De begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Hoger onderwijs en Onderzoek, voor het jaar 2009



Dovnload 380.7 Kb.
Pagina4/8
Datum27.09.2016
Grootte380.7 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8
Besselink (PvdA): De heer Dibi weet de feiten leuk te verdraaien. Ik constateer dat hij enerzijds een pleidooi houdt om in studenten in het hoger onderwijs te investeren, terwijl GroenLinks dit in de eigen tegenbegroting zelf niet doet. Dat is mijn punt.
De heer Dibi (GroenLinks): GroenLinks investeert in de tegenbegroting hierin meer dan de PvdA doet en dan het kabinet doet. Laten wij echter geen wedstrijdje spelen wie het meest investeert in het hoger onderwijs, want wij moeten allemaal concluderen dat Nederland, gezien de OESO-ranglijsten, voor een dubbeltje op de eerste rij wil zitten. Nederland investeert heel weinig. Ik ben bang dat het feit dat de investeringen per student nóg minder worden dan zij waren in de periode van 2000 tot 2005, ertoe zal leiden dat instellingen voor hoger onderwijs geld van studenten zullen proberen los te peuteren.

Een student is geen consument en een universiteit is geen bedrijf. Toch is dit wel de visie op het hoger onderwijs van de minister. In 2020 moet 26% van de mensen die tussen 25 en 44 jaar oud zijn, een hogere opleiding hebben afgerond. De minister lijkt deze doelstelling te willen behalen door studenten na het behalen van hun bachelorexamen de arbeidsmarkt op te jagen. Hij wil hogescholen en universiteiten afrekenen op basis van het aantal studenten en het aantal afgestudeerden. De fractie van GroenLinks verzet zich tegen het reduceren van het hoger onderwijs tot een fabriek waar wordt gewerkt met een lopende band en waar na drie jaar kant-en-klare producten voor de arbeidsmarkt uit moeten rollen. De VVD-fractie kan wel zeggen dat er alleen nog opleidingen moeten zijn die relevant zijn voor de arbeidsmarkt, maar de arbeidsmarkt verandert. Opleidingen die nu relevant zijn voor de arbeidsmarkt, zijn dit over vier jaar wellicht niet meer. In het verleden hebben bijvoorbeeld de ontwikkelingen op het gebied van ICT dit uitgewezen.

De beperkte visie van de minister vertaalt zich in de bekostiging, want kwantiteit is daarvoor veel meer een voorwaarde dan kwaliteit. Mijn fractie wil, net als de Onderwijsraad, dat de minister een bonus uitkeert aan opleidingen in het hoger onderwijs die beter presteren dan andere. Het vertraagde bekostigingssysteem kent te weinig prikkels voor het hoger onderwijs om extra te presteren. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie moet de extra kwaliteit van de opleidingen beoordelen. Ik hoor graag een reactie van de minister op dit punt.

Als sinds het aantreden van minister Plasterk, horen wij regelmatig uitspraken van hem over de bacheloropleiding die een afgeronde opleiding zou zijn. Het was inderdaad de bedoeling om van deze opleiding een afgeronde opleiding te maken. Iedereen die hiervan een beetje verstand heeft, weet echter dat deze opleiding op dit moment verre van een afgeronde opleiding is. Zowel het hoger onderwijs als studenten en werkgevers ervaren een bacheloropleiding niet als een volwaardige opleiding voor de arbeidsmarkt. Als de minister volhardt in zijn overtuiging dat dit wel zo is, wil ik hem vragen hiernaar onderzoek te laten doen. Dit onderzoek moet leiden tot voorstellen om de bacheloropleiding te transformeren tot een volwaardige opleiding voor de arbeidsmarkt. Is de minister hiertoe bereid?

De fractie van GroenLinks maakt zich zorgen over het feit dat zo veel studenten afhaken tijdens hun studie. Bijna de helft doet na twee jaar niet meer dezelfde studie en bijna een kwart is helemaal gestopt. Dit heeft vele oorzaken. Zo stelt de onderwijsinspectie dat een intensievere en betere begeleiding van studenten nodig is. Studenten hebben het echter ook druk; te druk. Zij draaien werkweken van gemiddeld 45 uur. Voor een deel bestaat die werkweek uit betaalde arbeid, want van alleen de studiefinanciering kan geen student rondkomen. Het bestuurswerk en vrijwilligerswerk zijn bij deze 45 uur nog niet eens meegenomen.

Wij nemen ons petje af voor studenten die hun studie combineren met bestuurs- of vrijwilligerswerk. Dat moet meer gestimuleerd worden. De ruimte is nu erg beperkt. Je hebt immers maar recht op vier jaar studiefinanciering. Ziet de minister dit probleem? Is hij bereid om met voorstellen te komen? Ik noem als voorbeeld een collegevrije periode, zoals het ISO voorstelt, en meer flexibiliteit voor studenten die opleidingen combineren met bestuurs- dan wel vrijwilligerswerk.

Ik ben zelf erg enthousiast over een project in Amsterdam, waarbij studenten aan de Vrije Universiteit gratis huisvesting aangeboden krijgen in een aantal achterstandswijken in ruil voor vrijwilligerswerk. Deze studenten geven huiswerkbegeleiding aan kinderen met een taalachterstand, mengen eenzijdig samengestelde wijken en doen aan vrijwilligerswerk. Dat zijn drie kabinetsdoelstellingen in één klap. Ik wil dat het kabinet stimuleert dat er meer van dergelijke projecten komen. Is de minister bereid om met de minister voor Wonen, Wijken en Integratie te bekijken of dit in deze kabinetsperiode kan plaatsvinden?

Dat brengt mij op de harde knip. De minister wil per se dat de studenten eerst hun bachelor hebben afgerond voordat zij mogen doorstromen naar de master. Het invoeren van de harde knip is bepaald geen stimulans voor studenten om extra tijd te spenderen aan nevenactiviteiten of een studie in het buitenland. Ik ben zelf voorstander van de halfzachte knip tegen de bachelordip. Eigenlijk vind ik dat opleidingen best zelf in overleg met studenten kunnen bepalen hoe zij dit vorm willen geven. Maar als de minister dan toch koste wat kost vanuit Den Haag wil opleggen wat er op dit gedetailleerde niveau in hogeronderwijsland moet gebeuren, dan dwingt een zorgvuldige invoering van de harde knip tot het beantwoorden van een aantal vragen. Ik loop ze snel langs.

- Heeft de master meerdere instroommomenten?

- Is de harde knip verenigbaar met kleine opleidingen?

- Is de hardheidsclausule van toepassing op alle instroommomenten?

- Worden studenten die in de bachelor naar het buitenland zijn gegaan, ook in de hardheidsclausule opgenomen?

- Heeft de bachelor meerdere uitstroommomenten?

- Is er een vrijstelling voor de huidige studenten?

- Vindt er een evaluatie plaats na een nulmeting?

- Wat zijn de rechten van de medezeggenschapsraden?

- Is de communicatie naar de student op orde?

- Geven gelijke bachelors aan verschillende instellingen gelijke toegang tot masters in heel het hoger onderwijs?

- Wordt de internationale mobiliteit in de bachelor belemmerd?

- Biedt de bachelor goede toegang tot de arbeidsmarkt?

- Wat zijn de herkansingsmogelijkheden?

Kortom, wat zijn de gevolgen van de landelijke invoering van de harde knip? Is de minister bereid om hiernaar onderzoek te doen?

Net als de minister kan ik heel goed tellen. Zo heb ik gezien dat er een Kamerbrede wens bestaat om toch meer te kijken naar de gevolgen van de landelijke invoering van de landelijke knip dan de minister tot nu toe heeft toegezegd. Ik denk eerlijk gezegd dat hij daar ook niet omheen kan. Ik vind dat het niet eens nodig zou moeten zijn. Als hij echt voor zorgvuldige invoering is, zou hij uit zichzelf al moeten kijken naar alle gevolgen.
De heer Van der Ham (D66): Ik vind het standpunt van GroenLinks niet helemaal te volgen. De heer Dibi zegt dat hij wel wat voordelen ziet in de harde knip. Een aantal studentenverenigingen is echter tegen. Dus is hij voor een "halfzachte". Hij geeft eigenlijk zelf al het antwoord op mijn vraag: is dat niet een beetje een halfzacht standpunt? Hij zegt dat er een meerderheid is. Hij komt niet met een alternatief voor die meerderheid. Ik vind het al met al behoorlijk halfzacht, omdat hij niet echt stelling neemt, en eigenlijk beide kanten wil sparen. Ik voel dat hij er eigenlijk voorstander van is, maar dan kan hij op het Plein niets meer tegen de studenten zeggen.
De heer Dibi (GroenLinks): De studenten zitten hier. Ik kan heel duidelijk tegen hen zeggen dat ik geen principieel tegenstander ben van de harde knip. Iedereen die een beetje verstand heeft van de bestaande situatie met de bachelor en de master, moet echter erkennen dat de harde knip in dit stadium niet op deze manier kan worden ingevoerd. Daarnaast vind ik dat een minister vanuit Den Haag niet op gedetailleerd niveau kan vastleggen wat er per opleiding moet plaatsvinden. Dat zou je aan de opleidingen zelf moeten overlaten.
De heer Van der Ham (D66): De heer Dibi zegt dat hij er niet principieel tegenstander van is. Dat is al winst. Andere partijen, die eveneens voorstander zijn van de harde knip, hebben ook gezegd dat wel naar een aantal uitvoeringsproblemen gekeken moet worden. Daarover heb ik de woordvoerders van de fracties van de VVD en de PVV al gehoord, en ik zal er zelf ook iets over zeggen. Dat is dus een "ja, mits". De heer Dibi zegt "nee, tenzij". Maar eigenlijk zitten wij dus heel dicht bij elkaar. De heer Dibi is een beetje verschillen tussen de partijen aan het zoeken die er niet echt zijn, zo valt op te maken als je goed luistert naar de inbreng van bijna alle partijen die hier zitten.
De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb goed geluisterd. Daarom heb ik tegen de minister gezegd: ik kan heel goed tellen. Ik hoop dat de minister dat ook kan. Eigenlijk hebben alle partijen gezegd dat de harde knip niet per se iets is om principieel tegen te zijn -- behalve de SP, maar dat standpunt deel ik niet -- maar dan moet er wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Ik heb een lijstje gegeven met een aantal voorwaarden. Een aantal andere partijen heeft minder harde voorwaarden gesteld.

Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister en vind eigenlijk dat de heer Van der Ham mij hierop helemaal niet zou moeten interrumperen. Wij zijn het eigenlijk met elkaar eens.


De heer Van der Ham (D66): Inmiddels zijn wij het eens, inderdaad.
De heer Dibi (GroenLinks): Ik vind eerder dat de heer Van der Ham verschillen zoekt die er niet zijn dan dat ik dit doe. Wij moeten samen optreden en de minister verleiden om beter te kijken naar de gevolgen van de landelijke invoering van de harde knip.

Dit kabinet wil een leven lang leren, maar om studiefinanciering te ontvangen, mag je niet ouder zijn dan 30 jaar. De GroenLinks-fractie vindt dat dit leeftijdsdiscriminatie is. Je hebt maar één keer recht op studiefinanciering, maar de overheid heeft zich er niet mee te bemoeien wanneer je studeert. Juist nu wij steeds langer moeten doorwerken, kan ook een studie op latere leeftijd heel waardevol zijn. Daarnaast is niet lang geleden gebleken dat universiteiten oudere studenten een hoger collegegeld mogen laten betalen. De universiteit Leiden brengt oudere studenten €2035 aan collegegeld in rekening. Moet dit niet snel veranderen?


De heer Anker (ChristenUnie): Het gaat mij erg ver om elke leeftijdsgrens leeftijdsdiscriminatie te noemen. Daar sla ik op aan. Hoe denkt de heer Dibi over de leerplicht? Moet die ook tot je 65ste gelden?
De heer Dibi (GroenLinks): Niet elke leeftijdsgrens is leeftijdsdiscriminatie, maar wanneer je wilt dat mensen zo veel mogelijk toegang hebben tot het hoger onderwijs, kun je niet uitleggen waarom iemand van 21 jaar wel recht heeft op studiefinanciering en iemand van 31 jaar niet. Ik vind dat raar. Wij roepen constant "een leven lang leren". Dan moeten wij dit ook in beleid vormgeven. Ik vind dus dat er in dit geval een onterecht onderscheid wordt gemaakt op basis van leeftijd. Ik ben benieuwd hoe de minister hiernaar kijkt. De Commissie Gelijke Behandeling heeft hierover ook wel eens een uitspraak gedaan. Ik zuig het niet uit mijn duim. De heer Anker zegt dat hij het nooit eens is met de uitspraken van de Commissie Gelijke Behandeling. Ik ben het er ook niet altijd mee eens, maar soms wel.

Ik hoop dat de heer Anker niet meteen weer van zijn stoel valt. Een andere vorm van discriminatie betreft Iraanse studenten. Ik heb hierover al eerder schriftelijke vragen gesteld. Het is absurd dat in Nederland geboren en getogen kinderen van Iraanse ouders geen vrije studiekeuze hebben. Andere landen gaan ook niet over tot het nemen van dergelijke drastische maatregelen, waarom Nederland wel? Hoe kan deze minister met hart voor wetenschap toestaan dat de toegang tot kennis beperkt wordt op basis van iemands afkomst? Heeft het kabinet überhaupt minder discriminerende alternHeeft atieven overwogen? Is deze minister het met mij eens dat deze regeling de plank misslaat? De regeling is immers overinclusief. Ook Iraniërs die geen enkel gevaar opleveren, worden erdoor getroffen. Verder is de regeling onderinclusief. Wie garandeert dat het Iraanse studenten zijn die informatie aan Iran doorspelen?


De heer Bosma (PVV): Als de heer Dibi aanwezig is, kan het woord discriminatie niet ver zijn. Ook dit vooroordeel wordt bevestigd. Is de heer Dibi ook in dit dossier niet weer een beetje halfzacht? Er ligt een resolutie van de Verenigde Naties, met nummer 1737. Deze minister voert de resolutie uit. GroenLinks staat altijd te brallen als het aankomt op Israël. Dan verwijst GroenLinks altijd naar de Verenigde Naties. Nou zeggen de Verenigde Naties eens iets zinnigs en wil de heer Dibi dit naast zich neerleggen. Waarom is hij vandaag zo halfzacht?
De heer Dibi (GroenLinks): GroenLinks hecht heel veel waarde aan internationale verdragen, ook aan uitspraken van de VN, maar wij zijn het natuurlijk niet op elk onderdeel eens. Wij zijn het eens met het standpunt ten aanzien van Israël, maar niet met het standpunt ten aanzien van deze Iraanse studenten. Ik vind trouwens wel dat de heer Bosma appels met peren vergelijkt. Moeten wij moslims nu ook uitsluiten bij pilotenopleidingen? Waarom sluiten wij Amerikaanse studenten niet uit van dit soort kernfysicaopleidingen? Amerika heeft toch een staat van dienst met kernwapens. Ik vind dit onderscheid raar. Ik wil van de minister, die ook wetenschapper is, weten of hij het met mij eens is dat kennis niet beperkt moet worden door dit soort bekrompen gedachten.
De heer Bosma (PVV): Ik had niet op een mooier antwoord kunnen hopen. Het is heel simpel: links op het politieke spectrum shopt men selectief in de uitspraken van de VN. Komt het je goed uit en ben je het ermee eens, dan ga je met een spandoek de straat op. Ben je het er niet mee eens, dan zeg je dat je het er niet mee eens bent.
De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb deze vraag volgens mij al beantwoord. Wij hechten heel veel waarde aan internationale mensenrechtenverdragen, maar dit betekent niet dat je het dan maar op elk onderdeel eens moet zijn met elke mensenrechtenorganisatie en met elke internationale organisatie.
Voorzitter. Uit tijdgebrek sluit ik mij aan bij de gestelde vragen over promovendi, studenten met een functiebeperking en het bindend studieadvies. Wat wil de minister doen om de positie van promovendi te versterken? Er is een Kamerbrede wens om in het hoger onderwijs meer aandacht te besteden aan studenten met een functiebeperking, bijvoorbeeld in het accreditatiekader. Wat zijn de ontwikkelingen op dit gebied? Heeft de minister al inzicht in de conclusies van het onderzoek naar het bindend studieadvies?

Ik heb weinig aandacht besteed aan onderzoek. Ik denk dat de vaste commissie voor onderwijs daarover een apart debat moet houden. Ik deel het punt van kritiek van de heer Zijlstra, dat het heel moeilijk is om alle stukken die vandaag op de agenda staan te reduceren tot tien minuten spreektijd.

Het is de hoogste tijd om de ranglijst te beklimmen van landen die echt investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs. De premier zei vorige week dat de kans groot is dat wij afstevenen op een recessie. Als dat zo is, moeten wij niet alleen de banken, maar juist ook het hoger onderwijs en onderzoek een kapitaalinjectie geven. Anders is de volgende crisis de kenniscrisis. De banken zijn ten onder gegaan aan kortetermijndenken; laten wij die fout niet maken met het hoger onderwijs.
De voorzitter: Er is een interruptie aan uw adres van de heer Zijlstra.

**
De heer Zijlstra (VVD): Het is meer een correctie, voorzitter. De heer Dibi had het over moslims die niets mogen qua studie. Voordat wij verkeerde beelden krijgen, wil ik duidelijk maken dat het zich echter puur toespitst op Iraniërs. Ik weet niet of de heer Dibi de heer Khan kent, die met onze kennis het land uitwandelde? Dat is nu net wat wij willen voorkomen. Wat mijn fractie betreft, is dat een goede zaak.


De heer Dibi (GroenLinks): Daar wil ik graag op ingaan, voorzitter. Ik had het niet over moslims. Ik vroeg mij af waarom je moslims dan ook niet uit zou sluiten bij pilotenopleidingen. De situatie is nu dat Iraanse studenten bij een aantal instellingen in een aantal kerngebieden in de masterfase of daarna uitgesloten wordt van die kerngebieden. Dit gebeurt dus niet in de bachelorfase, maar pas daarna, als het iets specialistischer wordt. Ik vind het eerlijk gezegd nogal bekrompen en kortzichtig om te denken dat je met deze maatregel het doorspelen van informatie kan tegenhouden. De kans is veel groter dat een niet-Iraniër die informatie gaat doorspelen of benaderd wordt om dat te doen, omdat dat minder verdacht is. Ons hoger onderwijs zou niet op deze manier moeten worden ingericht. Bovendien vind ik het ook gewoon discriminerend.
De voorzitter: Het lijkt mij verstandig dat wij doorgaan.

**
De heer Zijlstra (VVD): Ik zou toch graag nog een opmerking willen maken, voorzitter.


De voorzitter: En die is?

**
De heer Zijlstra (VVD): Ik vind het op zich verbazingwekend dat waar elke keer vanuit de fractie van GroenLinks wordt geroepen dat wij niet moeten generaliseren over moslims, dit toch bijna een pleidooi van GroenLinks is om het dan maar breed toe te passen in plaats van alleen specifiek beleid op Iraniërs toe te passen. Dat wil de VVD-fractie niet.

Overigens wil ik de heer Bosma zeggen dat hij de fractie van GroenLinks verwijt dat zij selectief shopt, maar dat als hij even naar zijn eigen gedrag op moties over Israel kijkt, hij dat zelf ook doet.
De voorzitter: Dit lijkt mij een mooi moment om over te gaan naar de heer Anker. Ik heb een foutje gemaakt in de begrotingsvolgorde, waarvoor mijn excuses aan de heer Anker. Ook hij heeft een spreektijd van tien minuten.

**
De heer Anker (ChristenUnie): De heer Van Ham aan mijn rechterzijde wist natuurlijk helemaal niet meer waar hij aan toe was, voorzitter. Misschien dacht hij dat hij aan de beurt was.


De heer Van der Ham (D66): Ik wilde net iets over Israel zeggen …
De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Wij spreken vandaag over het grootste goed: het hoger onderwijs en de wetenschap. Het hoger onderwijs is het brandpunt van intellectualiteit. Universiteiten en hogescholen laten zien wat de cultuur te bieden heeft op het gebied van kennis en onderzoek, opleidingsmogelijkheden en beroepstoerusting, wetenschappelijke bronnen en tradities, en intellectueel en geestelijk leiderschap.

Ik heb drie kernwoorden bij hoger onderwijs: ambitie, innovatie en vooruitgang. Eerst een korte terugblik. Ikzelf mocht in mijn studie aan de UvA ook enkele vakken organisatiekunde volgen. Je zou denken dat de betreffende vakgroep, met zoveel expertise op dat gebied in huis, fantastisch georganiseerd zou zijn. Het tegendeel bleek waar. Als mij docenten een negatief voorbeeld nodig hadden, werd dat met gemak in eigen huis gevonden. Gaat dit ook op voor het gehele hoger onderwijs?

Op de agenda vandaag staat een lange lijst brieven. Bij verschillende andere begrotingsbehandelingen die ik heb mogen doen, moest ik constateren dat "werk in uitvoering" een passend cliché bleek. Het hoger onderwijs lijkt echter nog te blijven hangen in "bezint eer gij begint." De ambitie is er, dat wil ik de minister nageven, maar innovatie en vooruitgang missen voorlopig nog enigszins. Ik hoop toch echt dat wij volgend jaar bij dit wetgevingsoverleg kunnen spreken over concrete resultaten.

Ik zal niet alle brieven bespreken die op de agenda staan Er staan namelijk zestien kopjes op, maar bij sommige zaten er wel drie brieven onder. Ik beperk mij tot een aantal zaken. Allereerst kom ik dan op het punt van de bekostiging. Ik kan mij herinneren dat ik vorig jaar rond deze tijd uitsprak dat de fractie van de ChristenUnie de nadere uitwerking van het nieuwe bekostigingsstelsel met belangstelling tegemoet zag.

Dat geldt nog steeds. Een aantal contouren is helderder geworden, maar het wetsvoorstel moet nog worden ingediend. De invoering van de wet is uitgesteld. Blijkbaar loopt er nog een aantal onderhandelingen. Wat is de inzet van de minister om de zaak los te trekken en de nieuwe deadline echt te halen? Simpel gezegd: reserveer desnoods een week op de hei, maar regel het. Het is niet goed dat dit proces zo lang gaat duren.

Ook wij worden ondertussen benaderd door instellingen en organisaties die hun zorgen uiten. Al die zaken hebben hun eigen dynamiek. Heel concreet vraag ik aandacht voor de bekostiging van kleinere instellingen, zoals kleine hbo's met een relatief hoge overhead. Hoe wordt daarmee omgegaan als de bekostiging voor een groot deel van de studentenaantallen gaat afhangen? Wij willen niet dat de kleinere instellingen gedwongen worden tot opschaling. Kan de minister garanderen dat dit niet het geval zal zijn bij de nieuwe wet voor de bekostiging?

Bij de discussies over de bekostiging van het hoger onderwijs spreken wij vaak over bekostiging op basis van kwaliteit. Dat is ook in een tweetal moties vastgelegd. Eén daarvan is van de hand van de collega's Slob, Besselink en Zijlstra. Mijn fractie heeft begrip voor de reactie van de minister op het rapport van de commissie-Sorgdrager. Alleen belonen van excellente opleidingen kan ook averechts werken. Er zit soms meer kwaliteit achter de gang van de zes naar de zeven dan achter die van de negen van naar de tien.

Toch is het mijn fractie nog niet helemaal duidelijk of het alternatief van de minister wel zoden aan de dijk zet. Dat hangt vooral af van de prestaties die voor de prijs geleverd moeten worden. Een prijs voor kwaliteit die wij normaal achten kan het in ieder geval niet worden. Het geld moet een stimulans worden om een risico te nemen dat je anders niet zou nemen om een kwaliteitsslag te maken.


De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Sluit u zich aan bij mijn suggestie om experimenten te bevorderen in plaats van achteraf een prijs te geven?
De heer Anker (ChristenUnie): Ik heb het afgelopen weekend ook in de pers over dat idee gelezen. Ik vind het wel een aardige gedachte. Wij zijn een beetje aan het zoeken naar de beste manier om die kwaliteitsimpuls te geven. Dat geldt ook voor de minister, want hij gaat nog overleggen met allerlei organisaties. Er moet overigens wel een keer een knoop worden doorgehakt. Verschillende fracties hebben naar voren gebracht dat er dingen onderzocht moeten worden. Ik kan voorspellen dat ik ook iets zal noemen wat onderzocht moet worden. Er komt in ieder geval een stapel notities en uiteindelijk moeten er beslissingen worden genomen. Het heeft mijn voorkeur om in de diepte te investeren. Nieuwe initiatieven moeten worden beloond. Het is niet nodig dat men een prijs krijgt voor een goed computerlokaal. Wij mogen veronderstellen dat een opleiding dat laatste goed geregeld heeft.

Eind oktober ontvingen wij het evaluatierapport van de bamastructuur. Het rapport schetst een positief beeld van de snelheid en de wijze waarop de bachelor-masterstructuur in Nederland is doorgevoerd. Maar wij zijn er nog niet. In het rapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan om tot een volwassen bamastructuur te komen. In reactie op het rapport heeft de minister aangegeven, de harde knip tussen bachelor en master per 1 september 2011 te willen invoeren. Daarin mag hij zich gesteund weten door mijn fractie. Met het invoeren van de harde knip wordt een volgende stap gezet op weg naar het volwassen worden van het bamastelsel. Het invoeren van de harde knip draagt bij aan een betere erkenning van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland. Daarnaast is het van belang dat alle studenten op het moment dat zij aan hun master beginnen, zich daar volledig op kunnen concentreren. Juist in de laatste fase is een groep van gelijkgestemde studenten belangrijk voor de intensiteit en kwaliteit van de opleiding.

Universiteiten moeten wel hun zaken op orde hebben, zoals het realiseren van meerdere instroommomenten. In de brief geeft de minister aan, hierover afspraken met de instellingen te willen maken. Inmiddels is er sprake van een jaar uitstel, maar is er echt zicht op de realisatie van meerdere instroommomenten? Welke afspraken zijn er gemaakt en op welke wijze houdt de minister de vinger aan de pols? Voor alle duidelijkheid: minister, laat het alstublieft bij de instellingen.
De heer



1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina