuk van het Hoger Onderwijs Persbureau dat een student door moet kunnen als hij één of twee punten tekort komt. Is de heer Jan Jacob van Dijk nu wel of geen voorstander van de harde knip? Wil hij dan hier in Den Haag ook afzien van zo'n centrale, opgelegde regeling die de harde knip is en het in plaats daarvan aan de instellingen overlaten?
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Volgens mij kan ik beide vragen samen nemen. Ten eerste heb ik gezegd dat wij voorstander zijn van een harde knip. Wij zetten keurig in de landelijke wetgeving dat er een harde knip komt. Ten tweede wil ik instellingen aanbevelen om ervoor te zorgen dat er meerdere herkansingsmogelijkheden komen voor tentamens. Vaak heeft men een herkansing op het moment dat het vak wordt gegeven en mag men een ander tentamen driekwart jaar later nog eens gaan doen. Ik vind het niet onverstandig dat bekeken wordt of daar een extra herkansingsmogelijkheid bij zou kunnen komen. Voor wat betreft de grote masteropleidingen kan bekeken worden hoe het precies zit met meerdere instapmomenten. Wij weten alleen ook dat dit bij sommige studies gewoon niet mogelijk is. Als je bijvoorbeeld een studie Hebreeuws gaat doen, dan zit je met een clubje van tien personen. Dan is het heel lastig om meerdere instapmomenten in te voeren. Ik ben daar niet voor. Ook wanneer heel grote kosten moeten worden gemaakt voor onderzoeksopstellingen, moet je je afvragen of dit überhaupt mogelijk is. Ik wil dit dus in redelijkheid. Ten derde heb ik heel nadrukkelijk gezegd dat wanneer het gaat om één enkel vak dat niet gehaald is en dat niet relevant is voor de master, de faculteit enige vorm van clementie kan betrachten. Dit is hetgeen ik eerder naar voren heb gebracht.

De heer Dibi probeerde dit -- en dat is knap van hem -- een stukje verder op te rekken, maar dit is hetgeen ik helder naar voren heb gebracht. De heer Jasper van Dijk gaat ervan uit dat studenten niet geholpen zijn met heldere deadlines. Volgens mij zijn studenten wel buitengewoon geholpen door helder te hebben op welk moment zij zaken af moeten hebben. Daar moeten ook duidelijke consequenties aan verbonden worden. Ik denk dat heel veel studenten in andere gevallen gewoon bijna gedwongen zijn om een doorstroommaster te gaan doen. Dat is ook niet in het belang van de student. De heer Jasper van Dijk kan dat niet ontkennen. Dat heeft hij overigens ook niet gedaan. Dit is ook niet in het belang van de student.


De heer Jasper van Dijk (SP): Ik begrijp dit niet, want het CDA is altijd groot voorstander van autonomie, vrijheid en ruimte voor de instellingen. Zij moeten het vooral zelf regelen. Maar nu ineens moet deze harde knip keihard van bovenaf worden opgelegd.

U pleit wel voor een aantal uitzonderingen en zegt er met de minister wel uit te komen, maar het cruciale punt is dat dit overgelaten moet worden aan de instelling en de student. Dat past helemaal bij de CDA-levensbeschouwing.


De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Volgens mij hebben wij hier met een vorm van schizofrenie te maken. De heer Van Dijk is juist altijd voor een harde centralistische, stalinistische aanpak. Nu ben ik een keer degene die opwerpt dat het verstandig is om een aantal zaken centraal te doen en verwijt hij mij dat ik misschien schizofreen ben. Het is gewoon heel helder. Wij moeten instellingen helderheid bieden. De heer Van Dijk stelt voor om het aan de instellingen over te laten, maar hoe moet iemand daarmee omgaan die nu aan de UvA studeert en straks naar de VU wil? Je moet helderheid verschaffen. Ik zou het daarom in wetgeving willen neerleggen. Ik moet wel zeggen dat de opmerkingen van de heer Van Dijk veelbelovend zijn voor de debatten die wij deze week nog zullen hebben over meer autonomie en minder centralistisch regelen.
De heer Jasper van Dijk (SP): De heer Van Dijk mag ook lid worden van onze partij.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Mijn vrouw heeft gezegd dat je niet op elke uitnodiging moet ingaan. Ik laat deze dus ook even links liggen.

Wij hebben een pilot voorgesteld over de studiekeuzegesprekken, omdat wij denken dat dit verstandig is. Ik zou de minister willen vragen om daarin extra aandacht te besteden aan studenten die pas na 1 augustus hun studiekeuze definitief gemaakt hebben. Als wij later overgaan tot invoering van die studiekeuzegesprekken, is het verstandig om deze groep daartoe te verplichten en na te gaan of die studenten weten wat ze willen.

Wat betreft studierendement moet er meer aandacht komen voor studieverenigingen. Zij kunnen in belangrijke mate het studierendement verhogen. Wat vindt de minister van collegegeldvrij studeren voor studenten die een bestuursfunctie hebben? Wij worden jaar in jaar uit door de OECD geprezen vanwege de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Ik denk dat dit goed is. Ik wil de minister bedanken voor het tegemoetkomen aan de ernstige bezwaren die wij in juli hadden over de terugbetalingsregeling. Ik heb daar nog twee vragen over. Waarom kiest de minister voor vijftien jaar? Kan de IB-Groep het aan om al die informatie in korte tijd te leveren?

Ik denk dat mevrouw Besselink straks de loftrompet zal steken over de bijverdienregeling en daar kan ik me in vinden. De minister heeft ons tijdens het debat van de commissie-Dijsselbloem een brief toegezegd over de positie van het onderwijsrecht aan universiteiten. Die brief hebben wij nog niet gezien en wij maken ons nog steeds zorgen om die kwestie. De Open Universiteit heeft een verzoek gedaan om ook de studie hbo-rechten aan te mogen bieden. De minister heeft dat onder andere afgewezen met argumenten over de macrodoelmatigheid. Wij zijn nog niet overtuigd door deze argumenten. Wij zien hierin zelfs een principiële aanval op het open karakter van de Open Universiteit. Zou de minister daar nog nader op kunnen ingaan?


Mevrouw Joldersma (CDA): Voorzitter. Ik zal het alleen hebben over het wetenschappelijk onderzoek. Op zich kan ik daar heel positief over zijn, want de internationale reputatie is zeer goed. De grote vraag is wel of dat in de toekomst zo blijft. Wij horen steeds de kritiek dat die reputatie gebaseerd is op het verleden. Waar zit volgens de minister de cruciale sleutel om ook in de toekomst die goede reputatie te houden?

De Europese ontwikkelingen zijn een van de belangrijke dingen die wij zien. Ik vind het vreselijk moeilijk om daar vat op te krijgen. Het is niet zo erg als ik er geen vat op krijg, maar ik hoop dat de minister er wel vat op heeft. Wij horen de kritiek dat Nederland weinig invloed zou hebben op het Europese onderzoeksbeleid. Wij hebben prachtige dingen gekregen over de Nederlandse roadmap, de projecten die wij financieren en over hoeveel geld overal heen gaat. Betekent dat nu dat onze prioriteit alleen bij Nederland ligt, of dat wij ook in staat zijn om op Europees niveau dingen voor elkaar te krijgen? Kan de minister, mede naar aanleiding van de Raad Concurrentievermogen van vorige week, ingaan op hoe hij zich beweegt in dat Europese lobbycircuit? Ik begrijp dat wij nu die grootschalige onderzoeksinfrastructuur hebben en op termijn komt de discussie over het Europese technologie-instituut, waarbij weer van alles te verdelen is.

Hoe zorgt de minister ervoor dat hij daar namens ons de Nederlandse onderzoeksbelangen goed gaat behartigen?

Dan kom ik op de grootschalige onderzoeksinfrastructuur te spreken. De keuze die Nederland daarin wil maken, lijkt redelijk volgens de criteria tot stand te zijn gekomen. Mij is echter nog niet duidelijk hoe dat nu precies gaat bij de FES-procedure die nog op ons afkomt. Er is wat geld gereserveerd voor de grootschalige projecten. Blijft er straks nog FES-geld over voor andere projecten? Kunnen mensen daar nog een beroep op doen? Krijgt NWO daarin inderdaad een centrale verdelingsrol of is er eigenlijk niets meer te verdelen en is het geld al op? Daar wil ik graag enige helderheid over.

Bij de grootschalige onderzoeksinfrastructuur is gewerkt met road maps. Op zich is dat een mooi instrument, maar nu begrijp ik dat het innovatieplatform wel al met een wetenschappelijke road map komt. De minister wil ook de KNAW al inschakelen voor bepaalde verkenningen. Wij hadden zo'n soort taak ook bij het Rathenau Instituut neergelegd. Ik ben nu eigenlijk wel benieuwd wie er over de toekomst van ons wetenschapsbestel en de wetenschappelijke ontwikkelingen gaat. Is het, als wij die taak ooit bij het Rathenau Instituut hebben neergelegd, niet logisch om die taak daar ook te houden?

Dan kom ik op de evaluaties van NWO en KNAW. Wij vinden het heel logisch dat NWO een centrale rol heeft in de geldverdeling binnen het onderzoek. Dat doet NWO ook goed, daar is niet zo heel veel kritiek op. Een ding waar wij wel steeds kritiek op horen, is dat mensen zeggen: wij moeten in ons onderzoeksvoorstel aansluiten bij allerlei modes in de wetenschap. Wij vinden dat de politiek zich heel terughoudend moet opstellen bij inhoudelijke ontwikkelingen, maar als het echt zou gaan om modes bij dat soort voorstellen -- dan moet je er bijvoorbeeld weer imaging inschrijven, anders wordt je voorstel moeilijk gehonoreerd -- zou ik het toch wel aardig vinden als dat soort zaken konden worden meegenomen en aangetoond in evaluaties.

Over de taak van NWO als geldverdeelorganisatie zegt de minister dat hij daar meer een nationale research council van wil maken. Ik heb het gevoel dat dingen dan juist steeds meer door elkaar gaan lopen. Geld verdelen is een heldere en objectieve taak, maar zo'n nationale research council? Er zijn ook al allemaal instituten. Ik heb de indruk dat ook daar de taken nog wel eens door elkaar heen lopen. Soms wordt de indruk gewekt dat, als er wordt bezuinigd op de NWO, die bezuiniging op een of andere manier doorwerken in de instituten. De minister zegt echter dat het veel bureaucratie vergt om daar iets aan te doen. Op zich ben ik het wel met hem eens dat je niet zo gauw aan bestaande structuren moet gaan trekken, want dat leidt tot veel gedoe. Toch vinden wij dat de financiële verdeling tussen de instituten en NWO als beheersorganisatie heel helder moet zijn. Wij hebben het gevoel dat die helderheid er nu niet is.

Een concreet voorbeeld is nu weer wat er rond de vernieuwingsimpuls gebeurt. De heer Van Dijk heeft daar ook al even aan gerefereerd. Ik begrijp dat VSNU pas vorige week, na veel duwen en trekken, helderheid heeft gekregen over de begroting. Men had dan pas door dat de 60 mln. die de universiteiten moeten inleveren volgend jaar, helemaal niet worden uitgegeven door NWO voor de vernieuwingsimpuls, terwijl dat wel de afspraak was. Dat heb ik teruggelezen in de brieven van een jaar geleden. Betekent dat nu dat wij een amendement moeten gaan indienen om die 60 mln. weer bij de universiteiten terug te brengen? Kan de minister daar eens op ingaan? Ik vind het geen eerlijke situatie als NWO dat geld kan oppotten.


De voorzitter: Even een vraag aan uw adres van de heer Jasper Van Dijk.

**
De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Daar ben ik het helemaal mee eens. Het is even de vraag wat de minister daarop gaat antwoorden, maar ik wil hier wel eventjes hard markeren dat mevrouw Joldersma zegt: mocht het geld dat vanuit de eerste geldstroom overgeheveld wordt naar de tweede geldstroom, niet direct naar de vernieuwingsimpuls gaan, maar liggen blijven, dan kunnen wij rekenen op een voorstel van mevrouw Joldersma om dat geld weer beschikbaar te krijgen voor de eerste geldstroom en de universiteiten.


Mevrouw Joldersma (CDA): Ik ga hier geen discussie overdoen van een jaar geleden. Wij waren niet zo geweldig blij met die overheveling. Ik heb in die stukken van een jaar geleden heel duidelijk gezien dat het geld voor die overheveling echt alleen zou worden benut voor de vernieuwingsimpuls. Ik krijg op basis van de stukken de indruk dat dit niet zo is. Als dat niet zo is en de minister heeft daar een andere redenering voor, dan hoor ik die graag, anders zullen wij gewoon ons conceptamendement daarover maken. Het kan ook zijn dat de minister zelf met een wijziging komt. Hij kwam immers ook toen wij de begroting maar net binnen hadden, met een wijziging van heel veel miljoenen. Dus wie weet komt hij nu zelf wel met een wijziging. Dat zullen wij dan zien.

Dan kom ik op het promoveren. Ik mis in de stukken het promoveren op het hbo. Volgens ons is dat een belangrijke functie. Wij merken ook dat mensen die op het hbo werken en promoveren daar heel enthousiast over zijn.

Kan de minister zeggen hoeveel mensen op het hbo promoveren? Hoe kunnen wij straks garanderen dat de mensen die zijn gepromoveerd in het hbo, kunnen zorgen voor een kennis- en kwaliteitsimpuls voor het hbo?

De discussie over staf en de vraag hoe wij daarbij promovendi moeten bezien, hebben wij eerder gevoerd. Mijn fractie vindt dat interne promovendi eigenlijk gewoon onderdeel van de staf van de universiteit moeten zijn. Wij vinden echter ook dat wij het werken met bursalen niet moeten blokkeren. Wij hebben immers te maken met internationale ontwikkelingen en met internationale PhD-studenten. Dit wil ik ook linken aan het voorstel van de minister over de graduate school. Voor de graduate school en voor uitvoering van onze motie wordt extra geld uitgetrokken, maar er bestaan al graduate schools. Allerlei universiteiten zijn dit op een goede manier aan het ontwikkelen. Daarnaast komt nu een aparte pilot te staan, waarvoor mensen zich kunnen inschrijven. Op die manier wordt er geen gebruik gemaakt van de bestaande Nederlandse structuur, maar komt er een nieuwe structuur naast te staan. In de loop van de tijd loopt het geld hiervoor bovendien op tot 15 mln. Wellicht kan de minister dit weerleggen? Ik snap niet hoe hij uitvoering wil geven aan de motie. Daarmee hebben wij willen zeggen: breng de huidige praktijk op de universiteiten samen met de ideeën van de minister over de Amerikaanse variant. Die ideeën moeten worden ingebed in de Nederlandse situatie. Gaat de ontwikkeling die wij nu zien, wel in op de zaken waarover wij het destijds hebben gehad? Is de minister wellicht bezig om zijn eigen speeltje neer te zetten in de Nederlandse situatie? Ik hoor de minister hierop graag reageren.



Voor ons beleid zijn de maatschappelijke effecten van onderzoek van groot belang. Deze maatschappelijke effecten moeten zijn gebaseerd op wetenschappelijke veronderstellingen. De politiek moet zich zeer terughoudend opstellen ten opzichte van de inhoud van de wetenschap. Tegelijkertijd willen wij graag dat het beleid een wetenschappelijk fundament heeft. Wij waren laatst bij een discussie in het LUX Theater in Nijmegen over "de voorgeprogrammeerde mens". De discussie ging over het onderzoek naar biologische en genetische effecten in verband met criminaliteit. Bij deze discussie kwam de angst naar voren dat wij op basis van genetische kenmerken in de toekomst mensen bij wijze van spreken al in de gevangenis zetten voordat zij misdaden begaan. In Nederland is de discussie gevoerd over nanotechnologie. Het zou goed zijn om ook hierover een maatschappelijke discussie te organiseren. Wat is de betekenis van dit soort onderzoek en wat zijn de maatschappelijke gevolgen? Daarmee kunnen wij tonen wat de waarde is van het wetenschappelijk onderzoek. Daarmee kunnen wij ook laten zien dat wetenschappers bezig zijn met wetenschappelijke ontwikkelingen, en niet slechts blind het bedrijfsleven volgen, zoals de SP-fractie steeds zegt. Is het wellicht een goed idee om het Centre for Society and Genomics samen met het Rathenau Instituut hierover een maatschappelijke discussie te laten organiseren? Daarbij moet een relatie worden gelegd met andere discussies die gevoerd worden over PNR-gegevens, databanken en dergelijke. Mensen vragen zich af wat de maatschappelijke effecten zijn en wat er met deze gegevens wordt gedaan.
De heer Dibi (GroenLinks): Wat bedoelt mevrouw Joldersma precies met haar laatste opmerking? Moeten wij vanuit Den Haag regelen dat er onderzoek wordt gedaan naar de genetische bepaling van allerlei zaken? Wat vraagt zij precies van de minister op dit punt?
De heer Anker (ChristenUnie): Wij spreken mevrouw Joldersma ook weleens over justitieonderwerpen. Op dit vlak wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de balans tussen enerzijds privacy en anderzijds de steeds verdergaande opsporingsmogelijkheden, bijvoorbeeld door DNA-testen. Het lijkt mij verstandig om de resultaten van de commissie-Brouwer-Korf af te wachten, voordat wij een maatschappelijke discussie opstarten op een ander terrein.
Mevrouw Joldersma (CDA): Tegen de heer Dibi zeg ik dat ik het had over de maatschappelijke gevolgen van onderzoek. Juist deze maatschappelijke gevolgen vertalen wij in ons beleid. Ik vind het goed dat ons beleid een wetenschappelijk fundament heeft, maar ik merk dat er op dit punt een maatschappelijke discussie ontstaat. Met name in de wereld van justitie zijn mensen bang voor mogelijkheden om bijvoorbeeld een tbs'er al heel vroeg te kunnen herkennen. Als die mogelijkheden ontstaan, kan zo'n man geen leven meer leiden en wordt hij bij wijze van spreken al bij voorbaat opgesloten. Ook worden veel zaken vastgelegd in patiëntendossiers. Op dit moment is een aantal ontwikkelingen gaande die te maken hebben met persoonlijke gegevens. Straks moeten wij spreken over de vraag welke risicoscenario's wij moeten bouwen rond deze gegevens. Deze dingen werken door in ons beleid, onderzoek ontwikkelt zich en men maakt zich zorgen over de maatschappelijke effecten. Voor deze zaken en voor maatschappelijke discussies bestaat in Nederland een instituut, namelijk het Rathenau Instituut.

Dat instituut heeft een werkprogramma. Wij kunnen dit via de minister doorgeleiden. Als de minister er niet voor voelt, kan de Kamer het zelf doen. De politiek gaat niet over de inhoud van wetenschap. Daarover wil ik het ook niet hebben. Ik zie hiervoor het belang van een maatschappelijke discussie, net zoals die over nanotechnologie wordt gevoerd. Dit leg ik dus aan de minister voor.

Het onderzoek waarover de heer Anker sprak, dat van Brouwer-Korf, is een andersoortig onderzoek, meen ik, omdat het veel meer ingaat op de vraag wat mag worden opgeslagen en wat niet. Dit onderzoek gaat een graadje dieper. De vraag wordt gesteld wat de bestaande wetenschappelijke ontwikkelingen in het onderzoek kunnen betekenen. Daarom is het meer vergelijkbaar met het onderzoek naar nanotechnologie. Sommige mensen zeggen dat nanotechnologie bepaalde negatieve effecten heeft, terwijl anderen vinden dat deze technologie juist hard moet worden doorgezet vanwege de vele positieve effecten. Zo kan ik mij ook in dit geval een vergelijkbare maatschappelijke discussie voorstellen, die een graadje dieper gaat en zich tegelijkertijd meer op ethisch niveau afspeelt.
De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Joldersma wil zich wél met de inhoud van wetenschap bemoeien. Eigenlijk vindt zij dat mensen niet zo veel moeten zeuren als het gaat om privacybeperkende maatregelen. Zij vraagt de minister eigenlijk om dit maar te regelen via het Rathenau Instituut. Zij zal in ieder geval niet op de steun van GroenLinks voor dit voorstel kunnen rekenen. Bedoelt mevrouw Joldersma dit? Wil zij zeggen dat de maatschappelijke onrust over al dit soort voorstellen gezeur is en dat men vooral moet accepteren dat de politiek, of het CDA, die dingen wil regelen?
Mevrouw Joldersma (CDA): Mijnheer Dibi, als u op deze manier vertaalt wat ik heb gezegd, hebt u het echt niet begrepen. Het gaat over maatschappelijke gevolgen. Wij hebben het Rathenau Instituut dat zich bezighoudt met maatschappelijke discussies. Ik constateer dat mensen hierover verschillend denken. Ik constateer dat er waardevol wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan. En ik constateer dat een aantal mensen zich daarover grote zorgen maakt. Laat dat maar terugkomen in de maatschappelijke discussie. Als wij wetenschap concreet willen maken voor mensen, helpt het om dit soort discussies te voeren.
De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Zijlstra van de fractie van de VVD. Ook u hebt veertien minuten spreektijd.

**
De heer Zijlstra (VVD): Voorzitter. Wij hebben het weer eens over hoger onderwijs. Dat gebeurt niet zo heel veel. Het lijkt er wel eens op dat het ministerie van Onderwijs een deadline heeft waardoor alles gefocust raakt op eind november. Tegen die deadline van de onderwijsbegroting aan worden alle stukken bij ons gedumpt. Dat vinden wij niet zo geweldig. Dat hebben wij al eens eerder aangegeven. Ik merk dit in dit overleg nogmaals op.

De brief van 9 oktober vond ik wat dat betreft exemplarisch. Dat is de stand-van-zakenbrief betreffende de strategische agenda. Eigenlijk het enige wat in die brief staat, zijn mededelingen als: dit stuk komt later, u wordt later nader geïnformeerd, de wetgeving is opgeschoven et cetera. In de internationaliseringsbrief staat dat het afgeven van Nederlandse graden in het buitenland mogelijk wordt gemaakt en dat er een wettelijke grondslag komt voor joint degrees. Wanneer dat gebeurt, weten wij echter niet. Wat ons betreft, moet de minister zich meer gaan bezighouden met wat wij zien als het belangrijkste deel van zijn portefeuille, namelijk hoger onderwijs. Wij zien hem genoeg op het gebied van cultuur en media, maar wat de VVD betreft zien wij hem te weinig op het gebied van hoger onderwijs. Ik heb hem vandaag niet voor niets in de krant "de minister van feesten en partijen" genoemd, en dat zeg ik ook hier. Dat is niet goed. Het gaat namelijk wel ergens over.

Ik noem bijvoorbeeld de bekostiging. In de begroting en in meerdere brieven schrijft de minister dat hij de kwaliteit van het hoger onderwijs wil vergroten. Heel goed! Maar desondanks blijft hij bij het voorstel om de bekostiging op basis van kwantiteit te laten plaatsvinden. In de brief van 10 november zegt hij namelijk dat hij de bekostiging zal baseren op het aantal studenten en het aantal bachelor- en mastergraden. You get what you pay for! Als de minister financiert op kwaliteit, krijgt hij ook kwantiteit: meer studenten, maar niet per se betere studenten. Ook de Onderwijsraad heeft hierop al nadrukkelijk gewezen in zijn advies Kwaliteit belonen in het hoger onderwijs? Wat de VVD betreft, zouden wij in de bekostiging wel degelijk naar die kwaliteit toe moeten.

In de onderzoekswereld is dat breed geaccepteerd. Bijzondere kwaliteit wordt daar beloond. Sterker, bij de vernieuwingsimpuls heeft de minister gezegd dat hij geld uit de eerste geldstroom weghaalt. Dit gaat naar de tweede geldstroom en wordt meer projectmatig en op basis van de kwaliteit van de aanbieding verdeeld. Daar doet de minister het dus wel. Waarom dan niet in het hoger onderwijs?

De commissie-Sorgdrager constateert dat veel kwaliteitsprojecten tijdelijk zijn en dat zij afhankelijk zijn van extra financiële ondersteuning. De commissie zegt letterlijk dat zij de indruk heeft dat een deel van de projecten vervalt als andere prioriteiten worden gesteld. Naar de mening van de VVD-fractie bewijst dit dat je dit niet projectmatig incidentele subsidies moet toekennen, maar dat je dit structureel moet doen.


De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Jan Jacob van Dijk en herhaal nog even dat ik korte interrupties wil en korte antwoorden. Ik sta dus geen eindeloze uitbreiding van de spreektijden toe.


  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina