De begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Hoger onderwijs en Onderzoek, voor het jaar 2009



Dovnload 380.7 Kb.
Pagina5/8
Datum27.09.2016
Grootte380.7 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8
Jasper van Dijk (SP): Ik herinner de heer Anker aan de uitspraak van zijn collega Slob dat studenten hun bachelor-opleiding nog niet helemaal hebben afgerond toch al vast een begin moeten kunnen maken met de master. Daarmee kun je volgens hem vertraging in de studie zo veel mogelijk voorkomen. Niet te veel drempels, zei mijnheer Slob. Waarom is de heer Anker gedraaid en is hij u nu ineens voor de harde knip?
De heer Anker (ChristenUnie): Volgens mij heeft de heer Slob zich niet tegen de harde knip uitgesproken, want dan had ik dat vast wel geweten. Zo lang zijn de lijnen niet bij ons. Ik wil het heel nuchter bekijken. U zet de harde knip wel heel erg hard aan. U doet alsof er na de bachelor een soort guillotine is. U maakt de knip veel scherper dan zij in werkelijkheid is.

Wij zitten allang in de situatie waarin studenten een beetje creatief moeten omgaan met hun planning. De heer Van Dijk houdt dramatisch verhalen over studievertraging als studenten een keer een bestuursjaar doen. Ik heb ook een bestuursjaar gedaan. Het heeft mij een jaar vertraging opgeleverd, maar ik had het voor geen goud willen missen. Ik wist ook waar ik aan begon. Volgens mij zijn studenten hierin veel volwassener geworden. Dat geldt ook voor de universiteiten. Zij weten precies wat er aan de hand is. Er kan best overeenstemming worden bereikt. Ik voel veel meer voor een soort discretionaire bevoegdheid. Men moet er met elkaar zien uit te komen. Het uitgangspunt blijft echter dat je niet aan je master begint voordat je je bachelor af hebt.

De brief over internationalisering is prima. Wij zijn tevreden over de aandacht voor dit punt, maar hoger onderwijs heeft zeker in zijn internationale context veel raakvlakken met andere terreinen. Mijn fractie heeft gevraagd om in de brief ook aandacht te besteden aan ontwikkelingssamenwerking. Het collegegeld gaat voor veel studenten van buiten de EER omhoog. De minister heeft daar kort op gereageerd. Hij ondersteunt het initiatief van Nuffic om tot een mind fund te komen. Wij hadden meer verwacht. Ontwikkelingssamenwerking heeft ons hart; dat moge bekend zijn. De combinatie met het hoger onderwijs is juist zo boeiend omdat er heel veel wederzijdse winst te behalen is. Met ontwikkelingssamenwerking investeren wij ook in het internationale karakter van ons hoger onderwijs, bijvoorbeeld door internationale stages en onderzoek en door de uitwisseling van studenten. Voor universiteiten is het van belang om duurzame relaties te hebben met buitenlandse universiteiten, zeker in die landen waar de wetenschappelijke uitdagingen waarschijnlijk voor het oprapen liggen. In gesprekken die wij met verschillende organisaties hebben gevoerd, ging ook voor ons een wereld open. Er ligt een wereld aan kansen, maar ook aan dilemma's die om een oplossing vragen. Er zijn verbanden te leggen tussen de inspanningen voor Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en OCW. Voor ons is duidelijk geworden dat voor een daadwerkelijke, stevige internationale positie in onderwijs en onderzoek meer nodig is dan alleen een actie van OCW. Het vraagt om een kabinetsbrede aanpak. Ontwikkelingssamenwerking en EZ moeten er in ieder geval bij betrokken worden. Wij vragen de minister om zo'n aanpak te initiëren. Eventueel leg ik dit in een Kameruitspraak vast.

Wij zijn teleurgesteld in de beperkte mogelijkheden voor studenten uit ontwikkelingslanden. De drempels voor niet EER-studenten zijn verhoogd doordat instellingen instellingscollegegeld mogen vragen. De kennisbeurzen die daartegenover zouden staan, zijn niet van de grond gekomen. Studenten uit armere landen zijn hier de dupe van. Het lijkt de omgekeerde wereld. Juist voor mensen uit ontwikkelingsgebieden mogen wij heel hoge collegegelden gaan vragen. Ten behoeve van een evenwichtige kennisopbouw op de Nederlandse universiteiten en voor vorming van het maatschappelijk kader in ontwikkelingslanden is het van belang dat studenten uit ontwikkelingslanden in staat worden gesteld hier te studeren. Deze studenten dragen ook bij aan de door de minister zo gewenste international classroom. De minister laat het initiatief aan de Nuffic en de banken. Wij vragen de minister om de ontwikkeling van het mind fund zelf ter hand te nemen. Wat ons betreft wordt het echt een fonds gericht op ontwikkeling. Als wij analoog aan het Huygens scholarship een naam aan het fonds moeten verbinden, doe ik de aanbeveling om de naam van Egbert Schuurman eraan te koppelen. Hij is al 25 jaar senator en heeft veel betekend voor het denken over ontwikkelingssamenwerking, zowel in wetenschap als in politiek. Het is tekenend dat wij het Huygens scholarship hebben dat puur op excellentie gericht is. Het zou echt bij ons passen om ook studenten hierheen te halen die het hard nodig hebben uit landen die het hard nodig hebben.

Ik kom op het onderwerp studiekeuze en schooluitval. Met een relatief kleine investering vroeg in de schoolloopbaan kunnen hoge kosten als gevolg van schooluitval worden voorkomen. De sectoroverstijgende aanval op schooluitval heeft de volle steun van mijn fractie. Wij maken wel een opmerking over de studiekeuze-informatie. Uit onderzoek blijkt dat bij de profielkeuze en de keuze voor vervolgopleidingen van leerlingen in het voortgezet onderwijs weinig aandacht wordt besteed aan informatie over de arbeidsmarkt. Meer inzicht in wat leerlingen later in de beroepsuitoefening kunnen verwachten, zal hun keuzeproces aanzienlijk verbeteren. Bij de behandeling van de begroting van EZ is een motie van de ChristenUnie aangenomen waarin de regering wordt verzocht, de mogelijkheden te onderzoeken om een arbeidsmarktadvies onderdeel te laten zijn van reguliere studieadviezen. Ik ga ervan uit dat de minister de uitvoering van deze motie samen met zijn collega van EZ voortvarend ter hand zal nemen.

Wij steunen de oplossing om de invoering van een glijdende schaal met betrekking tot de bijverdiengrens financieel neutraal te kunnen uitvoeren. De terugbetaalregeling is aangepast naar aanleiding van de vragen die onder andere de ChristenUnie-fractie heeft gesteld in het overleg over de voortgang van de strategische agenda voor het hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid. Nu resteert een voorstel waarmee de terugbetalingsvoorwaarden bij studieleningen soepeler en flexibeler worden gemaakt. De duidelijkheid hierover moet leenangst wegnemen. Onze bezwaren zijn met dit nieuwe voorstel weggenomen. Ik wil dat duidelijk zeggen, omdat wij in het begin wel heel erg kritisch waren.

Bij de stukken zit een brief over de imamopleidingen. Wij zijn nooit zo heel erg dol geweest op de manier waarop de imamopleidingen in Nederland zijn gestart, omdat daarachter toch een beetje het idee zat: wij willen graag de islam-light in Nederland en de gematigde islam stimuleren, dus wij willen onze eigen imamopleidingen. Er zit vast nog wel wat meer achter en het is ook helemaal niet verkeerd om zo'n soort theologische opleiding te hebben, maar het is wel heel opvallend dat wij op dit moment echt aan het opleiden zijn voor de overheid. Dat blijkt ook uit de brief. Wij hebben onze eigen opleiding en onze eigen markt gecreëerd. Er wordt druk overlegd met allerlei islamitische organisaties over de kerkelijke vraag. Hoe gaan wij hiermee verder op het moment dat blijkt dat die kerkelijke vraag niet van de grond komt?
De heer Zijlstra (VVD): Deelt de ChristenUnie de mening van de VVD dat Nederland, aangezien wij die opleiding hier hebben, de instroom van imams uit het buitenland zou moeten stopzetten als straks de uitstroom op gang komt en mensen ook buiten de overheid aan het werk kunnen? Die imams uit het buitenland zijn dan niet meer nodig, omdat wij binnenlands aanbod hebben.
De heer Anker (ChristenUnie): Nee, ik deel die mening niet. Het gaat fundamenteel over de scheiding van kerk en staat. Als kerken behoefte hebben aan geestelijk bedienaren, zoals wij hen in het modern migratiebeleid noemen, kunnen die bedienaren soms uit het buitenland komen. Sterker nog, ik ben zelf lid van een internationale kerk waarin bar veel Amerikanen voorgaan. Dat soort dingen gebeurt gewoon en volgens mij is dat ook heel erg goed. Ik zou die mogelijkheid dus graag willen ophouden. Ik kan mij de gedachte achter deze imamopleidingen wel voorstellen: laten wij op zijn minst een aanbod naast het buitenlandse aanbod hebben. Op dit moment wordt daar echter nog heel weinig gebruik van gemaakt.
De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Voor D66 is het innovatiebeleid nauw verbonden met onderwijs, wetenschap en ondernemen. Een ambitieuze agenda voor onderwijs en innovatie is van groot belang, maar heel vaak blijft het toch bij los zand. Goede bedoelingen gaan ten onder aan concurrerende deelbelangen. Ook de agenda van vandaag bevat daarvan veel voorbeelden. Om het verband tussen onze kenniseconomie en onderwijs te versterken, heb ik in ieder geval een amendement ingediend dat pleit voor de oprichting van zes hbo-masters voor de sleutelgebieden van het Innovatieplatform. Dat moet ervoor zorgen de sterkste onderdelen van onze economie voldoende houvast te geven en het moet zorgen voor een permanente beschikbaarheid van voldoende hoopopgeleide professional. Dit zal hogescholen aansporen, hun initiatieven te bundelen.

Het Innovatieplatform wijst ook nog op een zevende sleutelgebied waarvoor ik graag aandacht wil vragen, namelijk Den Haag als hoofdstad van het internationaal recht. Eerder pleitte D66 al voor meer aandacht voor de mensenrechten in het onderwijs. Ook hier komen dus meerdere agenda's samen. Wat is de reactie van de minister op het standpunt van het Platform mensenrechteneducatie dat Nederland zijn internationale verplichtingen op dat gebied niet nakomt?

De kwaliteit van ons onderwijs is de brandstof van onze kenniseconomie, en de diversificatie is nodig om die kwaliteit te verbeteren. Het rapport van de commissie-Sorgdrager heeft daarvoor een aantal mogelijkheden aangedragen. Met extra geld kunnen wij extra kwaliteit bekostigen. Maak de extra kwaliteitseisen helder en laat de NVAO hierop toetsen, zonder nieuwe bureaucratie voor de scholen. Een pilot kan helder maken of het systeem werkt. Natuurlijk zijn er ook bezwaren van het veld, die van belang zijn. Het is dus niet meer dan terecht dat de minister daarmee rekening houdt. Maar het invoeren van prijzen kan toch niet echt een serieus alternatief worden genoemd. Ik sluit mij aan bij wat het CDA daarover heeft gezegd. Het is misschien interessanter om het juist om te keren en het geld in het begin in te zetten. Waarom durft de minister niet samen met het veld de pilot aan te gaan?

Het is goed dat door de uitlatingen van de voorzitter van het college van bestuur van de UvA de discussie over de bekostiging van kwalitatief onderwijs is gestart. Wij willen studenten geen ambitietaks opleggen. Stimuleer studenten juist het beste uit zichzelf te halen. Ambitieuze studenten moeten juist extra vakken kunnen volgen en excellente studenten een topstudie.

Ook wij zien echter dat universiteiten steeds meer studenten moeten bedienen met steeds minder middelen. Als de school of universiteit bewijst extra kwaliteit te leveren, moet daar extra geld tegenover staan. De student moet voor extra kwaliteit kunnen kiezen en dat mag nooit afhankelijk worden van de financiële situatie thuis. Die studenten moeten een extra lening kunnen krijgen of via commerciële beurzen in staat worden gesteld voor die kwaliteit te kiezen. Wat wil de minister op dat punt?

De invoering van de harde knip lijkt een echte maatregel van de minister. De cijfermatige onderbouwing waaruit blijkt dat die ook echt gaat werken, hebben wij eigenlijk niet. Wij hebben geen idee hoeveel studenten straks wel zullen kiezen voor een masteropleiding aan een andere universiteit. Ik vraag mij af hoe effectief de maatregel daadwerkelijk is. De groep studenten die na drie jaar de eigen studentenstad wil verlaten, is heel klein, meen ik. Waarom wil de minister zo'n onderzoek niet toezeggen?

De harde knip op zichzelf lijkt D66 een goed idee, voor zover wij dat nu kunnen beoordelen. Anderen hebben het al gezegd: in andere landen is het ook heel normaal dat je het vwo moet hebben afgerond als je naar de universiteit gaat. Wij hebben echter wel een aantal vragen op dat punt en stellen daarom een aantal heldere voorwaarden aan een harde knip. Universiteiten moeten kunnen blijven bepalen wie in aanmerking komt voor de wettelijk vastgestelde uitzondering. Iedere opleiding moet zo veel mogelijk instroommomenten en herkansingsmomenten creëren, bijvoorbeeld ook tijdens vakanties. Iedere instelling moet absolute helderheid geven over de vereisten voor toelating tot een masteropleiding, die zijn gebaseerd op competenties en bijvoorbeeld niet op een boekenlijst. Wil de minister wel dat zo veel mogelijk studenten een wo-masteropleiding gaan volgen? In zijn antwoorden op de schriftelijke vragen blijft hij daar een beetje vaag over. Het een en ander kan ook worden opgevat als een bewustwordingsmoment om uiteindelijk geen masteropleiding te gaan volgen. Daar wil ik graag helderheid over.

De internationaliseringsagenda is op zichzelf heel goed. Wat het kabinet daar echter voor uittrekt, namelijk 19 mln. voor vijf jaar, is wel heel beperkt. Kan die agenda wel voor dat bedrag worden uitgevoerd? Waarop kunnen wij de minister afrekenen? Waarom wordt het niet wat kabinetsbreder gedragen? De financiering van dit onderdeel kan bijvoorbeeld ook uitstekend bij het ministerie van EZ worden ondergebracht of misschien kan daar wat extra geld vandaan komen. Ik begrijp ook dat scholen en universiteiten het lastig vinden om goede huisvesting te bieden aan buitenlandse studenten. Maar waarom staat dit punt dan niet hoog op de agenda van bijvoorbeeld de minister van VROM? Deze studenten krijgen geen huursubsidie. Waarom heeft de minister van SZW zich niet daarvoor ingespannen? Ook de samenwerking met de IND blijkt lastig.

Bovendien prijst Nederland zichzelf uit de internationale onderwijsmarkt met een enorme "fee" voor studenten die naar ons land willen komen voor een studie. Als de minister hier niet verder op ingaat, zal ik in de tweede termmijn een motie indienen waarin wordt verzocht om een flexibeler "fee" in te voeren, die afhankelijk is van de verblijfsduur van studenten. Heeft de minister ook wel eens gedacht over ons hoger onderwijs en de combinatie van werken en leren als een exportproduct? In Amerika -- je kunt er niet alles van overnemen -- zie je een hoog percentage buitenlandse studenten. Daar kunnen wij in Nederland wel degelijk een goed voorbeeld aan nemen.

De minister heeft overleg gevoerd met studenten, onder andere over de bijverdiengrens. De oplossing die daaruit is gekomen, steunen wij. Graag krijg ik van de minister echter meer informatie over het terugbetalen. Wie zijn de studenten die niet binnen de termijn hun schulden kunnen afbetalen? Wat is hun achtergrond? Hebben zij hun studie niet afgerond? Verdienen zij te weinig na hun studie? Om hoeveel geld gaat het precies?

Van de studentenorganisatie hebben wij ook een ander interessant voorstel ontvangen over het collegegeldvrij besturen. Het is goed dat studenten zich breder ontwikkelen tijdens hun studie. Als een student alleen collegegeld betaalt om ingeschreven te blijven in ruil voor een bestuursbeurs en ov-jaarkaart, dan wordt daardoor weer zinloos geld heen en weer geschoven. Daarbij is natuurlijk wel de voorwaarde dat een student tijdens zijn collegegeldvrije bestuurstijd ook onderwijsrechten heeft. Graag had ik op dat punt een toezegging.

Over het FES hebben wij al gesproken in een AO over innovatie. De informatie over de systematiek voor de verdeling van de middelen van het FES voor R&D en het verbeteren en transparanter daarvan, blijft nog een beetje vaag. Wij hebben daarover nog geen concrete informatie van het kabinet. Die willen wij graag hebben. Dit is een ongelooflijk belangrijk onderdeel van het hogeronderwijsbeleid en het wetenschaps- en innovatiebeleid. Misschien heeft de minister daar nu meer over te vertellen dan bij het AO vorige week.

Dan kom ik op het kunstonderwijs. Dat valt ook mooi samen met een ander onderdeel van zijn portefeuille. Er zijn heel veel opleidingen met allemaal verschillende invalshoeken. Er gaan veel buitenlanders naar het kunstonderwijs. De dansacademies leveren bijvoorbeeld veel dansers van hoog niveau af. Bij hoogwaardige dansinstellingen zien wij echter bijna alleen maar buitenlanders en nauwelijks Nederlanders. Hoe komt dat precies? Hoe wil het kabinet dat verbeteren? Neemt het kabinet de Nederlandse kunstopleidingen onder de loep, waarbij niet alleen wordt gelet op kwaliteit maar ook op kwantiteit? Er zijn er immers op dit moment wel heel veel. Moet daar niet wat aan gaan gebeuren?

Voorzitter. Bij mij is een vraag opgekomen na het werkbezoek in Amerika over de leerstoelen in het buitenland, onder andere in New York en Berkeley. Ik heb de indruk dat van die leerstoelen weinig gebruik wordt gemaakt. Wat gaat de minister daaraan doen?

Ik heb ook een opmerking aan het adres van de heer Bosma van de PVV. Hij had het over steenkolenengels. De fractie van D66 is sterk voor tweetaligheid van het onderwijs. Daarom ben ik blij dat de heer Bosma zich keert tegen steenkolenengels. Dat is de eerste milieuvriendelijke bijdrage die hij in de Tweede Kamer heeft gehouden.

Tot slot nog een opmerking over de minister. Er wordt gezegd dat hij zich niet genoeg bezighoudt met het hoger onderwijs. Ik begrijp dat eigenlijk wel. Hij komt eruit voort. Dan is het een beetje alsof je een nieuwe student bent die zich afzet tegen het ouderlijk huis. Het ouderlijk huis van de minister was natuurlijk de wetenschap. Nu heeft hij twee jaar een beetje kunnen brassen, brallen en proosten op de koningin. Dat doe je als feut. Maar nu gewoon echt aan het werk! Wij hopen dat daar het komend jaar mooie dingen uit voortkomen.


De heer Bosma (PVV): Er is veel gesproken over een zesjescultuur. Dan voelt een partij als D66 zich natuurlijk heel erg aangesproken, wat wil je met zo'n naam. Ik wil nog even duidelijk hebben dat wij als PVV tegen steenkolenengels zijn, maar dat wij heel erg voor "kernenergie-engels" zijn.
De voorzitter: Dank u zeer. Dan tot slot in de eerste termijn van de Kamer onze nestor, de heer Van der Vlies namens de fractie van de SGP.

**
De heer Van der Vlies (SGP): Dank u wel, voorzitter. Nog ruim een jaar rest ons tot het moment waarop de doelstellingen van het Verdrag van Bologna gerealiseerd moeten zijn en dat is te merken. De evaluatie van het bachelor-mastersysteem is in volle gang en de internationaliseringsagenda is binnen. De internationale aantrekkingskracht van het Nederlandse onderwijs is een belangrijk punt. Wat mij betreft organiseren wij die op de wijze zoals dat in de dertiende eeuw al ging in Bologna: uit alle hoeken van Europa kwamen studenten naar Bologna voor de rechtsgeleerde Accursius. Hoge standaarden en topdocenten zijn het recept voor een sterke positie. Excellent moet ook werkelijk excellent zijn.

Wie hoge ambities koestert en deze zelfs wil verhogen, zal voldoende middelen beschikbaar moeten stellen om dit niveau waar te kunnen maken. Een verhoging van het ambitieniveau zonder een bijpassende stijging van middelen zet geen zoden aan de dijk. Bij het Nederlandse investeringsniveau in hoger onderwijs en onderzoek worden regelmatig vraagtekens geplaatst, ook in internationaal vergelijk. Het is goed om de relatie tussen ambitie en bekostiging eens grondig onder de loep te nemen. De bekostiging van de universiteiten is altijd een kritiekpunt. Mijn fractie had flinke bedenkingen tegen de verplaatsing van een deel van de eerste naar de tweede geldstroom. Ten gevolge van deze bezuiniging zijn, zoals ik begrijp, momenteel al reorganisaties op touw gezet, met soms niet echt fraaie resultaten. Denk eens aan Leiden, waar theologie nu onder geesteswetenschappen wordt gebracht.

Mijn fractie pleit voor een stevige eerste geldstroom, omdat deze voor de continuïteit en kwaliteit van onderwijs en onderzoek onontbeerlijk is. Recent was van de zijde van de VSNU het signaal te horen dat de begroting voor 2009 een daling van onderwijsuitgaven per student laat zien. Er dreigt een wig in de bekostiging te ontstaan, zo wordt beredeneerd. Belangrijkste oorzaak hiervan is de ontwikkeling dat studenten steeds sneller zijn gaan studeren. Daar is natuurlijk op zichzelf niets mis mee, als de kwaliteit maar behouden blijft. Maar die wig is wel een probleem of kan het worden. Hoe gaat de minister dat voorkomen?

Mijn fractie erkent met de minister de risico's van de koppeling van kwaliteit aan bekostiging. Die koppeling kan bij de beoordeling van opleidingen tot perverse prikkels leiden. Desondanks vindt mijn fractie een strikte en heldere afbakening van het oordeel "excellent" voor opleidingen van groot belang. Er mag natuurlijk ook geen inflatie optreden. Bij een versoepeling van criteria daalt al gauw de waarde van een excellent traject. Hoe wil de minister dit gevaar voldoende bestrijden? Is hij bereid, een tandje bij te zetten als het gaat om excellente en selectieve opleidingen. Ik verwijs naar antwoord 15 bij de BaMa.

Het voorstel voor de nieuwe bekostigingsystematiek heeft de Kamer nog niet bereikt. Er wordt een jaar extra genomen. Toch wil ik vanaf deze plaats alvast een schot voor de boeg lossen. De positie van kleinere hogescholen -- ik hoorde daar gelukkig ook enkele collega's over -- mag binnen deze nieuwe bekostigingsystematiek niet in de verdrukking komen.

In het veld van de hogescholen stuit ik op de zorg dat aan het rendement van kleinere hogescholen in de nieuwe systematiek niet voldoende aandacht zou worden besteed. Variëteit in het aanbod van hogescholen is van wezenlijk belang, zeker ook voor de kwaliteit. Ik hoop dat de minister daarbij de wacht wil betrekken.

De implementatie van de bachelor/masterstructuur is vlot verlopen. Het is goed dat de herkenning van Nederlandse opleidingen in het buitenland hierdoor is vergroot. Wel heeft ook mijn fractie enkele vragen over de voorgestelde aanpassing van het systeem. Uiteraard is een weloverwogen keuze voor de master een belangrijke doelstelling. Volgens de minister zal de harde knip dit keuzemoment versterken.

Uit de Studentenmonitor blijkt echter dat 90% van de studenten de master kiest op grond van inhoudelijke interesse. Wat is dan eigenlijk het probleem? Mijn fractie vermoedt dat een gebrek aan substantieel kwaliteitsverschil tussen opleidingen een belangrijke oorzaak is voor de beperkte binnenlandse mobiliteit. Waarop baseert de minister zijn afwijzende reactie op deze stelling, vervat in vraag 28 en het daarbij gegeven antwoord?

Voor mijn fractie is helder dat een zwaarder accent op excellentie de mobiliteit van studenten kan vergroten. Het uitgangspunt van de harde knip is sympathiek, maar het voorstel heeft nog wel rigide kanten. Vrijwel elke uitzondering lijkt te worden uitgesloten. Wat te doen met een student die de datum 1 september net niet haalt en die geen bijzondere omstandigheden kan aanvoeren? Moet hij dan een jaar hangen of niet? Hoe werkt dat? Waar ligt de discretionaire bevoegdheid? Ik sluit mij aan bij de vragen die de collega's hebben gesteld over meer momenten voor herkansingen en instroom. Eventueel moeten vakken worden aangewezen die voor de master meer of minder relevant zijn, maar niet relevant is natuurlijk wat al te expliciet. Deze vragen moeten bevredigend worden beantwoord voordat wij hier definitief op insteken, maar de gedachte is volgens ons op zichzelf niet verkeerd.

De door de minister voorgestelde versoepeling van de harde knip voor bestuurswerk kan al gauw te ruim uitpakken, aangezien er ook al een financiële tegemoetkoming bij hoort. Wij moeten wel een verschil weten te rechtvaardigen tussen studenten die geen bestuurswerk kunnen of willen verrichten, en degenen die dat wel doen. In een verder verleden dan sommige van de hier aanwezige collega's heb ik de ervaring opgedaan dat er heel veel vormende kanten aan zitten. Dat hoeft niemand mij te verduidelijken, want dat heb ik aan den lijve ondervonden en daar heb ik met veel genoegen herinneringen aan.

De bestrijding van de uitval onder studenten is een terecht punt. Wij moeten studenten zo veel mogelijk helpen om de goede studiekeuze te maken. Het is de vraag of rendementsafspraken hiervoor uitkomst bieden. Het maken van een keuze blijft op deze leeftijd altijd nog een lastige aangelegenheid. De minister citeert niet voor niets de ontwikkelingspsychologie. Het vele goede dat al wordt gedaan, moet worden gecontinueerd en zo nodig gestimuleerd, maar naar mijn mening verdient vooral het tegengaan van rooskleurige informatie over studies extra aandacht. Er is wel autonomie van instellingen, maar er kan best eens met bepaalde instellingen worden gesproken om ze kritisch in de ogen te kijken. Ook voor die instellingen zelf zou dat winst zijn. Het gaat om een goed, prudent evenwicht tussen een wervend karakter van de informatie, maar ook een stukje eerlijke, realistische beschrijving.

Bij de behandeling van het rapport-Dijsselbloem heb ik aandacht gevraagd voor de positie van de leerstoelen onderwijsrecht. De minister zegde toe daarover in contact te treden met de desbetreffende universiteiten. Mijn simpele vraag is wat het resultaat is van die gesprekken.
De voorzitter: Daarmee zijn wij gekomen aan het einde van de eerste termijn van de Kamer. Ik schors de vergadering tot kwart over twee en dan zal de minister beginnen met zijn beantwoording in eerste termijn. Ik wens u allen smakelijk eten en kwart over twee is kwart over twee. Wij zijn hier niet op een universiteit, dus wij gaan gewoon beginnen.

**
De vergadering wordt van 13.36 uur tot 14.15 uur geschorst.


Minister Plasterk: Voorzitter. Ik constateer dat de helft van de mensen aan wie ik het antwoord ga geven, nog niet aanwezig is.
Mevrouw Besselink (PvdA): Het belangrijkste deel is toch aanwezig?
Minister Plasterk: Mijn eigen partij is er. Wat wil een mens meer? Ik zie echter dat de Van Dijkjes net binnen komen, dus ik kan beginnen.

Voorzitter. Ik stel voor om een paar grotere onderwerpen waar diverse leden over gesproken hebben, eerst aan de orde te stellen. Vervolgens loop ik de andere punten per spreker langs. Na het laatste wetgevingsoverleg dat wij hadden over de media bereikten mij klachten over het feit dat ik altijd aan dezelfde kant begin met het beantwoorden van de vragen. Omdat je aan het einde steeds sneller gaat, krijgen altijd dezelfde sprekers meer aandacht dan de andere. Ik zal daarom de volgorde nu omkeren. Ik begin dus met de heer Van der Vlies.


De heer Van der Vlies (SGP): Eindelijk gerechtigheid!
Minister Plasterk: De laatsten zullen de eersten zijn.

Ik begin zoals gezegd met een paar grotere onderwerpen, ten eerste het onderwerp waarvoor hier vanochtend een demonstratie op het Plein was. Ik heb mij met enige moeite door de massa heen geslagen, maar ik vond het goed om het gesprek daar aan te gaan. Ik heb in de tent met mensen over dit onderwerp gesproken, eerst bij de SP en vervolgens bij de studentenorganisaties.

Ik constateer allereerst dat een grote Kamermeerderheid het principe ondersteunt. Dit principe is een uitvloeisel van het bachelor/mastersysteem dat Europabreed is ingevoerd. De bedoeling van dit systeem is dat er een examen wordt afgelegd na de bachelor en dat deze toegang geeft tot het volgende studieonderdeel, de master. De harde knip is in heel Europa overal ingevoerd. Ook in Nederland is deze inmiddels ingevoerd bij de universiteiten in Amsterdam, Utrecht, Leiden en Rotterdam. Dat is gebeurd in goed overleg met de studentenorganisaties. Er zijn afspraken gemaakt over een aantal maatregelen om te voorkomen dat dit systeem leidt tot ongewenste consequenties.

Vervolgens is de vraag of wij dit systeem over de hele linie moeten invoeren. Ik ben het eens met iedereen die zegt dat dit zo veel mogelijk aan de instellingen moet worden overgelaten, maar dit is nu juist een systeemeigenschap. Die eigenschap heeft als bedoeling dat iemand ergens het bachelorexamen haalt en daarna bedenkt of hij daar of elders door wil gaan. Ik kan mij voorstellen dat instellingen die zich bezorgd maken of studenten misschien van het keuzemoment gebruik zullen maken om naar elders te wandelen, de neiging zullen hebben om te zeggen: begin maar lekker aan je master, die bachelor komt wel. Daarmee bind je immers mensen. Alleen ik denk dat het voor een instelling een onterechte zorg moet zijn dat mensen weg zouden lopen. Laten wij nu gewoon op systeemniveau vaststellen dat het goed is dat men, als het bachelorexamen is gehaald, kan bedenken of men daar door wil gaan of misschien bij de Universiteit van Maastricht, omdat de opleiding voor een bepaald vak daar veel beter is. Instellingen zouden daar geen zorgen over moeten hebben. Als instellingen deze zorgen wel hebben, dan moeten zij nog beter onderwijs geven, omdat studenten daardoor bij dezelfde instelling kunnen blijven.

Ik proef soms een zekere zorg bij de universiteiten die hun instroom aan regionale binding ontlenen, bijvoorbeeld in het Noorden of vanuit Brabant naar Nijmegen. Daar denkt men misschien dat jongeren op hun twintigste een andere keuze zullen maken dan op hun zeventiende en dat zij dan die universiteiten wellicht links laten liggen. Iets meer zelfverzekerdheid zou op haar plaats zijn. Laat mensen gewoon vol kiezen op het moment zelf.

In de schriftelijke beantwoording heb ik al aangegeven dat het mij prima lijkt om de invoering hiervan een jaar uit te stellen. Dat geeft ons respijt. Ik stel voor dat ik over pakweg twee maanden met een voorstel kom na overleg met de koepels, studentenorganisaties en de VSNU. Ik zal ervoor zorgen dat in dat voorstel een aantal van de door de leden aangegeven randvoorwaarden worden opgenomen. Ik denk bijvoorbeeld dat er een beroep moet kunnen worden gedaan op bijzondere omstandigheden, zoals ziekte, handicap, zwangerschap, familieomstandigheden of lidmaatschap van besturen. Ik wil nog overleg voeren met de studenten over wat precies op deze lijst thuishoort.



Er moeten heldere toelatingseisen zijn voor de master. Daar is al eerder om gevraagd. Daar mag echt geen discussie over zijn. Het moet helder zijn wat je moet weten om erin te komen. Over herkansingsmomenten moeten goede afspraken worden gemaakt. Daar waar mogelijk moeten meerdere instroommomenten worden geboden. Enkele leden vroegen of er geen clementie kan zijn voor de student die één of twee studiepunten mist. Dat overleg wil ik wel precies voeren. Ik ben het eens met alle sprekers die hebben gezegd dat je zo'n knip gewoon moet maken. Mensen zien dat aankomen en moeten in principe hun examen halen. Als je weet dat je in september aan je master wilt beginnen en er geen bijzondere omstandigheden zijn, moet je in de zomer de laatste punten binnenhalen. In het buitenland en bij de universiteiten in Nederland waar dit systeem geldt, is de ervaring dat het niet tot vertraging leidt. Je hebt immers gedragseffecten. Mensen zien het aankomen, anticiperen erop en houden er rekening mee. Ik vraag de leden nu niet om akkoord te gaan met die harde knip. Over een maand of twee stuur ik de Kamer een brief waarin ik verslag doe van het overleg met de studentenorganisaties en de VSNU. Dat zal vergezeld zijn van een besluit van mij. Als de Kamer daartoe aanleiding ziet, kunnen wij daar dan over in gesprek gaan.
De heer Anker (ChristenUnie): Ik ben blij dat de minister de harde knip wil invoeren. Hij geeft zelf aan dat er wat randvoorwaarden zijn. Dat is prima, maar hoe ziet hij dat voor zich? Gaat hij daarover in overleg met de VSNU of wil hij dat wettelijk bepalen? Dat laatste heeft niet mijn voorkeur, want dan krijgen wij over elke bepaling uitgebreide debatten en zal in de praktijk blijken dat elke aparte bepaling zijn problemen en grensproblematiek heeft.
Minister Plasterk: Ik ga in overleg met de VSNU. Omdat wij die harde knip op systeemniveau invoeren, is het wel verstandig om helder te hebben wat erin komt te staan. Het zou mijn voorkeur hebben om dat wettelijk te bepalen, maar dat wil ik onderdeel van het overleg maken. Misschien willen sommigen inderdaad wel een discretionaire bevoegdheid. Ik wil wel weten wat het onderwerp van die bevoegdheid zou zijn. Als dat voldoende beperkt is zodat het de helderheid niet aantast, kan de invulling daarvan aan de instellingen worden overgelaten.
De heer Dibi (GroenLinks): Ik vond het argument om toch over te gaan tot landelijke invoering niet overtuigend. Kan de minister nog een keer uitleggen waarom dat precies vanuit Den Haag aan alle instellingen moet worden opgelegd? Ik dank de minister dat hij tegemoetkomt aan de zorgen die er leven en dat hij in overleg wil gaan met belanghebbende organisaties. Het wordt dan wel een afweging van belangen en ik wil liever op basis van een onderzoek tot een afgewogen oordeel komen; ik heb al een hele trits criteria genoemd. Ik wil eerst weten wat de gevolgen van een landelijke invoering zijn voor het hoger onderwijs en de toegankelijkheid daarvan. Is de minister bereid om naast het overleg dat hij zal voeren, een onderzoek te doen naar die gevolgen?
Minister Plasterk: Onderzoek heeft alleen zin als je de gedragseffecten kunt meenemen.

Die gedragseffecten zijn ten eerste traag, omdat mensen niet van de ene dag op de andere hun gewoonten gaan veranderen. Bovendien denk ik dat ze alleen zullen optreden als er op systeemniveau werkelijk iets veranderd is. Ik zou niet weten welke nuttige vraag je nu met een onderzoekje zou kunnen beantwoorden, door werkelijk te meten. Je kunt argumenten op een rij zetten en inventariseren, maar dat kan ik in twee maanden ook. Laten wij het andere punt pakken, want dat acht ik het belangrijkste. Waarom moet het op systeemniveau gebeuren? Anders krijg je toch een soort prisoner's dilemma. Ik denk inderdaad dat het niet-bestaan van de harde knip een bindende werking heeft. Een deel van de studenten ervaart immers helemaal niet dat er echt een bachelorexamen is. Men zit er gewoon voor een studie van vier, vijf jaar en ergens op tweederde krijgt men een keer een mailtje dat men zijn bachelor heeft. Dan is men echter allang doorgegaan met het master's programma, nog voordat men klaar was met de bachelor. Tegen de tijd dat die mensen hun bachelorexamen hebben, hebben zij alweer een paar maanden geïnvesteerd in hun master's en dan gaan zij natuurlijk niet meer weg. Ik denk inderdaad dat het op microniveau wel enige bindende werking heeft. Dan moet het niet zo zijn dat sommige universiteiten studenten in een positie brengen dat zij gaan heroverwegen, met als gevolg dat zij er misschien wel uit zullen fladderen, terwijl andere universiteiten dat niet hebben. Dan krijg je een oneigenlijk speelveld. Dat vind ik dus een systeemeigenschap en daarom zeg ik: laten wij het gewoon landelijk regelen. Daar komt nog bij dat dit internationaal ook overal het geval is. Ik zie ook geen echte reden om het te doen. Nogmaals, als je de randvoorwaarden goed geregeld hebt, dan ben je in een heel normale situatie beland.


De heer Dibi (GroenLinks): Heel kort. Internationaal zijn er weer andere verschillen. De duur van een bachelor's is in andere landen vaak een jaar langer. Dus dan zou u dat ook moeten veranderen, maar dat doet u dan weer niet. Een van uw overwegingen snap ik gewoon niet. U denkt dat studenten lukraak hun bachelor afronden en overgaan naar een master's. Ik weet niet of u wel eens met studenten praat. Ik ben zelf onlangs nog student geweest en ik spreek heel veel studenten. Wij hebben het over niets anders dan de vraag wat je gaat doen na je bachelor. Je beoordeelt je master's wel degelijk -- dat gaf de heer Van der Vlies ook aan -- op inhoudelijke overwegingen. 90% van de studenten kiest de master's op basis van inhoudelijke overwegingen. Kunt u uitleggen waarom u denkt dat studenten lukraak maar doorstromen naar een master's, zonder daarbij na te denken? Waar baseert u dat op?
Minister Plasterk: Ik ga maar even voorbij aan uw vraag of ik wel eens studenten spreek. Laat ik het nog een keer zeggen, want het kan niet helderder gezegd worden dan ik zonet al deed, lijkt mij. Ik betwist geen moment dat studenten nadenken over wat zij zullen gaan doen. Als zij echter vast beginnen aan hun master's, als zij de eerste twee, drie vakken al gedaan hebben en daarin geïnvesteerd hebben en dan te horen krijgen: by the way, nu heb je ook je bachelor, dan is het lastiger om dan nog te zeggen: goh, laat ik eens even nadenken, ik heb weliswaar bedrijfskunde gedaan in Utrecht, maar misschien kan ik het vervolg beter in Groningen doen. Dan zou je ze ter plekke alweer half gebonden hebben. Dat vind ik het nadeel daarvan.
De heer Jasper van Dijk (SP): Ik constateer dat de minister toch wel een beetje met minachting spreekt als hij zegt: ik heb de massa's studenten gezien vanochtend en ik kon er met moeite doorheen komen. Daarmee veronachtzaamt hij de paar duizend handtekeningen die opgehaald zijn, de eerdere acties die gevoerd zijn, de acties die wellicht nog gaan komen. Dat stel ik vast. Maar goed minister, u komt over twee maanden nog met een brief, dus dan zullen wij daar opnieuw over debatteren. Mijn vraag is: erkent u dat de harde knip kan leiden tot studievertraging, omdat een student in de wachtkamer wordt gezet voor een of twee vakken? Erkent u ten tweede dat de wo-bacheloropleiding, zoals dat ook in het onderzoek van CEPS staat, als een eindopleiding moet worden gezien?
Minister Plasterk: Het laatste is wel een goede vraag. Ik zal mij geen grapjes meer veroorloven in uw nabijheid, als dat tot misverstanden leidt. Dat is bij dezen toegezegd. Ik heb vorige week overleg gehad met de Studentenkamer en daarbuiten spreek ik ook veel studenten. Daarbij hebben wij eveneens gepraat over de randvoorwaarden. Ook binnen de studentenbeweging, als ik dat ouderwetse woord mag gebruiken, zijn er in diverse universiteitssteden groepen bij die zeggen: die harde knip is gewoon een feit, laten wij gaan praten over een manier om het zo in te richten dat het niet tot vertraging leidt.

Ik vind het heel verstandig om het zo te doen. Dat heb ik de andere leden van de commissie ook horen zeggen en dit is ook mijn doelstelling. Het strijden tegen deze harde knip lijkt mij niet erg productief. Mijns inziens is het veel beter om met elkaar te zoeken naar een manier die de voordelen heeft die ik zojuist noemde, zonder de nadelen voor de individuele student.

Er is gevraagd of dit tot vertraging leidt. Als iedereen dit van tevoren ziet aankomen en wij dit over een aantal jaren invoeren, zal dit mijns inziens niet tot grote vertragingen leiden. Dan weten de mensen die nu gaan studeren immers dat zij over drie jaar dit aantal punten moeten halen. Als dit in een individuele situatie toch lastig wordt, hebben wij allerlei hardheidsclausules om dit mogelijk te maken. Ook op de universiteiten waar dit nu is ingevoerd, leidt dit mijns inziens niet tot vertraging. Ik heb hierin alle vertrouwen.

Het beantwoorden van de vraag of de bacheloropleiding een eindopleiding gaat worden aan de universiteit, geeft mij de gelegenheid om het volgende nog eens te benadrukken. Mijn doelstelling is dat iemand die zijn bachelor heeft behaald, nog eens bewust nadenkt over de vraag wat voor hem een logische volgende stap is. Daarmee zeg ik niet dat mensen daarover nu niet nadenken, maar dat het nuttig is om zo'n examenmoment te creëren, waarna iedereen een nieuwe start kan maken. Daarbij kan elke student zich afvragen: wil ik in de doorstroomrichting doorgaan aan de universiteit waar ik nu studeer, of wil ik wellicht een masteropleiding doen in een aanpalende richting? Van de huidige studenten gaat 80% door in de doorstroomrichting, wat ik veel vind. Een rechtenstudent zou bedrijfskunde of Europastudies als masteropleiding kunnen gaan doen. Men zou ook op een andere universiteit in hetzelfde vak door kunnen gaan. Een andere mogelijkheid is inderdaad dat iemand zegt: goh, ik vind eigenlijk dat ik genoeg weet. Daarmee moet men bewuster bezig zijn.

Dit betekent niet dat het mijn doelstelling is dat meer mensen na het behalen van hun bachelorexamen de arbeidsmarkt opgaan. Ik constateer echter wel dat in de huidige situatie mensen vaak hun studie niet afmaken en zonder diploma de arbeidsmarkt opgaan. Van de studenten zegt 10% tot 20% na twee of drie jaar studeren: ik weet eigenlijk wel genoeg. Het beroemdste voorbeeld is oud-vicepremier Hans Wiegel. Hij zei op een gegeven moment: ik weet wel genoeg en ik hoef mijn studie niet af te maken. Binnen een paar jaar was hij daarna partijleider en vicepremier. Als hij nu had gestudeerd, had hij bachelor kunnen zijn in het vak dat hij heeft gestudeerd. Mijns inziens is het dus nuttig dat men in zo'n situatie ook een diploma heeft dat men op de arbeidsmarkt kan laten zien. Enkele woordvoerders suggereerden dat het mijn streven zou zijn om mensen te stimuleren om met hun studie op te houden. Dat is mijn streven totaal niet; daarover wil ik helder zijn.
De heer Jasper van Dijk (SP): Het is evident duidelijk dat studenten eerder naar de arbeidsmarkt zullen gaan. De minister zegt dit heel voorzichtig, maar het is uiteraard duidelijk dat er hierbij sprake is van een harde knip. Meer studenten zullen uitstromen na het bachelorexamen. Het lijkt mij op z'n minst nodig om nog een keer de motieven van studenten op dit moment te onderzoeken. Hoe maken studenten op dit moment hun keuzen? Kan de minister verder zeggen hoeveel procent van de studenten op dit moment het bachelorexamen binnen drie jaar haalt?
Minister Plasterk: Dat cijfer heb ik op dit moment niet paraat. Ik zal ervoor zorgen dat deze cijfers zijn opgenomen in de rapportage die ik binnen twee maanden naar de Kamer stuur.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): De minister heeft het over een rapportage, maar mijns inziens krijgen wij binnen twee maanden voorgeschoteld of wij hiermee doorgaan of niet.
Minister Plasterk: Dat is juist.
De voorzitter: De minister komt toe aan zijn tweede blok.

**
Minister Plasterk: Het tweede en wat meer politieke onderwerp is de beleidsreactie op de resultaten van de commissie-Sorgdrager. Dit klinkt direct heel ambtelijk. Vrijwel alle leden hebben hierover naar ik meen gesproken. De universiteiten worden in het nieuwe systeem dus voor 60% gefinancierd op basis van het aantal studenten, voor 20% op basis van de diplomabekostiging en voor 20% op basis van een vaste voet. Diverse woordvoerders hebben gevraagd om de vaste voet afhankelijk te maken van de kwaliteit.


Ik heb toen de commissie-Sorgdrager ingesteld en haar deze vraag voorgelegd. Ik heb daar wel meteen criteria bij gelegd en gezegd: het heeft alleen zin om dit te doen als het meten van de kwaliteit aan een aantal eisen voldoet. Het moet zonder al te veel bureaucratie en op een transparante en voor iedereen billijke manier kunnen gebeuren. Bovendien moet het kunnen gebeuren op basis van criteria die relevant zijn. De gemiddelde lengte van de eerstejaarsstudent is bijvoorbeeld een heel transparant en snel meetbaar criterium, maar dat is niet hetgeen waar het om gaat.

Ik lees het antwoord van de commissie-Sorgdrager zo, dat zij tot de conclusie is gekomen dat het antwoord op die vraag -- zou het kunnen? -- nee is. Men heeft ook internationaal bekeken of andere landen erin geslaagd zijn. De conclusie is massief en helder: "nee, dat kan niet".

Vervolgens heeft de commissie-Sorgdrager gezegd: wij zouden toch iets willen doen om een extra kwaliteitsprikkel aan te brengen. Er zit natuurlijk al een heel grote kwaliteitsprikkel in de bekostiging, bijvoorbeeld de 60% voor studentenaantallen. Die studenten stemmen immers met hun voeten, en daar zit een belangrijk kwaliteitsaspect in. De commissie-Sorgdrager zou echter nog iets extra willen. Zij heeft dit gericht op het stimuleren van excellentie en heeft daarbij de vraag gesteld: kunnen wij dat niet doen op basis van beprijzing, met een jury en een beoordeling achteraf?

Ik heb daarnaar gekeken en daarover gesprekken gevoerd met zowel de instellingen als met de studenten. Toen heb ik gezegd: dit is niet waarop wij zitten te wachten. Een programma voor excellentie hebben wij immers al, het Sirius Programma. De bedoeling van de Kamer was niet om alleen aan deze kant van het spectrum iets te doen, maar om over de hele linie, vanaf de mensen die er moeite mee hebben tot en met de heel goeden, te proberen om nog een extra impuls te geven. Dit hoorde ik mevrouw Besselink zojuist ook zeggen. Wat ik vervolgens heb gedaan, is dit. Ik heb zes suggesties voor criteria gedaan. Die heeft de Kamer in de brief kunnen lezen; ik zal ze hier niet opsommen. Op basis daarvan wil ik de gesprekken met de instellingen en met de studenten aangaan over de vraag of wij daaraan een invulling kunnen geven waardoor wij voor een, ten opzichte van de totale bekostiging, overigens redelijk klein bedrag, 10 mln. tot 20 mln., toch een extra accent aan de kwaliteit kunnen geven.

Voor wie de kranten leest, zou misschien de indruk kunnen zijn ontstaan -- dat bleek ook uit de reacties van vanochtend -- dat ik daarbij heb gekozen voor een systeem van beoordelen achteraf. Dat heb ik echter nog helemaal niet gedaan. Dat element zat in het voorstel van de commissie-Sorgdrager. Om die reden heb ik dat vooralsnog onveranderd gelaten. Wat mij betreft is dit echter totaal geen halszaak. Het gaat om het aanmerken van programma's die de kwaliteit in de hand werken. Laat ik in reactie op de opmerkingen van de heer Jan Jacob van Dijk hierover zeggen dat ik mij voor beide mogelijkheden argumenten kan voorstellen. Ik kan mij voorstellen dat je het vooraf wilt doen, omdat je mensen dan stimuleert om iets nieuws te starten. Dat vind ik een legitiem argument, hoewel het dan wel heel erg een opstelwedstrijd wordt. Ik kan mij ook een andere situatie voorstellen.

Laat ik één ding noemen dat ik bijvoorbeeld mooi vind: het streven bij diverse universiteiten om in het eerste jaar een brede bachelor te organiseren en zo de keuze voor studenten te vergemakkelijken. Bijvoorbeeld de UvA heeft een bèta-gammastudie. Gaandeweg het eerste jaar kunnen studenten alsnog besluiten dat zij eigenlijk gewoon chemicus willen worden. Bijna zonder studievertraging kunnen zij dan monodisciplinair door. Dan vind ik het aardig om te kunnen zeggen: jullie doen dit nu twee jaar en het werkt kennelijk goed; dat stimuleer ik dus. Die keuze zou ik nu echter niet willen maken, zeg ik nogmaals, maar ik wil wel de indruk wegnemen dat ik daarin een vooropgezette positie heb. Ik wil daarover graag het gesprek met de instellingen aangaan. De essentie is dus niet de vraag of wij dit vooraf of achteraf gaan doen. De essentie is dat wij besluiten om het niet alleen op excellentieprogramma's te richten en dat wij de focus leggen op het verhogen van de kwaliteit, met name in het eerste jaar van de bachelor. Daarover proberen wij met de instellingen met een voorstel te komen. Die tijd hebben wij. Als wij zo ver zijn, kom ik daarmee bij de Kamer terug.


De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik onderschrijf de doelstelling. De minister zegt dat het geen halszaak is of je het vooraf of achteraf doet. Niet voor niets heb ik toch een stevig pleidooi gehouden om het vooraf te gaan doen. Ik zou dat dus graag zien terugkomen in de plannen die uiteindelijk deze kant op komen. Wanneer komen die plannen? De minister zegt dat hij daarover overleg wil voeren met diverse instellingen. Ik zou graag zien dat wij om en nabij maart een helder besluit aan ons kunnen laten voorleggen, zodat wij dit nog kunnen laten meelopen in de begroting voor het jaar 2010.
Minister Plasterk: Dat kan. Dat ga ik halen. Ik neem de opmerking van de heer Jan Jacob van Dijk over "vooraf" of "achteraf" mee. Hij kan dan opnieuw bekijken of hij het ermee eens is.
De heer Zijlstra (VVD): De minister trekt de conclusie dat het volgens de commissie niet mogelijk is om te koppelen. Op pagina 22 van het rapport staat: "Wel is de commissie unaniem tot het oordeel gekomen dat de vraag of een koppeling van financiën aan extra kwaliteit mogelijk is, positief kan worden beantwoord". Ook de NVAO, op pagina 16 geciteerd, is van mening "dat de koppeling van bekostiging aan indicatoren voor extra kwaliteit uitvoerbaar is". Ik lees hierin iets anders dan de minister. Wat lees ik verkeerd volgens de minister?
Minister Plasterk: Soms hangt het om een lidwoordje. Ik denk dat de koppeling van financiën aan kwaliteit wel mogelijk is. De commissie-Sorgdrager stelt een structurele bijdrage van 10 mln. tot 20 mln. Een koppeling van "de" financiën aan kwaliteit is echter niet mogelijk, in de zin dat je de volledige vaste voet ervan afhankelijk maakt. Daardoor lok je allerlei vormen van strategisch gedrag uit. Het gaat hierbij in een keer om bedragen van miljarden. Dan gaat het echt heel veel uitmaken en gaat men er voor hollen om precies in de criteria te vallen. Ik wil het ook van jaar tot jaar meten. Dan zul je van jaar tot jaar de kwaliteit van alle opleidingen integraal moeten laten meten door externe instanties. Bovendien moet er beroep op mogelijk zijn. Dit wordt een totaal gekkenhuis. Juist de partij die een kleinere overheid wil, zou dit niet moeten willen.
De heer Zijlstra (VVD): De minister geeft precies aan waaraan het schort. Hij zegt: als dit de indicatoren zijn, gaat men erop hollen. Dat is precies de bedoeling. Wij moeten in het beleid streven naar kwaliteitsindicatoren. De indicator waarop men nu holt, is kwantiteit. Het gaat om hoeveelheden. Wij vinden dit onvoldoende qua kwaliteitssturing. Ik ben het met de minister eens dat wij niet meteen de hele vaste voet aanpakken. Een deel van de basisbekostiging zou wat ons betreft echter wel aan de orde moeten zijn. Dan heb je het nog steeds over enkele honderden miljoenen. Volgens mij kunnen wij daarin prima een modus vinden.
Minister Plasterk: Volgens mij is er in heel universitair Nederland niemand die denkt dat dit kan. Je gaat een ongelooflijke hoop red tape genereren als je de uitgave van honderden miljoenen per jaar afhankelijk maakt van het oordeel van bezoekende jury's of van visitaties, hoe je het ook organiseert. Dat moet je echt niet willen. Er is ook geen land waar men het op die manier doet. Je kunt de vaste voet afschaffen en de financiering organiseren op basis van studentenaantallen. Daartegen bestaan ook weer bezwaren.
Mevrouw Besselink (PvdA): De minister concludeert dat het niet kan. Ik sta er iets genuanceerder in. Ik heb de moed althans nog niet opgegeven. Ik hoop dat de minister in maart iets van een structurele bekostiging meeneemt. De commissie-Sorgdrager geeft ook aan wat de meerwaarde is van de kwaliteitsimpuls, namelijk dat het een structureel karakter krijgt. Daarom was ik niet zo gecharmeerd van de prijs, omdat deze incidenteel is. Wij willen met elkaar een kwaliteitsimpuls in het onderwijs brengen. Laat de minister dit meenemen. Ik haal eruit dat er echt wel mogelijkheden zijn. Ik vind het iets te snel om dit meteen af te wimpelen.
Minister Plasterk: Ik constateer alleen maar dat de commissie-Sorgdrager zelf niet heeft voorgesteld om dit te doen. Wat de overwegingen ook zijn en hoe consistent men ook geweest is, het advies was uiteindelijk om slechts voor een excellentieprogramma voor een beperkt aantal miljoenen, op basis van beprijzing achteraf een accent aan te brengen. Meer heeft deze breed samengestelde commissie, na lang praten met iedereen in het veld, niet voorgesteld. Ik kan op basis daarvan werkelijk niet concluderen dat wij een significant deel van de vaste voet afhankelijk zouden moeten maken van de kwaliteitsoordelen van jaar tot jaar. Dit wil niet zeggen dat wij de kwaliteit niet belangrijk vinden. Ten eerste hoop ik dat studenten de kwaliteit zeer zwaar laten meewegen bij een studiekeuze. Ten tweede hebben wij natuurlijk allerlei vormen van visitatie en accreditatie om toe te zien op de kwaliteit van de studies.
De heer Van der Ham (D66): Ik begrijp de bezwaren en de overwegingen van de minister wel, maar ziet hij nog wel mogelijkheden om met de open eindjes die commissie-Sorgdrager laat een pilot te beginnen, om in ieder geval op kleine schaal de indicatoren die volgens de commissie ontbreken uit te vinden? Deze vraag staat los van de prijsvraag.
Minister Plasterk: Zo zie ik ook dit hele experiment. Als blijkt dat het inderdaad goed lukt om de kwaliteit van de bacheloropleiding omhoog te trekken voor het op dit moment beperkte bedrag van structureel 20 mln. tot aan het einde van de kabinetsperiode, kom ik inderdaad met het voorstel om deze manier uit te breiden. Ik zie het dus als een pilot, anders zou ik het ook niet doen. Voor de grote massa van het geld maakt die laatste 20 mln. namelijk niet zo veel uit. Ook naar aanleiding van de opmerkingen van mevrouw Besselink, zeg ik dat het een poging is om te kijken of wij op die manier op kleinere schaal iets kunnen doen. Als dat een groot succes oplevert, kan het wellicht uitgebreid worden. Maar dan kom ik bij de Kamer terug met een groter voorstel.
De voorzitter: Dank u wel. Ik stel voor dat wij naar het derde blok gaan.

**
Minister Plasterk: Dat gaan wij doen! Bijna alle sprekers hebben geïnformeerd hoe het zit met de overheveling van gelden van de universiteiten naar NWO en het feit dat men het geld leek te gaan oppotten. Het antwoord is helder, de leden hebben het Kamerbreed al gezegd: het is totaal niet de bedoeling dat er wordt opgepot. De middelen die uit de universiteitsbudgetten zijn overgeheveld naar NWO, zullen in hun geheel worden besteed aan de vernieuwingsimpuls. Ik zal met NWO overleggen over de hoogte van de bedragen die in 2009 en de verdere jaren beschikbaar zullen komen voor de vernieuwingsimpuls. Het uitgangspunt is helder: de middelen die structureel van de universiteiten naar NWO zijn gegaan, gaan ook weer terug naar de universiteiten, in principe in het jaar waarin de middelen zijn overgegaan. Er wordt dus niet alleen maar gezegd dat het een keer teruggaat, want dat haal je de koekoek. Nee, het gaat terug in het jaar waarin het is overgegaan. Dit betekent dus een wijziging in het bekostigingssysteem van NWO voor de vernieuwingsimpuls.

Ik wil hierbij nog wel het volgende zeggen. Wat er is gebeurd en wat aanleiding heeft gegeven tot enige drukte is de manier waarop NWO bekostigt en de manier waarop universiteiten dat doen. NOW kent een aioplaats toe, dat kost vier maal €40.000 dus ongeveer €160.000, en boekt dan alleen de eerste €40.000 als een uitgave. De andere €120.000 wordt gereserveerd. Bij de universiteiten wordt meteen het gehele bedrag ervoor neergezet. Dat leidt er dus toe dat NWO zegt dat zij commitments is aangegaan voor €160.000 terwijl zij maar €40.000 uitgeeft en dat zij de rest ergens op een spaarrekening zet. Als je dit op kasbasis doet, zou het ertoe leiden dat je €160.000 voor een jaar uitneemt bij de universiteit en dat er dan in dat jaar bij NWO maar voor €40.000 wordt besteed. Dat is niet mijn bedoeling. Ik zeg u toe dat ik een gesprek zal aangaan met NWO en de VSNU om dit op te helderen. NWO zal het op een andere manier moeten gaan organiseren. Ik heb gehoord wat de Kamer zegt en ben het daarmee eens. Het kan niet zo zijn dat wij het geld bij de universiteiten uitnemen en dat het niet in het jaar dat het wordt uitgenomen en overgedragen elders wordt uitgegeven. Het vraagt wat passen en meten en daarover ga ik overleg voeren. De brief van de VSNU bereikte ook mij pas vier dagen geleden, maar ik zal de Kamer op korte termijn een brief sturen met mijn bevindingen uit het overleg. Wat ik zojuist schetste, zal echter het uitgangspunt zijn.
Mevrouw Joldersma (CDA): De minister zegt dus gewoon dat het hem gaat om het bedrag dat per jaar wordt uitgegeven, ondanks dat NWO verplichtingen aangaat voor de periode van vier jaar voor een aio en die gelden al inboekt? Wat de universiteiten aanbieden en wat er wordt uitgegeven moet dus kloppen?
Minister Plasterk: Ja. Daarbij komt bij dat de opbouw van de gelden in 2008 twaalf mln. is, in 2009 60 mln. en in 2010 75 mln. Pas in 2011 is het 100 mln. Men kan het dus zien aankomen en er in de calculatie rekening mee houden. Dan moet men maar intern schuiven. Het moet plaatsvinden in het jaar waarin het wordt ontvangen.
De voorzitter: Dank u zeer. Blok vier.

**
Minister Plasterk: Diverse leden hebben het punt van de Iraanse studenten aangesneden. De heer Dibi trekt in twijfel of het een goede manier is om het verspreiden van nucleaire kennis te voorkomen. Ik ben het ermee eens dat als je doelstelling het voorkomen is van de verspreiding van nucleaire kennis, je dit niet moet doen. De doelstelling is echter een sanctie, het buitenlandse woord voor straf. Het is een straf die is ingesteld door de Verenigde Naties. Ik wil eraan herinneren dat de Kamer, weliswaar via een andere commissie, nog vorige week bij de regering heeft aangedrongen op financiële sancties tegen Iran.


Een Kamermeerderheid van de fracties van de ChristenUnie, het CDA, de VVD, de PVV en D66 heeft een motie aangenomen om de partij Iran via sancties te dwingen, mee te werken aan controles van het atoomagentschap. Ik lees even voor wat de VN hebben besloten, overigens met steun van Nederland. Ook als Nederland de resolutie niet had gesteund, hadden wij haar moeten uitvoeren. Het zijn dwingende resoluties. De tekst luidt in het Nederlands: De VN roepen lidstaten op, waakzaamheid te betrachten en -- nu komt het -- te verhinderen dat gespecialiseerde vorming of opleiding aan Iraanse onderdanen wordt verstrekt die bijdraagt aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens. De VN hebben dat besloten en dat zullen wij dus moeten doen.

Toen stond ik voor de vraag hoe wij die resolutie uit moesten voeren. Ik heb gezegd: beste vrienden dat kan nooit betekenen dat wij Iraanse burgers -- dit zijn nu eenmaal de mensen met een Iraans paspoort -- verbieden om natuurkunde te gaan studeren. Dat is mij veel te breed. Ik ben in overleg gegaan met de instellingen. Ik wilde het zo nauw mogelijk omschrijven. Alleen als iemand stage wil lopen in een kernreactor of bepaalde specialisaties in zijn masteropleiding wil volgen, is het dictum van de VN van toepassing. Anders wordt het mij veel te breed.

Bovendien wilde ik het ook nog conditioneel maken. Als een Iraans burger een stage kernfysica wil doen, kan ook worden besloten om eerst onderzoek te doen naar de achtergrond van de betrokkene. Dat kan heel goed iemand zijn die juist gevlucht is voor het regime in Iran of wiens ouders 20 jaar geleden voor dat regime zijn gevlucht en waarbij er geen enkele aanleiding tot zorg is. Ook dat wil ik meewegen in het finale oordeel.

Daarmee heb ik het nu zo klein gemaakt dat het totale aantal mensen dat geen toegang tot de studie heeft gekregen op basis van deze resolutie nul is. Ik heb nog niet één student op basis daarvan de poort hoeven wijzen. Het is theoretische kwestie. Er studeren een paar honderd Iraanse studenten in Nederland, waarvan de meesten heel andere vakken dan natuurkunde doen. Van degenen die natuurkunde of scheikunde studeren, heeft nog niemand zich voor deze specialisatie aangemeld. Ik heb gedaan wat ik kon om zo min mogelijk mensen hiermee te treffen en toch uitvoering te geven aan een resolutie waar ik aan gehouden ben.


De heer Dibi (GroenLinks): Voor zover ik weet, heeft inmiddels al een student scheikunde de minister via een advocaat benaderd.
Minister Plasterk: Maar niet voor zichzelf.
De heer Dibi (GroenLinks): Dat klopt. Het betreft echter wel de wijze waarop u samen met minister Verhagen uitvoering geeft aan de Wijziging Sanctieregeling Iran 2007. U opent de mogelijkheid om universiteiten en een vijftal locaties strafrechtelijk te vervolgen als zij Iraniërs toegang verlenen. Het maakt mij niet uit hoe klein u het maakt en of er wel of geen Iraanse student is uitgesloten van een opleiding. Dat kan in de toekomst alsnog gebeuren. U geeft uitvoering aan de resolutie door een directe koppeling te leggen tussen de Iraanse nationaliteit en loyaliteit aan het Iraanse regime. De motie waarin opgeroepen wordt tot financiële sancties is gericht tegen het Iraanse regime en niet tegen Iraanse studenten in Nederland. Door deze wijze van uitvoering worden Iraanse studenten verdacht gemaakt. U sluit uiteindelijk toch mensen van die opleiding uit
Minister Plasterk: Ik heb geen keuze om die regeling uit te voeren. Het is een VN-resolutie waar wij ons aan moeten houden. Ik ontken met nadruk dat ik daarmee impliciet zeg dat alle mensen met een Iraans paspoort het huidige regime steunen. Dat is totaal niet het geval. De Kamer heeft besloten tot financiële sancties tegen Iran. Daardoor worden ook veel mensen in Iran getroffen die dat regime liever niet hadden gehad. Dat is een afweging die een Kamermeerderheid vorige week nog heeft gemaakt. Het nadeel van sancties is dat daardoor ook mensen worden getroffen die je niet wenst te treffen. Daarom zeg ik dit met zo veel nadruk. Mijn streven is niet om de proliferatie van nucleaire kennis tegen te houden, maar ik geef uitvoering aan een strafmaatregel van de VN die serieus te nemen is omdat Iran naar het lijkt, bezig is met het ontwikkelen van kernbommen en de internationale gemeenschap geen toegang wil verlenen. Dat is een gevaarlijke situatie.
De heer Dibi (GroenLinks): Ik weet dat de VN dit van ons vragen. Het gaat echter om de wijze waarop er uitvoering aan de resolutie wordt gegeven.

De uitsluiting van Iraniërs van dat vijftal locaties is geen verplichting, daar kiest u zelf voor. U kunt ook uw discretionaire bevoegdheid gebruiken bij alle gevallen die tot u komen. Dat doet u niet. U creëert voorwaarden waarmee u een groep kunt uitsluiten. Nogmaals, daarmee legt u een directe koppeling tussen mensen die mogelijk uit Iran gevlucht zijn, en loyaliteit aan het Iraanse regime. Natuurlijk treffen financiële sancties allerlei mensen, maar dat is iets heel anders. Niemand ontkent dat er gevaren dreigen. Ik vind het nog steeds een discriminerende maatregel. U kunt niet uitleggen waarom dat niet zo zou zijn.


Minister Plasterk: Ik ontken het ook niet. Er wordt onderscheid gemaakt tussen mensen die wel en geen Iraans paspoort hebben. Dat vind ik niet plezierig, maar het is wel het gevolg van het feit dat Iran weigert om toegang te geven tot plaatsen waar kernbommen worden gemaakt. Voor de VN is dat reden geweest om te zeggen dat dit echt moet stoppen. In het verleden waren er sancties tegen Zuid-Afrika. Ook die troffen mensen die wij niet wilden treffen. Dat is weliswaar discriminerend, maar er is geen andere manier om onderscheid te maken.
De heer Jasper van Dijk (SP): Ik wijs op een brief van Fischer Advocaten. Volgens dit bureau gaat Nederland met zijn regeling onrechtmatig een stuk verder dan de VN-resolutie. De VN heeft het bijvoorbeeld niet over het uitsluiten van een bevolkingsgroep. De Nederlandse regeling zou in strijd met de Grondwet en enkele mensenrechtenverdragen zijn. Op televisie heb ik een docent gezien die geen toegang meer had tot een bepaalde locatie. Ik sluit mij dus helemaal aan bij de heer Dibi. De minister moet het op het niveau van het individu beslissen. Nu is het onaanvaardbare discriminatie en uiterst pijnlijk voor Iraanse studenten.
Minister Plasterk: Ik heb daar al een antwoord op gegeven. Elk ander onderscheid dan dat tussen Iraanse staatsburgers en staatsburgers van een ander land zou een heel ander register opentrekken. Dan moet ik mensen individueel gaan beoordelen op de vraag wat ik van hun politieke opvattingen over het Iraanse regime vind. Dan is het einde zoek. Ik schik mij in het uitvoeren van wat de VN van mij hebben gevraagd. Er wordt een rechtszaak aangespannen. Wij zullen zien wat de rechter ervan vindt. Ik ga ervan uit dat de rechter het oordeel van de Staat der Nederlanden in dezen deelt. Wij zullen het zien. De heer Van Dijk zei dat iemand bezwaar heeft gemaakt, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij zelf die studie wil gaan doen. Dat doet er voor mij toe, want ik wil zo min mogelijk collateral damage als gevolg van deze sanctie. Het is een heel gepuzzel geweest, maar ik heb het zo geplooid dat tot dusver nul studenten het slachtoffer zijn geworden. Ik doe wat ik kan om te voorkomen dat iemand hier nodeloos slachtoffer van wordt.

Er is gevraagd naar de graduate schools. Ik ga ervan uit dat dit de Engelse term voor onderzoekscholen is. Het is niet mijn bedoeling om daarmee iets anders aan te duiden. In Nederland hebben wij onderzoekscholen van verschillende soorten en maten. Soms gaat het om samenwerkingsverbanden tussen universiteiten, soms zitten ze op één locatie. Ik wil bekijken of wij onderzoekscholen niet wat meer op de leest kunnen schoeien van een paar van de beste graduate schools in de wereld, zoals Berkeley en Harvard. Ik denk dan aan elementen als een vast instroommoment, een cursorische opzet aan de start en de vrije keuze van een student om te kiezen bij wie hij wil promoveren. Dat zal een sterk kwaliteitsverhogend effect hebben. Elke begeleider zal er optimaal op gespitst zijn om ervoor te zorgen dat hij zijn aio's zo goed mogelijk begeleidt. Zoiets praat zich heel snel door. Mensen weten dan snel dat je kunt delen in een potentiële Nobelprijs als je dáár zit, en dat je alleen maar gebruikt wordt voor het uitvoeren van dingetjes voor een professor als je bij een ander zit. Dat is een heel sterke stimulans voor kwaliteit. Ik zou dat model graag ingevoerd zien, maar sinds Dijsselbloem is het niet zo dat iedereen in het land gaat hollen als de minister iets wil. Daarom heb ik gekozen voor een klein experiment. Wij willen het met wat extra geld aantrekkelijk maken. Via NWO worden voorstellen ontvangen en bestemd.



Ik weet dat een aantal onderzoeksscholen daarvoor grote interesse heeft. Een enkele school vindt dat het daar al zo gebeurt, maar dat zien wij dan wel. Ik hoop dat dit in de praktijk gaat werken en dat iedereen dit ziet als de beste manier om het in te richten. Misschien kan dat dan worden uitgebreid tot bijvoorbeeld twee derde van de onderzoeksscholen. Maar nogmaals, het is niet mijn bedoeling dat van bovenaf vast te leggen. Ik leg dit nog even uit, omdat dit niets te maken heeft met de betaling van de mensen daarin. Ik heb al eerder aangegeven dat het in een klein en compact land als Nederland logisch is dat mensen voor een vergelijkbare functie -- promovendus zijn is wat mij betreft een nauw omschreven functie -- hetzelfde salaris krijgen. Ik denk dat wij ons in Nederland niet moeten willen veroorloven dat je daarvoor in Groningen minder betaalt krijgt dan in Maastricht. Iedereen moet worden betaald voor het salaris dat er staat voor een dergelijke functie. Ik heb de Universiteit van Groningen daarop al aangesproken, wat tot dusverre niet veel indruk heeft gemaakt. Mijn juristen bekijken nu of daarin nog verdere stappen kunnen worden ondernomen. Dat is namelijk een structureel onaangename situatie. Men beroept zich dan op de komst van internationale promovendi, maar ook andere universiteiten krijgen internationale promovendi. Het zou mij een lief ding waard zijn als wij dit in heel Nederland op dezelfde manier honoreren, dat lijkt mij fair.
Mevrouw Joldersma (CDA): U hebt een beetje uitgelegd wat u bedoelt met die extra gelden, en waarvoor ze zijn bedoeld. Maar u had Amerikaanse voorbeelden, en wij zouden zoeken hoe die kunnen worden vertaald naar de Nederlandse context. Van die vertaalslag heb ik nog geen idee. U denkt aan een soort subsidieregeling voor degenen die meewillen met uw systeem. Ik zie niet in wat het effect daarvan zal zijn, en hoe dit systeem wordt ingebed in de bestaande onderzoeksscholen. Ik kan mij niet voorstellen dat iedereen over een aantal jaren een vrij onderzoeksvoorstel kan maken, daarin zitten per vakgebied heel veel verschillen. Maar als u het toch zo wilt doen, wilt u dan in de evaluatie van de pilots de link leggen met de bestaande onderzoeksscholen en de verschillende disciplines? Hoe kun je alle promovendi die wij hebben, dus ook de hbo-promovendi, onderbrengen in credit schools?
Minister Plasterk: Of dit organisatiemodel uiteindelijk voor alle promovendi in Nederland kan gaan gelden, vraag ik mij sterk af. Het is in ieder geval niet mijn bedoeling. Hbo-promovendi, waarvan er heel erg weinig zijn, zijn iets heel anders. Sowieso is er één systeemeigenschap die lastig is, want veel promotieplaatsen worden gefinancierd op basis van projectfinanciering. Als ik naar het mbo toega om een project voor een aio aan te vragen, welk verzoek wordt toegekend, wil het mbo wel dat op het toegekende project ook wordt gedaan wat werd voorgesteld. Dat verhoudt zich slecht met een systeem waarin mensen met de voeten stemmen. Als een aio vervolgens besluit liever bij de één te gaan promoveren, dan kan dat niet, want de subsidie is door het mbo verstrekt aan de ander. Er zitten dus nog wat haken en ogen aan, zodat je dat rustig moet invoeren.

Voor de eerste geldstroom ligt het anders. Daarbij is het alleen nodig dat de universiteiten bereid zijn om het geld in één pot te stoppen, hun best te doen de beste plekken aan te bieden, en "may the best spot win". Dan accepteer je dat in het ene jaar er iets meer naar Leiden gaan, en in het andere jaar iets meer naar Amsterdam. Dat zou een consequentie kunnen zijn. Als de universiteiten zien dat dit model succesvol is in de paar graduate schools waar wij ermee werken en de kwaliteit wordt omhoog gestuwd, zou men alles in één pot kunnen doen om te zien hoe het werkt.

Ik teken daar nog wel iets bij aan. En passant zei mevrouw Joldersma dat zij ervan uitgaat dat promovendi altijd met een eigen voorstel komen.
Dat hoeft van mij niet per se. Het is immers heel lastig om van een eerstejaarspromovendus, die nog niets weet in zo'n veld, een heel promotie-onderzoekplan te verwachten. Het kan heel wel zo zijn dat mevrouw Van der Berg zegt: als je bij mij komt promoveren, dan is dat met dit project op basis van het onderzoek dat ik al een paar jaar doe. Dus dat wil nog niet zeggen dat iedereen per se zijn eigen onderzoek moet schrijven. Dat kan, maar het hoeft niet.
Mevrouw Joldersma (CDA): Ik ga het iets meer begrijpen, maar dan nog vind ik dat de evaluatie dan wel breed moet zijn en niet alleen wordt gedaan op basis van de pilots. Het moet ook worden vergeleken met de bestaande groepen.
Minister Plasterk: Dat zeg ik toe.
De voorzitter: Dan gaan wij nu naar het tweede gedeelte van het antwoord van de minister: de persoonsgebonden vragen.

**



1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina