De bosaardbei Fragaria vesca



Dovnload 64.76 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte64.76 Kb.
De bosaardbei (Fragaria vesca) werd al in de bronstijd door mensen gebruikt. Deze plant heeft kleine witte bloemen met 5 rondachtige kroonblaadjes rond diepgele meeldraden. De gedeelde drievoudige bladeren zijn glanzend en hebben een gezaagde rand. De onderkant zijn de bladeren zijdeachtig behaard. De vruchten zijn eigenlijk schijnvruchten en verspreiden een zoetige geur.

 

De bosaardbei groeit vooral in bosgebieden en aan bosranden, meestal op enigszins vochtige zandgrond in gefilterd zonlicht. De plant vormt uitlopers, waaraan weer planten gevormd worden. Ook deze planten kunnen weer uitlopers vormen.



 

Toepassingen

De kleine vruchten hebben een frisse smaak die ze geschikt maakt voor salades, siroop, vruchtensap en jam. De bladeren zijn geschikt voor toevoeging aan salades. Gebruik zowel gedroogde als verse bladeren om een theeaftreksel van te zetten. De wortel kan als een vervanger van koffie worden gebruikt.

 

Geneeskrachtige toepassingen



De vruchten en de bladeren stimuleren de urineafdrijving. De vruchten moeten goed fijn worden gekauwd zodat het goed vermengd wordt met speeksel. Hierdoor worden ook de tanden mooi en helder. Vruchten en bladeren samen gebruikt voorkomt overmatig zweten en onregelmatigheden bij de menstruatie. Een aftreksel van het blad helpt ook verzachtend bij eczeem en pijnlijke ogen.

 

Adderwortel (Persicaria bistorta) is een overblijvende plant en wordt 30 tot 100 cm hoog. De naam is afgeleid van de slangachtige wortel. Adderwortel begint met een wortelrozet en heeft een rechtopstaande stengel met een aarvormige bloeiwijze. Hierbij komen de mannelijke en



vrouwelijke bloemen aan één stengel voor. De rechtopstaande stengels zijn niet vertakt en vormen vaak dichte groepen. De kruipende, gekronkelde en zwarte wortelstok wordt tot 1½ cm dik. De plant vormt uitlopers.

 

De uit een wortelrozet ontspringende bladeren zijn 10 tot 20 cm lang, eirond-driehoekig en hebben een lange gevleugelde steel. De bovenste stengelbladeren zijn smaller, langwerpig-driehoekig en hebben een korte steel of geen steel en omvatten dan de stengel.



De bloemen vormen samen 1 dichtbloemige schijnaar van 1 tot 2 cm breedte. De 5 bloemdekbladen zijn lichtroze en 4 tot 5 mm lang. De bloeitijd loopt van mei tot augustus.

 

Adderwortel groeit het liefst op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte, matig voedselrijke tot voedselrijke grond in o.a. loofbossen, aan slootkanten en bermen, langs beken en riviertjes.



 

Toepassingen

De bladeren hebben een vrij milde smaak, met name de jonge bladeren, en kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze vormen een goede vervanging van spinazie. De bladeren zijn in de meeste jaren te vinden vanaf laat-winter en kunnen worden gegeten tot begin de herfstperiode omdat ze naar gelang het seizoen taaier worden. De bladeren zijn een goede bron van Vitamine A en C.

 

De wortels kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze zijn rijk aan zetmeel en tannine en om de tanninegehalte te verminderen kunnen de wortels in water worden geweekt en dan worden geroosterd. Vanwege de hoge gehalte aan tannine werd adderwortel gebruikt bij het leerlooien. De wortels vormen een smakelijke en voedzame voedselbron. Ze kunnen ook worden gekookt of worden



gebruikt in soepen en stoofpotten en kunnen worden gedroogd om dan te worden vermalen tot een poeder om er brood van te bakken.

 

Geneeskrachtige toepassingen



De wortel kan worden gebruikt als wondkruid. Het moet in de vroege lenteperiode worden verzameld voordat de bladeren beginnen uit te schieten en dan worden gedroogd. Het kan worden gebruikt om wonden en kleine brandwonden uit te spoelen. Tevens helpt een aftreksel van de wortel tegen diarree. Daarbij moet de wortel (40 gr.) een half uur in een liter water worden gekookt, worden

gezeefd en dan verdeeld over de dag worden gedronken. De bladeren vormen een bloedstelpend middel.


De moerasandoorn (Stachys palustris) is een vaste (overblijvende) plant en wordt 40 tot 120 cm. De moerasandoorn geeft een onaangename geur af bij kneuzing. De plant verspreidt zich met dunne wortelstokken waar aan het eind witte knolletjes zitten. De behaarde, holle en rechtopstaande stengel is vierkantig. De 3 tot 12 cm lange, sterk behaarde, getande bladeren zijn lancetvormig tot

langwerpig-ovaal en heeft een zwak hartvormige voet. De bladeren zijn tegenoverstaand en de bovenste zittend.

 

De plant heeft 1,4 tot 1,8 cm lange, purperen bloemen, waarvan de onderlip vaak roodachtig gevlekt is. Soms komen bijde moerandoorn ook planten witte bloemen voor. De bloemen hebben een zwak aromatische geur en staan met vier tot tien stuks in een schijnkrans. De bloeitijd is van juli tot oktober.



 

De glimmende, donkerbruine vruchten zijn nootjes en ongeveer 2,5 mm lang.De moerasandoorn groeit op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot natte, voedselrijke grond en komt o.a. voor in moerasbossen, bermen, ruig drassig grasland, aan oevers en op drooggevallen plaatsen.

 

Toepassingen



De knolletjes kunnen rauw of gekookt worden gegeten en hebben een milde, nootachtige smaak. De knolletjes kunnen worden gedroogd en tot poeder worden vermalen om onder andere brood mee te bakken. De knolletjes worden in de herfst gevormd. Alhoewel ze klein zijn, zijn ze tamelijk glad en worden in redelijke hoeveelheden geproduceerd. De jonge scheuten moeten worden gekookt.  

 

Geneeskrachtige toepassingen



De plant heeft een wondhelende en antiseptische werking bij externe en interne bloedingen. De bladeren met hun lange, witte zijdeachtige haren kunnen worden gebruikt om wonden te bedekken. Uitgeperste sap kan worden gebruikt bij het stelpen van bloedingen en een aftreksel van de plant bij interne bloedingen. Ook kan de plant gebruikt worden bij krampen en pijn in de gewrichten. Bij kneuzingen kan van de wortel een kompres worden gemaakt. Andoorn moet voor de bloeiperiode van de bloemen worden verzameld en kan voor later gebruik dan worden gedroogd.
Akkerkool (Lapsana communis) is een eenjarige plant en wordt 30 tot 120 cm hoog. De bebladerde stengels staan rechtop, zijn soms vertakt en dragen meestal verspreide borstelharen, maar naar boven toe worden ze kaal. De bladeren zijn wat behaard en zijn vrij lichtgroen,

bochtig getand en eirond. De onderste bladeren hebben vaak enkele lobben aan de voet en zijn in de steel versmald. De hogere stengelbladeren zijn vaak niet gedeeld en soms zittend.

 
De bloemen vormen samen losse pluimen met 8 tot 15 bloemen. De lang gesteelde, lichtgele bloemen zijn 1 tot 2 cm groot en de kroonbladen zijn lintvormig. De bloeitijd is van juni tot september.

 

Akkerkool groeit op zonnige tot licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige grond en is o.a. te vinden langs bosranden, in loofbossen, struwelen en houtwallen.



 

Toepassingen

De jonge bladeren en scheuten kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze kunnen het beste voor de bloei worden verzameld. De bladeren kunnen aan een salade worden toegevoegd, gekookt als spinazie of worden toegevoegd aan soepen en stoofgerechten. De bladeren hebben een bittere tot radijsachtige smaak.
Geneeskrachtige toepassingen

De bladeren werken licht laxerend.

 

Gewoon barbarakruid (Barbarea vulgaris) is een twee jarige plant en wordt 20 tot 90 cm groot. De gesteelde wortelbladeren hebben aan beide kanten 2 tot 5 eivormig en langwerpige blaadjes en een groot, rondachtig topblaadje. De bovenste stengelbladeren zijn niet gesteeld. Deze zijn bochtig ingesneden en hebben geen of 1 paar zijslippen.



 

De gele kroonbladen van de bloemen zijn van 5 tot 7 mm groot en groeien in trossen. De kelkbladen zijn kaal. De kroonbladen zijn dubbel zo lang als de kelkbladen. De bloeitijd is in april, mei en juni.

 

Barbarakruid groeit het liefst op zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige grond zoals in bermen, heggen, duinen en grasland en langs oevers en spoorwegen.



 

Toepassingen


De jonge bladeren worden gekookt als spinazie of worden fijngehakt aan salades toegevoegd. De oudere bladeren worden gebruikt als een kruid, maar zijn erg sterk van smaak. Daarom worden ze eerst even gekookt om de sterkte eraf te halen. De bladeren zijn het hele jaar te verzamelen. Jonge bloemstengels kunnen voordat de bloemen uit zijn gekomen worden verzameld. 
Ruw beemdgras of ruwbeemd (Poa trivialis) is een overblijvende plant en wordt 40 tot 100 cm hoog. De ruw aanvoelende bladeren zijn donkergroen met vaak een purperen waas en hebben een glanzende onderkant. Ze kunnen tot 20 cm lang worden en zijn naar de top toe smaller. De ruwe bladscheden zijn iets samengedrukt. Het tongetje is 5-10 mm lang en heeft een spitse top.

 

Ruw beemdgras bloeit van mei tot juli met een pluim. De aartjes zijn eivormig en maximaal 4 mm lang. Elk aartje bevat twee tot vijf bloempjes. Ze zijn groen en hebben net als bladeren vaak een purperen waas over zich. De vrucht is een graanvrucht.



 

Deze soort groeit op allerlei plaatsen, vooral op vochtige tot natte grond en is o.a. te vinden aan oevers, in graslanden, wegbermen, duinen, moerassen, rietland, struikgewas, bossen en langs bosranden en -paden.

 

Toepassingen



De vruchten kunnen van juli tot en met september tot meel worden gemalen.
De gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) is een 90 tot 150 cm vaste plant en behoort tot de schermbloemenfamilie. De krachtige, holle stengels van deze plant worden een duim dik en manshoog en zijn kantig, duidelijk gegroefd en stijf borstelharig. De enkelgeveerde bladeren worden

20 tot 50 cm lang. De wortelbladeren zijn langwerpig, diep gelobd of grof getand en de bovenste bladeren hebben een sterk opgeblazen bladsteel. De bloemschermen zijn tot 20 cm breed met witte bloemen in schermen van 12 tot 45 stralen. De berenklauw bloeit van juli tot oktober. De wortel

is een penwortel. De gewone berenklauw komt voor op zonnige en halfschaduwachtige plaatsen en bloeit op matig droge tot vochtige grond. De plant groeit op grasland, in bossen en in onkruidvegetaties. 

 

Toepassingen



De jonge plant is nog niet giftig. De jonge bladeren en loten kunnen, voordat de bladeren zich helemaal hebben ontvouwen, in het voorjaar worden geplukt en als groente worden gekookt of worden toegevoegd aan soepen. De 15 tot 20 cm lange, jonge stengels kunnen als groente worden gegeten of worden toegevoegd aan soepen. De stengels moeten geplukt worden voordat het blad zich gaat ontvouwen. Oudere stengels kunnen geschild worden gegeten. 

 

Let op!!


Bij sommige mensen kunnen op de huiddelen die in contact zijn geweest met het sap en die blootgesteld zijn aan zonlichtrode jeukende vlekken verschijnen; gevolgd worden door zwelling en blaarvorming. Het lijken brandwonden en het kan twee weken duren voordat het genezen is. Wanneer het sap in de ogen komt, kan dit tot blindheid leiden. Als voorzorgsmaatregel moet dus elk contact met het plantensap vermeden worden. Als dit toch gebeurd is, moet het sap zo snel mogelijk worden afgespoeld en blootstelling aan zonlicht van de huiddelen worden vermeden.

 

 Bernagie (Borago officinalis) is een ruwharige eenjarige plant en wordt 45 tot 90 cm hoog. De dikke stengels zijn vertakt en hol. De bladeren zijn 7 tot 20 cm lang en puntig ovaal van vorm. De onderste bladeren zijn meer eirond en gesteeld en de bovenste meer langwerpig en stengelomvattend. Alle onderdelen van de plant (stengels, bladeren, en bloemknoppen) zijn bedekt met korte haren. Voor de bladeren geldt dit voor zowel de bovenals onderzijde.



 

De bloeitijd valt vanaf mei of juni tot de herfst. De bloemen zijn felblauw met een witte hart bestaande uit fijne kroonblaadjes en zwarte helmknoppen. De kelk is 0,5 tot 2 cm lang. De hangende bloemen staan aan het eind van de stengel. De kelkbladen zijn 0,5 tot 1,5 cm lang en puntig van vorm. Bernagie groeit op vochtige, voedselrijke bodem.

 

Toepassingen


De jonge bladeren kunnen worden toegevoegd aan salades of als spinazie gegeten. Hij heeft een zoutige, komkommerachtige smaak. Vanwege de haren kunnen de bladeren beter fijn worden gesneden. De bloemen hebben een zoete smaak. Van zowel de bladeren als de bloemen kan thee worden gemaakt. De stengels produceren zout wanneer ze worden gekookt.
Geneeskrachtige toepassingen

Een aftreksel van de bladeren en de bloemen werkt vochtafdrijvend, koortswerend en bevorderen het zweten en is daarom goed bij verkoudheid en griep. De bladeren moeten in de late lenteperiode en zomer worden verzameld zodra de bloemen beginnen te verschijnen. Ze kunnen worden gedroogd, maar moeten niet langer dan een jaar worden bewaard, omdat dan de medicinale

werking verminderd. Een aftreksel helpt ook bij uitwendig gebruik tegen stramme spieren en stijfheid.

 

Bies (Cyperaceae) of biezen is een dun, hoog opgroeiend oevergewas en groeit in ondiep water en vochtige bodems. Bies is herkenbaar aan zijn lange ronde stengels. De stengels zijn lichtgrijs tot groen en redelijke zacht. De hoogte varieert van 30 cm tot wel 4 meter. Bij veel soorten is de stengel



het duidelijkst aanwezig en vaak met alleen smalle, nauwelijks ontwikkelde bladeren aan de basis van de plant. De bladeren zijn slank en V-vormig. Bies heeft een pluim bestaande uit 3 of meer aren. De kleine bloemen verschijnen in aren net onder de top van de stengels en lijken op oranjebruine schubben.

 

De plant verspreidt zich door middel van stevige wortelstokken en lange, dikke, bruine ondergrondse stengels waarbij op de knopen een nieuwe plant ontstaat.



 

De binnenkant van elke stengel bestaat uit sponsachtig materiaal met luchtcellen. Het mergachtige binnenkant maakt dat bies een bruikbaar materiaal is. Hierdoor is het flexibel en een slechte geleider van warmte. Door het laatste is bies goed te gebruiken als isolatiemateriaal, omdat het de lichaams-warmte nauwelijks opneemt.

 

Toepassingen



Bies kan voor verschillende doeleinden worden gebruikt, zoals voor het maken van touw, 0nderkomens, manden, boten of kano’s, lokvogels. Repen bies kunnen tot een cape, schoenen of beenbeschermers worden gevlochten, zodat dit bescherming biedt tegen het weer. Bies lijkt wat betreft eetbaarheid op de lisdodde, maar smaakt zoeter.

De in de lente opkomende scheuten kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Het stuifmeel kan als bloem worden gebruikt bij het maken van brood, pap of pannenkoeken. Later in het seizoen kunnen de zaden worden verzameld door ze van de plant af te slaan en op te vangen in manden. Daarna kunnen ze tot meel worden gemalen. Hetzelfde geldt voor de ondergrondse stengels. Door ze te drogen kunnen ze tot meel worden gemalen, maar ze kunnen ook rauw of gekookt worden gegeten.

 

Wilde bieslook is een overblijvende plant en wordt 15 tot 50 cm hoog. De rechtopstaande



stengels zijn hol en rolrond. Ze dragen geen bladeren. De plant vormt dichte, grasachtige pollen.

De plant zorgt voor een voedselvoorraad onder de grond die de winter overleeft, zodat deze in de

lente heel snel op kan komen en kunnen bloeien en zaad produceren. Iedere 'bol' vormt een

nieuwe bol, maar dikwijls ook meerdere broedbollen aan de wortels.

De smal klokvormige bloemen vormen samen een dicht, bol scherm. Ze zijn roze of lila met

donkerder middennerven en 0,7 tot 1,5 cm groot. De meeldraden zijn korter dan de bloemdek-

bladeren. De helmdraden zijn priemvormig en niet getand. De plant bloeit in juni en juli.

 

Wilde bieslook groeit op zonnige, soms licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige grond



en komt o.a. voor in rivierduinen, bij rotsachtige plaatsen en zandige uiterwaarden.

Toepassingen

De stengels kunnen rauw, gekookt of gedroogd worden gebruikt. De stengels hebben een mild

uienachtige smaak en vormen een uitstekende toevoeging aan salades of als smaakversterker in

soepen. De stengels zijn vanaf de late winterperiode verkrijgbaar en kan tot vroege winterperiode

van het volgende jaar stengels blijven produceren. Vooral de jonge, dunne stengels moeten worden

gebruikt, omdat de dikkere stengels de neiging hebben om taai te worden.  
Gewoon biggenkruid (Hypochaeris radicata) wordt 20-60 cm hoog. De plant heeft vertakte, onbehaarde stengels die met melksap gevuld zijn. De bladeren vormen een breed langwerpig bladrozet, welke getand kunnen zijn of afgeronde insnijdingen hebben en zijn meestal ruwbehaard.

De eindlob is afgerond. Het is een plant die ook in de winter groen blijft.


De bloemen zijn geel. Er zijn alleen lintbloemen. De bloemkroon is namelijk vergroeid tot een enkel bloemblad, waarvan de oorspronkelijke vijf bladen nog te herkennen zijn aan de tandjes aan het uiteinde ervan. De buitenste lintbloemen zijn groen of grijs aan de onderzijde. Het schotelvormig of bolvormig hoofdje heeft een doorsnede van 2,5 tot 4 cm. Het hoofdje zit op een kale, bovenaan vertakte stengel met kleine schutblaadjes. De bloeiperiode loopt van juni tot september.

Biggenkruid komt algemeen voor op open zandgrond, in grasland, langs wegen en in de duinen. De soort groeit op allerlei grazige plaatsen.

 

Toepassingen



De bladeren kunnen gekookt gegeten worden of rauw worden toegevoegd aan salades en soepen. Biggenkruid vormt een belangrijke bron van vitamine C.
Boerenwormkruid (Tanacetum vulg) is een overblijvende plant en wordt 60 tot 120 cm hoog. De plant heeft een kantige donkerbruin gekleurde stengel die alleen in de bloeiwijze is vertakt. De donker-

groene bladeren zijn afgebroken geveerd met naar de top van het blad veerdelig en bezet met klierharen. Bij het aanraken van het blad zorgen deze klierharen voor een wat onaangename geur.

De bovenste bladeren zijn niet gesteeld.

 

Boerenwormkruid bloeit met platte schermen, die uit tientallen individuele bloemhoofdjes bestaan. De buisbloempjes staan in schijnschermen zeer dicht opeen en geven het scherm stevigheid.



De hoofdbloei valt in de periode juni tot en met augustus en de nabloei kan tot aan de herfst aanhouden.

 

De plant groeit op zonnige, zelden licht beschaduwde plaatsen op droge tot vochtige grond en komt o.a. voor in bermen, ruigten en loofbossen, langs dijken en oevers, en op rivier- en beekoeverwallen.



 

Toepassingen

De bladeren kunnen in kleine hoeveelheden aan salades of aan koeken worden toegevoegd. Boerenwormkruid wordt ook gebruikt als kruid. Van de bladeren, bloemen en bloemstengels kan een wat bitter smakende thee worden gezet.
 

Geneeskrachtige toepassingen

Boerenwormkruid werd inwendig gebruikt als een antiwormmiddel bij het verdrijven van wormen uit de darmen, maar moet voorzichtig en in kleine hoeveelheden worden gebruikt. De essentiële olie in de bladeren is namelijk giftig en kan daarom bij inwendig en uitwendig gebruik dodelijk zijn.  Boerenwormkruid werd uitwendig gebruikt bij zwellingen door van de bladeren en bloemen een

papje te maken. Boerenwormkruid werd ook uitwendig gebruikt tegen vlooien, luizen en schurft. De bloemen van deze plant moet

voordat het in bloei komt worden verzameld en kan dan voor later gebruik worden gedroogd.

 

Let op!!!



De plant mag niet door zwangere vrouwen worden gebruikt, omdat het gebruik hiervan kan leiden tot zwangerschapsonderbreking.
Brandnetels hebben brandharen aan de stengel en aan de onderzijde van het blad. In de buurt van brandnetels groeit meestal zuring, weegbree, dovenetel of hondsdraf, waarvan het sap helpt om het branderige gevoel te verzachten. De bovengrondse delen van brandnetel zijn rijk aan ijzer, 

vitamine A en C,en mineralen.

Grote brandnetel (Urtica dioica)

Dit is een overblijvende vaste plant met wortelstokken en een lengte van 30 tot 150 cm. Soms zelfs tot een hoogte van tot 2,5 m. De kruipende wortelstok is rond en de stengel vierkant en evenals de bladeren bezet met brandharen. De planten zijn meestal tweehuizig en hebben dus vrouwelijke of mannelijke bloemen. De bloemtrossen van de grote brandnetel hangen in okselstandige aren. De brandnetel is een windbestuiver. De bloeiwijze van de mannelijke en vrouwelijke plant verschillen van elkaar. De mannelijke planten hebben kortere zijtakken dan de vrouwelijke planten. De zijtakken van de vrouwelijke planten gaan na de bevruchting enigszins hangen. De bloei is van juni tot de herfst. Op de plant komen zowel gewone als brandharen voor. De grote brandnetel komt voor op stikstofrijke, humushoudende grond en vaak op halfbeschaduwde plaatsen.

 

Kleine brandnetel (Urtica urens)



De kleine brandnetel is een eenjarige plant met een geel-witte penwortel en wordt maximaal 50 cm hoog. De bladeren zijn dun en diep ingezaagd. De planten zijn eenhuizig. De bloemtrosjes in de oksels van de bladeren, met vrouwelijke en mannelijke bloemen, staan voor het grootste deel rechtop of schuin uit. Bloei van mei tot de herfst. Op de plant komen alleen brandharen voor. De kleine brandnetel komt voor op akkerland en op opengewerkte grond in de duinen.

 

Toepassingen



De jonge brandnetelstengels en -bladeren van de grote brandnetel kunnen als een soort spinazie gegeten worden. De lange stengels smaken het beste in het voorjaar. Zeer jonge stengels kunnen als sla gegeten worden. Ook kan van brandnetels soep gemaakt worden. Verpak vis en vlees in brandnetelbladeren om ze langer fris te houden. Uit de stengel van de grote brandnetel

worden vezels gewonnen en verwerkt tot touw en neteldoek (zeef).

 

Geneeskrachtige toepassingen



Door bladeren en stengels in water te weken komt er een geur vrij die uitstekend geschikt is voor de bestrijding van luizen. Verder helpt het sap tegen allerlei haarproblemen, zoals roos, door het in de hoofdhuid te masseren. Gekneusde bladeren kunnen als een kompres worden aangebracht ter verlichting van brandwonden en wonden. De bladeren helpen in de vorm van een gorgeldrank ter verzachting van kiespijn. De plant kan voor medische doeleinden het beste in mei of juni worden verzameld wanneer de bloei aanbreekt en kan dan worden gedroogd.

 

 Bronkruid (Montia fontana). Bronkruid is een eenjarige plant op het land of eenjarig of overblijvend in het water. Een kleine soort wordt 5 tot 15 cm (Kleine bronkruid) hoog en een grote soort 10 tot 40 cm (Groot bronkruid). De slappe, sterk vertakte stengels zijn vaak rood aangelopen en ook iets



doorschijnend. Meestal zijn de stengels liggend, maar kunnen soms opstijgend zijn of zwevend in het water. De smalle, tegenoverstaande bladeren zijn iets vlezig, spatel- tot lijnvormig en hebben een lengte 0,5 tot 1,5 cm.

 

De bloemen groeien in kleine losse kluwens van 2 tot 5 bloemen. Ze zijn wit, 1 tot 2 mm groot en trechtervormig. De buis is aan 1 kant open. De zoom heeft 3 kleine en 2 grote slippen. Elke bloem heeft 3 meeldraden. De blijvende kelk bestaat uit 2 bladen. De bloeitijd is tussen april en september.



 

Bronkruid groeit op zonnige, soms licht beschaduwde, open plaatsen op natte tot vochtige grond. Groot bronkruid groeit daarnaast ook in stilstaand of zwak stromend water.

 

Toepassingen


De bladeren kunnen aan een salade worden toegevoegd. De bladeren kunnen in de zomer bitter worden en dan vooral als de plant op een hete, droge plek groeit.
Wilde cichorei (Cichorium intybus) is een overblijvende plant en wordt 30 tot 120 cm hoog. De rechtopstaande, gegroefde en dofgroen gekleurde stengel is vertakt en vaak ruw behaard. Het blad is diep gelobd met een golvende, getande rand. De stengelbladeren zijn minder ingesneden.

De bladeren zijn aan de onderkant borstelig behaard.

De helderblauwe bloemhoofdjes groeien in kleine bijschermen in de bovenste bladoksels. De bloeiperiode loopt van juli tot augustus.
De wilde cichorei groeit op zonnige plaatsen op matig droge tot vochtige grond en is te vinden in weilanden, uiterwaarden, rivierdijken, ruige grazige begroeiingen en langs akkers.

 

Toepassingen



De bladeren en de kroon aan de worteltop moeten al vroeg in het voorjaar geplukt worden, want ze worden heel snel bitter. De jonge bladeren kunnen worden gekookt als groente of versnipperd worden toegevoegd aan salades. Door de bladeren te blancheren wordt de bittere smaak minder. Bloemen kunnen aan salades worden toegevoegd, Jonge wortels kunnen als groente worden gekookt of gedroogd, geroosterd en gemalen en gebruikt als vervanging voor koffie. De wortels worden

gebruikt om o.a. soepen te kruiden. Van de wortels kan siroop worden gemaakt.


 Citroenmelisse (Melissa officinalis) is een overblijvende plant die naar citroen ruikt. Hij wordt 40 tot 90 cm hoog. De rechtopstaande stengels zijn vierkant, lichtgroen en vertakt. De geelgroene, naar citroen geurende bladeren zijn gesteeld, eirond tot ruitvormig, gekarteld of diep getand en

aan de voet afgeknot of min of meer hartvormig.

 

De bloemen staan in schijnkransen in bebladerde, armbloemige aren. De naar één kant gekeerde bloemen zijn wittig of bleekgeel en vaak roze aangelopen. Ze zijn 0,8 tot 1,5 cm groot. Bloeitijd is van juli tot en met september.



 

Citroenmelisse groeit meestal op licht beschaduwde, soms zonnige plaatsen op vochthoudende, matig voedselrijke grond.

 

Toepassingen



Citroenmelisse is een kruid o.a. bij visgerechten, soepen en sauzen.

 

Geneeskrachtige toepassingen



Citroenmelisse is een prima middel tegen het verjagen van steekmuggen. Verse bladeren kunnen op insectenbeten en zweren worden gelegd of er kan eerst een papje worden gemaakt. Een aftreksel van zowel gedroogde als verse bladeren kan als thee worden gebruiken voor verlichting bij kou met koorts, hoofdpijn en om spanningen wat te verminderen. Citroenmelisse heeft een kalmerende effect op het zenuwstelsel en helpt bij onrust als gevolg van slapeloosheid en bij andere aandoeningen van het zenuwstelsel. De olie van de plant is een krachtige bacterieremmer en vormt daardoor een uitstekende rottingswerende wondverband. Een thee geeft een ontspannen gevoel. Citroenmelisse helpt bij een moeilijke spijsvertering, het werkt krampstillend op de maag en de darmen. Een aftreksel van de hele plant helpt tegen koorts en misselijkheid.

 

De plant moet voor de bloeitijd worden verzameld, van begin juni tot het einde van de zomer.


Daslook (Allium ursinum) is een overblijvende plant en wordt 20 tot 40 cm hoog. De stengels zijn 3-kantig of halfrond. De planten vormen pollen en grote groepen. De wortels bestaan uit langwerpige bollen. De meestal uit tweeën bestaande ovale, wortelstandige bladeren zijn 2 tot 5 cm breed,

donkergroen en parallelnervig. De bladsteel is 5 tot 15 cm lang. De bladeren verspreiden een sterke uiengeur.

 

De zuiver witte bloemen hebben zes witte bloemdekbladen en zijn in losse bolvormige schermen gegroepeerd. De plant bloeit van april tot juni, maar soms tot juli. De plant groeit vaak in groepen en trekt door de sterke uienlucht snel de aandacht. Elke bloem heeft 6 meeldraden, die ongeveer half zo lang zijn als de bloembladen. De zaden zijn zwartbruin.



 

Daslook groeit op beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke grond en is te vinden in o.a. loofbossen en struikgewas.

 

Toepassingen



De bladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten en zijn vaak al vanaf eind januari te vinden. De bladeren moeten voor de bloei worden verzameld en kunnen fijngehakt in salades en in soepen worden gebruikt. De bloemen kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze zijn vaak sterker van smaak dan de bladeren en kunnen in kleine hoeveelheden aan een salade worden toegevoegd. De bloemhoofden kunnen nog worden gegeten als de zaaddozen zich gaan vormen. Als de zaden rijpen

wordt de smaak nog sterker. Een bol kan rauw of gekookt worden gegeten. Een bol heeft een vrij sterke knoflooksmaak en kan, indien de plant niet uitkomt, van de vroege zomerperiode tot de vroege winterperiode worden verzameld. De bollen kunnen 4 cm lang worden en een diameter hebben van 1 cm.  

 

Geneeskrachtige toepassingen



Voor medische doeleinden kunnen alle plantdelen worden gebruikt, maar een bol heeft de sterkste werking. Daslook verlicht buikpijn en is een middel bij storing van de spijsvertering. De hele plant kan worden gebruikt bij een aftreksel tegen aarswormen.
Dille (Anethum graveolens) is een aromatische, eenjarige plant tot 50 cm hoog. Hij heeft meestal een enkel, holle, gegroefde, blauwgroene stengel. Hij heeft hele fijne naaldachtige bladeren. Het is een kruid met een heel verfijnde smaak.

 

De kleine gele bloemen groeien in een eindstandig scherm. De kleine vruchtjes zijn ovaal


en sterk ineengedrukt, donkerbruin met blekere vleugels.

 

Toepassingen



Jonge bladeren worden gebruikt om soepen en sauzen op smaak te brengen. De bladeren kunnen tijdens de gehele groeiperiode worden verzameld, maar het is beter om ze voor de bloei te verzamelen. Dille moet niet worden meegekookt en niet gecombineerd met andere kruiden, omdat het dan zijn smaak verliest. Dillezaad kan over salades worden gestrooid of in deegwaren worden meegebakken. Van de bladeren en de zaden kan thee worden gezet.

 

Geneeskrachtige toepassingen



Dille werkt rustgevend. Een beetje dille zaad in warm water en na een maaltijd opdrinken, maar door meer dillezaad in heet water te gebruiken werkt het als een slaapmiddel. Door bij het groen een beetje olie toe te voegen, werkt het als een heelmiddel bij slecht genezende wonden. De distel is een stekelige plant met bloemen in hoofdjes en omgeven door puntige omwindselblaadjes. De kleur is meestal rood tot paars, maar soms lila of wit. De vruchtjes aan de top zijn voorzien van vruchtpluis (distelpluis). Het is een tweejarige plant. In het eerste jaar vormen zich de wortel en het bladrozet. In het tweede jaar ontwikkelen zich de bloemen en vruchten. De naam distel is een verzamelnaam van verschillende geslachten, zoals distels van het geslacht Carduus en vederdistels van het geslacht Cirsium. Ze onderscheiden zich doordat de haren van de distels getand en enkelvoudig zijn en bij de vederdistel zijn ze geveerd. De akkerdistel en speerdistel zijn twee voorbeelden van het geslacht vederdistel.

 

Toepassingen akker- en speerdistel



De stengels bevatten veel vocht en door te kauwen komt dit vocht vrij. Nadat de stekels zijn verwijderd kunnen de jonge bladeren en stengels rauw of gekookt worden gegeten. Schil wortels die in het eerste jaar worden gevormd waarna ze worden gekookt of gebakken. Na het koken kunnen de wortels ook tot meel worden gemalen. De vezels van de plant kunnen tot touw worden gemaakt.

 

De Akkerdistel (Cirsium arvense) is nauwelijks vertakt en de stengel kan een hoogte bereiken van 60 tot 150 cm. De stengel groeit vanuit een wortelstok. De bladeren zijn aan de bovenkant donkergroen en aan de onderkant zilverig wit. Aan de bovenzijde zijn ze kaal en glanzend. De stekelige, lancetvormige bladeren zijn vaak veerspletig, plat en ongelijk verdeeld.  



De plant heeft meestal meer dan 4 bloemhoofdjes. De bloemhoofdjes zijn langgesteeld in schermvormige pluimen. De bloemhoofdjes bloeien in een lichtpaarse, soms bijna witte kleur van juni tot en met september. De bloemen zijn alleenstaand of vormen pluimen met een scherm van

2 tot 5 bloemen. De plant is vaak tweehuizig, waarbij de mannelijke bloemhoofdjes iets groter zijn dan de vrouwelijke bloemhoofdjes.

 

De Akkerdistel heeft ver kruipend, sterk vertakte wortels, welke soms tot 2 meter diep zitten. Uit ondergrondse stengels (rizomen) kunnen weer een plant worden gevormd. 



De akkerdistel komt voor op zonnige, open plaatsen met droge of vochtige, zeer voedselrijke grond.

 

De Speerdistel (Cirsium vulgare syn. Cirsium lanceolatum) is een plant uit het geslacht vederdistel. De grijsgroene, vaak struikachtig vertakte plant kan tot 150 cm hoog worden. De langwerpige bladeren zijn aan de onderkant grijsviltig en van boven dofgroen. Ze zijn wat ruw door de fijne stekeltjes en lopen uit in lange gele stekels. De plant bloeit met grote distelkoppen die onder de paarse bloempjes zijn ingesnoerd. De bloemen staan alleen of met 2 of 3 bij elkaar en hebben een doorsnede van 2 tot 5 cm.De bloei duurt van juni tot eind september.



 

De speerdistel heeft van de distels de scherpste en grootste stekels. De bloemen zijn omgeven door puntigeomwindselblaadjes. De vruchtjes zijn aan de top voorzien van geveerd vruchtpluis (distelpluis). Het is een tweejarige plant; in het eerste jaar vormen zich de wortel en het bladrozet en in het tweede jaar ontwikkelen zich de bloemen en vruchten. Net als de akkerdistel heeft de speerdistel ver kruipend, sterk vertakte wortels. Uit ondergrondse stengels (rizomen) kunnen weer een plant worden

gevormd.

De speerdistel komt voor op zonnige open plaatsen op matig droge tot vochtige grond, zoals in duinen en bossen, op grasland en aan oevers. Ook komen ze voor aan de natte randen van ruig rietland,

bij ruige bermen en op zandruggen in uiterwaarden.

 

Dovenetel



De Witte dovenetel (Lamium album) wordt 30 of 40 cm hoog, maar dit is afhankelijk van seizoen, standplaats en klimaat kan tot anderhalve meter hoog worden. Deze plant heeft een vierkante, holle stengel. De bladeren zijn paarsgewijs tegenoverstaand. Aan de voet van de steel zijn de bladeren

hartvormig, aan de top meer langwerpig. De bladeren en stengels lijken sterk op die van de brandnetel, maar hebben geen netels met mierenzuur.

 

Het meest opvallende kenmerk van de plant zijn de witte, soms geel aanlopende bloemen. Deze ontspringen in het bovenste deel van de plant rondom de plaats waar de bladeren uit de stengel komen. Zo'n krans bestaat uit 8 of meer lipvormige bloemen, elk zo'n 2 tot 4 cm groot.



 

De bloeitijd is van mei tot augustus. Het zaad wordt door mieren verspreid. De plant groeit o.a. langs wegbermen, dijken en bosranden.

 

Toepassingen



De rijpe bloemen van de witte dovenetel laten makkelijk los van de plant, waarna de nectar er makkelijk uit te zuigen is. De bloemen van alle soorten zijn eetbaar. De jonge blaadjes van alle soorten zijn geschikt voor salade, in de soep, of kunnen kort worden gekookt. Van het gedroogde blad en van de bloem kan thee worden gezet. 

 

Geneeskrachtige toepassingen



Een aftreksel van bloemen en scheuten helpt bij het schoonmaken van huiduitslag/zweren/wonden en bij menstruatieproblemen.

 

De paarse dovenetel (Lamium purpureum) is een 5 tot 30 cm hoge, een- of tweejarige plant die opvalt door de kleine, 1-2 cm grote paars/roze bloemetjes. Ook de bovenste delen van de duidelijk vierkante stengel kan paars kleuren. De lichtgroene bladeren zijnongeveer driehoekig van vorm en staan in paren kruisgewijs tegenover elkaar. De bladeren zijn behaard. De plant bloeit al zeer vroeg, vanaf februari tot mei en nogmaals in september tot oktober. Ze groeit met voorkeur op beschaduwde plaatsen en een vochtige grond. De plant vormt vaak dicht opeengedrongen groepen waar elke ander vegetatie wordt uitgesloten. 



 

De gevlekte dovenetel (Lamium maculatum L.) is een 20 tot 80 cm hoge, vaste plant. De plant heeft 2-3 cm grote roze gekleurde bloemen en zijn dus groter dan die van de paarse dovenetel. De 'vlek' in de naam slaat op de zilverkleurig / grijze streep langs de hoofdnerf van het blad. De bloeitijd is van april tot november. De plant groeit vaak op dezelfde plaatsen als de paarse dovenetel, de witte dovenetel en de brandnetel. De plant houdt van een permanent enigszins vochtige grond. De plant vormt, net als de paarse dovenetel, vaak dicht opeengedrongen groepen.

 

Gewoon duizendblad (Achillea millefolium) is een overblijvende of vaste plant. De plant wordt 30 cm tot 1 m hoog. De stengels en bladeren zijn behaard. De bladeren zijn vederachtig, diep ingesneden en donker grijsgroen, waardoor het lijkt of het uit zeer veel kleine blaadjes bestaat.


De plant bloeit van juni tot september met kleine vaalwitte (soms roze) bloemen in enigszins platte trossen.

 

Duizendblad is een zeer algemeen voorkomende plant op allerlei grondsoorten. De plant is in het wild te vinden langs paden en wegen en op weilanden. De plant kan goed tegen droogte. De plant vormt



ondergronds wortelstokken voor de verspreiding.

 

Toepassingen



De jonge bladeren worden als spinazie klaargemaakt of in soep gedaan. Ook kunnen ze aan een salade worden toegevoegd. De bladeren zijn zoet met een iets bittere smaak.

 

Geneeskrachtige toepassingen



Van de bloemen en de bladeren kan een thee worden gezet en helpt bij spijsverteringsproblemen, het heeft een stimulerende werking op de maag bij gebrek aan eetlust en slechte vertering. Duizendblad bevordert de transpiratie. De olie uit de plant heeft een desinfecterende en ontstekingswerende werking. Duizendblad stelpt uitwendige en inwendige bloeding in de darmen, nieren, neus, longen en baarmoeder. De bladeren kunnen, nadat er op is gekauwd, op een wond worden gelegd. Ook kan een gekookt extract van de plant worden gebruikt om wonden te verzorgen. Het verse sap van de plant kan in een kompres worden aangebracht op zweren en steenpuisten.

 

Een thee, eventueel met een gelijke hoeveelheden vlierbloesem en munt, is goed tegen griep en andere koortsen. Daarbij moet de thee goed heet en in ruime hoeveelheden worden gedronken. Een theemengsel van duizendblad, kamille en pepermunt helpt bij problemen met het maagkanaal en gal.



 

Let op!!



Bij veelvuldig gebruik kan duizendblad bij sommige mensen allergische huiduitslag veroorzaken. Deze plant lijkt op een schermbloemige, maar de bloemetjes staan toch ieder apart. Uit deze familie van schermbloemigen zijn er planten die op duizendblad lijken, maar zeer giftig zijn. Wees er zeker van dat het duizendblad betreft.

 

 



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina