De blauwe duivels van Kansas City door Bert Jansma



Dovnload 20.15 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte20.15 Kb.
De blauwe duivels van Kansas City
door Bert Jansma
Wist u dat er burgemeesters zijn die een essentiële rol hebben gespeeld in de jazz?

Nee, ik heb ’t nu eens niet over Den Haag en zijn bestuurderen.

Niet over het ons ontglipte North Sea Jazz festival.

Maar over Kansas City.

En over de jazzstijl die Kansas City Jazz is gaan heten.
Want Kansas City had een burgemeester die jazz de gelegenheid gaf in zijn stad een eigen geluid te creëren dat de basis zou worden voor de klassieke Big Band-stijl.

Tom Pendergast heette hij, ook wel ‘Boss’ genoemd. Baas dus.

En een baasje was-ie.

Hij was burgemeester begin jaren dertig toen Amerika een crisis doormaakte na de Wall Street crash, en te maken had met de Prohibition, de Drooglegging, het verbod op verkoop van alcohol.

Pendergast trok zich van al die ellende niets aan.

Hij was groot geworden als baas van een familiehotel plus bar waar de plaatselijke politici kwamen, hij had z’n contacten en hij zorgde ervoor – en daar zullen best wat penningen aan te pas zijn gekomen - dat die voor hem aan het werk sloegen toen hij ging meedoen aan de gemeenteraadsverkiezingen.

Want van corruptie had Pendergast nóóóit gehoord.

Nee. Je doet wat en je krijgt er geld voor. Gewoon, dienst en wederdienst. Zo dacht hij.


Hij wérd burgemeester en maakte van Kansas City meteen een zogenaamde ‘open city’. Iedereen en alles was er welkom. Van het alcoholverbod trok hij zich niets aan, hij maakte ruim baan voor de ‘working girls’ van de lichte zeden, gokken werd toegestaan en aangemoedigd, en de paardenrennen floreerden er daardoor.

De stad ook.

Hotels, bars, Kansas City zat er vol mee.

En clubs, een honderd en nog wat.

Waar jazz gespeeld werd.
Onder die muzikanten die naar de stad trokken, en er bleven hangen – werk genoeg toch? - was zich een stijl gaan ontwikkelen die anders was dan die van New Orleans. Al eerder was de tweekwarts maat door de vierkwarts vervangen.

De contrabas werd binnengehaald in de ritme-sectie.

En er kwam meer ruimte voor individuele solisten.

Met chase-chorussen en de ‘riffs’ van de blazerssectie daaronder.

Alles wat typisch werd voor latere big bands als die van Count Basie.

Bovendien werd daar in Kansas City de zogenaamde ‘battle’ zo’n beetje uitgevonden.

Niet zoals nu op een festival een tenorbattle met een aantal, saxofonisten vriendelijk tegen elkaar aan blazend op het podium.

Nee, een echte strijd, mét gevolgen.


Bands moesten hun territorium veroveren.

En de beste club betaalde het meest.

Kansas City eind jaren twintig kende twee bands, de Blue Devils en het orkest van Bennie Moten.

In 1928 daagden ze elkaar uit in de Paseo Hall. En volgens een krant uit die tijd bliezen de Blue Devils van bassist Walter Page de band van Bennie Moten band van het podium.

Al was dat niet voor lang.
Moten ging met zijn band naar New York voor een plaatopname en zag daar op de gevel van het Lafayette Theatre in Harlem tot zijn verbazing zijn eigen naam prijken.

De platen van Motens Kansas City Orchestra waren al een hit geworden en een nep-band speelde er doodgemoedereerd onder Motens naam al diens arrangementen na.

Een woedende Moten vloog het theater binnen, dreigde met een rechtszaak.

Maar die kwam er niet van omdat de theaterdirecteur steun uit gangsterland had.

Zo groot was de concurrentie.
Terug naar Kansas City.

Ikzelf kwam daar via m’n dvd-recorder terecht in de fantastische documentaire ‘The last of the blue devils’.

Het verhaal van een stad, van een tijd, van de jazz, en van musici als Moten, Count Basie, Big Joe Turner, Lester Young en bandleider Jay McShann, in wiens orkest daar ooit een jong Kansas City-saxofonistje, genaamd Charlie Parker, was begonnen.
De documentaire is rond 1976 gemaakt door ex-advocaat en muziekliefhebber Bruce Ricker en geproduceerd door jazzliefhebber Clint Eastwood. En hij heeft de vorm van een reunie.

In het gebouwtje van de Muzikanten Vakbond van Kansas City komen ze bij elkaar, al die grote, oudere mannen van destijds.

Blues shouter Joe Turner komt er met zijn enorme lijf op een wandelstok steunend door de sneeuw de trap op.

Count Basie zal er binnenkomen met zijn befaamde schipperspet op.

Binnen heeft het iets van een praathuis.

Foto’s van toen aan de muur. En een piano waarachter Jay McShann grijnslachend de regie in handen houdt.


Wanneer Basie met bootsmanspet binnenkomt is het net of je de buurtkroeg hoort reageren: “Hij is zeker wezen vissen?” zegt de een. En: “Hé, ben je net aan wal?”, de ander. Of: “Heb je je schip voor de deur geparkeerd?”.

Ze zullen de film lang spelen en praten.

Anecdotes, zoals van Jay McShann die vertelt hoe Charlie Parker aan de bijnaam Bird, oorspronkelijk Yardbird kwam.

Met het orkest in de bus op weg naar een optreden, werd op straat een kip aangereden die van een erf, een yard dus, kwam rennen.

Parker liet de bus stoppen, achteruit rijden, stapte uit en haalde de kip snel binnen. De Yardbird dus.

Het werd zijn bijnaam.


Count Basie praat over Lester Young.

We zien zowel Parker als Young, we zien oude en nieuwe beelden van Basie’s big band.

Terwijl Joe Turner onvermoeid de blues zingt. Alsof hij daar in dat muzikantenhonk al jaren met zijn enorme lijf op die stoel zit en bij elk trefwoord zijn Achter het Nieuw in bluesvorm giet.

Het maakt ‘The last of the blue devils’ een van de warmste jazzdocumentaires die er zijn.

‘The blue devils’ was dat orkest dat van uit Oklahoma naar Kansas City trok, de allereerste big band die de jonge William Basie – toen nog geen Count - er hoorde.

En die láátste blauwe duivel is drummer Ernie Williams. Hij loopt zo’n beetje als verteller door de film, wandelt door afbraakwijken van het Kansas City van nu.

En wijst aan waar al die clubs uit de tijd van burgemeester Pendergast zaten.

Nu zitten er pandjesbazen, buurtsupers, barbiers en kledingwinkels van klein allooi.

Een vroegere clubbaas vertelt enthousiast, met een halve meter sigaar in z’n mond, dat er zonder Pendergast geen Kansas City Jazz was geweest.

En verraadt tussen neus en lippen door hoeveel hijzelf de muzikanten toen betaalde.

Drie dollar per avond. Alleen de Count kreeg er vijf.
Het moet een mooie tijd geweest zijn, daar in dat Kansas City van Pendergast, in de jaren dertig.

Al werd Pendergast zelf daarna beentje gelicht en ging hij een tijdje de bak in wegens belastingontduiking.

Maar de jazz leefde er.
Ik zou hier absoluut niet durven beweren dat onze burgervader Deetman dezelfde maatregelen moet nemen als Pendergast deed in Kansas City.

Maar ach, als jazzliefhebber héb je van die fantasieën.

Zoals: dat je na een rijk jazzleven in ál die clubs in de Haagse binnenstad jaren later buurthuis De Kronkel binnenwandelt.

En daar zitten ze dan.

Oud, maar nog lang niet uitgespeeld.

Alle Haagse jazzsterren van lang geleden.



Jarmo Hoogendijk, Ben van den Dungen, Simon Rigter, Michael Varekamp, Udo van Boven, Erik Doelman, Juraj Stanik, Ben Schröder, Peter Beets, Vincent Koning.
Er zou alleen een nieuwe Clint Eastwood moeten opstaan om díe film te produceren.
Column voor Radio West (Jazz op West) 8 februari 2007.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina