De Brief aan Filemon



Dovnload 60.8 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte60.8 Kb.



De Brief aan Filemon

2. Als slaaf van huis - als broeder weer thuis (Filemon: 13-25)


Onésimus, de uit het huis van Filémon weggelopen slaaf, is bij Paulus in de gevangenis aangeland. En daar gebeurt er iets heel wonderlijks met hem. Wat hij in Filémons huis in Kolosse blijkbaar niet heeft opgemerkt, dat gaat nu voor hem leven. Een mens die naar het beeld van God geschapen is, is een vrije in Christus. Dat mag hij door het onderwijs van de apostel Paulus leren. En dat maakt van Onésimus een totaal ander mens. Een mens die weer gewoon zijn post waarvan hij weggelo-pen is, kan innemen.

Een mens die weer kan gaan dienen in het huis van zijn heer.1

Daarover schrijft Paulus in de verzen 13 en volgende van zijn brief aan Filémon. Zo stuurt hij een weggelopen slaaf naar huis terug. Maar voordat hij dat doet, laat hij eerst weten, wat voor een mens Filémon straks voor zijn deur ziet staan. Een slaaf die als een broeder te behandelen is.

Ik had hem best bij mij willen houden

Als ik met mijzelf te rade zou gaan – zo schrijft {Paulus in vers 13 - zou ik u, Filémon ook wel kunnen vragen, of u Onésimus wil afstaan aan mij. Ik had hem wel bij mij willen behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in de banden van het Evangelie (vs.13). 1. Wat mij betreft…


Onésimus mag gerust blijvend bij mij blijven. In mijn gevangenschap – mijn banden om der wille van het Evangelie - zou hij mij uitstekend kunnen dienen en als een ware diaken voor mij kunnen zorgen. U zou hem voor deze dienst, Filémon dus wel kunnen afstaan. U zou mij zelf toch immers ook wel terzijde willen staan in mijn uiterst moeilijke omstandigheden, met mij verbonden in het geloof. Welnu, laat Onésimus dat dan maar in uw plaats gedaan hebben en doen. Dat is immers wel zo goed als zijn dienst als slaaf in uw huis. En u participeert op die manier dan ook in het zendingswerk.
Wij zien, hoe zuinig de apostel Paulus is op een pas bekeerd mensenkind. Geen wonder. Onésimus moest nog heel wat problemen overwinnen om terug te gaan naar Filémon en daar zijn plekje weer te gaan innemen. Wellicht doet Paulus daarom de suggestie om Onésimus aan hem en de Evangeliedienst af te staan.

2 Kor.9:7; 1 Petr.5:2


Maar, schrijft hij erbij, ik heb zonder uw goedvinden 2. niets willen doen, opdat uw weldadigheid niet zou zijn als onder dwang, maar naar vrijwilligheid (vs.14). Stel, dat Filémon – ongevraagd – als zijn mening kenbaar had gemaakt, dat Onésimus best bij Paulus mocht blijven. Dat zou iets goeds, een weldaad zijn. 3.
Maar het is de apostel niet bekend, of Filémon in die richting denkt. En Paulus wil daartoe zeker niet buiten hem om een beslissing nemen. Dat zou betekenen, dat hij Filémon voor het blok zou zetten. Als Filémon zo iets zou willen, dan uit eigener beweging (uit eigen vrije wil). Onésimus moet Filémon niet worden afgeperst. 4.
Het is dus maar het beste, dat Onésimus weer teruggaat. En dan zal Filémon eens wat zien. Hij verloor een slaaf. Hij krijgt een broeder terug. Paulus legt er niet de nadruk op, dat Onésimus zich door weg te lopen schuldig heeft gemaakt. Dat kan Onésimus zelf ook wel gaan vertellen aan zijn heer. De apostel echter ziet de vlucht van deze slaaf bij hoger licht. Hij schrijft: Want wellicht is hij daarom voor een kleine tijd [van u] gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig weer zoudt hebben (vs.15).
Filémon, acht het niet onmogelijk, dat er achter de tijdelijke scheiding 5. van Onésimus een leiding van hogerhand ligt. U mag daarin de hand des Heeren zien. Want in deze weg krijgt u dan toch maar een toegewijde slaaf terug. Wonderlijk zijn Gods wegen. Kwade dingen, door mensen uitgedacht, worden nog wel eens door God ten goede gebruikt. Zo was het ook met Jozef die door zijn broeders als slaaf verkocht was, maar door God gebruikt werd om hen als onderkoning van Egypte van de hongerdood te redden. 6.
Filémon, oordeel maar niet al te hard over de verdwijning van uw slaaf. Zie het veeleer als een tijdelijke afwezigheid waardoor deze man is geworden wat hij moest zijn. God heeft het in Zijn wonderlijke voorzienigheid gebruikt om u een slaaf te bezorgen die meer dan goud waard is: een kind van God, uw broeder. Zo krijgt u hem eeuwig weer. Hij zal zeker nooit meer weglopen. 7.
U krijgt uw slaaf Onésimus terug, Filémon. Maar u krijgt hem anders terug dan toen hij bij u wegliep. U krijgt hem niet terug met hangende pootjes, omdat hij ontdekt heeft, dat vrij-zijn ook niet alles is. U krijgt hem terug: [Nu] voortaan niet als een dienstknecht,maar meer dan een dienstknecht, [namelijk] een geliefde broeder (vs.16a). Een lid van de christelijke gemeente. Bemind, omdat Christus hem kocht met Zijn dierbaar bloed.Beminde broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in de Heere (vs.16b). 8. Voor Paulus speciaal, voor Filémon zeker nog meer: een geliefde broeder, als zodanig ook te behandelen in het leven van alledag (naar het vlees), alsook in de samenkomsten der gemeente. Een slaaf waarmee hartsgeheimen kunnen worden uitgewisseld. Wat een winst!

Luk.15:24


Bij de thuiskomst van Onésimus mag Filémon wel zeggen wat de Vader uit de gelijkenis van Jezus zei bij de thuiskomst van zijn verloren zoon: ’Deze mijn zoon was dood en is weer levend geworden; en hij was verloren en is gevonden’. Filémon verloor een slaaf. Hij kreeg een broeder in Christus terug.
Ex.21:5v; Deut.15:17

En een broeder die zich graag tot de dienst in Filémons huis zal hebben verplicht. Een slaaf die zich aan de deurpost van het huis van zijn heer vrijwillig liet vastpinnen. 9.



Kol.4:9


Dat mag Filémon weten. En ook heel de gemeente van Kolosse mag het weten. Niemand moet Onésimus met scheve ogen aankijken. Paulus’ brief aan Kolosse is in de gemeente voorgelezen. Geloof dat maar. En in die brief schrijft de apostel over Onésimus, dat hij een ’trouwe en geliefde broeder is’. Behandel hem dan maar niet als een weggelopen slaaf die men nooit meer vertrouwt: eens gestolen; altijd een dief.

Fil.2:7; 1 Tim.5:17; 1 Tim.6:1v


Dit is voortaan een slaaf die de voetsporen drukt van zijn grote Meester die de gestalte van een slaaf aannam. Zo mag hij een voorbeeld zijn voor zijn medeslaven. Zo krijgt hij een goede opvang in de gemeente. Hij zou zelfs ook tot ouderling moeten kunnen worden benoemd. In dat geval zou hij ’dubbele eer waardig geacht worden’. En ook zo zou hij - zelf gerespecteerd ook door Filémon als representant van de Heere - zijn heer alle eer waardig achten.

Rom.15:7


En dan schrijft Paulus verder: Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, gelijk als mij (vs.17). Niemand zal willen ontkennen in Kolosse, dat Paulus een echte metgezel is (in het geloof aan Christus en aan elkaar verbonden; zie vs.6). Aanvaard dan zo ook Onésimus net als u dat met mij doet. 10.

Deut.23:15v; 1 Kor.7:21v


Intussen kan de vraag gesteld worden, waarom Paulus Onésimus eigenlijk terugstuurt naar zijn heer. Had hij niet beter Filémon kunnen wijzen op wat er geschreven staat in het boek Deuteronomium: ’Gij zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van zijn heer tot u ontkomen zal zijn. Hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats die hij zal verkiezen, in één van uw poorten, waar het goed voor hem is; gij zult hem niet verdrukken’.
Trouwens, had Paulus zelf niet de gewoonte om tegen slaven te zeggen, dat zij, als zij daartoe in gelegenheid werden gesteld, vrij mochten zien te worden? 11.
O.i. handelt de apostel niet in strijd met het gebod van Deuteronomium. Zeker, Onésimus was een ’asielzoeker’ die een ’veilig oord’ had gevonden bij Paulus en op zijn hulp moest kunnen rekenen. En als Onésimus door zijn heer als een beest behandeld was, zoals dat wel het geval was met slaven in die tijd, zou Paulus Onésimus niet zo gemakkelijk hebben teruggezonden. Daar kunnen we zeker van zijn. Dat was echter niet het geval. Veeleer had Onésimus zijn heer niet goed behandeld. En dat kon Paulus niet goedkeuren. Overigens zou hij Onésimus best graag op vrije voeten willen zien (zie vs.13). Alleen niet zonder toestemming van Filémon. En wellicht heeft de apostel die vrijheid voor Onésimus door deze fijnbe-snaarde brief ook werkelijk bewerkt.
Uit dit alles krijgen wij overigens een les mee voor een humane en christelijke behandeling van vluchtelingen die vanuit barbaarse toestanden in hun thuisland tot ons overkomen. Daarover hebben wij in onze eerste bijbelstudie over de brief aan Filémon reeds het nodige gezegd.

Maar was de terugkeer van Onésimus naar Filémon toch eigenlijk niet een vernedering voor hem? Ons antwoord kan kort zijn. Als Onésimus geweigerd had om tot de dienst van een christen als Filémon terug te keren, zou hij ook ongeschikt zijn geweest voor de Evangeliedienst bij Paulus.



Stuur de nota maar op

Daar komt nog iets bij. Paulus treedt ook als een echte borg voor Onésimus op. Hij laat Filémon weten, dat hij het onrecht, dat zijn slaaf hem heeft aangedaan en een mogelijk op hem te verhalen schuld, op zijn, dat is op Paulus’ rekening mag schrijven. Stuur de nota maar op, Filémon. En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe (vs.18). Natuurlijk heeft Onésimus zijn heer benadeeld. Dat behoeft niet te betekenen, dat hij zijn heer, toen hij bij hem wegging heeft bestolen. Hij staat in ieder geval bij hem in het krijt, omdat Filémon in zijn plaats een andere arbeidskracht in dienst heeft moeten nemen en dat zal hem geld gekost hebben. En Onésimus – arm als een kerkrat – zou die schuld niet kunnen betalen. Maar als Filémon dit soms in rekening zou willen brengen, kan hij bij Paulus terecht. 12.


Onwillekeurig vragen we ons af, hoe Paulus dit hier zo ruimhartig kan aanbieden. Hij zit in de gevangenis, zonder inkomsten, terend op wat mensen hem toestoppen. Stel, dat Filémon hem teruggeschreven had: Onésimus heeft mij voor f.10.000. – schade berokkend. Hoe zou Paulus dit bedrag op tafel hebben kunnen leggen? Dacht hij dit geld soms straks, als hij weer op vrije voeten zou zijn, met tenten maken te kunnen verdienen? Of wil hij eigenlijk zeggen: ’Filémon, als u uw slaaf Onésimus zo hard zou willen behandelen, dat u op hem de schuld zou willen verhalen, die hij door zijn tijdelijke afwezigheid bij u heeft gemaakt, zou u dit ook net zo goed van mij, een arme gevangene van Christus Jezus kunnen vragen’. Met andere woorden: zou u Onésimus’ schuld maar niet uitwissen?

1 Kor.16:21


De ruime aanbieding die Paulus hier doet, is dus een appèl op Filémons geweten. Het is een fijnzinnige herinnering aan wat de Heere Jezus Christus deed, toen Hij Zich als Borg aanbood om de schuld van de Zijnen voor Zijn rekening te nemen. Wat Paulus hier schrijft, is geen beleefdheidsgeste. Hij ondertekent zelfs een schuldbekentenis. Hij schrijft: Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, 13. ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge, dat gij ook uzelf mij daartoe schuldig zijt (vs.19).
Wij kunnen dit vers ook, vrij vertaald, aldus weergeven: Ik Paulus schrijf nu met mijn hand (een handgeschreven schuldbrief): ik zal zelf betalen; wij zwijgen dan maar over het feit, dat u overigens aan mij ook uzelf verschuldigd bent. Met andere woorden: in feite bent u mij meer verschuldigd dan Onésimus u. Hebt u immers niet door mijn bemiddeling de schat van het Evangelie toebetrouwd gekregen? En zijn uw eigen schuldbrieven niet reeds op Golgotha be-taald?

Filém.:7, 12


Ja, broeder, laat mij u [hierin] genieten in de Heere; verkwik mijn ingewanden in de Heere (vs.20). Mag ik een beroep op u doen? Wilt u een arme, gevangen dienstknecht van Jezus Christus enig genot bereiden? Mag ik van u genieten in de Heere? Mag ik profijt van u hebben in de Heere? O, dat zal genot zijn voor Paulus, te bemerken, dat het Evangelie wat uitwerkt bij Filémon. Een rustgevend iets in de Heere. 14.
En dan scherpt de apostel het nog wat aan (zie vs.8). Hij gaat ervan uit, dat Filémon zich schikt naar wat hij in de brief schreef en wat hij thans zegt (via de bief, door Onésimus overhandigd). Ik heb aan u geschre-ven, vertrouwende op uw gehoorzaamheid; en ik weet, dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg (vs.21). ’Apostolische autoriteit, verpakt in vriendelijkheid en vertrouwen.’ 15. De apostel gaat ervan uit, dat Filémon bereid is om nog meer te doen dan wat er van hem gevraagd wordt.

Ik kom zelf. De groeten van…



Fil.1:25


En dan legt Paulus de pen neer. Nog enkele mededelingen en groeten. En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden u zal geschonken worden (vs.22). 16. Een vriendelijk verzoek aan Filémon tenslotte. Mag ik binnenkort bij u komen logeren?

Paulus verlangt ernaar om de christenen van Kolosse in hoogst eigen persoon te mogen ontmoeten. Hij weet ook, dat men daarom in de gemeente van Kolosse bidt. Mag de apostel dan geen hoop hebben, dat zijn gevangenschap weldra eindigt en hij Filémon en de zijnen kan gaan bezoeken? Dan zal hij daar ook Onésimus weer terugzien. Gelukkig! En Onésimus zal gaarne Paulus’ logeerkamer gereedmaken. Weerzien van heiligen.


Hand.12:12; 27:2; Kol.1:7; 4:10, 14; 2 Tim.4:10

En dan nog de groeten. Van metgezellen van Paulus die vast en zeker van harte achter het geschrevene staan. U groeten Epafras, mijn medegevangene 17. in Christus Jezus, Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn mede-arbeiders (vs.23, 24). Allen trouwe metgezellen van de apostel die hem omringen in zijn gevangenschap. Hun namen zijn ons meer of minder bekend uit het boek van de Handelingen en uit andere brieven van Paulus. 18.



Gal.6:18


Aan het slot van deze korte brief van Paulus: de zegenbede. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest. Amen (vs.25). 19.
Dat willen wij alle lezers van deze brief, ook die van de 21e eeuw gaarne toebidden. De goede gunst van onze Heere Jezus Christus: met u allen, met uw geest. 20.

Actualiteit

Tenslotte. Niemand moet zeggen, dat de brief aan Filémon geen boodschap bevat voor mensen van het derde millennium. Slavernij zoals die van het grote Romeinse rijk bestaat vandaag niet meer. Die hebben wij afgeschaft. Maar laat ons onszelf er niet op verheffen, dat wij voor een menswaardiger maatschappij hebben gezorgd. Het zou wel eens kunnen zijn, dat onze samenleving mensonwaardiger was geworden dan in de dagen van Paulus. ’Homo homini lupus’ – ’de ene mens is voor de andere een wolf’, zei ooit een filosoof. De media staan er bol van: misdaad op straat, mensenhandel, exploitatie en manipulatie van mensen in de maatschappij, genocide waardoor volkeren worden afgeslacht. En zoveel meer.



Ef.2:11-22; Kol.3:22; Tit.2:9v; Filém.:5


Alleen liefde en geloof in Christus Jezus, kunnen van een samenleving, te beginnen in het gezin, een echt humane samenleving maken.

Paulus heeft de maatschappelijke orde niet omver gegooid. Als hij dat gedaan had, zou hij van het Evangelie een politiek en sociaal program hebben gemaakt. Maar Paulus was zeker ook geen verdediger van de ’status quo’ zonder meer. In principe worden maatschappelijke verhoudingen, rangen en standen binnen de gemeenschap van de (huis)gemeente met handhaving van bestaande gezagsverhoudingen opgeheven tot het niveau van broederschap in Christus. En zo mag die gemeente een lichtplek zijn in de maatschappij. Er is gelijkwaardigheid voor God (heer en slaaf zijn geschapen naar het beeld van God), ook al is geen sprake van sociale gelijkheid.


Het ware te wensen, dat de christelijke gemeente vandaag zo’n lichtplek in het oerwoud van deze wereld is.



NOTEN
1. Gr.’katechoo’ = vasthouden, terughouden. Gr.’huper soe’ = in plaats van u. Paulus bedoelt te zeggen, dat Filémon Onésimus zou kunnen afstaan aan de dienst van Paulus.
2. Gr.’gnoomè’ = mening, gevoelen, inzicht. Vgl. 1 Kor.1:10; 7:25.
3. Gr.’to agathon soe’ = het goede (ten bate van Paulus) van uw kant; uw goedheid (het afstaan van Onésimus). In vs.6: het goede in het algemeen.
4. Gr.‘hoos kata anangkèn’ = alsof ik u wilde dwingen (vrij weergegeven). Vgl. 2 Kor.9:7. Gr.’kata hekoesion’ (= Gr.’hekousi-oos’) = vrijwillig. Vgl. Num.15:3. Als bijv.naamwoord alleen hier in het NT. Vgl. verder Rom.8:20; 1 Kor.9:17. Robert W.Wall (a.w., p.184 o.a.) en N.T.Wright (a.w., p.166ff) hebben o.i. volkomen gelijk, als zij zeggen, dat het Paulus’ eigenlijke bedoeling niet is om Filémon te bewegen zijn slaaf af te staan aan de Evangeliedienst, maar om de verstoorde relatie tussen heer en slaaf binnen de bestaande orde te herstellen, c.q. op hoger niveau te brengen (zie vooral vs.15). Dat laatste behoeft niet te betekenen, dat Paulus eigenlijk Filémon aanspoort Onésimus vrij te laten, zoals Robert W. Wall meent (p.207ff). Al moet wel bedacht worden, dat de brief aan Filémon in de gemeente zal zijn voorgelezen en dat deze gemeente Filémon krachtig kan hebben aange-spoord in de geest van Paulus te handelen. John Knox veronderstelt zelfs, dat Onésimus dezelfde is als de latere bisschop Onésimus van de gemeente te Efeze; hij zou ook Paulus’ brieven daar hebben gebundeld voor rondzending (aldus Robert W.Wall, a.w., p.189).
5. Gr.’tacha’ (alleen hier en in Rom.5:7 in het NT) = mogelijk, wellicht. Gr.’echoo-risthè’ (van Gr.’chooridzoo’) = hij is (van u) verwijderd, gescheiden geweest (een ’divine passive’) als door een Goddelijke leiding. Gr.’pros hooran’ = voor een tijd. Gr.’apechoo’ = terugkrijgen (definitief). H. Bürki (a.w., S.216, Anm.22) omschrijft dit woord met: ’eine Quittung ausstellen, stammt also aus der rechtlichen Sprachwelt; vgl. Phil.4:18’.
6. Reeds Chrysostomus trekt deze parallel met de Goddelijke voorzienigheid in de Jozefgeschiedenis (Gen.45:4-8; 50:15-21).
7. M. Henri (Online Bible) schrijft: ’Die zulk een goeden meester onrecht aangedaan had; die gevlucht was uit een zo godzalig gezin, ver weg van de middelen der genade, van de gemeente, die in zijn huis was; opdat hij zou geleid worden in den weg der zalig-heid, dien hij ontlopen was’.
8. Gr.’malista emoi, posooi de mallon soi’ = het meest (in het bijzonder) voor mij, hoeveel te meer voor u.
9. M. Henri (Online Bible) schrijft: ’Er bestaat een geestelijke broederschap tussen alle ware gelovigen, hoewel zij verschil-lend zijn in maatschappelijke en uitwendige opzichten; zij zijn allen kinderen van denzelfden hemelsen Vader; zij hebben recht op dezelfde geestelijke voorrechten en zege-ningen; zij moeten elkaar liefhebben en goede diensten bewijzen als broeders; ofschoon ieder in de plaats en stand in de maatschappij, waarin zij geroepen werden. Het Christendom vernietigt of verzwakt niet de verschillende maatschappelijke plichten, maar maakt ze sterker en beveelt hun richtige naleving’.
10. Gr.’proslambanoo’ = (med.) opnemen (juridisch?), verwelkomen; vgl. Hand.18:26. I. Howard Marshall, a.w., p.181 (note 10), Tom Wright, a.w., p.167, 183 (note 1) en Hans Burki, a.w., S.213 (Anm.18) verwijzen naar Plinius de Jongere (Brieven 9.21; 24) die bij zijn vriend Sabinianus uit Stoïsche mildheid een pleidooi voert voor een milde behandeling van een vrijgemaakte slaaf (Libertus).
11. Zie de excurs over: slavernij in de eerste eeuw nChr. aan het eind van deze Bijbelstudie. Terecht o.i. constateert I. Howard Marshall (a.w., p.181,187, 189f), dat Paulus in zijn brief aan Filémon geen sociologische, maar theologische argumenten gebruikt. Vergelijk Gal.3:28. Dat slavernij miskenning van de humaniteit is, wordt door Paulus zo niet onder woorden gebracht, maar ligt wel in de lijn van zijn theologie. Intussen respecteert de apostel bestaande gezagsverhoudingen (heer-slaaf, ouder-kind). ’Christian faith is incompatible with ownership of slaves. Paul himself may not have come to this realisation, but he had charted a route which leads to this destination’(p.190).
12. Uit wat Paulus hier schrijft, kan niet worden opgemaakt, dat Onésimus Filémon had bestolen en er – uit vrees voor straf – vervolgens vandoor was gegaan; ook niet wat Murray J. Harris, a.w., p.241 en I. Howard Marshall (a.w., p.177) veronderstellen, nl. dat Onésimus zich uit de voeten had gemaakt met geld of bezittingen van Filémon. Gr.’ellogaoo’ = aanrekenen, op rekening bijschrijven. ’Indien’ is dus geen irrealis, maar betekent: voor het geval dat… Robert-son’s Word Pictures (Bible Works): ‘ellogaoo’ is a late verb in inscriptions and papyri (Deissmann, Light, etc., p. 84); in N.T. only here and Ro 5:13. It means to set to one's account’.’
13. Vgl. voor ‘schrijven met mijn hand’: 1 Kor.16:21; Kol.4:18; 2 Thess.3:17. Gr.’apotioo’ = terugbetalen, afbetalen. Gr.’prosopheiloo’ (alleen hier in het NT) = nog daarbij (uzelf) schuldig zijn (zie voor het Gr.werkwoord ‘opheiloo’ = schuldig zijn, moeten betalen: vs.18).
14. Gr.’nai, adelphe’ = ja, broeder (hoe teer klinkt dit); vgl. Matth.15:27; Openb.22:20. Gr.’oninèmi’ (alleen hier in het NT) = zijn nut hebben, profijt hebben van…;hier aor.opt.med.:laat mij genieten. Zinspeling op de naam Onésimus: profijtelijk (de vrucht genietend). Gr.’anapauoo’ = rust geven; zie vs.7.
15. ’Ik heb geschreven’ is een briefaoristus. ’Boven hetgeen ik zeg’ behoeft niet te betekenen, dat Paulus gelooft, dat Filémon Onésimus zal vrijlaten (zo Robertson’s Word Pictures; Bible Works).
16. Gr.’hama’ = tegelijk; vgl. Hand.24:26; 27:40. Gr.’xenia’ = logies (voor een vreemdeling), gastvrije herberg (alleen hier en in Hand.28:23 in het NT). M. Henri (Online Bible) schrijft: ’Door voor getrouwe dienaren te bidden, bidt de gemeente eigenlijk voor zichzelve; 2 Cor. 4:15’. Vgl. Hand.27:24; Fil.1:25. Gr.’charidzomai’ = (in gunst) schenken; fut.pass: geschonken zal worden; vgl. Hand.3:14; 25:11.
17. Epafras (de evangelist van Kolosse) heet hier als enige: mijn medegevangene in Christus Jezus (Gr.’sunaichmalootos’). Hij deelt (vrijwillig) het gevangenisleven met Paulus. In Kol.1:7 noemt Paulus hem zo niet (daar heet hij: onze geliefde mededienstknecht (Gr.’sundoelos’; zie ook Kol.4:12). Wellicht staat hij, als Paulus zijn brief aan Kolosse gereed heeft – even na die aan Filémon - op het punt hem te verlaten en weer terug te keren naar zijn arbeidsterrein. In Kol.4:10 heet Aristarchus als enige ’medegevangene’. Heeft deze de plaats van Epafras ingenomen? Betekent dit, dat tijdens Paulus’ gevangenschap te Efeze nu eens de één dan weer de ander uit het gezelschap van medewerkers dat hem omringde, vrijwillig met hem in de gevangenis verbleef? Vgl. Rom.16:7. Zie verder: C.den Boer, Kolossensen; Kampen 1999, onder Kol.4:10-14.
18. Gr.’sunergos’, zie vs.1. Vgl. ook 2 Kor. 8:23; Fil.2:25; 4:3; 3 Joh.:8. Markus en Lukas zijn twee Evangelieschrijvers die Paulus dus van zeer nabij hebben meegemaakt. Markus, de neef van Barnabas en zoon van Maria die voor de christenen te Jeruzalem haar woning openstelde. Zie over hem: Hand.12:12, 25; 13:13; 15:37-39; Kol.4:10. Het verschil tussen Barnabas en Paulus is later bijgelegd (2 Tim.4:11). Aristarchus wordt met Markus vermeld in Kol. 4:10 en daar door Paulus zijn medegevangene genoemd. Zie ook: Hand.19:29; 20:4; 27:2. Demas, hier en ook in Kol.4:14 genoemd, is blijkbaar nog niet van Paulus weggegaan, ’hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen’ (2 Tim. 4:10). Over Lukas, zie Kol.4:14, 2 Tim.4:11 o.a. ; hij was steeds bij Paulus, ook in de moeilijkste omstandigheden.

19. Niet alle hss. hebben ’onze’ voor Heere Jezus Christus. En niet alle hss. hebben het slotwoord ’amen’. Vgl. voor ’met uwe geest’: Gal.6:18; Fil.4:23; 2 Tim.4:22.
20. De belangrijkste hss. hebben als onderschrift: aan Filémon. Een enkel hs. (P 048 vid) heeft: geschreven aan Filémon vanuit Rome. Enkele kleinere hss.: aan Filémon, geschreven vanuit Rome d.m.v. (Tychikus en) Onésimus de slaaf. Andere hss. voegen daaraan nog toe: en aan Appia de meesteres (Gr.’despotès’) van Onésimus en aan Archippus de diaken (Gr.’diakonos’) van de gemeente te Kolosse.
Excurs I: over slavernij in de eerste eeuw nChr.
In deze excurs geven we enkele samenvat-tingen van wat ons in Bijbelcommentaren over de slavernij in de eerste eeuw nChr. wordt geboden.
A. Uit Robert W.Wall, Colossians & Philemon; The VIP New Testament Commentary Series; InterVarsity Press Leicester 1993: Slavery in the First Century (p.180ff).

De grote meerderheid van de bevolking behoorde tot de werkende klasse (in leven blijven was de enige zorg). Politieke en economische macht was in handen van de weinigen die de landbouwbedrijven bezaten en het in de burgerlijke regering en in de militie voor het zeggen hadden.

Op de maatschappelijke ladder omhoogklimmen was een onmogelijkheid voor de meesten. In

de stedelijke gebieden waren er grote aantallen slaven. In de steden onder Romeins bestuur was ongeveer eenderde van de bevolking bezittende klasse en bestond eenderde uit vrijgelaten slaven. Slaven hadden ook wel bezit en geld. Sommigen verkochten zichzelf als slaven om belangrijk werk te vinden.

Wat betreft de behandeling van slaven: zij hadden geen rechten zoals Romeinse burgers. Zij werden soms geëxploiteerd en mishandeld. In Paulus’ dagen kwamen er enige hervormingen op dit punt (bescherming tegen inhumane behandeling).
B. Uit Hans Bürki, Der zweite Brief des Paulus an Timotheus, die Briefe an Titus und Philemon; Wuppertaler Studienbibel; Wupperthal 1986 (5. Aufl.) (S.213, Anm.17; p.223ff).

In de mysterieculten werd een slaaf vrij, als hij de wijding ontvangen had; hij bleef dan als vrije man bij zijn heer. Ook de Stoïci verdedigden de gelijkheid van alle mensen, maar zij grondden dit op het feit, dat zij allemaal uit hetzelfde zaad stammen en dezelfde lucht inademen. Zie verder: Anhang Zur Sklavenfrage (S.223 ff).


C. Uit John R.W.Stott in The Message of Ephesians; InterVarsity Press;Leicester 1989, (p.254ff).

Had Paulus moeten oproepen tot een slavenopstand?

Het Nieuwe Testament veroordeelt de slavernij niet uitdrukkelijk, maar vergoelijkt die ook niet. Slavernij is door ons te veroordelen; het kwalijke ligt in het feit, dat de ene mens het bezit is van de andere mens; dat is humaan. De mens is beeld van God. Maar waarom pleit het Nieuwe Testament dan niet voor afschaffing van de slavernij?

1.Christenen waren een onbetekenende groep in het Romeinse Rijk. Politiek machteloos. Slavernij hoorde bij het maatschappijmodel van die dagen; de maatschappij was er economisch op gebouwd. In sommige steden waren er meer slaven dan vrije mensen. Als christenen hun slaven vrij hadden gelaten zouden ze dezen veroordeeld hebben tot werkeloosheid en armoede. Afschaffing van de slavernij toen zou economisch hetzelfde hebben betekend als afschaffing van machines nu.

2. In de eerste eeuw v.Chr. zijn er plm. 500.000 Romeinse slaven vrijgelaten. Men zocht voor hen een passende werkgelegenheid. Soms kwamen deze slaven zelfs tot meer welstand dan hun heer. Vrijlating van slaven was dus niet ongebruikelijk Ook Paulus raadt slaven die de gelegenheid krijgen om vrij te worden, aan om daarvan gebruik te maken (1 Kor.7:21).

3. De wettelijke status van de slaaf begon te beteren. Sommige keizers in de eerste eeuw nChr. troffen liberaliserende maatregelen. Er begon een menselijker wetgeving voor hen te komen (bijv. vrijlating van een vrouwelijke slaaf die door haar heer seksueel misbruikt werd; verbod van mishandeling).

4. In het Nieuwe Testament (Paulus) wordt het instituut van de slavernij in principe ondermijnd. In de Efeze- en Kolossensenbrief wordt gepleit voor: a)gelijkheid voor God van slaaf en heer; b) erkenning van het recht van slaven, verantwoordelijkheidsbesef bij de heren om niet op eigen rechten te staan (beiden hebben rechten en plichten); c)broederschap in Christus.

Stott eindigt met de opmerking: ‘Thereafter it was only a matter of time. Slavery would be abolished from within’ (Hendriksen, p.263).


D. Naar aanleiding van de vraag, of en in hoeverre Paulus in de brief aan Filémon rekening houdt met het gebod van Deut. 23:15v.
D.a Uit Hermann L.Strack und Paul Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Bnd.III; München 1979 (7e Aufl.) (S. 668ff).

In de Joodse uitleg van deze tekst wordt gezegd, dat de hier gestelde regel niet van alle gevluchte slaven geldt. Natuurlijk geldt dit wel van een niet-Israelitische slaaf wiens vlucht een vlucht is van de afgodendienst tot het geloof van Israël... Ook een slaaf die uit het buitenland naar het land Israël vlucht, moet niet uitgeleverd worden. Maar iemand die uit het land van Israël naar het buitenland is gevlucht, moet vandaar – volgens sommige uitleggers – wel opgehaald worden. Van een slaaf die uit een plaats in het buitenland naar een plaats in het buitenland vlucht, geldt de regel van Deut.23:15v niet. En – aldus deze commentaar - dit geldt van Onésimus. Paulus heeft op dit punt de Joodse halacha gevolgd. Dit lijkt ons – ook al omdat het zeer de vraag is, of Paulus deze uitleg van de tekst uit Deut.23 kende – geen goede verklaring van Paulus’ handelwijze. Paulus zal zeker op de hoogte zijn geweest van wat Deut.23:15v bepaalt. Hij doet daar geen beroep op, maar handelt wel in de geest van dit gebod (een weggelopen slaaf niet zonder meer uitleveren).


D.b Uit SLTL-IBB Commentaar op basis van Sleutel ’94-98 (uit Online Bible).

O.i. wordt hier ten onrechte de volgende verklaring gegeven: ’Om te beginnen gaat Paulus hiermee in tegen de wet uit Deuteronomium 23:15: "Gij zult een slaaf, die van zijn meester naar u gevlucht is, niet aan zijn meester uitleveren". Een wet die slaven toch enige rechten geeft, al zijn ze "bezit" van iemand. Bovendien staat de wens van Paulus op gespannen voet met de wetmatigheden van de psychologie. Want hoe groot is de kans dat Onésimus echt teruggaat? Als hij het nodig vond weg te vluchten bij zijn juridische eigenaar, zal hij het dan accepteren als zijn geestelijke vader hem terugstuurt (vs.10)?… En hoe zal Filémon reageren? Volgens de eigendomswetten was Onésimus gewoon een dief. Hij had zijn meester bestolen door ervandoor te gaan. En nu komt hij doodleuk vertellen dat hij bekeerd is. Ja, maar wel op kosten van Filémon, die immers een vervanger had moeten kopen. Een waagstuk is het. Maar Paulus is van mening dat het geloof in Jezus mensen weer bij elkaar kan brengen. De wet van de liefde gaat boven alle andere wetjes uit. Zoals God mensen in Jezus vergeven heeft, zo kunnen mensen elkaar vergeven’.


Zie tenslotte ook: C.den Boer, Efeze; Kampen 1997, blz.248vv over de maatschappelijke positie van slaven in de eerste eeuw nChr..
Gespreksvragen
1.Slavernij is iets mensonwaardigs. Het kan niet de bedoeling van de Schepper zijn, dat de mens die naar Gods beeld geschapen is, bezit is van zijn medemens. Toch zegt Paulus dit in zijn brief aan Filémon niet. Wat zegt hij wel? En waarom roept hij niet op tot afschaffing van het mensonwaardige instituut van de slavernij?
2. Handelt Paulus in strijd met het gebod van Deut.23:15v?
3. Moeten wij uit vers 18 concluderen, dat Onésimus bij zijn vertrek uit het huis van Filémon zich schuldig had gemaakt aan diefstal? Hoe denkt Paulus - zelf een arme gevangene – mogelijke financiële schade (door het verlies van een slaaf) bij Filémon op te vangen?
4. Is het pleidooi dat de apostel in deze brief voor Onésimus voert, een pleidooi voor zijn vrijlating als slaaf of vraagt hij Filémon hem af te staan voor de dienst van het Evangelie?
5. Wat bedoelt Paulus met vers 15? Hoe kan hij Gods leiding zien in het weglopen van een slaaf als Onésimus?
6. Discipelschap in slavendienst. Hoe kan dat? Is elke christen eigenlijk niet een slaaf? Hoe?
7. Wat kunnen wij uit deze brief leren met betrekking tot het oplossen van verstoorde relaties?

  • hoe pakt Paulus dit hier aan? Waarop doet hij een beroep?

  • welke andere voorbeelden van herstel van geschonden verhoudingen uit andere brieven van Paulus kunt u noemen?

8.Stel dat Onésimus na zijn terugkeer in Kolosse’s huisgemeente daar tot ouderling is benoemd, hoe kan hij dan tegelijk zowel zijn roeping als opziener als ook zijn plicht als slaaf tegenover Filémon hebben kunnen waarmaken?


9.Wat is uit deze brief te leren met betrekking tot de relatie werkgever-werk-nemer?

  • is medezeggenschap in een bedrijf een goede zaak?

  • van hoeveel belang is een goede werksfeer? Een werknemer moet niet de indruk hebben als slaaf (winstobject) behandeld te worden

  • welke criteria zijn er voor promotie waarbij niemand wordt gepasseerd?

10. Wat heeft de Evangelieboodschap te maken met sociale vraagstukken?



  • een voorbeeld: in Peru is 93% van het land in handen van 7% van de bevolking;

  • wat kan de christenheid veranderen aan het probleem van de verpauperden o.a.in de grote wereldsteden?

11. Geef enkele personalia (verblijfplaats, ’status’, relatie met Paulus) van de personen die in de verzen 23 en 24 worden genoemd: Epafras, Markus, Demas en Lukas (zie ook noot 18).



Enige literatuur



Gebruikte vertaling: Statenvertaling

(ed.Tukker NBG 1977)
1. Nestle-Aland, Novum Testamentum Graece; Stuttgart, 27 Aufl..
2. Charles A.Wanamaker, The Epistles to the Thessalonians, a Commentary on the Greek Text (The New International Greek Testament Commentary). Eerdmans/ Grand Rapids, Michigan (The Paternoster Press Exeter); 1990.
3. J.Knox, Philemon of the letters of Paul (Chicago 1935; New York 1959/2)
4. Murray J.Harris, Colossians & Philemon; Exegetical Guide to the New Testament. Eerdmans/ Grand Rapids, Michigan; 1991.
5. Karl P.Donfried, I. Howard Marshall, New Testament Theology, the theology of the shorter Pauline Letters. Gen.ed. James D.G.Dunn; Cambridge University Press 1993. Daarin Karl P.Donfried, The Theology of 2 Thessalonians (p.81-113) en I.Howard Mars-hall, The Theology of Philémon; 15: The gospel and slavery (p.175-191).
6. Robert W.Wall, Colossians & Philemon; The IVP New Testament Commentaries Series (Grant R. Osborn, series ed.); InterVarsity Press, Illinois-Leicester 1993.
7. Warren W.Wiersbe, The Bible Exposition Commentary, An Exposition of the New Testament Comprising the Entire “BE” Series; Victor Books, Wheaton, Illinois; Volume 2; 1989. Op 2 Thessalonicensen: p. 191-208 en op Philémon: p.269-273.
8. N.T.Wright, The epistles of Paul to the Colossians and to Philemon; an introduction and commentary; Tyndale New Testament Commentaries; Inter-Varsity Press, Leicester/ Grand Rapids, 1986; reprinted November 1991.
9. John Metcalfe, Philémon; the John Metcalfe Publishing Trust; Church Road, Tylers Green, Penn, Buckinghamshire; 1995.
10. Hans Bürki, Der zweite Brief des Paulus an Timotheus, die Briefe an Titus und Philemon; Wuppertaler Studienbibel; Wupperthal 1986 (5. Aufl.).
11. Johann Albrecht Bengel,Gnomon; Auslegung des Neuen Testaments in fortlaufenden Anmerkungen. Bnd.2. Deutsch von C.F.Werner; 8e Aufl.; J.F.Steinkopf Verlag Stuttgart 1970.
12. Hermann L.Strack und Paul Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Bnd.III; München 1979 (7e Aufl.).
13. G.Kittel, Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament; Stuttgart 1933,enz.
14. J.Calvijn, Uitlegging op den eersten en tweeden zendbrief van Paulus aan de Thessalonicensen; Uitlegging op de zendbrieven; 5e deel; A.M.Donner; Goudriaan 1979, 3e druk.;J.Calvijn, Uitlegging op de zendbrieven van Paulus aan Timótheüs, Titus en Filémon; Uitlegging op de zendbrieven, 6e deel; A. M. Donner; De Groot Goudriaan 1979.
15. Dr.E.L.Smelik, De brieven van Paulus aan Timotheüs, Titus en Filémon; de wegen der kerk De Prediking van het Nieuwe Testament; Nijkerk 1973 (4e dr.).
16. Dr.J.A.C.van Leeuwen, Colossensen/ Thessalionicenzen; Korte Verklaring der Heilige Schrift; Kampen 1953, 2e druk. Dr.C.Bouma, 1,II Timótheüs en Titus/ Filémon; Korte Verklaring dar Heilige Schrift; Kampen 1953 ; 2e druk.
17. Prof.dr. J. de Zwaan, Inleiding tot het Nieuwe Testament; Deel III; Algemene zendbrieven, Openbaring, text en canon; Haarlem 1948; 2e herz.druk
18. Context, achtergrondinformatie over de Bijbelboeken van het Nieuwe Testament (situatie-boodschap-vertolking); De Banier Utrecht; 1996.
19. dr.A.Sizoo, De antieke wereld en het Nieuwe Testament; Kampen 1948, 2e druk.
20. Bible Works for Windows 3.5 Publ.by Hermeneutica Computer Bible Research Software; A.T. Roberson’s Word Pictures in the Greek NT 1934.
21. Online Bible Deluxe 2000 CD Rom ; versie 8.03 ; Importantia Publicing Dordrecht


1 Op de afbeelding: de thuiskomst van Onésimus. Filémon, in de deuropening heeft Paulus’ brief aan Filémon in de hand. Welkom thuis.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina