De brief aan Filémon



Dovnload 68.31 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte68.31 Kb.




De brief aan Filémon


  1. Eertijds onnut, nu zeer nuttig

(Filémon:1-12)
Aan een verklaring van de brief van Paulus aan Filémon behoeven niet veel woorden te worden besteed. Geen enkele Paulinische brief is zo kort als deze. Bovendien stelt de inhoud ervan ons niet voor zoveel problemen als dat wel het geval is met andere apostolische brieven.1.
Wie in de enkele minuten, nodig voor het lezen van deze brief, zich in de inhoud verdiept, heeft direct een helder beeld van de aanleiding tot en de doelstelling van dit schrijven. De inhoud is eenvoudig. De apostel Paulus schrijft hier hoogst persoonlijk aan een vriend en broeder in Christus, Filémon en aan enkele anderen in zijn onmiddellijke omgeving.

Afzenders



Rom.14:7v; Gal.6:17

Als de apostel deze brief schrijft, is hij gevangen. Paulus, een gevangene van Christus Jezus en Timotheüs, de broeder (vs.1a). Voor de zoveelste keer in de gevangenis.


Maar hij is niet zomaar een gevangene. Hij is niet om enige misdaad achter slot en grendel gekomen. Zijn banden zijn er een bewijs van, dat hij Christus toebehoort. Hij moet lijden voor de zaak van en uit oorzaak van Christus Jezus.

Matth.10:19; Luk.21:12; Fil.1:7


Had de Heere Jezus niet gezegd: ’Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan u slaan en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil’. ’Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken zult’. 2.
Waar zit Paulus gevangen? Dat lezen we hier niet. Het ligt echter het meest voor de hand om aan Efeze te denken en niet aan Rome. 3. Vermoedelijk is de brief aan Filémon ongeveer gelijktijdig met die aan Kolosse geschreven (53/ 54 nChr.). 4.
De eerstgenoemde is dan wat meer van persoonlijke aard, hoewel ze zeker ook bedoeld is als model voor een gezonde samenleving binnen de christelijke gemeente.1 Ze stuurt sterk aan op herstel van geschonden relaties, in dit geval tussen een heer en zijn slaaf. In zijn brief aan Kolosse gaat het er de apostel vooral om de gemeente te leren leven midden in een ’bezeten’ wereld vanuit het geloof, dat de Heere Christus boven de machten staat.
Ook Timótheüs wordt als afzender genoemd (omdat hij bekend is met de gemeente te Kolosse?). 5 Hij heet: de broeder; broeder bij uitstek. Eén van de trouwste metgezellen en medewerkers van de apostel. Hij draagt mede verantwoordelijkheid voor de inhoud van de brief.

Geadresseerden

Maar laat ons nu eerst kennismaken met de geadresseerden, voor zover ons dat tenminste wordt toegestaan aan de hand van wat we in deze brief lezen. Paulus richt zich hoofdzakelijk tot een zekere Filémon, een geloofsgenoot en mede-arbeider: aan Filémon, de geliefde en onze mede-arbeider (vs.1b). Er is blijkbaar een bijzondere band tussen de apostel en deze medegelovige (vgl. ook vs.17: metgezel). Verder wordt Filémon ook genoemd: onze medewerker. Hij is kennelijk actief in het werk van de verbreiding van het Evangelie. 6.


Wat dat werk van Filémon precies inhield wordt hier niet gezegd. Het kan van alles zijn geweest. Er is wel verondersteld, dat hij leiding gaf aan de huisgemeente bij hem thuis. J.Calvijn denkt, ’dat hij een leraar of herder is geweest’ (a.w., blz.207). Maar het kan ook wel zijn, dat hij niet meer deed dan zijn huis openstellen voor de bijeenkomsten van de christenen in zijn woonplaats. Open huis houden, gastvrijheid mag ook gezien worden als een wezenlijke bijdrage aan de opbouw van de gemeente. Dat moeten we niet vergeten.
Uit het vervolg van de brief blijkt, dat Filémon een welgesteld man is. Hij heeft althans slaven in zijn dienst. Wellicht dat hij daardoor de beschikking heeft over een woning die ruim genoeg is om een flink aantal mensen te ontvangen. Welk een zegen overigens, dat een gemeente van de Heere Christus ook zulke welgestelden in haar midden heeft. Blijkbaar heeft het Evangelie reeds van het begin af ook invloed uitgeoefend op beter gesitueerden en niet alleen op ’proletariërs’.7. Ook mensen die vooraanstaan in het leven, rijken, edelen hebben niet altijd alleen genoeg aan wat dit leven hun biedt.

Rom.16:5


Maar niet aan Filémon alleen is Paulus’ brief gericht. We lezen in vers 2: En aan Appia, de geliefde en aan Archippus, onze medestrijder; en aan de gemeente, die te uwen huize is. Zo persoonlijk als deze brief is, ze is toch ook een gemeentebrief, bedoeld om in de samenkomsten van de gemeente te worden voorgelezen. Dat blijkt uit het laatste gedeelte van dit vers waar de gemeente ten huize van Filémon genoemd wordt; een ’ecclesiola in ecclesia’, een gezinskring die tevens gemeente des Heeren mag zijn.

Fil.1:27v; 2 Kor.10:3vv; 2 Tim.2:3


Wie Appia is, kunnen we niet zeggen. Was zij mogelijk de echtgenote van Filémon? In elk geval is zij een geloofsgenote. 8. Hetzelfde geldt van Archippus (misschien de oon van Filemon en Appia). Hij heet: onze medestrijder. 9. Heeft hij met Paulus mee om het Evangelie moeten lijden? Werkte hij wellicht meer aan het front (in de evangelisatie en in de strijd met dwaalgeesten)? Deze Archippus zou in elk geval – strijdvaardig als hij was – en vooraanstaand in de huisgemeente van Filémon - in de zaak van Onésimus goede diensten kunnen bewijzen.
Uit de ‘bijnamen’ die Paulus hier in het bijzonder aan Filémon en Archippus geeft, mogen wij afleiden, hoe ieder die een bijdrage leverde aan de verbreiding van het Evangelie – van welke aard ook, en op welke plaats - door Paulus werd gewaardeerd als heel wezenlijk en van groot belang.
Kol.4:12

Naast de mensen die met name genoemd worden, is de brief aan Filémon dan ook gericht aan een huisgemeente die bijeenkomsten hield in het huis van Filémon. We gaan ervan uit, dat dat in Kolosse was. In Kol.4:9 wordt ons immers verteld, dat Onésimus – de getrouwe en geliefde broeder‘ - uit de uwen is, dus afkomstig uit Kolosse. De in Filem.:23 genoemde Epafras is de vermoedelijke stichter van de gemeente aldaar. Van die christelijke gemeente te Kolosse weten we overigens niet al te veel. 10.


Filem.:2; Kol.4:17

Wellicht is Archippus tijdens de afwezigheid van Epafras die thans bij Paulus is, de man die het werk van Epafras voortzet.


Aanleiding tot/ bedoeling van de brief (de slaaf Onésimus)

Kol.4:9


Het is voor een goed verstaan van de inhoud van de brief aan Filémon nuttig om ons eerst een voorstelling te maken van een onverwacht bezoek aan Paulus, kort geleden. Onlangs nl. is er iemand bij hem langs gekomen uit Kolosse, Onésimus (zijn naam betekent: de nuttige). Hij is een slaaf van Filémon.

Waarom is deze man bij Paulus aangeland? Hij is bij zijn heer Filémon weggegaan, weggelopen, beter gezegd (vs.11). Had hij het daar niet naar zijn zin? Slavenwerk verrichten is het prettigste niet. Heeft hij in de huisgemeente van Kolosse ten huize van Filémon wellicht gehoord van de christelijke vrijheid en daaruit de conclusie getrokken, dat zijn baas, een christen, uit hoofde van zijn geloof in Christus er geen bezwaar tegen zou maken, als hij er vandoor ging? Heeft Onésimus gedacht: ik ga weg en klop aan bij Paulus in Efeze? Die zal begrip hebben voor mijn nare situatie. Die kan mij misschien ook wel gebruiken in zijn dienst. 11.



1 Kor.7:20v


In elk geval handelt de apostel allervriendelijkst met Onésimus. Hij ‘teelt hem in zijn banden’ (vs.10). 12. Dat betekent heel concreet ook, dat hij hem erop wijst om in zijn roeping te blijven. Mee gaan doen in het werk van evangelisatie? Dat zou prachtig zijn, Onésimus. Maar de Heere Jezus kan ook in slavenwerk gediend worden. Zeker, als dat slavenwerk is in het huis van een volgeling van de Heere Jezus als Filémon. En belangrijk is, dat je nu eerst de breuk die er met je heer ontstaan is, herstelt. Dus: ga weer terug naar Kolosse en stel je weer onder het gezag van je heer. In feite zijn jullie beiden slaven van Christus en alle twee vrij in Hem.

Kol.4:7-9


En daar gaat Onésimus dan weldra terug naar Kolosse. Met een brief op zak, door Paulus geschreven, waarin hij Filémon oproept om zijn weggelopen slaaf in liefde weer te ontvangen. Dat zal de terugkeer van Onésimus naar zijn heer zeer vergemakkelijkt hebben. Een aanbevelingsbrief van een gevangene om Christus’ wil als Paulus legt veel gewicht in de schaal. Samen met Tychikus die Paulus’ brief aan Kolosse moet gaan overhandigen, vertrekt Onésimus.
J.Calvijn schrijft: ’Men zal nauwelijks een plaats kunnen vinden, waarin men de liefelijkheid van Paulus’ geest beter zal kunnen zien dan deze brief naar het leven afbeeldt’.

Groet en voorbede in dankzegging




Rom. 1:7; 2 Kor.13:13; Ef.1:2


Paulus opent zijn brief met een groet: Genade zij u en vrede van God, onze Vader en de Heere Jezus Christus (vs.3). Gewoonlijk groette men elkaar in het dagelijkse leven met het Gr.’chaire’ - verheug u; heb het goed. Maar een apostolische groet heeft dieper inhoud. In ’s Heeren Naam worden ons de handen opgelegd. Genade (Gr.’charis’) en vrede (Hebr.’sjaloom’), de goede gunst en heilige ’opgeruimdheid’ van God, onze Vader en de Heere Jezus Christus mogen uw deel zijn.
Rom.1:8; 1 Kor.1:4; Ef.1:16; Fil.1:3v; Kol.1:3; 1 Thess.1:2; 2 Thess.1:3; 2 Tim.1:3

Daarop laat de apostel Paulus de geadresseerden weten, dat hij in zijn gebeden hen niet kan vergeten. Ik dank mijn God, u altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden (vs.4). Zo’n inzet van een brief is typisch Paulinisch. Paulus is wel genoemd ’homo orans’ – een biddend mens. Altijd dankend bidden, altijd ook biddend danken. Zo is het goed. Ons bidden mag steeds wel met danken beginnen, hoewel wij in sommige gevallen in hen voor wie wij bidden – om met J.Calvijn te spreken – slechts ‘stof vinden om te zuchten en te schreien’ (a.w., blz.208). Er zijn echter toch ook meer dingen waarvoor wij danken kunnen. Want de Heere geeft ons meer dan wat Hij ons onthoudt. Altijd dankend bidden. En ook altijd biddend danken. De Heere prijzend om wat Hij gaf, Hem tegelijk ook vragen, wat wij en anderen voor wie wij voorbede doen, nodig hebben. 13.


Fil.1:3; Kol.1:7v; 4:12

Paulus ’gedenkt’ de lezers van zijn brief voor Gods Aangezicht. Zoals het begin van die brief laat zien, moet hier niet alleen aan Filémon gedacht worden, maar ook aan de anderen (en de gemeente), hoewel uit vers 7 (’broeder’) blijkt, dat Paulus hier speciaal Filémon op het oog heeft. Epafras zal hem verteld hebben, hoe de gemeente van Kolosse er geestelijk aan toe was.


En misschien heeft Onésimus er hem ook het één en ander van laten weten. En dat horende, wordt Paulus vervuld met dankbaarheid.
Kol.1:4

Alzo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan de Heere Jezus en jegens al de heiligen (vs.5). Groot nieuws is dat. Liefde en geloof in één adem. Geloof dat zich richt op de Heere Jezus, tezamen met liefde naar de heiligen toe. 14. Wat is geloof zonder de ’harteklop’ van de liefde? En ook: hoe diep mag die liefde zijn, als ze gedragen wordt door een oprecht geloof in Jezus Christus? Daar mag Paulus in het geval van de gemeente van Kolosse en ook van Filémon van uitgaan. En dat geeft zijn aanbeveling van Onésimus van meet af een goede basis. 15.

Geloof naar de Heere Jezus toe kan nooit losstaan van liefde tot al de heiligen. In dat laatste moet het geloof zijn uitwerking hebben. Onésimus, een slaaf daarbij ingesloten; hij is één van die heiligen. 16.


Rom.12:2; 16:19; 1 Kor.1:9; Gal.5:6; Fil.1:5, 9; Hebr.13:16.

Wat is het dan dat de apostel op het oog heeft, wanneer hij Filémon voor Gods Aangezicht gedenkt? Opdat de gemeenschap van uw geloof krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in u is door Christus Jezus (vs.6). Paulus gaat hier als een uitstekende advocaat te werk. Hij is werkelijk een ‘getuige à décharge’. Hij verlangt ernaar, dat de gemeenschap die Filémon en de christenen van Kolosse onderling in het geloof beleven, krachtig openbaar mag komen in een (praktisch) kennen van al wat goed is in u door Christus Jezus. ‘Partnership in het geloof’ moet blijken in een daadwerkelijk doorleven en uitleven van al wat aan goeds in ons gevonden wordt door onze relatie met Christus Jezus. 17.


2 Kor.7:4; Filèm.:12, 20

Op dit alles heeft Paulus goede hoop. Want hij ervaart het nu reeds (aor.) als een grote vreugde en een grote troost, als weldra de heiligen van harte verkwikt zijn door Filémon. Want wij hebben 18. grote vreugde en vertroosting over uw liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder (vs.7). 19. Filémon legt blijkbaar veel liefde aan de dag, zoveel, dat zijn medegelovigen daar gewoon telkens weer van opknappen. En dat maakt de apostel o zo blij. Dat geeft hem goed vertrouwen, dat het met Onésimus, als deze bij hem terugkomt, goed zal aflopen.


Paulus’ verzoek, Filémon na aan het hart ge-legd
Er is bij Filémon en de zijnen een stevige basis voor een werkelijk christelijke opvang van een weggelopen slaaf. Paulus’ bemiddelingspoging loopt zeker niet op niets uit. Hij zou in feite kunnen volstaan met tegen Filémon te zeggen: Dit en dat heb je te doen; handel naar wat ik je voorhoud.

Paulus vervolgt dan ook zijn pleidooi aldus: Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, hetgeen betamelijk is (vs.8). 20. In de Naam en op gezag van Christus (verbonden met Hem als apostel), zou Paulus de vrijmoedigheid kunnen hebben om Filémon te bevelen wat hij moet doen (wat betamelijk is). En dat apostolische moet geëerbiedigd worden, op alle plaatsen (ook in Kolosse) en in alle tijden (ook nu). Maar hier wil Paulus zich niet beroepen op dit apostolisch gezag. Hij kiest een andere weg. Hij doet een beroep op Filémons christelijk geweten. Deze brief moet niet overkomen als van iemand die hoog van de toren blaast. Trouwens gezag, dat van een apostel en ook dat van leidinggevenden vandaag, moet altijd van binnenuit waar worden gemaakt.


Vandaar dat Paulus vervolgt: Zo bid ik [nochtans] liever door de liefde, daar ik zo iemand ben, te weten Paulus, een oud man en nu ook een gevangene van Jezus Christus (vs.9). In plaats van een apostolisch bevel: een dringend appèl (Gr.’parakaleoo’), een liefderijke opwekking. Filémon zal dat niet afwijzen. Want het is een verzoek van een oud man die bovendien een gevangene van Jezus Christus is; vgl. vers 1. Wellicht was Paulus een man tussen de 50 en 60 jaren (zo Hans Bürki, a.w., S.211). Welnu, men moet de ouderdom eren. Nee, niet om medelijden op te wekken, schrijft Paulus dit. Zijn verzoek is het dringende verzoek van iemand bij wie de wijsheid der ouden is. 21.
En zo’n verzoek zal men niet zomaar willen afwijzen. Hoe graag willen wij een ’uiterste wil’ eerbiedigen. Hoe veel te meer, als dat verzoek tot ons komt vanuit een gevangenis, van iemand die om Christus’ wil aan handen en voeten gebonden is. ’Indien gij iets doen wilt voor een armen, ouden gevangene, om hem in zijn banden te vertroosten en hem zijn keten lichter te maken, willig dan in wat ik van u begeer; gij zult daardoor in zekeren zin Christus eren in den persoon van Zijn ouden lijdenden dienstknecht, en die zal het zeker beschouwen als aan Hem Zelf gedaan’ (M.Henri).
Na deze lange aanloop, komt Paulus dan uiteindelijk voor de dag met wat hij Filémon op het hart gebonden wil hebben. Ik bid u [dan] voor mijn zoon, die ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onésimus (vs.10). 22. Geen bemiddelingspoging dus van zomaar iemand voor een ’doodvreemde’. Het hoge woord komt eruit. Onésimus, uw slaaf…’Houd op, man, ik loop nog steeds rood aan, als iemand die naam noemt. Een slaaf die van de ene dag op de andere verdwijnt en mij laat zitten met het werk. Heb ik hem niet voor geld gekocht?’ 23. Zo zou Filémon over zijn weggelopen slaaf kunnen oordelen. Hij zou hem hard kunnen behandelen, als hij met hangende pootjes bij hem weer voor de deur kwam staan. Dat was niet ongebruikelijk in de wereld van toen. Het gebeurde wel in Rome, dat men een weggelopen slaaf die men weer had kunnen terugvinden, met een gloeiend heet ijzer de letter F of de letters FGV (’fugitivus’ = vluchteling) op de handen, de voeten of het voorhoofd brandde of dat men hem als een hond een ijzeren halsband om de nek smeedde, soms met de woorden erop: ’ik ben ontvlucht, arresteer mij’. Dan was hij dus voor altijd gebrandmerkt als een weggelopen slaaf. Ook kwam het voor, dat men zo’n slaaf in de arena met de wilde dieren liet vechten of hem folterde, zelfs kruisigde. Zo dr.A.Sizoo, De antieke wereld en het Nieuwe Testament; a.w., blz.115. Zie ook H.Bürki, a.w., S.219.
Maar hoe schrijft Paulus nu over de slaaf Onésimus? Laat hij Filémon weten, dat hij deze wegloper in feite ook maar een grote lastpost vindt? Heeft hij hem soms over de knie gelegd, toen hij bij hem aanlandde in zijn gevangenis? ’Man, schiet op; ga terug naar Kolosse; daar heb je het beter dan ik in mijn gevangenschap?’ Nee, Paulus heeft zich over deze arme vluchteling ontfermd en hem de barmhartigheid van Christus bewezen. Hij heeft hem niet behandeld als een slaaf die veel op zijn geweten had en daarom voor straf had te vrezen (al kan dat wel het geval zijn geweest), maar meer als een asielzoeker die recht had op bescherming. Zo I. Howard Marshall, a.w., p.177f.

Daar kan iedereen wat van leren. Een arme smekeling moeten wij niet hard vallen. Een ’asielzoeker’ mogen wij niet, zonder naar zijn verhaal goed geluisterd te hebben, de deur wijzen. Hoe velen zijn er niet, ook in onze dagen die verdrukkende systemen in hun thuisland ontvluchten, omdat zij daar sociaal gezien in armzalige en onleefbare toestanden zijn komen te verkeren. En hoe velen van hen kunnen in hun vaderland hun christen - zijn niet beleven, laat staan uitleven. Zij komen nog al eens bij ons binnen als ’illegalen’. Zij kiezen soms vluchtwegen waar wij weinig of geen begrip voor opbrengen. Maar voor ons moet het vaststaan, dat regeringen van het ’rijke’ Westen naast hun roeping om goede zorg te dragen voor de volkeren van de arme landen, ook een roeping hebben om ‘asielzoekers’ die tot ons overkomen, humaan – naar heilzame regels - te behandelen.



1 Kor.4:14v; Gal.4:19; 2 Tim.2:9


Zo doet de apostel Paulus het ook met de ’asielzoeker’ Onésimus. Hoe oordeelt hij over hem? Hij noemt hem zijn zoon, in zijn banden geteeld. Filémon is Onésimus’ heer. Paulus is Onésimus’ geestelijke vader. Hij heeft hem (zoals een leermeester zijn leerling in het Jodendom) opving, als een vader opgevangen, met hem gesproken, hem gewezen op zijn verkeerde handelwijze, hem onderwezen in de dingen van het geloof en van de liefde en van de hoop en van de ware christelijke vrijheid die ook in banden van gevangenschap en slavernij kan worden beleefd. Ik stel me voor, dat de apostel zo met Onésimus nagedacht heeft over wat ware vrijheid is: gekocht en betaald zijn door het bloed van de Zaligmaker Jezus Christus. ’Man, als je in die vrijheid mag leven, zullen alle banden (ook die van slavernij, ook die van gevangenschappen) niet zo knellen, dat je koste wat het koste daarvan verlost wilt zijn.’

Joh.8:36


’Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.’ En als zo’n vrijgemaakt mens kunt u dan tevens ook gezagsverhoudingen respecteren. Zo goed als een kind zijn vader als een vriend mag beschouwen en tegelijk hem als vader zal blijven eerbiedigen, zo goed kan ook een slaaf in zijn heer zowel zijn broeder als zijn meester zien.

Fil.1:14


Zo is Onésimus dan Paulus’ geesteskind geworden. Paulus werd het middel in Gods hand tot zijn bekering. Hoe wonderlijk zijn Gods wegen. Onésimus kreeg iets beters dan waarop hij hoopte, toen hij van huis ging en bij Paulus aanklopte. En Paulus werd tot zegen voor deze arme man; dat had hij tussen de vier muren van zijn gevangenis haast niet durven denken.
En zo zendt Paulus dan Onésimus terug naar zijn heer. Die komt anders terug dan hij is heengegaan. Dat moet Filémon niet vergeten. Laat de stok nog even achter de deur blijven staan.
Maar moet de daad van deze weggelopen slaaf dan maar vergoelijkt worden? Nee, Paulus schrijft: Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; die ik weergezonden heb (vs.11). Onésimus, de nuttige betekent zijn naam. En die naam heeft hij niet eerst gekregen, toen hij tot bekering kwam. Zo heette deze man vanaf zijn geboorte. Maar die naam had hij in het verleden bepaald niet waar gemaakt. Hij was een ’nietsnut’ geweest. Hij had alleen maar de druk van boven gevoeld, van geboden en verboden. En hij zag er het nut niet van in. Hij was – om met J.Calvijn te spreken – altijd al een ’wegloper in zijn hart’ geweest (a.w., blz.212). Hij zag het niet, dat de liefde in het huisgezin van Filémon de boventoon voerde. Hij waardeerde het niet, dat er van de kant van zijn heer ook het één en ander aan hem ten goede kwam.
Eertijds onnut. Zo is het altijd met iemand – slaaf of geen slaaf - die mopperend en met tegenzin in het leven staat, omdat hij vrij wil zijn van gezag, vrij van wetten en regels, van plichtplegingen. Hij kan niet nuttig zijn voor anderen. Een mens die altijd maar denkt, dat het elders beter is en dat hij het misdeelde kind is, ziet niet, dat hij nuttig kan zijn, door te dienen. Hij zoekt ’twaalf ambachten’, hij krijgt ’dertien ongelukken’. Hij is niet te genieten. Hij is in één woord onbruikbaar (niet Gr.’chrèstos’).
Eertijds onnut. Zo is het vaak ook met een jongen of meisje die op zestienjarige leeftijd het ouderlijke huis waar zij met zoveel liefde omringd zijn, verlaten, op eigen kamer gaan wonen en zich onttrekken aan het gezag van hen die mede verantwoordelijk willen zijn voor hen. Het lijkt zo mooi om te kunnen doen en laten wat prettig aanvoelt. Dat zit er diep bij iedereen in. Maar als God ons een halt toeroept, gaan we de weg terug. Als Jezus, de goede Herder ons komt oprapen uit onze verdwaling, vergaat het ons als een schaap dat onbedacht zijn herder verloor: het wordt door de herder op zijn schouder naar de schaapskooi teruggedragen. O, God wat een weg. En dat u die weg dan ook nog weet te gebruiken tot mijn eeuwig heil!
Onésimus heeft blijkbaar door het onderwijs van Paulus een andere levenszin geleerd. Een dienstknecht die zich vrij vocht, maar in die vrijheid niet gelukkig kon worden, mocht een vrij man in Christus worden, die geen bezwaar meer had om anderen te dienen in het verrichten van het minste werk. Dat heeft hij stellig in de gevangenis bij Paulus geleerd. Trouwens, wat hij voor deze apostel in zijn gevangenschap mogelijk heeft kunnen betekenen, was dat in principe ook geen ’slavenwerk’?
2 Tim.2:21; 4:11

Indertijd onnut. Voor Filémon: een nietsnut. Maar nu goed bruikbaar (voor Paulus, voor Filémon). Een christen die op Christus (Gr.’Christos’) lijkt. 24. Als Filémon zijn dienstknecht denkt niet meer te kunnen gebruiken, Paulus denkt dat niet. Laat hij hem maar aan Paulus afstaan. Hij zou hem zeer tot nut zijn. Maar dat wil Paulus van Filémon niet vragen. Zo’n mens als Onésimus, helemaal op zijn plaats gekomen voor God en de mensen, zal ook voor zijn wettige heer een nuttig mensenkind blijken te zijn. Dat weet Paulus zeker en zo zendt Paulus Onésimus dan terug naar zijn heer. 25.



Filém.:7, 20


En laat dan Filémon de deur van zijn hart maar wagenwijd voor hem openzetten. Doch gij, neem hem, dat is mijn ingewanden, [weer] aan (vs.12). Onésimus is een stuk van Paulus zelf: zijn ingewanden, een slaaf over wie de apostel met barmhartigheid bewogen is, zijn zielenvriend. 26. Zo mag Filémon hem ontvangen.
Welkom thuis. Richard Wurmbrandt vertelde eens het verhaal van een jonge man die van huis en haard was vervreemd en tenslotte in de gevangenis terechtkwam. Toen hij eindelijk weer op vrije voeten kwam, wilde hij terug naar zijn vader. Maar zou zijn vader hem terug willen hebben? Hij schreef een brief: ’Vader, mag ik weer thuiskomen? ’Kom maar met de trein’, antwoordde zijn vader. ’Die komt langs ons huis. Als je een witte zakdoek in een boom in de tuin ziet hangen, ben je welkom.’

Toen de trein het huis van de vader naderde, werd de jongen steeds zenuwachtiger.’Waarom ben je toch zo onrustig?’, vroeg een medereiziger. ’Ga maar zitten’, zei hij, toen hij het verhaal gehoord had, ’ik zal wel voor je kijken’. En toen het zover was…?! De jongen kon zijn ogen niet geloven. In een boom in de tuin van vaders huis hing niet een witte zakdoek, maar een groot wit laken.


Welkom thuis.

NOTEN
1. Wat het auteurschap betreft: er is geen enkele reden om te twijfelen aan het auteurschap van Paulus. De brief ademt geheel de sfeer van Paulus’ andere brieven. In de tweede eeuw nChr. komt de brief in de canon van Marcion onder de Paulusbrieven voor; eveneens in de Canon Muratori (eind tweede eeuw). De brief is ook bekend bij Tertullianus en in de oud-latijnse vertalingen. De oud-syrische kerk (tweede eeuw) mist echter Filémon.

F.C. Baur van de Tübinger Schule zag in deze brief een romanachtig ingeklede stellingname tegenover het vraagstuk van de slavernij uit de na-apostolische tijd. De brief aan Filémon is de kortste brief van Paulus in het NT. In zekere zin is zij – net als de brieven aan Timotheüs en Titus – een pastorale brief. Maar zij is vooral een persoonlijke aanbevelingsbrief ter onder-steuning van Onésimus. Als hoofdstuk 16 van de brief aan de Romeinen ook een aanbevelingsbriefje is (ter aanbeveling van Febé), blijkt daaruit, dat Paulus wel meer van deze briefjes schreef. Wij kunnen de brief als volgt verdelen:




  • vss.1-3:adressering en groet;

  • vss.4-7:uiting van dankbaarheid;

  • vss.8-22:het pleidooi (de hoofdmoot van de brief);

  • vss.23-25:groeten en zegen.


2. De Gr.uitdrukking ’desmios Christoe Jèsoe’ = gevangene van Christus Jezus moet niet puur in geestelijke zin worden verstaan als: iemand die met banden gebonden is aan Jezus Christus. Zie ook vs.9 en Ef.3:1; 4:1. Paulus gevangene (zonder lidwoord) van…, dat is Paulus’ erenaam (lijden om Christus’ wil). Enkele hss. hebben: apostel of: apostel gevangene of: slaaf van…
3. Efeze lag 175 km ten Westen van Kolosse. Voor een slaaf als Onésimus die wegloopt en bij Paulus aanklopt, is de afstand naar Rome wel erg ver. In aanmerking kan genomen worden, dat Onésimus ook naar Paulus ging, omdat hij wist, dat Epafras (de stichter van de christelijke gemeente te Kolosse) die hij van nabij kende, zich bij hem ophield. W.Schrenk (in: Der brief des Paulus an Philemon in der neueren Forschung (1945-1987); ANRW (1987); II.25.4, 3439-95) is een heel andere mening toegedaan. Volgens hem is Onésimus geen recalcitrante slaaf. Filémon, eerst een vervolger van christenen (net als Archippus), wordt bekeerd en opent zijn huis voor een groep christenen te Pergamus. Zijn slaaf Onésimus – geen christen – wordt er daarna door hem op uitgestuurd om het nieuws aan Paulus (te Efeze) te gaan vertellen. Daar wordt ook hij bekeerd. En dan vraagt Paulus aan Filémon, of hij Onésimus bij zich mag houden (om te dienen in de Evangelieverkondiging). Terecht noemt I. Howard Marshall deze verklaring van de brief aan Filémon een speculatieve theorie (a.w., p.179, p.183 note 14 en p.189 note 19).
4. In de brief aan Kolosse, ook in gevangenschap geschreven, blijken de volgende medewerkers in Paulus’ gezelschap te zijn (Kol.4:10vv): Epafras (uit Kolosse), Markus, Aristarchus, Demas, Lukas. Ditzelfde gezelschap wordt ook genoemd in Filem:23v. Paulus hoopt binnenkort Filémon te kunnen bezoeken (Filém.:22). Ook dit kan een aanwijzing zijn voor Efeze als plaats van gevangenschap. Wij weten in elk geval niet, of Paulus tijdens zijn gevangenschap te Rome plannen had om nog weer eens naar Frygië te gaan; bovendien wilde hij verder: naar Spanje; vgl. Rom.15:23v, 28. Slechts een enkel Grieks hs. heeft als onderschrift van de brief aan Filémon, dat deze is geschreven vanuit Rome. In enkele hss. wordt in het onderschrift Apphia genoemd: ’despotas’ (meesteres) van Onésimus en Archippus: diaken van de kerk te Kolosse.

De gevangenschapsbrieven zijn: die aan Efeze, Filippi, Kolosse, Filémon en 2 Timotheüs (de laatste zal vanuit Paulus’ tweede gevangenschap te Rome geschreven zijn).


Zie verder C.den Boer, Kolossensen; Kampen 1999 over de stad Kolosse en de christelijke gemeente aldaar (blz.16-20) en over de vraag, waar en wanneer de brieven aan Kolosse en aan Filémon geschreven kunnen zijn (Excurs II; blz.26vv).
5. Zo ook in vijf andere brieven van Paulus; vgl. 2 Kor.1:1; Fil.1:1; Kol.1:1; 1 Thess.1:1; 2 Thess.1:1. De Kanttekeningen van de Staten Vertaling zeggen: ’Hier doet hij (Paulus) het ook, opdat het voorbidden van twee te meer kracht zou hebben’. Zie verder over Timotheüs en zijn erenaam ’de broeder’: C.den Boer, Kolossensen; Kampen 1999, blz.13v (noot 7). Timotheüs is bij Paulus in Efeze (Hand.19:22) en vermoedelijk bekend aan Filémon.
6. Gr.’sunergos’ = medewerker; 13x in het NT, waarvan 12x bij Paulus. De Kantteke-ningen van de Staten Vertaling zeggen van Filémons medewerken: ’Namelijk òf in het prediken des Evangelies, òf dat hij het door alle goede diensten hielp bevorderen, gelijk in dezen zin ook vrouwen zo genoemd worden; Rom. 16:3’.

Robertson’s Word Pictures (Bible Works): ’Perhaps coming to Ephesus while Paul was there when his ministry had so much influence over the province of Asia (Ac 19:9f., 26; 1Co16:19). The name Philemon occurs in the legend of Baucis and Philemon (Ovid's Metamorphoses), but with no connection with the brother here. He was active in the church in Colossae ("our co-worker”…) and was beloved …by Paul’. Filémon noch zijn huisgemeente worden in Paulus’ brief aan Kolosse genoemd. Wel Onésimus die samen met Tychikus de gemeente over Paulus moeten informeren (Kol.4:9). Dat behoeft ons niet te bevreemden. Paulus heeft in zijn brief aan Filémon en de zijnen genoeg aandacht aan hen gegeven en wil zich nu in zijn brief aan Kolosse tot de gemeente in haar geheel richten. Intussen kan die gemeente via Onésimus en de brief aan Filémon die deze op zak heeft, genoegzaam weten, hoe Paulus meent, dat er met een weggelopen slaaf als Onésimus moet worden gehandeld.


7. In 1 Kor.1:26 schrijft Paulus, dat de gemeente in Korinthe bestond uit ’niet vele wijzen naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen’. Intussen was daar ook een man als de stadsrentmeester Erastus lid van de christelijke gemeente. John Metcalfe ziet als het meest wezenlijke van de ‘ecclesia’ haar afzondering van de wereld; zij is in zijn ogen een congregatie van heiligen die hoofd voor hoofd uit de wereld zijn geroepen. ’The epistle has nothing to say to the world, from which the ecclesia – by definition – has been called out’ (a.w., p.53). Een individualistische benadering van de gemeente waarin weinig of geen plaats is voor het kerkelijk institutaire, voor de gemeente als collectivum (lichaam van Christus), geconstitueerd door de roeping via de prediking en onderricht van het Woord van God. Vgl. o.a. 1 Kor.1:2. Het is dan ook bepaald misleidend, als Metcalfe beweert, dat de brief van Paulus aan Filémon geen boodschap voor de wereld bevat en dus ook niets te maken heeft met de (latere) afschaffing van de slavernij. Hij vindt, dat evangelisatie en zending niet gericht moeten zijn om verandering van mondiale structuren (p.105, 107, 110).
8. De Griekse teksten die de voorkeur verdienen, hebben: Gr.’Apphiai tèi adelphèi’ = aan Apphia de zuster. Zo Nestle-Aland. Een aantal hss. heeft: de geliefde; weer andere hss.: de geliefde zuster. Vgl. Rom.16:12. De Kanttekeningen van de Staten Vertaling zeggen: ’Het is zeer waarschijnlijk, dat deze geweest is de huisvrouw van Filémon, die daarbij gevoegd wordt, omdat haar de zaak mede aanging’. Robertson’s Word Pictures (Bible Works), over Apphia: ’A common name in Phrygian inscriptions and apparently the wife of Philemon. "Sister" is in the Christian sense’. Over Archippus: ’It is uncertain whether he is the son of Philemon or not. Apparently he is prominent in the church in Colossae, possibly even pastor, probably not in Laodicea as some understand Col 4:17 to imply’. Wellicht is Archippus tijdens de afwezigheid van Epafras in Kolosse, de leider van de gemeente geweest.
9. E.L.Smelik, a.w., blz.112 schrijft (met te grote stelligheid) van Appia, dat zij ’ongetwijfeld de vrouw van Filémon’ is en van Archippus, dat hij ’een zoon of huisgenoot’ is. Gr. ‘sustratiootès’ = medesoldaat. Alleen hier in het NT en in Fil.2:25 waar Paulus Epafroditus (uit Filippi) een broeder, mede-arbeider (’suner-gos’) en medestrijder (’sustratiootès’) noemt (met Paulus mee lijdend en strijdend in de verdediging van het Evangelie). Zie ook 1 Tim.1:18; 2 Tim.2:3.
10. J.Knox in Philemon of the letters of Paul (Chicago 1935; New York 1959/2) gaat er ten onrechte vanuit, dat de brief via Filémon in Laodicea (!) vooral aan Archippus in Kolosse is gericht als de eigenaar van de slaaf Onésimus. De brief aan Filémon zou dan dezelfde zijn als die van Kol.4:16. Zie hierover Murray J.Harris, a.w., p.242. Het Gr.’soe’ = ’uw’ (huisgemeente) heeft echter betrekking op Filémon; hij is de hoofdgeadresseerde van de brief; het gaat om zijn slaaf. Zijn huisgemeente is in ieder geval niet dezelfde als die van Nymfas in Laodicéa (Kol.4:15). Bovendien laat het zich moeilijk indenken, dat Filémon niet in dezelfde plaats zou wonen als de in Kol.4:17 genoemde Archippus (nl. Kolosse); Archippus is mede – geadresseerd in Filém.:2 en werkt kennelijk in Filémons huisgemeente. Mogelijk is Paulus, toen hij tijdens zijn derde zendingsreis op weg was naar Efeze, even in Kolosse geweest en daar tot zegen geworden, o.a. voor Epafras. Robertsons’ Word Pictures (Bible Works): ’Before the third century there is no certain evidence of special church buildings for worship (White, Exp. Grk. T.). See Ac 12:12 for Mary's house in Jerusalem, 1Co 16:19 for the house of Aquila and Prisca in Ephesus, Ro 16:5 for the house of Prisca and Aquila in Rome, Col 4:15 for the house of Nympha in Laodicea’. Zie verder: Hand.16:15, 40; 17:5v; Rom.16:23.
11. Het kan zijn, dat Onésimus reeds een christen was en meende, dat hij daarom geen slavendienst meer behoefde te verrichten. John Matcalfe, a.w., p.17ff houdt er een geheel andere mening op na. Hij gaat ervan uit, dat Onésimus uit zucht naar vrijheid er vandoor gaat, zich in Rome in de wereld van het amusement stort en een losbandig leven gaat leiden. Dat brengt hem echter in de wanhoop. Hij komt als een verloren zoon tot zichzelf en gaat inzien, dat hij door dit losbandig leven er slechter aan toe is dan in zijn vorige leven als slaaf. Tenslotte vindt hij door een bijzondere leiding van God de apostel Paulus in zijn gevangenschap te Rome en komt door diens verkondiging van de genade van God in Christus tot de volle vrede van zijn hart. Waar Matcalfe dit alles vandaan haalt, is ons een raadsel. De brief aan Filémon geeft o.i. in geen enkel opzicht aanleiding om bij Onésimus te denken aan een slaaf die – met het van zijn heer gestolen geld? – een wereldreis gaat maken van Kolosse naar Rome en daar een bruin leven gaat leiden om tenslotte als een verloren zoon bij Paulus aan te landen. De brief aan Filémon zwijgt geheel over de motieven van zijn vertrek uit het huis van zijn heer. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat Filémon. reeds tot geloof was gekomen, voordat zijn slaaf bij hem de deur uitging. Maar dat behoeft niet te betekenen, dat Onésimus wegging, omdat hij het christelijk geloof haatte, zoals Metcalfe veronderstelt. Over de slavernij in de eerste eeuw nChr.: zie de excurs aan het slot van de tweede Bijbelstudie over Filémon..
12. Zie de verklaring van deze uitdrukking onder vs.11. In Tit.2:9vv spoort Paulus de dienstknechten aan ’zich niet te onttrekken’.
13. Gr.’eucharisteoo’ = dankzeggen. Gr.’pantote’ = altijd (kan zowel bij ’danken’ als bij ’gedachtig zijnde’ horen). Gr.’mneia’ = gedachtenis (met Gr.’poieoo’ = doen; gedachtenis doen); letterlijk: uw gedachtenis doende. Gr.’proseuchè’ = gebed (in het algemeen).
14. Geloof dat zich richt op… (Gr.’pros’; sommige hss. hebben Gr.’eis’; een enkel hs: Gr.’en’); en liefde naar…(Gr.’eis) de heiligen toe.
15. M. Henri schrijft (Online Bible): ’Liefde tot Christus en geloof in Hem zijn Christelijke deugden van den eersten rang; er bestaat dus grote reden van dankzegging aan God, wanneer Hij iemand met deze gezegend heeft’. Vgl. Rom.1:8; Kol.1:3, 4. In de Kanttekeningen van de Staten Vertaling lezen we, dat het woord ’geloof’ hoort bij ’Heere Jezus’ en ’liefde’ bij ’al de heiligen’. Zo ook Murray J. Harris, a.w., p.250 en N.T. Wright, a.w., p.174f. Hier een voorbeeld van het zgn.chiasme in het NT. Een aantal hss. heeft geloof en liefde (in omgekeerde volgorde dus); geloof in de Heere Jezus en liefde tot al de heiligen.
16. Gr.’hagioi’ = heiligen, God-gewijden, afgezonderden (dat is niet hetzelfde als: zij die zonder zonde zijn; ook niet als: zij die trouw, loyaal zijn).
17. Gr.’hopoos hè koinoonia tès pisteoos soe energès genètai’ (aor.coni) = opdat de onderlinge gemeenschap, beoefend in uw geloof, zijn krachtige doorwerking hebbe. Gr.’koinoonia’ = gemeenschap (vertikaal/ horizontaal); ’fellowship’/ ’partnership’ (het deelhebben aan de geestelijke gaven en daarin met elkaar delen). Het woord is in deze brief (ook in de brief aan Filippi) een trefwoord (zie ook vs.17). Robert W. Wall, a.w., p.199 schrijft: ’In the ancient world, it defined a whole community of persons in which something is shared in common and as essential for live’. Gr.’energès’ = werk-zaam, energiek (vgl. 1 Kor.16:9; Hebr.4:12); de Gr.’koinoonia’ moet als iets werkzaams voor de dag treden in een daadwerkelijk kennen (Gr.’epignosis’) van alle goeds in u naar Christus Jezus toe. Vgl. Kol.1:9; 3:10; Hebr.10:26.

Een aantal niet onbelangrijke hss. heeft: in ons i.p.v.: in u; zo ook Nestle-Aland. Hoewel Paulus ook wel ’in ons’ geschreven kan hebben (hij sluit dan zichzelf in), is de lezing ’in u’ meer voor de hand liggen; Paulus heeft het in het begin van dit vers immers ook over Filémons geloof (‘uw geloof’). Anti Murray J.Harris, a.w., p.252. John Metcalfe die zeer te keer gaat tegen tekstcorrecties van ’that infamous pair’ Westcott en Hort, schrijft ongenuanceerd, dat de ’textus receptus’ natuurlijk juist is (’in u’ en niet ’in ons’) (a.w., p.57, zie ook p.104). Met betrekking tot de Gr.uitdrukking ’eis Christon’ zeggen de Kanttekeningen van de Staten Vertaling: ’Gr.’eis’; dat is, in Christus Jezus. ’Eis’ voor ’dia’; dat is, door, gelijk 1 Cor.10:2. Want wij hebben niets goeds dan door de weldaad van Christus en Zijns Geestes, Joh.15:5. Of, ’tegen Christus betoond’. Want al het goed, dat wij aan de heiligen betonen, rekent Christus alsof het aan Hem gedaan ware; Matth.25:35, enz.’.


18. Gr.’eschon’ (aor.ingress. van Gr.’echoo’ = hebben) = ik heb. Andere hss, lezen: Gr.’eschomen’ of Gr.’megalèn echoomen’ of Gr.’echomen’. De textus receptus heeft: Gr.’echomen’. De Meerderheidstekst heeft i.p.v. Gr.’charan’ (vreugde): Gr.’charin’ = genade.
19. Gr.’splanchna’ = ingewanden (zie ook de vss.12 en 20) = het binnenste van de mens (hart, longen, lever), centrum van gevoelens (een hebraïsme). Vgl. Luk.1:78; 10:33; 15:20; 2 Kor.6:11vv; 7:15; Fil.1:8; 2:1; Kol.3:12; 1 Joh.3:17. Gr.’anapauoo’ = uitrusten; perf.: verkwikt zijn; zie ook vs.20. Vgl. Matth.11:28; Mark.6:31; 1 Kor.16:18; 2 Kor.7:13; 1 Petr.4:14; Openb. 14:13.
20. Gr.’parrèsia’ = vrijmoedigheid (alles zeggen, zijn hart laten zien). Gr.’epitas-soo’ = bevelen. Gr.’anèkon’ = wat past (part.van Gr.’anèkoo’ = behoren, passen). Vgl. Ef.5:4; Kol.3:18.
21. Gr.’presbutès’ = een oude man. Letterlijk: zodanig zijnde als Paulus, een oude man nu (in de hoedanigheid van…). Vgl. Hand.7:58 waar Saulus een jonge man heet; nog op school bij Gamaliël (30 jaar?). Robertsons’ Word Pictures (Bible Works): ’Hippocrates calls a man presbuthès from 49 to 56 and geroon after that. The papyri use presbuthès for old man as in Lu.1:18 of Zacharias and in Tit 2:2. But in Eph 6:20 Paul says presbeuoo en halusei (I am an ambassador in a chain). Hence Lightfoot holds that here presbuthès = presbeuthès because of common confusion by the scribes between u and eu. In the LXX four times the two words are used interchangeably. There is some confusion also in the papyri and the inscriptions. Undoubtedly ambassador (pres-beuthès) is possible here as in Eph 6:20 (presbeuoo) though there is no real reason why Paul should not term himself properly "Paul the aged"’. Ook J.Calvijn meent, dat Paulus hier zichzelf aanduidt in zijn bediening, niet als een man op hoge leeftijd (a.w., blz.210). Zo ook N.T.Wright a.w., p.180; hij verwijst naar 2 Kor.5:20; Ef.6:19v en stelt voor Gr.’presbeutès’ te lezen (= een ambassadeur). Dit blijft echter een conjectuur, die in geen enkel hs. voorkomt. Er is ook geen bezwaar tegen ervan uit te gaan, dat Paulus zich hier beroept op het respect dat men verschuldigd is aan een oud man die bovendien in de gevangenis vertoeft.
22. Gr.’parakeleoo’ = opwekken, pleiten (als een advocaat). Gr.’peri’ = met betrekking tot... Zie ook vs.9. Gr.’gennaoo’ = verwekken; hier aor. Vgl. 1 Kor.4:15. Enkele hss. lezen Gr.’egoo’ = ik (met nadruk)’ en ’mijn’ (bij banden).
23. M. Henri Online Bible): ’Filémon, een Phrygiër, was misschien van nature een man met een ruw en lastig humeur, en daarom moest al het mogelijke in het werk gesteld worden om hem tot vergeving en verzoening over te halen. Wij moeten strijden om gelijk God, traag tot toorn, geneigd tot vergeven en overvloedig in vergevensgezindheid te zijn’.
24. Gr.’achrèstos’ = onbruikbaar, nietsnut. Paulus bedoelt hiermee geen oordeel te geven over de waarde van een slaaf die in die tijd wel betiteld werd als ’nietsnut’. Gr.’euchrèstos’ = bruikbaar, nuttig. Het woord ’chrèstos’ komt van het Gr.werkwoord ’chraomai’ = gebruiken. De naam van Onésimus herinnert aan: Gr.’onèsis’ (profijt) (het Gr.werkwoord is ’oninèmi’: goed doen aan, helpen).
25. Gr.’anapempoo’ = terugsturen (hier.brief-aoristus: heb teruggezonden). O.i. legt Robert W.Wall (a.w., p.179vv) er veel te veel nadruk op, dat Paulus met zijn brief aan Filémon de vrijlating van Onésimus door Filémon beoogt. Alsof Paulus dit als het praktisch effect van het Evangelie zou hebben gezien. Ook als Filémon Onésimus, teruggezonden door Paulus, weer gewoon als slaaf in dienst wilde nemen, zou hij gehandeld hebben overeenkomstig Paulus’ bedoeling, mits hij de relatie heer-slaaf maar op het niveau van de broederliefde bracht.
26. De hss. die de voorkeur verdienen (zo Nestle-Aland) lezen: die ik u terugstuur, hem nl.; hij is mijn ingewanden (mijn ’hartedief’). Een serie hss. (zo de Staten Vertaling) hebben in het tweede deel van vs.12 het werkwoord ’aannemen’ toegevoegd: die ik terugstuur naar u, neem hem – die is mijn ‘hartedief’ – aan.

Gespreksvragen
1. Wat betekent de uitdrukking ’gevangene van Christus Jezus’ (vs.1)?
2. Wie is Timotheüs (vs.1) en waarom noemt Paulus hem als mede-afzender?
3.Geef een aantal personalia van de volgende personen die in de aanvang van de brief van Paulus aan Filémon genoemd worden (hun woonplaats, hun ’status’, hun bijdrage aan gemeente-arbeid): van Filémon, van Onésimus, van Appia, van Archippus.
4. Welke huisgemeenten worden er in het Nieuwe Testament genoemd?

  • Wat zegt dit met betrekking tot de organisatie van de christelijke gemeente in die tijd?

  • Zijn er ook onderlinge contacten geweest?

  • Is het hebben van een ’huisgemeente’ in onze tijd beter dan een georganiseerd landelijk kerkverband?

5. Onésimus was een weggelopen slaaf.



  • waarom zou hij weggelopen zijn? (zucht naar vrijheid, weerzin tegen het christelijk geloof of…)?

  • hoe is hij bij Paulus gekomen?

NB: Lees de excurs over slavernij in de tijd van het Nieuwe Testament (aan het eind van de tweede Bijbelstudie over Filémon.


6. Waarvoor dankt Paulus in de verzen 4-7? Vergelijk 2 Thess.1:3vv (denk aan ‘geloof’ en ’liefde’).

7. Paulus voert een pleidooi voor Onésimus.



  • Welke argumenten gebruikt hij?

  • in vers 7

  • in vers 9

  • in vers 11?

8. Wat zou bedoeld zijn met ’in mijn banden geteeld’ (vs.10)?


9. In de verzen 7, 12 en 20 wordt gesproken over ’mijn ingewanden’. Wat is bedoeld met deze uitdrukking?
10. In welke opzichten was Onésimus eertijds voor Filémon onnut en nu voor hem en voor Paulus zeer nuttig (vs.11)?
11. Wat kan onze perikoop betekenen voor de opvang van asielzoekers in onze tijd?

1 Paulus richt zich in zijn brief tot Filémon en geeft de brief mee aan Tychikus en de weggelopen slaaf Onésimus.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina