De begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Hoger onderwijs en Onderzoek, voor het jaar 2009



Dovnload 380.7 Kb.
Pagina6/8
Datum27.09.2016
Grootte380.7 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

De persoonsgebonden vragen
Minister Plasterk: De heer Van der Vlies stelde een vraag, die overigens ook door de heer Jasper Van Dijk is gesteld, over de wig. In 2002 is het bachelor-mastersysteem ingevoerd. Omdat niet alle instellingen gelijktijdig die structuur hebben ingevoerd, waren er gevolgen voor de hoogte van de vergoeding van de diploma's. Die overgang moest budgettair neutraal worden ingevoerd, maar er zijn wat signalen dat deze niet helemaal budgettair neutraal uitpakt voor alle instellingen. Dus ik onderzoek nu samen met de VSNU wat de gevolgen daarvan zijn en zal de Kamer daarover schriftelijk rapporteren.

De heer Van der Vlies maakte wat relativerende opmerkingen, allereerst over het woord "excellentie". Die deel ik zeer. Ik heb laatst de Sirius-prijzen mogen uitreiken. Ik meen dat sommige aanwezigen ook bij die sessie in het planetarium in Amsterdam waren. Zij kunnen getuigen dat ik daar dezelfde relativerende opmerkingen heb gemaakt. Het is nu immers zo dat iedereen opeens overal "excellentie" roept. Wij zijn ook excellent. Wijlen mijn moeder zou dit misschien een beetje ordinair gebruik van het woord hebben gevonden. Iedereen is nu ineens zo excellent en het is zo gemakkelijk gezegd. Dan word je toch nostalgisch en verlang je naar de tijd dat iedereen zijn best deed en gewoon beleefd wachtte op het oordeel of het goed genoeg was. Dus ik deel die opvatting wel.

Dan stelde de heer Van der Vlies de vraag: als u stelt dat studenten hun keuze voor de masteropleiding onvoldoende doordacht maken, erkent u dan het geringe verschil in kwaliteit? In mijn schriftelijke antwoord staat dat ik die stelling niet deelde. Nu ik dat zo herlees, vind ik dat ook wel wat abrupt. Ik heb geprobeerd enigszins vriendelijk te zijn jegens de diverse instellingen en niet te suggereren dat mensen die zich daar zorgen over maken dat doen omdat de kwaliteit daar niet goed genoeg zou zijn. Misschien moeten wij het zo maar lezen. Ik sluit immers niet uit dat er kwaliteitsverschillen kunnen zijn en dat studenten om die reden kunnen besluiten om van een opleiding op de ene plek naar een opleiding op een andere plek te gaan. Ik wilde dat niet generaliseren. Dus zo is het bedoeld. Ik ben het echter met de heer Van der Vlies eens dat die verschillen wel degelijk ten grondslag kunnen liggen aan zo'n keuze.

Ik wil nog benadrukken wat ik net al zei. Ik denk dat zeventienjarigen die op een aantal markten foldertjes krijgen en die besluiten waar zij gaan studeren, een heel ander soort studiekeuze maken dan iemand die drie jaar ergens een bacheloropleiding heeft gevolgd, drie jaar in het vak heeft gezeten, met collega's en studenten heeft gepraat en verschillende steden en opleidingen heeft bezocht. Zo iemand kan op een gegeven moment de zaken nog eens bekijken en zeggen: dat leek toen wel aardig, maar in een andere instelling wordt dat vak veel beter onderwezen. Ik hoop ook dat het dit effect zal hebben.



Dat er meer informatie moet zijn voor de studiekeuze was een ander punt van de heer Van der Vlies en daar ben ik het ook zeer mee eens. Ik heb onlangs om privéredenen wat open dagen van diverse universiteiten mogen bezoeken. Daar wordt heel goede voorlichting gegeven -- ik ding daar niets op af -- maar de aard van de voorlichting is natuurlijk wervend. Het is met de bedoeling om studenten te trekken. Vandaar dat ik het voorstel heb gedaan van die intakegesprekken, zodat men toch een slag dieper gaat. Je hebt er immers niets aan om een student aan te trekken als uit het gesprek blijkt dat hij eigenlijk helemaal niet weet wat hij wil gaan doen of die de opleiding misschien niet aan zal kunnen, zodat hij na een half jaar uit de studie rolt. Dus ik denk dat wij inderdaad af moeten van alleen maar werven van eerstejaarsstudenten en veel meer toe moeten naar studenten voorlichten op basis van gelijkheid en openheid.
De heer Van der Vlies (SGP): Ik probeerde te accentueren dat studie-uitval kan ontstaan door teleurstelling aan de kant van de student, maar dat het ook kan zijn dat de informatie over de studie te rooskleurig is geweest en niet harmonieert met de werkelijke studielast en de attitude die daarvoor nodig is. Daartussen kan best een discrepantie zitten. De neiging om studenten binnen te halen is groot, ook in onderlinge concurrentie. Dan moet je wel degelijk letten op de kwaliteit van de acquisitie.
Minister Plasterk: I could not agree more. Ik ben het er helemaal mee eens.
De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ben het daar wel mee eens. De heer Rutte heeft het als staatssecretaris van Onderwijs ook wel eens gezegd: het moet niet te gek worden met al die spotjes, die glossy folders en al die advertenties. De minister zegt ook dat het meer moet gaan om de inhoud dan om de werving, de rooskleurige folders. Hoe wil hij dat bereiken? Instellingen zijn immers aan het concurreren? Kan hij helder maken hoeveel geld de instellingen überhaupt uitgeven aan publiciteit?
Minister Plasterk: Ik heb het programma aan de Kamer voorgelegd om dat te bereiken. Daar is ook budget aan gehangen. De strategie om het in eerste instantie aantrekkelijker te maken is die van de één-op-één intakegesprekken. Daar werkt men tot volle tevredenheid mee bij de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Ik sprak de rector van de Erasmus Universiteit Rotterdam een paar weken geleden. Hij rapporteerde mij dat er een koppeling is tussen het daar aandacht aan besteden en de uitval. Volgens hem is de uitval significant afgenomen sinds de intakegesprekken. Het komt inderdaad voor dat mensen kiezen voor een studie economie, omdat ze dat leuk lijkt met al die beurzen, maar dat ze zich niet realiseren hoeveel wiskunde zij in het eerste jaar krijgen. Dan kunnen sommigen afhaken, omdat zij zich dat niet hadden gerealiseerd. Dat lijkt mij een goede manier. Dus mijn aanpak is niet een verbod op het drukken van foldertjes. Dat moeten mensen zelf weten, maar zij moeten ervan overtuigd worden dat het op macroniveau in het belang van de instellingen is om niet mensen aan te trekken die niet willen. Die vallen allemaal uit, die kosten ontzettend veel tijd van de docenten, zijn demotiverend voor de instelling en het is vervelend voor de andere studenten. Dus ik denk dat ik de instellingen daarin wel mee krijg.

De heren Van der Vlies en Jan Jacob van Dijk hebben gevraagd naar de leerstoel onderwijsrecht. De komende drie jaar zal ik anderhalve ton investeren in deze leerstoel. Daarvoor zijn afspraken gemaakt met Simon Steen, de voorzitter van de Vereniging Bijzondere Scholen. De Kamer krijgt hierover een brief.


De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Wordt die anderhalve ton per jaar verstrekt? Anderhalve ton is niet zo heel erg veel. Er waren drie leerstoelen op het terrein van onderwijsrecht. Als ik even snel een berekening op de achterkant van een sigarendoosje maak, moet ik concluderen dat je daar niet eens één volledige leerstoel mee gefinancierd krijgt per jaar. Misschien kan de minister dit nader adstrueren.
Minister Plasterk: Ik heb toegezegd dat er een brief komt, waarin wordt uitgespeld wat precies het budget is en wat de argumentatielijn daarbij is. Het lijkt mij goed om die brief eerst af te wachten.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik zou het op prijs stellen als wij die informatie deze week nog krijgen. Dan kunnen wij daarop eventueel terugkomen bij de begrotingsbesprekingen.
Minister Plasterk: Dat zeg ik toe.

Voorzitter. De heer Van der Ham, de voorlaatste spreker, vroeg naar de situatie rondom de mensenrechten. Ik heb met mijn collega Verhagen een brief aan de Kamer geschreven die "while we speak" -- ik kijk meteen naar de heer Van der Vlies als ik Engels spreek -- door de Kamer is ontvangen, waarin ik uiteenzet wat de plannen zijn met betrekking tot de mensenrechten. Ik heb de brief hier ook in "hard copy".


De heer Van der Ham (D66): Ik heb de brief nog niet kunnen lezen. Wordt daarin ook ingegaan op de opmerking van het Innovatieplatform over het juridische belang van de stad Den Haag als innovatiepijler?
Minister Plasterk: Op de stad Den Haag wordt niet ingegaan.
De heer Van der Ham (D66): Zou u dan in dit overleg willen ingaan op de suggestie van het Innovatieplatform om ervoor te zorgen dat het internationale recht een unieke plek heeft in Nederland vanwege de stad Den Haag als zetel van het Internationaal Strafhof? Bent u het ermee eens dat daar binnen de innovatiestructuren en in de innovatiediscussie meer de nadruk op mag worden gelegd?
Minister Plasterk: Ik weet niet of het aan mij is om in te gaan op de ambities van de gemeente Den Haag wat betreft internationaal recht.
De heer Van der Ham (D66): Ik heb het over de suggestie van het Innovatieplatform.
Minister Plasterk: Ik ken die suggestie, maar die is geen onderdeel van het beleid. Een groot deel van het recht zit bij de universiteit Leiden. Dat is de facto de universiteit van Den Haag, als ik het onbeleefd mag zeggen, omdat het een van de grote universiteiten is, vlakbij een grote stad. Ik heb niet specifiek voor de gemeente Den Haag plannen uitstaan.

De heer Van der Ham vroeg naar de internationaliseringsagenda. De heer Anker had ook wat vragen over dit onderwerp en dan specifiek wat betreft Ontwikkelingssamenwerking. Wij hebben 70.000 buitenlandse studenten in Nederland. Dat is een behoorlijk groot aantal, waarvoor door een aantal van mijn collega's beleid wordt gevoerd, bijvoorbeeld wat betreft huisvesting. Dat zit inderdaad in andere portefeuilles.

Ik weerspreek dat er weinig geld voor is. De internationalisering is een onderdeel van de strategische agenda, waarin ik fors investeer. Wij hebben de verdubbeling van het HSP-budget van 5 naar 10 mln. Samen met de Kamer heb ik het wetsvoorstel over de meeneembare studiefinanciering mogen vaststellen, waardoor mensen met hun studiebeurs in het buitenland kunnen studeren. Voor een deel gaat het om niet-financiële middelen, zoals bij de joint degrees, het aanbieden van onderwijs in het buitenland met diploma-afgifte, en instellingsbeurzen voor studenten van buiten de Europese Unie.

Ik benadruk dat het leeuwendeel van de internationalisering aan de instellingen is. Om redenen die er nu niet toe doen, was ik onlangs bij de universiteit Utrecht, waar je als eerstejaars kunt kiezen of je gewone of internationale economie wilt studeren. Een onderdeel van de bachelorsopleiding internationale economie is een jaar in het buitenland. Daarvoor heeft men bilaterale contacten met de universiteit van Rome. Dat is op instellingsniveau geregeld en dat zit niet in het budget. Bij diverse hbo-opleidingen doet men dat ook actief zelf, dus in feite zien wij bij het bedrag voor internationalisering maar een topje van de ijsberg en dat moet ook. Het moet niet zijn omdat ik dat wil, maar omdat de instellingen zelf snappen dat dit bijdraagt aan de kwaliteit van de opleidingen. Ik kom nog terug op een aantal andere aspecten van de internationalisering.

Over het kunstvakonderwijs heb ik al een brief toegezegd aan de Kamer en die komt eraan. Ik wil deze koppelen aan een plan dat ik samen met de sector maak. De heer Van der Ham stelde de interessante vraag waarom er bij een balletopleiding zoveel buitenlanders zitten. Ik denk dat het antwoord is dat dit een bijzondere, goede en unieke opleiding is. Daarom zitten er bij Ajax ook zoveel buitenlanders.
De heer Van der Ham (D66): Dat komt doordat wij de Nederlanders niet hier kunnen houden, omdat zij te goed zijn.
Minister Plasterk: Waarom gaat de laatste Nederlander naar Real Madrid? Ik weet het ook niet. Hij houdt het niet vol.
De heer Van der Ham (D66): Ik hoor van opleidingen ook dat de kwaliteit van de Nederlandse vooropleidingen tekortschiet. Zij zien te weinig kwaliteit in vergelijking met buitenlandse studenten. Daarom gaan zij over op buitenlanders, die gewoon beter zijn. Dat is een onderliggend probleem.
Minister Plasterk: Dat ben ik met u eens. Ik denk dat in de Nederlandse samenleving een klein aantal mensen is dat tegen hun twaalfjarige dochter zegt dat zij niets anders moet doen dan dansen en tien uur per dag aan ballet moet besteden. In andere landen zegt men tegen een kind dat een bijzonder talent heeft: ga er maar voor. Dat geldt ook voor topsporters. Er zijn veel ouders zeggen dat het wel leuk is als hun kind een aardige bal kan tennissen, maar dat het niet de bedoeling is om school te verwaarlozen. Ik denk dat het inderdaad een aanzuigende werking heeft op mensen uit landen waar dit zeer fanaat op jonge leeftijd gebeurt. Dat is toch het gedrag van ouders en daar hebben wij weinig invloed op.
De heer Anker heeft gevraagd of wij de nieuwe deadline voor de bekostiging zullen halen. Ja, die gaan wij halen. Wij halen de datum die ik eerder in gedachte had niet omdat mijn mensen op het departement niet hard werken. Wij halen die datum ook niet omdat andere mensen niet hard werken. De reden is dat bij het overleg gewoon is gebleken dat de mensen in het veld nog iets meer tijd nodig hadden om het eens te worden over de details van die bekostiging. Dan is het voor mij altijd een taxatie: ga ik nu forceren en iedereen in de gordijnen jagen of heb ik nog even tijd? Ik heb gezegd dat ik in ieder geval in deze kabinetsperiode de hele zaak rond wil hebben. Daarvoor terugrekenend heb ik gezegd: dan kunnen wij het nog met een jaar vooruitschuiven, maar meer ook niet. Zo heb ik het ook gewisseld met de HBO-raad en met de VSNU.

Ik ben overigens elke dag beschikbaar. Het hangt dus niet op mijn beschikbaarheid voor deze discussies om het sneller af te wikkelen. Laat dat helder zijn!


De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik leg hier bij niemand een verwijt neer. Maar het is toch wel een beetje merkwaardig dat het meer dan anderhalf jaar duurt voordat wij uiteindelijk zo'n stelsel rond hebben. Dat baart mij wat zorgen, ook met het oog op de toekomst, want dat betekent dat wij straks weer een ongelooflijk ingewikkeld stelsel krijgen dat in ieder geval niet meer te begrijpen is voor een gemiddeld Kamerlid. Dat vind ik toch wel een belangrijke voorwaarde als het gaat over een stelsel dat wij straks voor een aantal jaren gaan neerzetten. Waarom kost het zo veel tijd om dit probleem op te lossen?
De heer Anker (ChristenUnie): Ik heb heel concreet naar de inzet van de minister gevraagd. Het gaat een beetje om de woorden die hij kiest. Hij zegt: ze hebben wat langer nodig om eruit te komen en ik ben eventueel elke dag beschikbaar. Moeten wij niet concluderen dat dit zo'n ingewikkeld proces is dat de minister daarin wat meer het voortouw zou moeten nemen om het hele spul bij elkaar te krijgen? De partijen moeten het met elkaar eens worden. Als het heel lang gaat duren, betekent dat immers vaak ook niet heel veel goeds voor het onderhandelingsproces.
Minister Plasterk: Ik schat de heer Jan Jacob van Dijk zeer hoog en ik ben ervan overtuigd dat hij hetgeen ik op tafel zal leggen, zal begrijpen. Ik denk ook niet dat het zo vreselijk ingewikkeld zal worden. Voor de goede orde: ik ben degene die uiteindelijk bepaalt wat ik de Kamer voorstel. Ik zit dus niet te wachten op wat de mensen in het veld daarvan vinden. Ik bepaal uiteindelijk wat ik de Kamer voorstel. Ik denk echter dat soms, door het even tijd te geven en te zeggen "mijne heren, dit kunt u toch niet menen; neem het nog even terug en kijk er nog eens naar", uiteindelijk iets kan worden bereikt dat transparant en simpel genoeg is en waarvoor toch ook enig draagvlak bestaat. Laten wij eerlijk zijn: als de mensen in het veld vinden dat het geen goed idee is, dan weten zij de leden van deze commissie heel snel te bereiken. Dan levert dat ook weer discussies op.

Ik kijk of het mogelijk is om het eens te worden. Ik ben daar ook helemaal niet pessimistisch over. Volgens mij komen wij met een goed bekostigingsvoorstel. Dat zal de Kamer bereiken. Volgens mij gaat het helemaal goed komen.

Ik zal later meer zeggen over het aspect van de kleine instellingen. Ik heb al gereageerd op de opmerkingen van de heer Anker over de bachelor-masterstructuur. Hij heeft ook gezegd dat het bedrag per student zou dalen. Dat blijft echter nagenoeg gelijk: €5800 per student. De getallen waar hij naar verwijst, zijn de diplomaprijzen in het wetenschappelijk onderwijs. Die dalen, onder meer door de invoering van de BaMa-structuur in 2002. Op dit moment wordt echter onderzoek gedaan naar de gevolgen van de bekostiging. Dat doe ik samen met de VSNU en daarover zal ik de Kamer rapporteren. Ik benadruk dat wij in ieder geval in het hoger onderwijs structureel voor onderwijs en onderzoek 330 mln. extra investeren in deze periode. Ik heb dat vanochtend in een ochtendblad ook nog benadrukt, omdat er een portret verscheen waarin iedereen functioneel en totaal logisch en begrijpelijk zegt: we hadden nog wel wat meer gewild. Ik benadruk dat er nooit een regering meer heeft geïnvesteerd in het hoger onderwijs en de wetenschap dan nu gebeurt met een enveloppe van 330 mln. Maar ik ben het ermee eens dat nog meer geld nog beter zou zijn. Dat betwist ik geen moment. Maar eenieder die dacht "nu komt er iemand uit de wetenschap, dus nu komt de manna uit de hemel zetten in de wetenschap" die komt enigszins bedrogen uit.

Ik voel mij minister van het hele onderwijs, niet alleen van het hoger onderwijs. Men moet het mij niet euvel duiden dat ik voor de vmbo'ers en andere instellingen evenzeer opkom als voor het mij zo dierbare universitaire onderwijs.



De heer Anker vroeg naar een aantal aspecten van de internationaliseringagenda. Hij zei dat het budget groter zou moeten zijn. Ik heb in mijn schriftelijke beantwoording al aangegeven dat een groot deel van het budget bij het departement voor ontwikkelingssamenwerking zit. Daar werken wij zeer goed via open kanalen mee samen. Eigenlijk moet je proberen de argumenten uiteen te rafelen. Het is mijn verantwoordelijkheid om de Nederlandse student en burger goed op te leiden en daarvoor is mij budget ter beschikking gesteld. Het bijdragen aan de ontwikkeling van mensen in ontwikkelingslanden is een andere doelstelling. Dat is de primaire verantwoordelijkheid van de minister voor ontwikkelingssamenwerking en het moet ook met zijn budget gebeuren. Het budget dat mij gegeven is om Nederlandse studenten op te leiden, moet daarvoor niet in de eerste plaats worden aangewend. Als je hierin duikt, blijkt ook dat vanuit het oogpunt van de ontwikkelingssamenwerking de doelstelling helemaal niet is om zoveel mogelijk mensen hier op te leiden. Deze zomer was ik in Suriname en daar zei men ook dat wij het hun niet aan moesten doen om iedereen naar Nederland te laten komen om te studeren. Zij hebben er veel meer aan als wij hen helpen om de universiteit in Paramaribo verder op te bouwen. De minister voor ontwikkelingssamenwerking heeft dus niet als doelstelling om zoveel mogelijk studenten vanuit ontwikkelingslanden hiernaartoe te halen. Dat is niet het enige waar het om gaat.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Dat klinkt op zich mooi, maar in diverse landen heeft men gewoon niet de beschikking over goede onderwijsfaciliteiten of universiteiten. Je moet ervoor zorgen dat daar een goed opgeleide beroepsbevolking is voordat je die volgende stap kunt zetten. Dat was de kern van de opmerking die ik daarover gemaakt heb. Daar zou samenwerking met ontwikkelingssamenwerking wel nuttig kunnen zijn.
De heer Anker (ChristenUnie): Over een paar dingen bestaat een misverstand. Ik begrijp dat de minister in eerste instantie over het Nederlandse onderwijs gaat. De teneur van de brief over internationalisering is echter dat internationale contacten goed zijn voor het Nederlandse onderwijs. Wetenschappers zullen altijd zeggen dat wetenschap per definitie een globale aangelegenheid is. Die twee kun je niet zomaar uit elkaar trekken. Ik heb niet zozeer gezegd dat er meer geld heen moet, maar ik zou het goed vinden als er een apart fonds zou komen in samenwerking met ontwikkelingssamenwerking. Wij hebben nu een maatregel genomen waardoor studenten uit ontwikkelingslanden hier juist moeilijker terechtkunnen. Het zou voor ons en de studenten goed zijn als wij proberen te stimuleren dat zij toch hierheen komen. Het gaat niet alleen om de focus op die studenten. Er moet nog veel meer gebeuren. De gedachte was dat er een apart fonds moet komen.
Minister Plasterk: Ik ben het daarmee eens. Er zijn twee fondsen. Het HSP-talentenprogramma voor excellente Nederlandse en buitenlandse studenten. In dat beurzenprogramma wordt geen onderscheid gemaakt naar het land van herkomst, bestemming of studierichting. Daarvoor is het bedrag van 5 mln. structureel verhoogd naar 10 mln. Daarnaast is er het NFP voor ontwikkelingssamenwerking en dat beschikt dit jaar over 30 mln. Dat is dus een behoorlijk groot fonds. Ik ben het met de heer Anker eens dat internationalisering ook academisch nastrevenswaardig is, maar ik wil wel staande houden dat je het met enige moeite kunt onderscheiden van het ontwikkelingssamenwerkingaspect. De landen waar je naartoe zou gaan voor het opzetten van een academische samenwerking, zijn niet altijd op voorhand dezelfde landen als de landen waar het ontwikkelingssamenwerkingaspect vooropstaat.

Dat geeft mij de gelegenheid om op het punt van de heer Jan Jacob van Dijk te reageren over de kwaliteit van studenten. Kort geleden ben ik bij het Neso en de Nuffic in Peking geweest. Wat men daar doet, is indrukwekkend en precies waar de heer Van Dijk naar vroeg. Per jaar worden duizenden studenten uit China gescreend op de vraag of hun niveau voldoende is voor de opleiding waar ze in Nederland naartoe willen.

Dat is een zeer professionele business. Men doet daar niets anders dan dat. Ik ben het direct met u eens als u zegt: dat gaat nog eens hier en daar niet goed. Er zullen verschillen optreden tussen de vestigingen. De ene zal misschien betere kwaliteit leveren dan de andere, maar in ieder geval in Peking was ik erg onder de indruk van de professionaliteit waarmee men daar studenten screent. Men zegt daar ook dat je geen studenten naar Nederland wilt laten komen van wie vervolgens blijkt dat hun kennis van de Engelse taal of van de basisvakken onvoldoende is om op zo'n instelling mee te komen. Anders wordt iedereen ongelukkig, inclusief de student en de betrokken instelling.
De voorzitter: Ik kijk even naar de tijd. Ik wil graag dat u om 15.50 uur klaar bent.

**
Minister Plasterk: Ik doe mijn best.

Nog één antwoord aan de heer Anker. U zegt het jammer te vinden dat het collegegeld voor niet-Europese studenten niet het wettelijke collegegeld is. Bij mijn weten is dat geen nieuw beleid. Het is altijd zo geweest dat mensen vanuit de rest van de wereld hier weliswaar kunnen komen studeren, maar dat dit dan in principe kostendekkend moet gebeuren. Dat te betalen, is de verantwoordelijkheid van het land waar zij vandaan komen, zoals het dat ook voor ons zou zijn als wij studenten naar Zuid-Amerika sturen, tenzij er een van de OS-fondsen of van de andere fondsen bereid is om de kosten op te pakken. Het staande beleid is dat mensen uit de EU tegen het laagste collegegeld kunnen studeren. Daar zijn wederzijds afspraken over gemaakt binnen de EU. Dat geldt ook voor mensen uit de Antillen, want dat is natuurlijk een deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Ik heb daar zelf om historische redenen Suriname aan toegevoegd, zoals u weet. Hoewel dat officieel niet bij de EU hoort, kunnen studenten uit Suriname hier ook voor het laagste collegegeld studeren. Dat is de praktijk die er nu staat. Als je dat zou willen uitbreiden, zou je dat, denk ik, niet moeten doen door het wettelijke collegegeld te veranderen, maar door programma's te starten om specifiek en gericht mensen uit bepaalde landen te ondersteunen wanneer zij hier komen studeren.

Ten slotte had u nog een vraag over de imamopleiding, mijnheer Anker. Dat is inderdaad een onderwerp waarbij wij moeten opletten dat wij er niet weer een halfuur mee bezig zijn. De verwachting van de Kamer was dat met behulp van die opleiding een ruim aanbod van in Nederland opgeleide imams zou ontstaan. Dat programma stopt in 2011. Dan is ook de ontwikkelingssubsidie voor de Hogeschool INHolland afgelopen. Die was eenmalig. De verwachting is dat die met ontwikkelingssubsidies ondersteunde opleidingen daarna toe moeten kunnen met de reguliere bekostiging per student van het ministerie van OCW als theologische opleiding. Nogmaals, die opleiding leidt alleen maar op tot de graad in theologie. Wanneer men vervolgens daar bovenop geestelijk dienaar wil worden, dan geldt daarvoor hetzelfde als wanneer dat in uw denominatie zou gebeuren, mijnheer Anker: dat deel is niet-bekostigd onderwijs. Dat geldt voor imams dan ook.

Dan ga ik terug in de tijd naar de heer Dibi. Ik heb ambitietaks opgeschreven, een mooi woord. Ik ben blij dat wij het erover eens zijn dat het voorstel zoals dat in Amsterdam is gedaan, in strijd is met de wet. Die wet geldt niet alleen in Amsterdam, maar ook in de rest van het land. Mochten dus andere universiteiten het in hun hoofd halen om tegen de wet in dubbel collegegeld te vragen, dan zal ik hetzelfde doen als in Amsterdam, namelijk lik-op-stukbeleid en meteen meedelen dat men het zo niet mag doen.

Ik heb met interesse en enig amusement naar de interrupties van mevrouw Besselink geluisterd op het punt van de tegenbegrotingen van GroenLinks. Ik heb mij voorgenomen om voor de begrotingsbehandeling van Onderwijs de tegenbegroting -- ook die van de VVD -- er nog eens bij te pakken. Het is altijd heel interessant om te kijken...


De heer

1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina