De begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Hoger onderwijs en Onderzoek, voor het jaar 2009



Dovnload 380.7 Kb.
Pagina8/8
Datum27.09.2016
Grootte380.7 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8
voorzitter: Ik constateer dat de minister zijn beantwoording heeft voltooid. Ik dank hem daar recht hartelijk voor. Met name de versnelling in het tweede gedeelte kwam de duidelijkheid ten goede.

**
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter: De minister heeft nog een korte inbreng in het vervolg op zijn eerste termijn, over het amendement van de heer Van der Ham.

**
Minister Plasterk: Het amendement gaat over de masters in het hbo, een langlopende discussie. Binnen de bachelor-masterstructuur heeft ieder zijn eigen rol. De wo-masters spelen een rol op de sleutelgebieden, die in het innovatieplatform zijn aangemerkt. Daarnaast zijn er bachelor-opleidingen die in het hbo worden verzorgd.

Als de heer Van der Ham met het amendement doelt op de tijdelijke financiering van hbo-masters die verband houden met de sleutelgebieden van het innovatieplatform voor zover die samenvallen met de in de strategische agenda genoemde prioritaire gebieden, ben ik het daar wel mee eens. Er is namelijk maar een beperkte overlap tussen de sleutelgebieden en de prioritaire gebieden in de strategische agenda. Het betreft eigenlijk alleen de creative industries. De keuze van de prioritaire gebieden is gerelateerd aan het al bestaande aanbod in de masteropleiding in het hbo en de behoefte op de arbeidsmarkt, zoals dat ook na overleg met de HBO-raad is vastgesteld.

Als de heer Van der Ham echter doelt op de permanente bekostiging van hbo-masters, gericht op de sleutelgebieden, ontraad ik de Kamer echt aanneming van het amendement, gelet op het standpunt dat geformuleerd is in een brief aan de Kamer van 31 oktober 2008 (31700-VIII, nr. 17). Daarin heb ik een tweesporenbeleid aangekondigd: een arrangement voor tijdelijke financiering van enkele arbeidsmarktgerelateerde hbo-masters+ in prioritaire gebieden en een verkenning naar de positie van de professionele masteropleidingen binnen het bachelor-masterstelsel. Verder wil ik nu echt niet gaan, anders komen wij in conflict met de strategische agenda die ik eerder heb vastgesteld en waarin ik een taakverdeling heb opgenomen. Dan ga je dingen structureel maken op een punt waarop de regering die behoefte niet heeft. Ik ken de wens in het hbo om dat wel te doen, maar je moet dan toch het stelsel als geheel bekijken en je afvragen waar dat dan weer afgaat en hoe dat in het stelsel past. Nogmaals, als het bedoeld is voor de tijdelijke financiering van de masters binnen de kaders die ik noemde, lijkt het mij akkoord, maar dat is ook staand beleid. Ik zie niet wat wij dan additioneel zouden aannemen. Met alle waardering die ik heb voor zowel de heer Van der Ham als voor het fantastische werk dat in de hbo-sector gebeurt, vind ik niet dat wij nu bij amendement iets moeten doen dat echt in strijd is met het beleid dat wij eerder in de totale context in de strategische agenda hebben vastgesteld. Ik raad niet aan dat pad te bewandelen.


De voorzitter: Wij beginnen met de tweede termijn van de Kamer. Daarvoor gelden wederom strikte spreektijden. De moties die eventueel worden ingediend, moeten worden voorgelezen in de betreffende spreektijd. De heer Jasper van Dijk krijgt vier minuten.

**
De heer Jasper van Dijk (SP): Ik moest natuurlijk wel even slikken toen ik hoorde dat de minister achteraan begon bij het beantwoorden van de vragen van de Kamer, maar gaande het proces dacht ik: ik gun het de heer Van der Vlies toch ten zeerste. Ik hoop dat hij ervan heeft genoten. Wij hebben ook ooit eens twee zetels gehad. Dat was een zware tijd. Je wordt er heel empathisch van.

De harde knip is natuurlijk een heikel punt. Ik moet, alles afwegende, zeggen dat ik de onderbouwing voor de harde knip heel arbitrair vind. Eigenlijk komt het erop neer dat de minister zegt: het is het systeem. Omdat het systeem het vraagt, moeten wij ertoe overgaan. Ik zou de minister willen zeggen dat het systeem, in dit geval van de bachelor-master, er toch is voor de studenten.
Met de harde knip draait de minister het echter om en dwingt hij de studenten in een systeem dat onnodig krampachtig is. Daarom dien ik de volgende motie in.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat invoering van een "harde knip" tussen bachelor en master tot gevolg heeft dat studenten niet verder mogen studeren als zij de bachelor niet volledig hebben afgerond;
van mening dat de harde knip een soepele doorstroming belemmert en leidt tot studievertraging, onder andere omdat niet alle opleidingen meerdere instroommomenten kennen;
verzoekt de regering, af te zien van de invoering van de harde knip tussen de universitaire bachelor- en masteropleiding,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 66 (31700-VIII).

**
De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Dan kom ik op de bekostiging. De minister heeft toegezegd dat hij terugkomt op de problematiek rond de overheveling van de eerste geldstroom naar de tweede geldstroom. Dat is goed. Komt hij echter ook terug op de diplomaproblematiek, of de wigproblematiek, waarbij de VSNU zegt dat de universiteiten erop achteruitgaan doordat studenten sneller gaan studeren?

Mij bereikte het bericht dat de minister de problematiek rond de studerende moeders wel degelijk heeft onderkend tijdens een rondetafelgesprek. Het gaat om het optellen van de één-oudertoeslag bij de studieschuld. Dat is een groot probleem. Daarom dien ik de volgende motie in.


*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de één-oudertoeslag wordt opgeteld bij de studieschuld en dat dit geld moet worden terugbetaald indien de studie niet wordt afgerond, terwijl het bedrag feitelijk voor het kind is bedoeld;
verzoekt de regering, te realiseren dat de één-oudertoeslag niet meer bij de studieschuld wordt opgeteld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 67 (31700-VIII).

**
De heer Jasper van Dijk (SP): Ik heb ook aan de minister gevraagd of hij het met mij eens is dat er meer ondersteuning moet komen voor de Stichting Steunpunt Studerende Moeders. Graag had ik daarop nog een reactie van de minister.

Het is heel goed dat de minister zegt dat een promovendus een werknemer dient te zijn. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar wij zien dat het in de praktijk niet op alle instellingen zo is. Zij worden toch als studenten beschouwd en dat is een foute zaak. Daarom dien ik de volgende motie in.


*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de regering van mening is dat promovendi werknemers zijn en geen studenten;
verzoekt de regering, te realiseren dat promovendi door hun werkgever als werknemer worden behandeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 68 (31700-VIII).

**
De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. De minister wijst erop dat er nog nooit zo veel geld naar onderzoek is gegaan in zijn termijn. Dat kan in absolute getallen zo zijn, maar ik wil hem erop wijzen dat wij flink omlaag zijn gegaan als je dat relatief, als percentage van het bruto binnenlands product bekijkt. Nu gaat 0,7% naar onderzoek. In 1995 was dat bijna 1%. Dat wij streven naar 1% is ook in internationaal verband de afspraak. Graag wil ik dat de minister wat meer urgentie voelt om die doelstelling te halen. Verder deel ik zijn oproep aan de universiteiten om de nevenfuncties nog dit jaar openbaar te maken.
De voorzitter: Dan is het nu het woord aan de heer Jan Jacob van Dijk, die ongetwijfeld met zijn collega heeft afgesproken hoe de zes minuten spreektijd worden besteed.

**
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Voorzitter. De beantwoording van de minister ging in een vrij rap tempo en was consistent en helder. Een compliment aan de minister daarvoor is op zijn plaats.

Ik ben ook blij met de inhoud van veel van de antwoorden. Hij heeft immers nogal wat toezeggingen gedaan, waarmee hij het CDA in zekere mate tegemoet is gekomen.

De minister is in belangrijke mate akkoord gegaan met onze opmerkingen over de harde knip. Op het punt van de kwaliteitsaspecten wilde de minister er geen halszaak van maken of het vooraf of achteraf gedaan moet worden. Ik beveel hem aan om dat element vooraf een belangrijke plek te geven. Omtrent het collegegeldvrij studeren was er sprake van een misverstand. Volgens mij is niet naar voren gebracht dat er dan alsnog volledig collegegeld betaald zou worden, maar dat men bij wijze van spreken per vak zou kunnen betalen. Dus voor ieder ECTS-punt een bedrag van ongeveer €30. Dat zouden dan de kosten voor het studeren zijn. Zo heb ik het in ieder geval begrepen. Ik beveel de minister aan om dat in overweging te nemen. Wellicht kan hij daarop schriftelijk ingaan.

Er zijn veel toezeggingen gedaan, ook over brieven die wij in de komende periode nog zullen krijgen. Ik dank de minister daarvoor, maar ik wil nog wel een paar elementen noemen. Ten eerste de wederzijdse erkenning van diploma's. De minister heeft eerder een antwoord gegeven naar aanleiding van schriftelijke vragen onzerzijds omtrent de buitengewoon lange termijnen die in België voor de erkenning gelden. Hij zegt dat hij dat niet leuk vindt. Is hij bereid om dit punt in het kader van het Bolognaproces stevig aan de orde te stellen en voor een versnelling te zorgen? Ten tweede noem ik de studiekeuzegesprekken. De minister is niet ingegaan op de door mij gestelde vraag. Wellicht kan hij daar nog op terugkomen. Ten derde noem ik het abonnement dat door de heer Van der Ham naar voren is gebracht. Het zou mij helpen als de informatie die de minister net heeft gegeven nog voor de stemmingen over de begroting per brief naar de Kamer komt. Het is van belang dat het diplomasupplement er snel komt en dat de universiteiten en hogescholen dat werkelijk na gaan leven, want daar zit nog een probleem.
De voorzitter: Ik kondig aan dat mevrouw Joldersma de vergadering om 16.55 uur moet verlaten. Het woord is aan mevrouw Joldersma.

**
Mevrouw Joldersma (CDA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij het compliment van mijn collega en ik wil daar nog iets aan toevoegen. Al luisterend vanmiddag viel het mij op dat de minister het nietsdoen dat sommigen hem verwijten als een groot compliment moet ervaren. Volgens mij is hij stilletjes bezig om geleidelijk aan een aantal veranderingen door te voeren. Zolang iedereen dat maar niet door heeft, kan hij rustig doorgaan met het doorvoeren van die veranderingen. Dat lijkt mij een slimme aanpak.

Verder vind ik dat de minister een heldere toezegging heeft gedaan over de vernieuwde vernieuwingsimpuls. Ik begrijp wel dat de VSNU die misschien net iets anders uitlegt dan de NWO. Ik hoor graag wat het overleg met hen heeft opgeleverd.

Wat de pilot met de graduate schools betreft geven wij de minister het voordeel van de twijfel. Het is een kwestie van learning on the job voor de promovendi, maar ook voor degenen die de pilot uitvoeren. Zij moeten eruit komen hoe de graduate schools er in de toekomst uit zullen zien.

Ik maak mij wat het Europese onderzoeksbeleid betreft zorgen over de gemeenschappelijke programmering. Dat begint heel langzaam, maar ik heb de indruk dat het grote impact zal krijgen.

Tot slot noem ik de instituten NWO en KNAW. Ik denk dat het zelfs zonder grote structuurveranderingen wel mogelijk is om de instituten wat meer los te weken van deze organisaties. Ik vind het in ieder geval heel belangrijk dat er financieel toezicht is op de NWO. Het is mij niet helemaal duidelijk wie dat financieel toezicht uitvoert. Die transparantie is er op dat gebied niet, zo leert ons de vernieuwingsimpuls.


De heer Zijlstra (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor de antwoorden. Ik begin met de kwaliteitsindicatoren. De minister gaf aan dat hij dit niet zo ziet zitten en dat hij in maart met een nadere uitwerking komt in een brief. Die nadere uitwerking wacht ik af, maar ik geef hem wel mee dat hij de pagina's 28 en 46 nog eens goed moet lezen van zijn strategische agenda "Het Hoogste Goed". Daar gaat het over extra geld dat de minister investeert in de kwaliteit van het onderwijs. Op basis van een aantal indicatoren wil hij meten of men daarmee goede voortgang maakt. Dus daar kan het wel. Hoe is het mogelijk dat de minister als het gaat om structurele bekostiging -- nogmaals, het hoeft niet 100% of 20% te zijn, maar wel een aanzienlijk bedrag -- zegt dat hij het eigenlijk liever niet wil, terwijl het kennelijk wel kan als het gaat om extra geld voor universiteiten en hbo's. Overigens is het interessant dat er over dat geld geen commentaar is gekomen vanuit de koepels -- dat was extra geld -- en dat er wel een probleem is als het om bestaand geld gaat. Kan de minister dat nog eens uitleggen in de brief die hij in maart aan de Kamer wil sturen?
Ik heb gevraagd of er nog meer komt of dat dit de hele evaluatie is van de bachelor/masterstructuur. Ik vind dat niet goed is geïnventariseerd welke antwoorden er zijn op de vraag waarom de bacheloropleiding niet wordt gezien als een volwaardige opleiding. Komt dat nog en zo ja, wanneer? Wij vinden dat dringend noodzakelijk.

De minister heeft toegezegd voor 1 februari een brief te sturen over de hbo-titulatuur. Volgens ons moet de richting van die brief zijn dat dit wordt geregeld, tenzij hij in die brief allerlei goede argumenten weet te noemen waarom dit niet zou kunnen.

Ik dien een motie in over de resultaatindicatoren. Ik heb al wat opmerkingen gemaakt over de student/staf-ratio, maar daarop heeft de minister ook niet geantwoord, of misschien heb ik dat gemist in de sneltreinvaart.
De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Jij zat gewoon mis, zoals zo vaak met rekenen.
De heer Zijlstra (VVD): Dat gebeurt niet zo vaak, maar dat laat onverlet dat de resultaatindicatoren in de begroting nog steeds onhelder zijn. Volgens de VVD-fractie wordt er niet goed afgerekend op een stijging of daling. Daarom dien ik de volgende motie in.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat meetbare resultaatindicatoren in de begroting OCW

veelal ontbreken;


constaterende dat de indicatoren voor kwaliteit en excellence van het

hoger onderwijs geen duidelijkheid geven over de ambities van de

regering, terwijl de regering de kwaliteit van het hoger onderwijs wel als

speerpunt heeft gedefinieerd;


verzoekt de regering uiterlijk eind januari 2009 heldere en meetbare

indicatoren voor kwaliteit en excellence van het hoger onderwijs te

definiëren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Zijlstra, Bosma en Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 69 (31700-VIII).

**
De heer Zijlstra (VVD): Voorzitter. Wij hadden het daarnet even over de minister van feesten en partijen. De minister vroeg of dat serieus is bedoeld. Ja, minister. Ik geef toe dat ik dat gekscherend heb gezegd, maar het gaat om een aspect dat ook vandaag aan de orde is. Als de voorzitter van de VSNU zegt dat de minister er genoeg tijd aan besteedt, is dat niet per definitie zo, want het gaat er in dit huis om of de Kamer dat vindt.

Ik vind het kenmerkend dat wij nu acht of negen brieven over allerlei onderwerpen toegezegd hebben gekregen. Dan kun je zeggen dat het prachtig is dat er zoveel toezeggingen zijn gedaan, maar langzamerhand bekruipt mij het gevoel dat heel veel onderwerpen in de tijd verschuiven, doordat er een brief komt waarover wij over een tijdje gaan discussiëren. Op een gegeven moment moet je gewoon zeggen: zo is het. Dan kan men het ermee eens zijn of niet, maar dan wordt er een besluit genomen. Dat is de kern van het commentaar dat ik heb gegeven en dat is wat wij in dit huis moeten gaan doen. Op een aantal gebieden moet wetgeving komen waarover wij nu al tijden discussiëren. Er moeten gewoon besluiten worden genomen. Dan hebben wij helderheid of je voor of tegen bent en met welke argumenten in plaats van dat wij elke keer op basis van ideeën en notities opnieuw de discussie voeren. Dat zou wat mij betreft de vooruitgang in het komende jaar moeten zijn.


Mevrouw Besselink (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister hartelijk voor zijn beantwoording. In tegenstelling tot de heer Zijlstra die gekscherend spreekt over de toezeggingen die hij heeft gedaan, dank ik hem daarvoor hartelijk. De minister had ook kunnen zeggen dat hij de Kamer heeft gehoord, maar zijn eigen weg gaat. Ik vind dat de minister juist heel erg luistert naar wat wij in de Kamer naar voren brengen en dan bekijkt hoe hij dat in zijn beleid kan meenemen. Ik vind dat een compliment waard en ik waardeer de toezeggingen die hij heeft gedaan.

Wat ons wel bindt, is de kwaliteitsbekostiging. Ik heb goed gehoord dat de minister daarover een brief heeft toegezegd in maart. Voor de fractie van de Partij van de Arbeid is het heel belangrijk dat erin komt dat er structureel een kwaliteitsprikkel in de bekostiging moet worden ingebracht, zoals de commissie-Sorgdrager heeft geadviseerd, zodat er wordt gestuurd op kwaliteit, want dat is waar wij het voor doen. Daar zullen wij die brief aan toetsen.

Ik heb ook gehoord wat de minister over de harde knip heeft gezegd. Hij gaat bekijken hoe hij tegemoet kan komen aan de problemen. Dat zien wij dan tegemoet. Ik ben ook blij met de toezegging om kritisch te bekijken of de 100 mln. voor het mbo wordt besteed aan onderzoek. Wij hopen heel snel witte rook te krijgen dat het allemaal berust op een misverstand en dat het geld is uitgegeven.
Ik dank de minister voor de toezegging voor de ov-kaart voor de 17-jarigen in het hbo. Ik geloof dat wij daar echt tot een slimme, niet bureaucratische en overzichtelijke oplossing komen, zoals wij dat bij de bijverdiengrens ook hebben gedaan.

Ik heb goed geluisterd naar de reactie van de minister op het collegegeldvrij studeren. Daar zat nog enigszins een aarzeling in. Ik heb het voorstel als volgt begrepen. Het zou niet per se moeten zoals het nu voorligt. Ik nodig de minister uit om met een positief houding met de indieners om de tafel te gaan zitten en te kijken wat de mogelijkheden zijn om in die geest te handelen. Een mogelijkheid kan zijn om per studiepunt te betalen, zoals de heer Van Dijk suggereerde. Ik nodig de minister uit om daar serieus naar te kijken, daarover in overleg te treden en dat terug te koppelen. Dan horen wij dat graag.

De minister heeft volgens mij nog niets gezegd over het "gastvrije land" in het kader van de internationalisering. Ik heb gezegd dat buitenlandse studenten in Nederland tegen heel veel belemmeringen aanlopen. Zij moeten bij twintig loketten langs om aan de Nederlandse regelgeving te voldoen. Het gaat ook om huisvesting en dat soort aspecten. Kan de minister daar nog iets over zeggen?

Ik heb goed geluisterd naar de reactie van de minister op het amendement-Van der Ham, dat het hierbij om een soort permanente bekostiging gaat waar wij nooit een voorstander van zijn geweest. Ik vind het wel een heel sympathiek amendement, waarmee wordt beoogd om het te richten op die zes sleutelgebieden. Ik sluit mij dus helemaal aan bij de vraag van de heer Jan Jacob van Dijk om die informatie te krijgen voordat wij hierover stemmen, zodat wij ons daar nog goed over kunnen beraden.


De heer Bosma (PVV): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn uitgebreide beantwoording en zijn mooie toezeggingen, maar ik betreur de toezegging dat de minister geen grapjes meer zal maken als dat tot misverstanden leidt. Het is jammer dat de heer Jasper van Dijk weer de deur uit is, want ik vind het maken van grappen een uitstekende manier om de maoïstische apparatsjiks te bestrijden. Ik zie de minister deze toezegging dus liever niet gestand doen.

Ik wil een paar dingen zeggen over internationalisering. De minister zegt dat ik met dedain over de cultuurportefeuille spreek, maar dat is nu net het gedeelte van mijn portefeuille dat ik met bijzonder veel plezier doe. Ik verwijt de minister echter wel dat hij zijn cultuurportefeuille juist niet serieus neemt. De internationalisering zorgt er steeds meer voor dat het Engels voertaal wordt op de universiteiten. Op de UvA en de VU vindt 70% van het onderwijs in de masters al plaats in het Engels. In Groningen, Maastricht, Tilburg, Utrecht en Eindhoven is dit al 50%. In 2000 was dit echter nog maar 10%. Het gaat zelfs veel verder, de universiteit in Tilburg heet al officieel University of Tilburg. Op deze universiteit is het Engels de omgangstaal, en de opschriften zijn ook in het Engels. In Delft heet de bibliotheek "university library". De natuurwetenschappen zijn vrijwel geheel in het Engels. Rechten in Maastricht is in het Engels. Proefschriften gaan standaard in het Engels. In 2007 heeft onze premier in het Engels het academisch jaar geopend in de Wageningen Universiteit. De toespraak ging over de zesjescultuur. Ik vraag mij overigens af hoe je dit in het Engels zegt.

De minister zegt dan dat dit komt, omdat wij veel opleidingen met veel internationale studenten hebben. Die opleidingen vinden inderdaad gretig aftrek. Ik betwijfel echter of dit de werkelijke oorzaak is, want ik beschik over een controlegroep, wetenschappelijk georiënteerd als ik ben. Als je in de zuidelijke Nederlanden kijkt, dan zie je dat dit in Vlaanderen heel anders gaat. Daar is totaal geen sprake van die verengelsing. Men heeft daar wel een decreet hoger onderwijs, dat dit ook tegenhoudt. Blijkbaar gaat men in de zuidelijke Nederlanden veel zelfbewuster om met het Nederlands.

Ik denk evenwel dat er een heel andere verklaring is. Ik weet niet of de minister K.L. Poll nog kent, voormalig redacteur van de kunstbijlage van NRC Handelsblad. Hij muntte ooit de mooie kreet dat het nationalisme van Nederland internationalisme is. Zo is het maar net, want in Frankrijk en Duitsland geeft men ook gewoon in de eigen taal hoger onderwijs.

Waar ben ik bang voor? Harry Mulisch zegt dat het Nederlands over 75 jaar een soort taal zoals het Fries in Friesland is: hooguit een tweede taal. Als je ermee begint om het hoger onderwijs in een andere taal te laten geven, dan dreigt je eigen taal een soort boerendialect te worden dat blijkbaar niet meer goed genoeg is om academisch onderwijs in te geven. De minister zegt dat hij niet op de wet wil gaan liggen. Ik ken die uitdrukking overigens niet.
Mevrouw Besselink (PvdA): Op de weg liggen.
De heer Bosma (PVV): Anyway, zeg ik in Nederland. Ik ben absoluut niet tegen het Engels, want ik ben een jaar lang allochtoon geweest in een zeer Engelssprekend land en ik heb een jaar lang geen Nederlands gesproken. Het Engels hoeft wat mij betreft ook niet verbannen te worden uit de academische wereld, maar ik vind dat er wel ergens piketpaaltjes moeten worden geslagen. Anders is straks ons hele hoger onderwijs Engelstalig. Tegen de minister van Cultuur, die hier ook aanwezig is, zeg ik dat dit een ernstige erodering van onze cultuur is. Dat moeten wij gewoon tegenhouden.
De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording. Eerlijk gezegd vind ook ik dat hij veel toezeggingen heeft gedaan. Ik ben erg blij met de toezegging dat hij serieus gaat kijken naar de kwaliteit in de bekostiging en dat de vertraging van de nieuwe bekostiging tijd biedt om daar meer aandacht aan te besteden.

Ik dien eigenlijk nooit moties in als de minister een toezegging heeft gedaan. Dat wil ik eigenlijk ook niet doen, maar ik weet niet precies wat hij bedoelt met de toezegging over de collegegeldvrije periode als je bestuursfuncties of vrijwilligersfuncties vervult. Het is uitdrukkelijk niet mijn bedoeling en volgens mij ook niet de bedoeling van de studentenorganisaties om dan te lanterfanten tijdens de studie. Volgens mij was de suggestie van de heer Jan Jacob van Dijk ook een van de dingen waaraan gedacht kan worden. Ik wacht het oordeel van de minister over de motie af. Als wij hetzelfde bedoelen, zal ik de motie intrekken.


*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de ruimte voor studenten om naast studie en (veelal) betaalde baan tijd vrij te maken voor bestuurs- en vrijwilligerswerk beperkt is;
overwegende dat studenten die een voltijds bestuursfunctie bekleden toch ingeschreven moeten blijven staan bij hun onderwijsinstelling vanwege het behoud van hun OV-jaarkaart, bestuursbeurs, studiefinanciering en de mogelijkheid tot lenen;
verzoekt de regering, in overleg met studentenorganisaties en de instellingen een voorstel voor collegegeldvrij besturen te ontwerpen en de Kamer daarover te informeren voor 1 mei 2009,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Dibi en Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 70 (31700-VIII).

**
De heer Dibi (GroenLinks): Het gaat dus niet om bestuursfuncties bij het ISO of de LSVb, zoals de minister suggereerde, maar om de honderden studenten in het land die bij studie- of studentenverenigingen of elders bestuursfuncties vervullen.

De tweede motie gaat over de bacheloropleiding als volwaardige arbeidsmarktopleiding. Ik merk dat de minister daar om de zoveel tijd heel harde uitspraken over doet. Dat mag. Ik weet ook dat er een kabinetsdoelstelling is om op een gegeven moment heel veel mensen met een diploma te laten stoppen en de arbeidsmarkt op te laten gaan. Ik wil duidelijkheid over de bacheloropleiding als volwaardige arbeidsmarktopleiding. Daarom dien ik de volgende motie in.


*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering, te onderzoeken in hoeverre een afgeronde bacheloropleiding voldoet als een volwaardige opleiding voor de arbeidsmarkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Dibi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 71 (31700-VIII).

**
De heer Dibi (GroenLinks): Wat de Iraanse studenten betreft: volgens mij zou de minister in zijn vorige hoedanigheid als columnist van Buitenhof echt gehakt hebben gemaakt van dit voorstel. Dit is echt principieel. Het gaat mij erom dat Nederland bij het uitvoeren van die VN-resolutie en het EU-standpunt verder gaat dan andere landen. Het zorgvuldigste wat ik nu kan doen, is wachten op een uitspraak van de rechter. Dat ga ik ook doen. Daarna zullen wij verder zien. Ik hoop dat het recht zegeviert.

Ook op het punt van de leeftijdsdiscriminatie vind ik het antwoord van de minister een beetje teleurstellend. Hij zegt eigenlijk dat je gewoon op tijd moet beginnen met je studie. Er zijn heel veel redenen waardoor mensen pas op een veel later tijdstip beginnen met studeren. Ik vind dat je daar in het beleid aandacht aan moet besteden, zeker als je het constant hebt over "een levenlang leren". Ik vind die leeftijdsgrens een beetje arbitrair. Daar komen wij een andere keer op terug.

Tot slot een vraag over de toezegging om met de studentenorganisaties de harde knip te bespreken. Met die toezegging ben ik heel blij, maar ik heb een lijst van voorwaarden genoemd. Dat was een andere lijst dan de door de minister genoemde lijst. Ik lees mijn lijst van voorwaarden nog een keer op. Ik hoop dat de minister die wil meenemen.
De voorzitter: Dat gaan wij niet doen. Dat staat keurig in de Handelingen. De minister kan dat keurig teruglezen en u bent over uw tijd. Ik moet helaas streng zijn. Het staat heel goed in de Handelingen.

**
De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Ik bedank de minister voor zijn uitvoerige beantwoording in verschillende snelheden; het is een gave om dat te kunnen. Ik denk dat wij veel zaken voor dit moment goed hebben uitgediscussieerd. Ik hoop wel dat wij in het volgende wetgevingsoverleg, dus volgend jaar, echt enkele dingen kunnen afwerken.

Ik wil nog iets uitgebreider stilstaan bij de internationalisering, waarbij ik onder andere focus op ontwikkelingssamenwerking.

Ik merk uit de beantwoording van de minister dat wij elkaar nog niet helemaal begrijpen. Wij hebben verschillende visies op hoe het is gegaan met de bekostiging van EER-studenten. Ik wil daar nu niet nog een keer overheen gaan, want dat is al een paar keer gebeurd. Waar het mij vooral om gaat is dat de internationalisering, zeker op het gebied van het hoger onderwijs, heel veel aspecten heeft. Een daarvan is de wederkerigheid, dat alles wat wij in het buitenland investeren, in feite bij ons terug komt en dat wij er dus zelf belang bij hebben, maar ook dat daar in ieder geval nog twee andere ministeries, met name Buitenlandse Zaken en Economische Zaken, een belangrijke rol in spelen. Wij hebben nu een internationaliseringsagenda die heel erg focust op Nederland en die heel erg vanuit OCW is geredeneerd. Dat is niet erg, dat is de verantwoordelijkheid van de minister, dat is prima, maar toen wij ons hierop aan het voorbereiden waren en met name focusten op het onderwerp van ontwikkelingssamenwerking, zagen wij gewoon dat er een heleboel verbanden zijn. Als het gaat over hbo, moeten wij denken aan de programma's die er vanuit EZ lopen, aan de stages, aan de combinatie met het bedrijfsleven. Dat heeft allerlei internationale factoren, en dat hoeft nog niet eens per definitie ontwikkelingssamenwerking te zijn. Daar zitten ook nog eens allerlei interessante dilemma's bij, maar die moeten wij misschien eens op een wat rustiger moment met elkaar delen. Er is wel degelijk een wereld te winnen, en daarom dien ik de volgende motie in.


*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering met de internationaliseringsagenda Hoger Onderwijs-,Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid 'Grenzeloos Goed' de internationalisering van het hoger onderwijs en onderzoek wil stimuleren;
overwegende dat voor een steviger internationale concurrentiepositie van het Nederlandse hoger onderwijs ook maatregelen nodig zijn op andere beleidsterreinen dan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
van mening dat samenwerking tussen verschillende ministeries een grote winst kan betekenen in het streven naar een stevige internationale positie van de Nederlandse hoger onderwijs- en onderzoeksinstituten;
verzoekt de regering, een kabinetsbrede internationaliseringsagenda Hoger Onderwijs-, Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid te maken en deze voor 1 juni 2009 aan de Kamer toe te sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Anker, Jan Jacob van Dijk, Besselink, Van der Ham en Dibi.

Zij krijgt nr. 72 (31700-VIII).

**
De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Ik rond af met mijn tweede motie. Dat is het voorstel dat ik heb gedaan. Eigenlijk ben ik daartoe uitgenodigd door de minister die zei: als je al iets wilt, dan zou je iets specifieks moeten regelen voor studenten uit ontwikkelingslanden. Ik had al het idee om een fonds in te stellen en het Egbert-Schuurmanfonds te noemen. Ik heb er alle begrip voor als het toch een andere naam krijgt, als het maar het draagvlak ondersteunt.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering in de internationaliseringsagenda uitspreekt dat wanneer een buitenlandse student eenmaal bekend is met het Nederlandse hoger onderwijs, ervoor gezorgd moet worden dat die student ook in Nederland kan studeren;
constaterende dat de drempel voor studenten van buiten de Europese Economische Ruimte (EER) om toe te treden tot het Nederlandse hoger onderwijs aanzienlijk is verhoogd, nu instellingen vrij zijn om een instellingscollegegeld te vragen;
overwegende dat de minister het voornemen heeft laten varen om een deel van de totale met niet-EER studenten gemoeide rijksbijdrage onder de noemer Kennisbeurzen bestuurlijk te oormerken;
overwegende dat participatie van studenten van buiten de Europese Economische Ruimte in het Nederlands hoger onderwijs een waardevolle bijdrage kan leveren aan de 'international classroom';
overwegende dat voor de vorming van het maatschappelijk kader in ontwikkelingslanden de mogelijkheid voor studenten uit die landen om deel te nemen aan het Nederlands hoger onderwijs van groot belang is;
verzoekt de regering, een fonds in het leven te roepen met als doelstellingen in ieder geval

- het aantrekken van talentvolle, kwalitatief goede studenten uit de partnerlanden op het gebied van ontwikkelingssamenwerking die bijdragen aan de ontwikkeling van de 'international classroom';

- de ontwikkeling van het maatschappelijk kader in ontwikkelingslanden en om daarbij voorwaarden te stellen om een braindrain vanuit ontwikkelingslanden te voorkomen;

- de Kamer hierover voor 1 juni 2009 te informeren,


en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Anker, Besselink en Jan Jacob van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 73 (31700-VIII).

Ik dank de heer Anker voor zijn bijdrage en ga over na de heer Van der Ham. U hebt twee minuten de tijd.

**
De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. De harde knip krijgen wij over twee maanden. Ik hoop dat de minister in die brief alle beraadslagingen hierover, alle vragen, alle suggesties en de door ons gewenste nadere onderbouwing zal meenemen.

Ik hoop dat de minister de brief stuurt en dat de fracties van het CDA en de PvdA, die het amendement sympathiek vinden, er toch van overtuigd zijn dat dit een nuttig amendement is. Als dat niet zo is, sta ik ervoor open om samen met hen en andere fracties te bezien hoe wij er toch voor kunnen zorgen dat het amendement wordt aangenomen. Ik denk namelijk dat dit een heel mooie kans is voor het hbo.

Er is gesproken over de kunstopleidingen. Verder heb ik een vraag gesteld over de leerstoelen in het buitenland. Leiden die een slapend bestaan en, zo ja, hoe kunnen wij die revitaliseren?

Ik wil ten slotte twee moties indienen.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de FES-gelden voor R&D ondoorzichtig verdeeld lijken te worden, terwijl NWO een succesvol systeem hanteert om middelen toe te wijzen aan onderzoeksprojecten, welke ook positief is beoordeeld in de evaluatie van NWO;
overwegende dat volgens de foto van de KIA en inbreng van bedrijfsleven en universiteiten FES-middelen te weinig ingezet worden op structurele infrastructuur voor kennisontwikkeling te ontwikkelen;
overwegende dat dergelijke faciliteiten bedrijven en dus private investeringen in R&D kunnen aantrekken;
verzoekt de regering, de systematiek voor verdeling van FES-middelen voor R&D te verbeteren en transparanter te maken, waarbij bekeken wordt welke rol NWO kan spelen en hoe er meer aandacht kan komen voor structurele infrastructuur voor kennisontwikkeling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham en Zijlstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74 (31700-VIII).

**
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat aanvragers van verblijfsvergunningen momenteel ongeacht de duur en reden van hun verblijf een vast bedrag betalen;
overwegende dat de prijsopbouw van verblijfsvergunningen is gericht op kostendekkendheid;
overwegende dat studenten en onderzoekers vaak voor korte tijd naar Nederland komen en dat Nederlandse onderwijsinstellingen veel bureaucratische taken van de Integratie- en Naturalisatiedienst voor hun rekening nemen;
van mening dat de kosten van een verblijfsvergunning geen belemmering mogen zijn voor buitenlandse studenten en onderzoekers om bij te dragen aan de Nederlandse kenniseconomie;
verzoekt de regering, een flexibel tarief voor verblijfsvergunningen te ontwikkelen voor buitenlandse studenten en onderzoekers aan Nederlandse onderwijsinstellingen voor hoger onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham en Dibi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75 (31700-VIII).

**
De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Hij is aangetreden op een moment dat er voor het hoger onderwijs enige onduidelijkheden bestonden. Binnen de huidige kabinetsperiode moet daarvoor het een en ander worden geregeld. Enkele cruciale zaken worden nu uitgesteld, omdat overlegtrajecten nog niet tot een conclusie hebben geleid. De minister neemt hiervoor nog enige maanden de tijd. Komend voorjaar moeten er echter wel besluiten worden genomen over de problematiek van de harde knip en over de koppeling tussen kwaliteit en bekostiging. Immers, het oogstjaar voor dit kabinet komt eraan, aannemend dat alles regulier verloopt. Wij moeten ons dus realiseren dat er niet veel tijd meer te verliezen is. Ook het wetgevingstraject moet zorgvuldig worden doorlopen, en de ervaring leert dat ook dat tijd vraagt. Als wij een en ander binnen de huidige kabinetsperiode netjes willen afhechten, dan moet het komend voorjaar gebeuren.

De minister zou in zijn beantwoording nog terugkomen op de positie van de kleine instellingen bij de nieuwe bekostigingssystematiek. Deze instellingen mogen door deze nieuwe systematiek niet ondersneeuwen. Het kan aan mij liggen, maar ik heb de minister hierover niets expliciet horen zeggen. Ik beveel de positie van deze kleine instellingen in het nieuwe bekostigingsstelsel extra in de aandacht van de minister aan.

Ten slotte heb ik de minister horen zeggen dat wij nog deze week een brief krijgen over zijn afspraken met de betrokkenen over de leerstoel Onderwijsrecht. Heb ik dat goed begrepen? Ik zie die brief met belangstelling tegemoet.
De voorzitter: De resterende spreektijd is voor het kabinet. Ik geef voor zijn antwoorden in de tweede termijn het woord aan de minister van OCW.

**
Minister Plasterk: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun commentaar. Ik kom direct op de eerste motie van de heer Jasper van Dijk. Eerder heb ik al toegezegd dat ik hierover in overleg zal treden en hierop terug zal komen. In lijn daarmee ontraad ik de Kamer het aannemen van deze motie. Ik heb ook al toegezegd dat ik over de wig in overleg zal treden met de VSNU. Uiteraard zal ik mij aan die toezegging houden.

Ik ontraad de Kamer ook om de motie over de een-oudertoeslag aan te nemen. Deze motie vraagt bovendien om een behoorlijk budget en is niet gedekt. Ik heb gezegd dat ik wel het steunpunt subsidie geef. Ik vind dat dit goed werk doet. Samen met het steunpunt zal ik proberen om belemmeringen weg te nemen. Dat is echter niet waar in de motie om wordt gevraagd.
Over de derde motie laat ik het oordeel aan de Kamer, want ik beschouw deze als ondersteuning van het door mij voorgestane beleid. Dit is de motie die gaat over het feit dat promovendi werknemers zijn en over de hele linie zo behandeld zouden behoren te worden. Ik zeg erbij dat ik doe wat ik kan met de instrumenten die ik heb.

Ik heb goed gehoord wat de preferentie van de heer Jan Jacob van Dijk is als het gaat om de vorm voor het uitvoeren van de kwaliteitsimpuls. Over die vorm zal ik overleg voeren met diverse mensen, zoals ik eerder al zei. Ik kom met een voorstel terug bij de Kamer. Ik weet nu in ieder geval alvast van één grote partij in de Kamer waar zij staat. Wij komen er echter op terug.

Ik heb toegezegd het gesprek over het collegegeldvrij studeren te gaan voeren. Naar aanleiding hiervan loop ik even vooruit, met excuus, naar de motie van de heer Dibi. Ik ontraad aanneming van deze motie. Ik wil eerst weten waarover wij het precies hebben. Ik zou er zeker niet op vooruit willen lopen. Ik begrijp nu -- dit illustreert hoe belangrijk het is om niet te snel te gaan -- dat het dus niet gaat om de mensen die zelf in de LSVb of in het ISO actief zijn, maar om alle bestuurders in studentenverenigingen. Dat gaat algauw om honderden mensen per jaar. Ik ben zelf ook penningmeester van een grote studentenvereniging geweest. Sommige leden van ons bestuur liepen studievertraging op, andere niet. Ik heb een aarzeling bij de gedachte om dit nu helemaal te verambtelijken. Nogmaals, ik heb dit gesprek toegezegd. Laat ik dat voeren. Mijn vraag aan de Kamer zou zijn om daarop niet vooruit te lopen. Neem even tijd om te bekijken wat het precies inhoudt, zo zeg ik de Kamer. Dan kunnen wij er altijd nog op terugkomen. Wel wil ik, zoals ik al zei, samen met bestuurders onnodige belemmeringen proberen weg te nemen. Ik zou er echter even tijd voor nodig hebben om na te gaan of dit eveneens tot de onnodige belemmeringen behoort.

De heer Jan Jacob van Dijk vroeg om een toezegging dat ik de wederzijdse erkenning van diploma's in Leuven aan de orde ga stellen. Dat zeg ik graag toe. Tevens vroeg hij om een brief over het amendement van de heer Van der Ham. Die zeg ik eveneens toe.

Mevrouw Joldersma vroeg om een rapportage over het gesprek tussen NWO en de VSNU. Zoals ik al heb gezegd, zal ik die zeker aan de Kamer doen toekomen. Ik hoop dat wij daarin over hetzelfde zullen praten. Anders zal ik daarin eigenstandig een beslissing moeten nemen en die aan de Kamer melden.

Ik deel de zorgen van mevrouw Joldersma over het gemeenschappelijk programmeren in de EU. Dat heb ik, naar ik meen, ook al in het AO ter voorbereiding van de OJC-raad gezegd. Het moet niet de vorm krijgen dat Europa gaat bepalen waar wij ons wetenschappelijk onderzoek doen.

Over de instituten van het KNAW en NWO heb ik al gezegd dat ik daarvan ten principale geen nieuwe kwestie ga maken. Mevrouw Joldersma vroeg of ik die dan niet kan losweken. Ik ben aan het bekijken of er niet bijvoorbeeld een uitruil van twee instituten kan plaatsvinden, waardoor het van beide kanten net wat systematischer wordt. Het gesprek daarover ligt dus niet stil. Ik ben echter niet van plan om de hele boel op de schop te nemen. Wel wil ik bekijken of het door een uitruil wat logischer kan worden.

Het toezicht op het NWO doen wij. Wij hebben de begroting van NWO nog niet goedgekeurd. Dat gebeurt gewoon volgens de reguliere procedures.

De heer Zijlstra vroeg naar de indicatoren. Hij wilde zelfs misschien nog meer indicatoren. Het kabinet heeft zichzelf in het coalitieakkoord verplicht tot een aantal indicatoren. In totaal zijn er 74, waarvan er tussen de tien en twintig, in ieder geval een aanzienlijk aandeel, op het OCW-terrein liggen. Dat zijn die indicatoren waaraan wij ons gedurende de hele rit aan ophangen. Die zijn significant. Het gaat om indicatoren zoals voortijdig schoolverlaten, uitval, kinderopvang et cetera. Ik voel er niets voor om daaraan nieuwe indicatoren toe te voegen. Ik ontraad dan ook aanneming van de motie daarover.

Als de heer Zijlstra zijn grappen en grollen over feesten en partijen onderbouwt door te zeggen dat ik te veel toezeg, terwijl de Kamer mij ook toezeggingen vraagt, dan mag dat allemaal wel grappig zijn, maar vind ik het toch niet heel sterk. De Kamer vraagt mij toezeggingen. Ik doe mijn best om die gestand te doen. De heer Zijlstra vraagt er zelf ook een paar; in ieder geval de Kamermeerderheid vraagt die. Tegen de mensen die met mij werken, zeg ik: laten wij ons best doen om die toezeggingen gestand te doen. Je kunt zeggen dat ik dat niet zou moeten doen. Daarover kunnen wij ook nog een gesprek voeren. Wat dat met "partijen" te maken heeft, anders dan politieke partijen, kan ik moeilijk plaatsen.


De heer Zijlstra (VVD): De minister hoeft geen nieuwe indicatoren te verzinnen als hij de motie opvolgt. De minister omschrijft indicatoren met stijging, daling of dat soort zaken. Wij zouden dit graag geconcretiseerd zien, zodat het ook afrekenbaar wordt. Ook +0,0001% is een stijging.

Ik kom op de toezeggingen. Mevrouw Joldersma zei het mooi: als toezeggingen ertoe leiden dat discussie steeds worden opgeschoven, loopt het moment van besluitvorming steeds voor ons uit. De heer Van der Vlies refereerde er ook al aan. Daarop richt mijn commentaar zich. De minister houdt de Kamer in discussies wel steeds rustig door een brief en nog een brief te beloven, en in eerste instantie is dit ook prima, maar op een gegeven moment moet je een keer ergens een klap op geven. Dat is mijn commentaar. Ik constateer een gebrek aan acties op dit punt. De heer Anker zei het in eerste termijn ook mooi: wij keken vol verwachting uit naar wat zou komen en dat doen wij nog steeds. Daarom gaat het nou precies. Wanneer geven wij de zaak een klap? Wanneer komen wij tot wetgeving, regelgeving et cetera?


Minister Plasterk: Ik heb een aantal indicatoren waarvan de doelstelling bestaat uit harde cijfers. Bij een aantal andere indicatoren hebben wij gekozen voor stijging als doelstelling. Stijgen betekent in ieder geval niet dalen. Dit is dus een andere doelstelling dan een stijgingspercentage. Wij staan voor de indicatoren die wij hebben vastgelegd. Als de heer Zijlstra deze bij de start van dit kabinet onvoldoende had gevonden, had hij kunnen proberen daaraan nieuw indicatoren toe te voegen. Om nu, halverwege de rit, nieuwe indicatoren te verzinnen; ik voel er geen fluit voor. Als de heer Zijlstra dit op prijs stelt, geef ik daar graag een klap op. Bij dezen is het wat mij betreft afgewezen en hoeven wij er nooit meer op terug te komen.

Mevrouw Besselink incasseerde, zei zij, de toezeggingen over de ov-kaart. Om alle misverstanden weg te nemen: deze toezegging betreft mijn inspanning en niet mijn prestatie.


Mevrouw Besselink (PvdA): Ik vertrouw op de inspanning van de minister.
Minister Plasterk: Dank, mevrouw Besselink mag op mij vertrouwen. Zij vroeg verder naar de verbetering van dienstverlening aan buitenlandse studenten. In een brief aan de Kamer heb ik de rode loper beschreven, waarmee verbetering van de dienstverlening wordt beoogd. Daarvoor heb ik in de komende vijf jaar 2,8 mln. beschikbaar. Ik kan mevrouw Besselink zo overhandigen waaraan dit besteed gaat worden. Wij trekken daar dus wel degelijk aan. Ik ben het met mevrouw Besselink eens dat wij een gastvrij land moeten zijn en blijven en waar wij dat niet zijn, moeten worden. De opmerking van mevrouw Besselink over de teruggave van het collegegeld heb ik gehoord.

De heer Bosma bracht een interessant punt aan de orde. Allereerst vond ik het interessant dat hij masters als "mèsters" uitsprak. Waarschijnlijk is dit omdat hij net een werkbezoek aan de Verenigde Staten heeft gebracht.


De heer Bosma (PVV): Omdat ik er één heb.
Minister Plasterk: U heeft een master's? Gefeliciteerd. U wilt ook dat ik piketpaaltjes sla. Dat vind ik nou weer geen Nederlands. De politieke principaal op ons departement heeft ons in ieder geval verboden om nog langer piketpaaltjes te slaan. Het is wel Nederlands, maar verboden Nederlands.

Het is een mooie kwestie, die de heer Bosma noemt. Het betreft in ieder geval de vrijheid van de instellingen. Ik ben het met hem eens dat soms ook een vorm van stoer doen een rol lijkt te spelen, zo van: kijk ons eens internationaal zijn. Moet het allemaal zo nodig in het Engels? Mensen die niet zo heel goed Engels kunnen, praten allemaal Engels met elkaar. Als zij Brabants of Gronings met elkaar zouden spreken, zou het goed gaan, maar nu moet het in het Engels. Daar kun je je vraagtekens bij zetten. Daar staat tegenover dat veel mensen graag willen oefenen. De heer Bosma kan erom lachen. Hij spreekt kennelijk goed Engels omdat hij een master's heeft. Laat ik een voorbeeld noemen. Luc Montagnier, de ontdekker van het aidsvirus, had werkelijk problemen. Ik heb het van dichtbij gezien. Hij had bijna de Nobelprijs gemist omdat hij zijn vondst niet in fatsoenlijk Engels kon uitleggen op een internationaal wetenschappelijk congres. Het gevolg van die absolute voorkeur voor het Frans is dat veel mensen last hebben bij het functioneren in het internationale domein. Dit kan ertoe leiden dat men in de academische wereld het belang ervan inziet dat studenten met hun neus worden gedrukt op het praktisch gebruik van de Engelse taal. Hier hebben zijn hun hele leven iets aan. Ik ben het wel met de heer Bosma eens dat wij moeten voorkomen dat dit het begin is van het afbrokkelen van het Nederlands als voertaal, gemeenschapstaal en taal van instanties. Ik kan deze zorg alleen maar bevestigen, maar ik signaleer dat de heer Bosma ook niet aandringt op maatregelen mijnerzijds.


De heer Bosma (PVV): Ik wil een slotgracht.
Minister Plasterk: Die slotgracht houdt geen mensen buiten die goed Engels kunnen. Dit is echt een andere problematiek. De discussie daarover moeten wij hier maar niet aansnijden.
En passant heb ik eigenlijk al op de motie op stuk nr. 70 van de heren Dibi en Van der Ham gereageerd. Ik wil niet vooruitlopen op het collegegeldvrij besturen.

Ik ontraad aanneming van de motie-Dibi op stuk nr. 71 om te onderzoeken in hoeverre een afgeronde bacheloropleiding voldoet als een volwaardige opleiding voor de arbeidsmarkt. Dat is namelijk niet aan mij. Zoals ik al heb aangegeven, signaleer ik dat tot op heden mensen uit hun studie vielen zonder dat zij enige titel hadden. Nu kunnen mensen als zij na drie jaar met hun studie ophouden, zeggen dat zij in ieder geval een titel hebben. Ik constateer dat een aantal mensen dat ook doet. Ik streef er niet naar om dat aantal te doen toenemen. Bovendien is het in het ene vak ook anders dan in het andere. Ik heb er dus geen behoefte aan om er nu een regeringsstempel of Tweede Kamerstempel op te zetten en te zeggen dat de bachelor een volwaardige opleiding is. Ik ben het er wel mee eens dat instellingen zich moeten realiseren dat de bachelor een afgerond geheel moet zijn. Ik zeg niet dat het altijd voor de arbeidsmarkt klaarstoomt, maar er moet wel enige logica zitten in wanneer de punt voor de bachelor wordt gezet, anders is het hele bachelor/mastersysteem zinloos.

De heer Dibi rekent erop dat de rechter rechtspreekt in de kwestie van de student. Daar reken ik ook op.

Het oordeel over de motie-Anker c.s. op stuk nr. 72 laat ik graag aan de Kamer over, zeker nu de datum versoepeld is naar 1 juni. Als een meerderheid van de Kamer zegt dat zij graag wil dat het gebeurt, zullen wij dit doen. Dan geven wij daar een klap op.

Ik kan ook tellen en zie dus dat er coalitiebrede steun is voor de motie-Anker c.s. op stuk nr. 73. Hoe sympathiek ik deze motie ook vind, ik moet aanneming ervan toch ontraden. Het is een ongedekte motie. Het kan nooit de bedoeling zijn om een leeg fonds te creëren. Als ik het oordeel over het creëren van een fonds aan de Kamer laat, betekent dit dat de Kamer mij vervolgens mag vragen wie dat fonds vult. Ik ben er helder in: ik vind dat ik het OCW-budget echt nodig heb om Nederlandse studenten op te leiden. Dat is mijn taak. Als de Kamer een deel van het budget van Ontwikkelingssamenwerking voor de motie wil bestemmen, vind ik dat een sympathiek streven, maar dan moet de Kamer daar echt over in gesprek. Het primaat daarvoor moet bij het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking liggen. Ik wil best meedenken, want ik ben het met de heer Anker eens dat wij elkaars expertise kunnen gebruiken, maar het moet primair een doel van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking zijn. Nogmaals, hoe graag ik ook zou zeggen dat ik het fonds ga creëren als de Kamer het wil, ik kan dat niet doen en vind het dus niet passend om het oordeel over deze motie aan de Kamer te laten. Ik kan vanuit mijn verantwoordelijkheid niet anders dan zeggen dat ik het niet zo kan. Anders is het een lege huls. De Kamer wenst voeding voor dat fonds, en moet wat mij betreft het gesprek daarover met mijn collega van Ontwikkelingssamenwerking aangaan. Dan kan de Kamer wellicht ditzelfde alsnog voorstellen. Nogmaals, ik vind het een sympathiek voorstel.

De heer Van der Ham vraagt naar leerstoelen in buitenland. Het is aan de instellingen hoe daarmee wordt omgegegaan.

Ik ontraad aanneming van de motie-Van der Ham/Zijlstra op stuk nr. 74 over het FES. De collega's van de ministeries van Economische Zaken en Financiën zijn portefeuillehouder voor het FES. Zij hebben een brief gestuurd met daarin de manier waarop zij denken dat FES-geld te bestemmen. Het is niet aam mij om de Kamer te zeggen dat zij kan doen wat zij wil. Die betreffende bewindslieden spreken op dit punt namens de regering en hebben deze invulling aan het traject gegeven.

Voor de motie-Van der Ham/Dibi op stuk nr. 75 betreffende de kosten van verblijfsvergunningen geldt in zekere zin hetzelfde als voor de motie van de ik heer Anker. Ik vind dit een sympathieke motie, maar het is niet aan mij om over de kosten van verblijfsvergunningen te beslissen. Ik denk dat het aan de collega van Justitie is om te differentiëren. Het moet in ieder geval gedekt worden. Ik heb geen idee wat het kostenplaatje ervan is. Dat zal wellicht niet zo heel groot zijn, maar of het qua structuur mogelijk is en precedenten schept, moet echt met de collega van Justitie opgenomen worden.


De heer Van der Ham (D66): Het is lastig om te beoordelen wanneer je dit soort moties, die een enkel ministerie overstijgen, moet indienen. Zou ik van het kabinet een brief kunnen krijgen hoe het op dit voorstel reageert? Dan kan de minister overleggen met zijn collega van Justitie. Ik begrijp dat de minister nu niets kan zeggen over de motie, maar in zo'n brief zou dat wel kunnen.
Minister Plasterk: Als de heer Zijlstra er geen bezwaar tegen heeft, neem ik het mee voor overleg met de collega van Justitie. Ik zeg dit niet om flauw te doen -- in ieder geval niet alleen om flauw te doen -- tegen de heer Zijlstra. Het is wel degelijk zo. Wellicht zegt de collega van Justitie wel dat het best georganiseerd kan worden. Dan vind ik het de moeite van het proberen waard. Daarom zeg ik niet meteen "nee". Als de Kamer dat wenst, gaan wij hollen!
De heer Van der Vlies heeft gezegd dat van uitstel geen afstel mag komen. Ik verwacht dat zowel de kwaliteitsagenda als de knip in het voorjaar finaal geregeld is. Dat zal ook lukken, daarover geen misverstand.

De heer Van der Vlies sprak over volgend jaar als een oogstjaar. Inderdaad, het wordt een rijk oogstjaar voor het kabinet. Ik ga nog graag vier jaar met deze prachtige portefeuille door, maar ik wil nergens op vooruitlopen, want wij krijgen eerst nog verkiezingen.

Ik heb gezegd dat het niet de bedoeling van het financieringssysteem is om de kleine instellingen te benadelen. In eerste termijn heb ik aangegeven dat ik dit opnieuw met de HBO-raad zal opnemen om te bezien wat daarachter schuilgaat.

Voorzitter. Hiermee heb ik alle vragen beantwoord.


De voorzitter: Dank u zeer. Mijnheer Anker?

**
De heer Anker (ChristenUnie): Ik wist niet of wij nu wel of niet mochten interrumperen. Ik reageer kort op hetgeen de minister over mijn motie heeft gezegd. Hij heeft aanneming daarvan ontraden. Ik begrijp de gevoeligheden heel goed, maar op dit moment kunnen wij niet inschatten hoeveel geld er nodig is en waar dit precies vandaan moet komen. De wens is dat er een fonds komt. Omdat het over het hoger onderwijs gaat, lijkt mij deze minister de eerstaangewezene om daartoe het initiatief te nemen. Daarna kan bezien worden hoe dit vorm kan krijgen. Dit hangt ook af van het overleg van de minister met zijn collega van OS.


De voorzitter: Dank u zeer.

Dames en heren, wil dit overleg tot een goed einde komen, dan moet ik met het oog op het verslag even de toezeggingen voorlezen.

**
Toezeggingen
1. Na overleg met de VSNU en de studentenorganisaties ontvangt de Kamer over twee maanden een voorstel inzake de voorwaarden voor de invoering van de zogenaamde harde knip tussen de bachelor- en de masteropleiding, waaronder de mogelijkheid van beroep op bijzondere omstandigheden zoals handicap, ziekte en bestuurlijke functies, een heldere formulering van de toelatingseisen voor de masteropleidingen en meerdere herkansingsmogelijkheden en meerdere instroommomenten.

2. Rond maart 2009 ontvangt de Kamer een nadere uitwerking van de kwaliteitsindicatoren gericht op de koppeling tussen bekostiging en kwaliteit.

3. Op korte termijn ontvangt de Kamer een voorstel met betrekking tot een eventuele wijziging van de bekostiging van NWO om ervoor te zorgen dat de middelen uit de overheveling van de eerste naar de tweede geldstroom in hetzelfde jaar tot uitkering komen.

4. De minister zal de Kamer schriftelijk rapporteren over de effecten van de invoering van de bachelor-masterstructuur op de prijs per student en de daaraan verbonden wigproblematiek.

5. De Kamer ontvangt deze week een brief over de financiering van de leerstoelen onderwijsrecht, evenals een reactie op het amendement van het lid Van der Ham; dit betreft vooral de informatie waar de leden Van Dijk en Besselink om vroegen.

6. Binnen een jaar ontvangt de Kamer een voorstel voor een nieuw bekostigingsmodel hoger onderwijs.

7. Begin 2009 ontvangt de Kamer het inspectierapport over het bindend studieadvies.

8. De Kamer wordt schriftelijk geïnformeerd over de evaluatie van de werkwijze van NESO en Nuffic.

9. De Kamer ontvangt voor 1 februari een brief inzake de titulatuur voor het hoger beroepsonderwijs.

10. De Kamer ontvangt in de eerste helft van 2009 een rapportage over studerende moeders.



11. De minister bekijkt of de motie-Van der Ham/Dibi in een gezamenlijke brief van staatssecretaris Albayrak en hem kan worden uitgevoerd.
De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van het wetgevingsoverleg Hoger Onderwijs 2009. Ik dank de studenten voor hun uithoudingsvermogen. Dit was nog eens een college!

**
Sluiting 17.13 uur.

1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina