De boer en de bosbrand



Dovnload 14.66 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte14.66 Kb.
De boer en de bosbrand
Van de Beek over christelijke toekomstverwachting

Wie schatten vergadert op de aarde, is als een boer die zoveel mogelijk hooi probeert binnen te halen, terwijl de bosbrand zijn boerderij nadert. Zijn schuren zullen er alleen maar des te harder van branden’. Met deze vurige vergelijking typeert Van de Beek zijn hoop op de toekomst. Geen schatten vergaderen hier beneden. Dat verhit alleen maar het oordeel over ons bestaan. ‘Hier beneden was het niet, hier beneden is het niet en hier beneden zal het niet zijn’ (p. 42). Waar het dan wel is? Daarboven in de hemel? Dat zou je verwachten, gezien de aan de piëtistische Jodocus van Lodenstein (1620-1677) ontleende titel van het boek. Maar nee. Daarboven, dat is aan het kruis waar Jezus hing.



Het oordeel

De eeuwen door verlangden christenen naar de hemel. Dat is nu anders, zegt Van de Beek, die vervolgens drie theologieën van de hoop schetst. Er zijn (nog steeds) christenen die een theologie van vernieuwing van deze wereld aanhangen. In onze tijd is er echter vooral sprake van een theologie van de geborgenheid (‘waarbij oude psalmen en moderne opwekkingsliederen elkaar ontmoeten’). En dan is er de theologie van het oordeel. Van de Beek kiest overtuigd voor het laatste type. Daarbij laat hij de oudtestamentische achtergrond van het christelijk geloof spreken. Omdat de wereld bepaald niet rechtvaardig is, ziet Israël uit naar de dag des Heren waarop God de rechtvaardigen zal zegenen en de onrechtvaardigen straffen. Dit is de roep van Israël: de schreeuw om recht. Het antwoord zien we niet, deze wereld toont het niet, de geschiedenis bevat het niet. De hoop tilt ons over de grens van deze oude wereld heen. En deze hoop is de basis van het geloof in de opstanding der doden.


De opstanding van het vlees

Van de Beek belijdt met kracht het geloof in de opstanding van het vlees. De lichamelijke opstanding is het staal van christelijke verwachting, zowel in de verwachting van een duizend-jarig rijk op deze aarde als in de hoop op een nieuwe aarde. Dat betekent een hartgrondig verzet tegen oude en nieuwe gnostiek: het lichaam en het materiële zijn niet minderwaardig. Gnostici zeiden bijvoorbeeld dat het onzin is te denken dat we in de opstanding tanden zullen hebben. Het koninkrijk der hemelen is immers niet spijs en drank (Rom. 14:17). Daarop antwoordt kerkvader Tertullianus dat een gebit nog altijd nuttig is om de kiezen op elkaar te houden als we ketterijen willen uitkramen (p. 68). En passant krijgt ook de hedendaagse gnostieke renaissance (Evangelie van Thomas) met zijn afwijzing van het concrete, lichamelijke bestaan een veeg uit de pan: ‘Dan kan men idealistisch wegdromen met een edeler geest, maar laat de modder van de aarde de modder’ (p. 82). Paulus gaat het niet om de (toch al) onsterfelijke ziel, maar om de opstanding van het sterfelijke lichaam in een verheerlijkt lichaam. Van de Beek waagt de vergelijking met de restauratie van een schip: gehavend als het is geraakt door de grote vaart, wordt het opgekalefaterd waar nodig.


De hel

Het raakt de kern van christelijk geloven dat niet de natuur maar het oordeel essentieel is. Van de Beek neemt het oordeel ernstig. Daarom kan voor hem de hel niet leeg zijn, zoals zijn leermeester Berkhof hoopte. God kan mensen verderven in de hel. Dat betekent niet vernietiging, maar de ware dood als ‘een definitief er zijn als niet gewild zijn’ (p. 96). We moeten daarbij niet kijken naar de sadistische voorstelling van de hel à la Jeroen Bosch, maar wel de volle ernst leren verstaan van de ‘Dag des oordeels’ (Gezang 278 Liedboek voor de kerken). Het oordeel begint bij de kerk en de scheiding gaat dwars door die kerk heen.

Hoe moeten we ons het oordeel concreet voorstellen? Voor moderne wetenschap onvoorstelbaar, meent de kerk doorgaans. Een verademing is het dat bij Van de Beek nu eens niet wetenschap en cultuur de zwarte piet krijgen toegeschoven. Die twee laten juist ruimte voor opstanding van de doden. Waar zit het probleem? Van de Beek hoort als dè vraag van onze tijd: Is God er wel? Doet Hij wel recht? Grijpt Hij wel in? Nee, is ons antwoord. We merken niets van een ingrijpen van Gods kant. Van de Beek’s antwoord is dat we niet goed kijken. God heeft namelijk ingegrepen. In kruis en opwekking van Jezus. Eens en voorgoed. Toen niemand op aarde rechtvaardig bleek, nam Hij de verloren zaak zelf op zich. De zaak van zowel slachtoffer als dader. Daarom is de God die wij belijden voor ons zo’n vreemde God. Dat moeten wij, heidenen van huis uit, steeds weer ontdekken.
De geschiedenis

Waarschijnlijk vond de grootste verandering in de christelijke toekomstverwachting plaats toen men in de negentiende eeuw ging zoeken naar de zin van de geschiedenis, aldus Van de Beek. Die zin is al gegeven, zo weet de christen. Daarboven, aan het kruis van Christus. Voor Van de Beek schrompelt de geschiedenis van tweeduizend jaar christendom dan ook ineen tot het moment van een eenmalige gebeurtenis: dood en opstanding van Christus. Geschiedenis was er tot aan de komst van Christus. Toen was de tijd vervuld – en vol is vol. Christus’ leven en dood is het oordeel over de geschiedenis en tegelijk het einde er van. De éne gebeurtenis van het komen van Christus is de voltooiing van de wereld. Vandaar dat het Nieuwe Testament ook niet spreekt over de wederkomst van Christus maar over zijn komst of aankomst.

Maar - hoe moeten we de ‘tijd’ waarin wij nu leven, dan duiden? Niet als de tijd van het wachten - die is sinds Christus definitief voorbij – maar als de geboorte van de nieuwe aarde. Een geboorte kan zich uitstrekken over enkele dagen. Tweeduizend jaar sinds Pasen is voor God als twee dagen. De wereld zit midden in de geboorteweeën van de nieuwe schepping. ‘Dat kan wel een poosje duren, maar dat is niet echt relevant’.
Christelijk leven

Wat moeten christen intussen doen? Waarop het aankomt, is het behoren bij Christus. In Hem vinden christenen hun identiteit. De doop is hiervan het zegel. Een christen hoeft niet zijn best te doen de wereld te veranderen, zich aan politiek te wijden, een ethiek te ontwerpen. Christelijk ethiek? Het gaat niet om de moraal, maar om de heiliging, de totale dienstbaarheid: ‘Mensen die de vrijheid van Christus niet verstaan, zijn altijd bekommerd over de moraal’ (p. 51). Geen uitgewerkte christelijke ethiek, geen ingevulde verhouding van kerk en staat, geen christelijke politiek of wat daarvoor doorgaat. Niet gehecht zijn aan de dingen van deze wereld. Enkel doen wat je hand vindt om te doen. Als christen je volledig openstellen ten dienste van de ander. In het koninkrijk van God gaat het niet om prestatie maar om oriëntatie (p. 60). In de moderniteit van de zelfontplooiing staan christenen dan ook met twee linkerhanden.

Het behoren bij Christus betekent met andere woorden: vreemdelingschap op aarde. De christen verblijft in een tent, maar dan wel die van een vluchtelingenkamp. Zelfs het beloofde land is een doorgangskamp (p. 48).
Hier beneden is het ook

Het is duidelijk. Het heimwee van Van de Beek naar de vroege christenheid is heviger geworden. Ik vermoed dat hij het liefst in die tijd had geleefd. Zoals Ignatius van Antiochië die het martelaarschap zocht en een brief schreef aan de gemeente in Rome om toch vooral niets te ondernemen wat zijn martelaarsdood zou kunnen verhinderen. Bij Van de Beek herklinken de oernoties van het christelijke geloof. De christen is en blijft vreemdeling in de verstrooiing, bijwoner, ontheemde die het hier beneden nooit zal kunnen vinden. Van de Beek is in zijn jongste boek radicaler dan ooit, zo radicaal dat je als lezer niet anders kunt dan vallen voor dit vlammend vertoog. Dat doe ik dan ook. Tegelijkertijd snak ik naar adem en hunker hevig naar enige ‘trinitarische spreiding’ in dit ongehoord scherpe belijden van de éénheid van God.

Neem de drie modellen van christelijke verwachting die hij beschrijft. Die van de vernieuwing van deze wereld, van de geborgenheid en van het oordeel. Waarom niet alle drie, drie in één? Als een afspiegeling van God, de Ene, die tegelijk als de Drie-ene zich laat zien. In de trant van: het oordeel in alle strengheid, de geborgenheid in alle barmhartigheid en de vernieuwing vanuit de gegronde hoop op een nieuwe aarde onder een nieuwe hemel.

Van de Beek wil van de geschiedenis af. Maar ook hij kan niet zonder. Wanneer tweeduizend jaren christendom geschetst worden als de twee dagen van een geboorte, moeten we bedenken dat ook dat geboorteproces een geschiedenis kent. Er zijn momenten die elkaar (moeten) opvolgen. Er is sprake van een geschiedenis van de verlossing. Elke verloskundige weet daarvan mee te praten. Elke moeder uit eigen ervaring.

Wanneer je hecht aan de vroege kerk, is het cruciaal dat je de voorafgaande inhoud van Oude- en Nieuwe Testament voluit laat uitspreken. Is het toevallig dat Van de Beek spreekt over de oudtestamentische achtergrond van het christelijk geloof? Dat is mij te weinig. Sterker, ik ben na lezing van zijn boek te meer geneigd met onze beider leermeester Van Ruler te zeggen dat het Oude Testament ook voor christenen de eigenlijke bijbel is, en het Nieuwe Testament de verklaring daarvan. Wordt in de hitte van het aanstaande oordeel het Oude Testament niet voorbarig verteerd? Wat horen we nog van Israël als de ‘kring om de Messias’? Staat Van de Beek nog achter zijn uitspraak op het symposium ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Berkhof: ‘Voor de heidenen is Christus van direct belang, voor de Joden slechts indirect: de volheid van Gods heil is hun gegeven in de Thora’? De eenheid van God, mèt Israël onopgeefbaar beleden, biedt voor christenen toch de spreiding van de Naam in drievoud?

Op een boog past één pijl. Van de Beek richt die ene pijl trefzeker op alle vooruitgangsdenken onder christelijke vlag, op alle vlucht in geborgenheid onder christelijk vaandel. En ráák is het. Mag de boog misschien ook een keer verwisseld worden voor een viool, het instrument met vier snaren? Dan kan de ene grondtoon polyfonisch-bijbels klinken. Om te horen de muziek in de aan Israël geschonken verwachting van het koningschap van God, waarin de kerk zegt te delen. Nu alvast. Want hier beneden is het ook.


N.a.v. Dr. A. van de Beek, Hier beneden is het niet, Christelijke toekomstverwachting, Uitg. Meinema, Zoetermeer 2005, 126 pag., 12.50 Euro, ISBN 90-211-4058-6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina