De begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Hoger onderwijs en Onderzoek, voor het jaar 2009



Dovnload 380.7 Kb.
Pagina2/8
Datum27.09.2016
Grootte380.7 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

**
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Het is opvallend dat de voorzitter dit altijd zegt als ik het woord ga voeren.
De voorzitter: De heer Jan Jacob van Dijk is in dit kader een vertrouwde spreker voor mij.

**
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Kan de heer Zijlstra aangeven waarom hij het gevoel heeft dat er nog iets extra's bij moet, terwijl wij al een instellingsaudit en een accreditatie van opleidingen hebben? Zit daarin al niet voldoende waarborg voor kwaliteit?


De heer Zijlstra (VVD): Dat is niet het geval, want daarbij is het uitgangspunt de basiskwaliteit en geldt de zesjescultuur, om het begrip maar weer eens te gebruiken. Wij hebben vorig jaar al een groot voorstel ingediend voor het omgooien van de bekostigingssystematiek. Ik zei al: you get what you pay for. Als je op aantallen financiert, wordt de primaire focus van instellingen het vergroten van de aantallen. Dat verwijt ik de instellingen niet. Zij gaan ook bekijken hoe zij hun systeem het beste kunnen inrichten. Als je dit op kwantiteit inricht, gaat men op kwantiteit reageren. Als je er dus geen kwaliteit inbrengt, zal dit ook niet de primaire focus zijn. De commissie-Sorgdrager constateert dit ook. Bij projecten besteden instellingen extra aandacht aan kwaliteit, maar als de projectsubsidie is afgelopen, glijdt het weer weg.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Volgens mij is dit het beste argument om via de accreditatie te regelen dat er voldoende kwaliteit is. Dit is ook hetgeen wat volgens mij in de nieuwe ronde van het accreditatiestelsel helder naar voren komt. Volgens mij zou het verstandig zijn als de heer Zijlstra kennis neemt van de accreditatiewetgeving. Dan kan hij misschien wat beter gefundeerd aantonen dat accreditatiewetgeving onvoldoende acht slaat op kwaliteit.
De heer Zijlstra (VVD): De heer Jan Jacob van Dijk kent de accreditatiewetgeving kennelijk al. Ik heb ze nog niet voorbij zien komen, anders dan de lijnen waarin gedacht wordt. Overigens waren wij het daarmee eens. Een goede accreditatie is belangrijk. Daarover bestaat geen discussie en daarmee zijn wij het eens. Dit wil niet zeggen dat je niet ook deze extra impuls voor kwaliteit moet inbrengen. Geld is wel heel bepalend, hoe jammer wij dit ook mogen vinden. De geldstroom bepaalt heel veel van de acties in het hoger onderwijs. Als je in de geldstroom de kwaliteitsimpulsen niet vertaalt, kun je onvoldoende kwaliteitsimpulsen in het hoger onderwijs krijgen. Dit is de mening van de VVD-fractie. Je hoeft het een dus niet te laten om het andere te doen.

Dat de minister het advies van de commissie-Sorgdrager niet opvolgt, snappen wij. Alleen aan excellentie koppelen is ook wat ons betreft te smal. Dat was ook niet in overeenstemming met wat wij als indiener van de motie samen met de PvdA in gedachten hadden. Het moest breder. Maar waarom gaat de minister niet verder dan het instellen van prijzen? Dat is tenminste hetgeen wij proeven uit de brief die de minister ons heeft gestuurd. Iedereen vindt het leuk als er wat extra geld beschikbaar komt in de vorm van prijzen, maar wat ons betreft moet het fundamenteler. Ga op basis van kwaliteitsindicatoren een deel van de basisbegroting verdelen. De commissie-Sorgdrager noemt een aantal indicatoren, waaronder studierendement, tevredenheid van werkgevers en diversiteit van de staf. Je kunt ook denken aan de student-stafratio, het opleidingsniveau van de docenten en het loopbaanperspectief. Wij vinden nog steeds dat op basis van die kwaliteitsindicatoren iets mogelijk moet zijn. De oplossing van de minister, althans zover als wij deze kunnen lezen, vinden wij te mager.

De minister gaf in de strategische agenda al aan dat de minister overweegt om een bekostiging op basis van kwaliteit in te voeren. Waarom is hij hiervan afgestapt? In de strategische agenda maakt de minister wel degelijk geld vrij voor projecten voor kwaliteit. Deze worden gemeten op basis van indicatoren. Als men het in het verloop niet goed doet, wordt de financiering stopgezet. Het is dus wel mogelijk om op basis van indicatoren geld toe te wijzen en te verantwoorden. Waarom gebeurt dit niet? De NVAO zegt dat dit mogelijk is. De commissie-Sorgdrager zegt unaniem dat de koppeling van financiën en kwaliteit mogelijk is. Bij het Sirius Programma moet men op basis van indicatoren aangeven of het allemaal lukt, dus laat de minister daarvoor gaan. Laat hem de werkelijke kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs inzichtelijk maken, want ook dit is een afgeleide van de kwaliteitsindicatoren. Op basis hiervan weet je wat goed is. Wat dit betreft voorspelt de begroting weinig goeds. Op bladzijde 119 van de begroting staan de indicatoren voor kwaliteit en excellentie.

Ik doe een kleine greep. Het aantal gemotiveerde studenten bedraagt 18,6%. Daarvan wordt je niet heel erg blij. De minister wil "een stijging". Niet duidelijk is echter hoe groot die stijging zou moeten zijn. De onderwijstijd in het hbo en wo is respectievelijk dertien en twaalf uur per week. De minister wil "een stijging". Dat lijkt mij heel verstandig. Niet duidelijk is echter hoe groot die stijging zou moeten zijn. De streefwaarden -- deze is helemaal leuk -- voor de student-stafratio is volgens de begroting een daling. Ik begrijp dus dat het ministerie wil dat er minder staf komt ten opzichte van het aantal studenten. Kan de minister uitleggen waarom dat zo is? Wat mijn fractie betreft moet het namelijk een stijging zijn. Hoe groot die daling volgens de minister moet zijn, blijft overigens ook onduidelijk.

Dit alles bekijkende is het goed dat de invoering van het nieuwe bekostigingsstelsel uitgesteld wordt tot 2011. Misschien lukt het ons dan nog om die kwaliteitsindicatoren in te bakken.

Dan kom ik op de bijverdiengrens. Mijn fractie gaat akkoord met de glijdende schaal. Wij hebben altijd al gezegd dat wij niet voor een gehele afschaffing zijn. De indexering die mevrouw Besselink vorig jaar inbracht, lijkt ons een goede oplossing en een goed compromis. Doen!

Mijn fractie is niet akkoord met het voorliggende voorstel betreffende de terugbetalingsvoorwaarden van de studielening. De jokerjaren vinden wij prima, maar wij zijn niet zo gelukkig met het feit dat de nieuwe terugbetalingsvoorwaarden gunstiger zijn als het latere inkomensrendement van de studie blijkt tegen te vallen. Dat is namelijk geen aanmoediging om een studie te volgen die een grotere kans geeft op een goed inkomensrendement. Laat ik het zo zeggen: dit voorstel beschermt de studies waarvan bij voorbaat al gezegd kan worden dat de kans dat je er een leuke baan mee krijgt, niet zo groot is. Dit voorstel wordt gedaan terwijl toch op de arbeidsmarkt steeds meer behoefte bestaat aan bepaalde categorieën mensen. Daar wordt ook op gestuurd; er zijn allerlei programma's om meer mensen naar de bètakant te krijgen. En dan wordt er voor wat betreft studieleningen opeens een omgekeerde prikkel ingebouwd! Waarom is dat? Zie ik het verkeerd of is dit inderdaad de consequentie?
De heer Dibi (GroenLinks): Dat laatste begrijp ik niet helemaal. Volgens mij houdt de heer Zijlstra een pleidooi voor alleen grote opleidingen. Maar juist als je innovatie in de kenniseconomie belangrijk vindt, moet je ook toestaan dat er kleine opleidingen zijn die mogelijk zaken onderwijzen die niet terug te vinden zijn bij de grote opleidingen. Bemoeilijkt de heer Zijlstra dat niet met wat hij nu zegt?
Mevrouw Besselink (PvdA): Hoor ik de VVD-fractie zeggen dat er eigenlijk alleen arbeidsrelevante opleidingen moeten bestaan en dat de rest maar moet worden afgeschaft?
De heer Zijlstra (VVD): Afschaffen is niet aan de orde. Tegen de heer Dibi zeg ik dat de VVD-fractie inderdaad niet wil dat er 300 afgestudeerden in de kunstgeschiedenis aankomen. Er is namelijk geen werk voor deze mensen. Het latere inkomensrendement van hun studie is niet hoog. Voor mijn fractie is wel degelijk van belang dat je daarmee rekening mee houdt. Dat heeft te maken met efficiency, met waar mensen naartoe gaan. Voor de toekomst wordt er een tekort aan arbeidskrachten verwacht die zijn afgestudeerd in het hoger onderwijs. Het is dus juist heel belangrijk dat wij die mensen zo veel mogelijk proberen te laten focussen op studies waaraan zij later iets hebben. Deze prikkel lijkt ons de andere kant op te gaan. Daarom wil ik graag van de minister weten hoe hij dat ziet.

Deze maatregel is ook nog eens flankerend beleid bij de verhoging van het collegegeld. Even terzijde: mijn fractie is het oneens met het feit dat die verhoging gebeurde om de lerarensalarissen te verhogen. Het moet dus de pijn van die verhoging verzachten, omdat er naar verwachting meer kwijtgescholden gaat worden. Er wordt berekend dat dit structureel ongeveer 35 mln. per jaar zal zijn, te beginnen over 17 jaar. Dit is eigenlijk een ongedekte cheque. Het kabinet dat hier over zeventien jaar zit, welk kabinet dat ook moge zijn, wordt dan geconfronteerd met het feit dat wij nu iets aan het goedmaken zijn. Hoe ziet de minister dit?

Het grappige is dat de minister deze regeling verkoopt door te stellen dat er meer duidelijkheid aan de voorkant moet komen en meer flexibiliteit voor de studenten. Verderop zegt hij echter dat benadrukt moet worden dat de studerende vooraf, op het moment dat hij gaat lenen, niet weet in welk scenario hij later terecht zal komen. Die duidelijkheid van deze regeling valt dus kennelijk toch wat tegen.

Dan kom ik op de BaMastructuur. Is dat evaluatieonderzoek van CHEPS de volledige evaluatie van het stelsel van bachelor en master? Het gaat namelijk voornamelijk in op de master en de problemen daarbij. Komt er nog iets over de bachelor of is dit het? Hoe gaat de minister de hiaten opvullen? Naar de mening van mijn fractie is dit geen volledige evaluatie van het BaMastelsel.


De fractie van de VVD is tevreden over de mogelijkheid van verlenging van de master voor het behalen van joint degrees. Dat is ook nodig. De Nederlandse eenjarige masteropleiding is vooral een bewijs dat er nog steeds in het oude systeem wordt gedacht. Wat ons betreft, moet de mogelijkheid van verlenging niet beperkt worden tot de joint degrees. Waarom krijgen de universiteiten niet de vrijheid om de master in generieke zin tot anderhalf of tot twee jaar te verlengen? Dat sluit beter aan op de internationale situatie. Sterker nog, 25 jaar geleden gold in ons land de termijn van vijf jaar voor het afronden van een wetenschappelijke opleiding, maar die is op een gegeven moment teruggebracht.

De meeste discussie rond de bamastructuur betreft de harde knip. Wij steunen dat voorstel. Bij een volwassen bamastructuur hoort een helder moment waarop de bachelorfase wordt afgesloten. Ik ben tegen een uitzondering voor enkele studiepunten: een harde knip is een harde knip. Elke uitzondering is discutabel en dan blijven wij bezig.

Als studenten hun bachelor hebben afgerond, kunnen zij beter een keuze maken. Zij kunnen ook een master elders of een andere master kiezen. Voor de VVD-fractie is het een goede optie dat men na de bachelor gaat werken en op latere leeftijd een masteropleiding volgt. Dat dit meer wordt gefaciliteerd, vinden wij alleen maar positief.

De harde knip is ook gunstig als men wil gaan studeren in het buitenland. Nu hoef je bijvoorbeeld bij een universiteit in New York niet aan te komen met de vraag: ik wil graag een masteropleiding volgen en ik heb nog twee restvakjes uit de bachelorfase openstaan, maar dat vindt u vast niet erg. In het buitenland vindt men dat wel erg. Ik pleit ervoor om de zaak helder te houden. Het is goed dat de minister toe wil naar graduate schools, maar dan moeten de masters worden uitgebreid. Een eenjarige master is wat mager. Voor het invoeren van de harde knip moet een aantal randvoorwaarden gelden. Er moeten genoeg instroom- en herkansingsmomenten zijn en de instellingen moeten op grond van een discretionaire bevoegdheid uitzonderingen kunnen maken.

In de brief van 10 november jl. gaat de minister in op de tweede studie voor bachelors. Degene die een tweede bachelor wil volgen, is zelf verantwoordelijk voor de financiering daarvan. In het wetsvoorstel Versterking besturing wordt opgenomen dat deze studenten het instellingscollegegeld verschuldigd zijn. In de brief staat: "Hetzelfde geldt voor een student die een masteropleiding volgt." Die zin is voor meerdere uitleg vatbaar. Wordt bedoeld dat alle masterstudenten het instellingscollegegeld moeten betalen of geldt dit voor alle studenten die een tweede masteropleiding volgen? Gezien het verloop van eerdere discussies krijg ik hier graag helderheid over.

De minister geeft op bladzijde 11 van zijn brief over de internationalisering aan dat onderzoekers zelf het beste weten waar op hun vakterrein de expertise zit. Tevens constateert hij dat Nederland exporteur van onderzoekers is. Nederland is onvoldoende aantrekkelijk voor buitenlandse onderzoekers en de eigen onderzoekers komen in onvoldoende mate terug naar Nederland. Eigenlijk constateert de minister dus dat de kwaliteit van het onderzoek in Nederland onvoldoende is. De kwaliteit van het hoger onderwijs en van het onderzoek is het belangrijkste argument om mensen naar Nederland te trekken. Er is dus een probleem.

Er staat ons een aantal dingen te doen. Er is bijvoorbeeld een mentaliteitsverandering in het hoger onderwijs nodig. Te vaak zitten professoren in een ivoren toren. Het is vies als je succes hebt met een eigen bedrijf. In landen zoals de VS, China en India ben je pas een goede professor als je een eigen bedrijf hebt, als je succesvol bent met je eigen ideeën. Dat moeten wij er in Nederland meer in krijgen. Er is ook meer transparantie nodig in verband met de carrièrekansen als men een deel van de bachelor- of de masteropleiding in het buitenland volgt. Als studenten daar meer inzicht in krijgen, is dat een goede motivatie.

De minister wil dat het onderwijspersoneel meer internationale ervaring krijgt. Prima, maar dan hebben wij nog het nodig te doen, ook op het terrein van de kwaliteit van het personeel. Zoals Jan Jacob van Dijk al aangaf, zijn wij op bezoek geweest bij het Manhattan Community College in New York.

Zo'n instelling varieert tussen mbo en hbo, maar deze was naar mijn idee meer hbo-achtig. 70% van de staf was PhD en men was op weg naar de 100%. In de begroting lees ik dat wij in het hbo in 2017 wel 10% PhD-staf willen hebben. Ik zou bijna willen zeggen: I rest my case. Als men op een community college nu al 70% weet te genereren en wij in 2017 naar 10% gaan, dan gaat er dus iets mis, dan verliezen wij die slag. Ik vind het verstandig dat de minister wil proberen het PhD-talent uit het buitenland hierheen te halen, maar wij moeten in Nederland wel iets doen aan de waarde van promoveren. In de wetenschappelijke wereld heeft promoveren wel waarde, maar daarbuiten lijkt die waarde een stuk kleiner. Er is geen toegevoegde waarde in het bedrijfsleven als je met een doctorstitel aankomt. Wat kunnen wij daaraan doen? Kortom, de minister geeft een goede beschrijving van een aantal zaken, maar wat ons betreft moet een aantal vervolgstappen worden gezet.

Ik zal niet alle vragen van andere sprekers over de vernieuwingsimpuls herhalen. Ook de VVD vindt het onaanvaardbaar dat de praktijk inhoudt dat wij 500 mln. bezuinigen op de onderzoeksgelden. Ik kan het mij ook niet voorstellen dat dat de bedoeling van de minister is. Hoe gaat de minister dit oplossen?

Er wordt wederom FES-geld vrijgemaakt voor onderzoek. Dat gebeurt op een verdelingsgrond die niets te maken heeft met de wijze waarop wij bijvoorbeeld bij NWO onderzoeksgelden verdelen, namelijk op basis van heldere criteria, best practices en heldere voorstellen. Laat ik het maar gewoon zeggen: ik vind dit een vaag politiek spel waarbij tussen verschillende ministeries wordt gevochten. Waarom hanteren wij de NWO-criteria niet gewoon?

In Nederland hebben wij naar verhouding weinig geld uit het bedrijfsleven voor onderzoek. Het is daarom moeilijk te begrijpen dat de STW-gelden verminderd worden. Deze stichting zorgt ervoor dat er een combinatie wordt gezocht tussen wetenschappelijk onderzoek en het bedrijfsleven. Ik zie de minister nee schudden, dus ik vraag hem slechts om een uitleg.


De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik heb kennisgenomen van de tegenbegroting die de VVD-fractie heeft ingediend. Daarin staat een bezuiniging van 245 mln. op de ov-studentenkaart. Eerlijk gezegd had ik verwacht dat de heer Zijlstra dit punt vandaag naar voren zou brengen.

Hij suggereert dat er allemaal tweejarige masters moeten komen. Ik ken de VVD als een financieel constructieve en solide partij. Waar wordt dit uit betaald?


De heer Zijlstra (VVD): Onder andere uit die ov-studentenkaart.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Het was goed geweest als u dat als intensivering in uw begroting had aangegeven. Dat hebt u niet gedaan.
De heer Zijlstra (VVD): Dan moet u die begroting goed lezen. Er staat wel degelijk een geldstroom vanuit de ov-kaart naar de intensivering van het onderwijs. De VVD zal in het voorjaar met andere voorstellen komen om geld binnen het ministerie te herverdelen. Inderdaad, wij vinden dat studenten genoeg hebben aan een trajectkaart. Zij hoeven niet het hele land door te reizen. Het geld dat daarmee wordt vrijgemaakt, kan beter op een andere wijze in het onderwijs besteed worden.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Het was zuiver geweest als u dat voorstel hier helder op tafel had gelegd. Dat is mijn constatering. Ik heb uw tegenbegroting redelijk goed gelezen. U zegt dat de tweejarige masters daaruit betaald gaan worden, maar al met al haalt u nog ruim 180 mln. weg bij het hoger onderwijs. De intensivering voor die tweejarige masters levert echt niet die 245 mln. op. U kunt hier mooi de vriend van het hoger onderwijs spelen, maar als puntje bij paaltje komt, kleedt u het alleen maar uit.
De heer Zijlstra (VVD): Een leuke constatering van het CDA. Wij leveren boter bij de vis. Wij hebben een tegenbegroting ingediend, die het helaas niet gehaald heeft. Dan hadden wij er voor Nederland en ook voor de studenten een stuk beter voorgestaan. Wij leven niet op de pof zoals u dat doet met het voorstel om 35 mln. door te schuiven naar volgende kabinetten. Een deel van de onderwijsbegroting hangt nog bij Financiën.

Ik wil dus nog even kijken hoe dat de komende jaren gaat uitpakken, want het moet nog vrijgegeven worden. Gezien de kredietcrisis moeten wij ook nog afwachten of het allemaal gaat lukken, maar wij staan voor die zaken. Dat hebben wij helder aangeven en daar loop ik niet voor weg. Wij maken van de ov-studentenkaart een trajectkaart. Een deel van het geld dat die bezuiniging oplevert, gaat terug naar het onderwijs. Een ander deel gaat naar lastenverlichtingen, waarvan studenten, net als andere Nederlanders, zullen profiteren.


Mevrouw Besselink (PvdA): Voorzitter. Wij spreken vandaag over het hoger onderwijs en de wetenschap. Het debat vindt plaats in een heel turbulente tijd. De PvdA heeft altijd gestreden voor een goed onderwijssysteem, omdat dat je in staat moet stellen om je positie in deze maatschappij te vinden of te verbeteren. Dat is altijd van belang, maar vooral nu er in elk journaal, gesprek, krantenartikel of debat wordt gerefereerd aan de kredietcrisis. Je moet dan houvast kunnen bieden, houvast waaraan je zelf kunt werken en houvast aan een goede kennis en een gedegen opleiding die je in dit land kunt krijgen. Juist in tijden waarin het economisch minder dreigt te gaan, moeten wij het innovatieve en onderscheidende karakter van onze economie en onze samenleving hoog in het vaandel houden. Wij moeten in dit geval van de nood een deugd maken en juist nu investeren in vooruitgang. Kennis is ons vermogen en onderwijs is de brandstof om de kenniseconomie op te laten draaien. Dat biedt ons de houvast die nodig is en de vooruitgang die wij wensen. Wij moeten daarvoor op dit moment alle zeilen bijzetten en gelukkig heeft het kabinet gezorgd voor maatregelen die bijdragen aan stabiliteit en vertrouwen. In dit licht is het goed dat wij vandaag praten over de agenda voor hoger onderwijs en wetenschap, zodat wij onze vooruitgang, onze veerkracht en onze toekomst kunnen bespreken.

Ik zal ingaan op een aantal onderwerpen: kwaliteit, de positie van de student, excellentie, de internationaliseringsagenda en de wetenschap. Veel zaken staan in de steigers en het is goed dat hard gewerkt wordt aan het hoger onderwijs. Vooral wat kwaliteit en bekostiging betreft is de minister hard aan het werk om met voorstellen te komen voor verbetering van het hoger onderwijs. Focus en daadkracht zijn nu van groot belang en wij vertrouwen dat de minister graag toe.

Wij voeren veel discussie over het onderwijs in zijn algemeenheid en daarbij komt altijd het woord kwaliteit naar voren. Het beeld leeft, dat de kwaliteit onder druk staat en dat wij te weinig uit het Nederlandse potentieel halen. In het onderwijssysteem blijft het zoeken naar een balans tussen kwaliteit, feitelijkheid en realiteit. Des te meer reden om ook de nuances te zoeken en de kwaliteit als speerpunt te blijven benoemen. De PvdA is blij dat de minister daarop in zijn beleid een belangrijke focus legt en er ook in investeert. Er is een grote slag gemaakt met het investeren in het lerarenbeleid. Er is veel ingezet op begeleiding en opleiding van studenten en op de kwaliteitsaanpak. Een voorbeeld daarvan zijn de matchingsgesprekken. Wij lezen dat er een soort goodpracticerapport komt, waarbij dus niet een hele beleidsevaluatie wordt uitgevoerd. Wij vinden dat een pragmatische, goede methode, omdat anderen daarvan ook kunnen profiteren.

De minister maakt in zijn brief Studiekeuze en studiesucces een goede aanzet. Vooral de loopbaanoriëntatie en loopbaanbegeleiding staan hoog in het vaandel en de samenwerking binnen de beroepskolommen en de studiegesprekken zijn belangrijke elementen. Hoe gaat dat nu verder? De minister heeft dit nu allemaal aangekondigd en wij willen het volgen, wij zijn zeer geïnteresseerd. Krijgen wij daarvan de resultaten ook te zien? Zo ja, wanneer?

De heer Zijlstra sprak al over de motie-Zijlstra/Besselink. Onze belangrijkste motivatie was dat basiskwaliteiten in dit land op orde zijn, maar als je de kwaliteit wilt stimuleren en je een nieuw bekostigingssysteem maakt, doe dat dan ook bij elkaar. Zorg ook dat je een extra incentive inbrengt, waardoor je dat krijgt. Wij hebben het rapport-Sorgdrager en de beleidsreactie van de minister daarop gelezen. Ik ben blij dat de minister niet is meegegaan met de adviezen van de Commissie-Sorgdrager, omdat zij ervoor pleitte om de excellente opleidingen nog meer te belonen. Dat was niet ons doel. Wij bedoelden het breder en wij zijn blij dat de minister onze motie goed heeft geïnterpreteerd. Hij geeft in zijn reactie een zestal kerngebieden aan, die volgens hem belangrijke aanwijzingen voor kwaliteit zijn.

De prijsvraag, waarover de minister in zijn brief schrijft, is volgens ons ook niet de beste oplossing, omdat deze eenmalig is. Wij willen dat wat structureler en fundamenteler regelen. Dus ik daag de minister uit om met een voorstel te komen op basis van de zes aandachtsgebieden die hij noemt en die prima indicatoren kunnen zijn, waarin wordt bekeken hoe wij dat nog in de bekostiging kunnen brengen. Door het jaar uitstel hebben wij daar gelukkig de ruimte en de tijd voor.

De minister heeft gezegd dat bekostiging een jaar moet worden uitgesteld om deze zorgvuldig in te voeren. Daar zijn wij het heel erg mee eens. In de nieuwe rekenmodellen moeten wij vooral niet de kleintjes wegdrukken, omdat dat beter past in de nieuwe bekostiging. Er moet aan een heleboel aspecten aandacht worden besteed. Dat moet goed en zorgvuldig gebeuren.

Er zijn opmerkingen gemaakt door de VSNU over het feit dat het geld voor studenten minder wordt, omdat iedereen efficiënter studeert, hetgeen leidt tot grote problemen. Kan de minister daarop reageren? Hoe kan daar in de bekostiging een oplossing voor worden gezocht?

Dan kom ik op de positie van de student. Over de bijverdienregeling is al door meerdere collega's gesproken. Ik ben blij dat dit voorstel er ligt. Wij hebben het daar in vorige debatten over gehad. Ik heb het voorstel gedaan: bevries nu en zorg ervoor dat je in een glijdende schaal kunt afbetalen. Wij willen immers niet dat een student met een boete van €951 komt te zitten als hij één euro te veel heeft verdiend. Dat is een onevenredig harde straf. Wij zijn blij dat die er nu uit is. Ik neem aan dat de minister er nu voor zorgt dat dit zo snel mogelijk in de wet wordt opgenomen. Ik begreep immers dat dit voor 1 januari moet gebeuren, zodat het zo snel mogelijk kan ingaan. Ik ga ervan uit dat de minister dit gaat lukken.

In dezelfde brief lezen wij een voorstel over de inkomensgerelateerde terugbetaalmogelijkheden. Ook daar zijn wij heel erg blij mee. Voor de student wordt nu helder hoeveel hij moet gaan terugbetalen. Dus hij kan met een gerust hart aan zijn studie beginnen en hij kan lenen. Hij heeft daarmee van tevoren helderheid en overzichtelijkheid over wat hem te wachten staat in zijn terugbetaalperiode. Zo weet hij ook dat hij daardoor nooit in de financiële problemen kan komen. Dus dat is een grote stap voorwaarts.

Dan was er ook een brief naar aanleiding van een toezegging aan de heer Tichelaar over studenten die nog achttien moeten worden als zij gaan studeren en daardoor een maand geen ov-kaart krijgen, omdat voor hen nog kinderbijslag wordt uitgekeerd. Wij vinden deze situatie onwenselijk, omdat ov een grote kostenpost is voor de studenten. In zijn brief schrijft de minister dat de oplossing technisch heel ingewikkeld is te organiseren, omdat het allemaal met andere financieringssystematieken heeft te maken, zoals sociale verzekeringen. Nu heb ik met de minister ervaring inzake de bijverdiengrens. Die regeling pak ik er nu maar even bij. Als wij daar nog een keer goed over nadenken, moeten wij daar vast een goede oplossing voor vinden. Dus ik daag de minister uit om dit net als de bijverdiengrens toch te organiseren.

Ik wil nog twee dingen zeggen over de "niet goed, geld terug"-motie en de motie over studentmedezeggenschap. De minister heeft gezegd dat hij daar in een later stadium op terugkomt. Ik wilde toch even melden dat ik daar nog met belangstelling op wacht.


De heer

1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina