De cisterciënser abdij van notre-dame du val-dieu door joseph ruwet



Dovnload 60.16 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte60.16 Kb.
DE CISTERCIËNSER ABDIJ VAN NOTRE-DAME DU VAL-DIEU

door JOSEPH RUWET

Deken van de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit van Leuven

brochure rond 1970


VERNIEUWERS IN EEN TRADITIONALISTISCHE WERELD:DE HERVORMING DER CISTERCIËNSERS
Het tastend zoeken van het begin
In de wereld van het kloosterleven, die sinds de tiende eeuw snel aan het veranderen is, is de cisterciënser hervorming zeer belangrijk. Zij werd een van de middelpuntvliedende krachten, die het aanschijn van de Kerk sterk gewijzigd hebben. Het is immers een grote vernieuwingsbeweging, die onder aandrang van het pausschap de middeleeuwse samenleving in staat stelt vanaf de elfde eeuw weer aansluiting te vinden bij het vroeg-christelijke leven. Tot dat ogenblik bleek deze aansluiting verdwenen te zijn door de te nauwe contacten tussen Kerk en wereld. De hervorming van Cluny was er zelf nog niet volledig in geslaagd de abdijen te bevrijden van wereldlijke invloeden. Maar vanaf Gregorius VII is het eerste en gemeenschappelijke doel van de nieuwe ordestichters de terugkeer tot de zuiverheid van de Regel van St. Benedictus, verklaard in het licht van een oosters ascetisme. Evenwijdig daaraan loopt het verlangen de regelingen van Cluny te verwerpen, die beschouwd werden in duidelijke tegenspraak te zijn met het ideaal van eenvoud en armoede van het oorspronkelijke monnikendom.

In dat grote geheel is Citeaux slechts één van de zeer talrijke hervormde abdijen. Het dankt zijn succes dan ook niet zozeer aan de oorspronkelijkheid van zijn ideeën als wel aan het evenwicht dat het weet te bereiken tussen een vorm van oorspronkelijk monnikenleven dat steunde op het gezag van de Woestijnvaders en de eisen van een nieuwe beschaving.

De eerste pionier van de beweging die Citeaux zou scheppen werd Robert van Molesme. In 1028 in Champagne geboren, vestigde Robert zich in 1075 in Molesme, nadat hij in het Bos van Colan bij Langres een groep kluizenaars had geleid. Hij regelde het leven van zijn communiteit onmiddellijk op de wijze die door de leerlingen van Romualdus van Ravenna was aangenomen. Door de tijd tussen het gebed en de arbeid te verdelen bezorgt Robert aan de nieuwe abdij snel een naam, die hem een groeiend aantal monniken en toenemende bezittingen bezorgt. De schenkingen worden zelfs zó talrijk, dat spoedig het kluizenaarsideaal van de Stichter verdwijnt. Daar hij er aan wanhoopt opnieuw de strenge monnikenobservantie te kunnen vestigen, vraagt en verkrijgt hij dan ook van de aartsbisschop van Lyon verlof een huis te vestigen in Citeaux bij Dyon. Het jaar daarop werd Robert evenwel door zijn eerste leerlingen teruggeroepen naar Molesme en daar sterft hij in 1111 terwijl Citeaux wanhopig worstelt tegen de afgunst van de naburige abdijen.

Na de terugkeer van Robert naar Molesme werd prior Alberik tot abt van Citeaux gekozen. Op zijn voorstel is het dat Paus Paschalis II er in 1100 in toestemt, de jonge abdij onder de onmiddellijke bescherming van de Heilige Stoel te plaatsen. Stephan Harding, die na het overlijden van Alberik in 1109 tot abt gekozen was, kon steunend op deze bescherming alle voordeel trekken die voor de kloostergemeenschap voortvloeide uit de aankomst van Eernardlis en zijn dertig gezellen, in het jaar 1112.


Snelle groei en moderne opzet ( eerste helft van de 12" eeuw)
Stephan Harding, die van angelsaksische afkomst was, had zijn eerste vorming in Sherborne (Dorsetshire) ontvangen. Hij bracht vervolgens een bezoek aan Parijs en aan Rome en op de terugweg hoorde hij spreken over de roep van heiligheid waarin Robert van Molesme stond. Hij begaf zich dan ook daarheen en sloot zich bij de groeiende kloostergemeenschap aan. Als abt zou hij zich een bestuurder en organisator zonder weerga tonen.

Na de aankomst in Citeaux van de groep geleid door St. Eernardus, werden de roepingen voor het cisterciënserleven steeds talrijker. Het werd daarom noodzakelijk nieuwe kloosters te stichten. Dat waren achtereenvolgens La Ferté (1113), Pontigny (1114), Clairvaux en Morimond (1115). Maar deze groei toonde de noodzaak van een interne organisatie aan, die enerzijds de oorspronkelijke ideeën van de Stichters moest beschermen en anderzijds de eenheid van de Orde moest waarborgen door te beletten, dat de dochterabdijen zelf weer zelfstandige en onafhankelijke kloostergemeenschappen zouden worden. Het welslagen van die opzet scheen Stephan zelfs de onontbeerlijke voorwaarde toe voor het succes van de Orde tegenover de nog steeds machtige ideeën van Cluny.

Doordrongen van die overtuiging voerde Harding in 1114 het plan uit van de onderlinge afhankelijkheid der cisterciënser kloosters. Dat document, ook bekend onder de naam van " Primitive Charte de Charité " kende aan iedere nieuwe stichting een volledige bestuurlijke en financiële zelfstandigheid toe. Daarentegen moest de eenvormige uitleg van de Regel de handhaving verzekeren van een gemeenschappelijke leefwijze, terwijl de invoering van de in Citeaux gebruikte boeken de eenheid in de liturgie waarborgde.

Als gevolg hiervan werd die " Charte " door de bijeenkomsten van de abten gewijzigd en vervolledigd in de zin van een versterking van de bevoegdheden van het Generaal Kapittel en van ieder van de moederabdijen. Zo zag het eerstgenoemde zich begiftigd met de wetgevende en de rechterlijke macht. De moederabdijen op hun beurt werden belast met het toezicht op hun dochterabdijen door regelmatige visitaties. In 1119 werden al die regelingen, herzien en verbeterd, vastgelegd in de " Summa Cartae Caritatis ". Als een echte cisterciënser grond wet moest dat document dienen als grondslag voor de samenstelling van de " Carta Caritatis prior " van 1151 en van de " Carta Caritatis posterior " van 1190. Deze laatste vormde de uiteindelijke versie van de " Charte " waaraan vervolgens toevoegingen gehecht in de vorm van aanhangsels. Zelf vormde deze slechts een ontwikkeling van de Charte van 1119 met in ieder geval de belangrijke invoering van het beginsel van de losmaking van de cisterciënser kloosters van elke bisschoppelijke contróle.

Aan de " Summa Cartae Caritatis " van 1119 werden " Capitula " toegevoegd, die in het bijzonder de denkbeelden van de Stichters inzake de regeling van het cisterciënser leven weer opnamen. Twee grondprincipen overheersten daarin: de zorg voor de armoede en de zorg voor de eenvoud. Om de eerste te herstellen zien de cisterciënsers er vanaf bepaalde kledingstukken te dragen en bepaalde spijzen te gebruiken. Nog verdergaand, ze stellen zich de handenarbeid tot taak en vooral de landarbeid teneinde in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en aldus van alle andere inkomsten te kunnen afzien. Om echter beter aan hun roeping tot het contemplatieve leven te kunnen beantwoorden, werken ze samen met lekebroeders aan wie zij de leiding over hun hoeven en " uuthoven " toevertrouwen. Om het tweede ideaal te bereiken schrappen zij alle toevoegingen, die sinds St. Benedictus aan het liturgisch leven en vooral aan het goddelijk officie toegevoegd zijn. Op die wijze weten zij ook het evenwicht te bereiken, dat de Regel verlangt tussen de arbeid en het gebed. Het zelfde ideaal van eenvoud brengt hen er ook toe zich alle overdaad te ontzeggen in de liturgische gewaden en de gewijde vaten enerzijds en in de versiering van de cisterciënser bouwwerken anderzijds. Evenwijdig aan de Summa Cartae Caritatis ontwikkelden die regelingen zich tenslotte naar de mate van de wetgevende activiteiten van het Generaal Kapittel.

De eerste halve eeuw van het bestaan van de cisterciënser beweging geeft zo een beeld te zien van uitbundige vitaliteit. Het was St. Bernardus die streefde naar een beginselvaste zuiverheid. Verlangend het oorspronkelijke benedictijnse leven steeds meer te benaderen, vormde hij zijn Orde om in. een school van mystieke theologie en verzekerde haar tegelijkertijd een steeds uitgesprokener internationaal karakter door zijn missionaire ijver.

Het is waar, dat de door Citeaux ingevoerde "gebruiken hem lange tijd de beschuldiging van " novitas" bezorgden, een term die in de middeleeuwen de zeer ongunstige klank van " nieuwlichterij " had.

Toch betrof zijn oorspronkelijkheid minder de vernieuwing met betrekking tot de tucht en de organisatie dan wel de samensmelting in één samenhangend en uitvoerbaar hervormingsprogramma van een groot aantal eigentijdse ideeën met de eigen beginselen van het oude monastieke wetboek. Op die wijze werden de grondslagen gelegd voor een beweging die kloostergemeenschappen van mannen in staat zou stellen, zowel op geestelijk als op stoffelijk gebied, een eigen rol te spelen in het openbare leven.


Voortbestaan van de cisterciënser beweging te midden van crises en veranderingen.
De voorspoedige ontwikkeling van de Orde van Citeaux -bij de dood van St. Eernardus in 1153 telde zij ongeveer 350 huizen droeg de kiemen van een verval in zich. Men kan er terecht aan twijfelen, of de honderden roepingen die in zo korte tijd geteld werden, alle werkelijke roepingen tot het beschouwende leven waren. Het Generaal Kapittel bleek dit overigens te begrijpen en vanaf 1152 nam het maatregelen om hei aantal nieuwe stichtingen te beperken.

Bovendien spande het zich van die tijd af in om de Regel aan te passen aan de religieuze behoeften van de tijdgenoten. In 1265 ging het zelfs door pauselijk ingrijpen in de richting van een toenemende onafhankelijkheid van ieder huis. Door de Eulle " Parvus Fons " ging Clemens IV zó ver dat hij afweek van de tekst van de " Charte de Charité " door de rol van de onmiddellijke oversten te beperken bij de keuze van de hoofden van hun onderhorige huizen en door het ingrijpen van deze laatsten te verminderen bij hun benoeming. Voor de stabiliteit van de Orde een uiterst gevaarlijke maatregel, want niet alleen betekende zij een tekortdoen aan de wederzijdse rechten van de onmiddellijke oversten en de dochterabdijen, maar zij dreigde een dodelijke slag toe te brengen aan het gezag van de visitators, ja zelfs van het Generaal Kapittel. Men moest evenwel bijna driekwart eeuw wachten voor de Clementijnse regelingen verzacht werden door de Constitutie van Benedictus XII.

Wat betreft de diepgaande verandering die Europa door de Renaissance doormaakte, zij kon evenmin zonder invloed blijven op de monnikengemeenschappen. De cisterciënser beweging werd er intens

door geraakt en de pogingen tot herstel die volgden, bloeiden op in het midden van de zeventiende eeuw. De " observantiesstrijd " bezegelde aldus voorgoed de scheuring van de Orde in aanhangers van de " gewone observantie " en in aanhangers van een strenger kluizenaarsleven (" strikte observantie")


EINDE VAN DE EERSTE CISTERCIËNSER EXPANSIE - DE ABDIJ VAN VAL-DIEU
Een middelpunt van kloosterlijk en agrarisch leven in een grensgebied
Evenmin als de andere gebieden in het middeleeuwse Westen ontkwamen onze streken aan de snelle verbreiding van de cisterciënser beweging. De twaalfde-eeuwse stichtingen hingen er zelfs nauw samen met de missionaire activiteit van St. Bernardus. Alle Belgische mannenkloosters, in de twaalfde eeuw door de Orde van Citeaux gesticht, gaan direct terug op Clairvaux. Dat waren achtereenvolgens Orval (1132), Ter Duinen (1134), Villers (1146), Aulne (1147), Cambron (1148), Ter Doest (1174), Hocht (tegen 1180) en Val St-Lambert (1193 of 1194). Val-Dieu (“Godsdael") in 1216 ontstaan door het overbrengen van de communiteit van Hocht naar het grensgebied van het graafschap Daalhem en het Hertogdom Limburg, verschijnt dus als laatste schepping van de eerste uitbreidingsdrang der cisterciënsers in onze streken.

Zoals vele andere abdijen dankt die van Hocht zijn vestiging aan het ingrijpen van een voornaam heer. In het laatste kwart van de twaalfde eeuw vraagt Theodorus, heer van Lanaken, aan de abt van Eberbach, dochter abdij van Clairvaux, een groep monniken te sturen naar de gebouwen, die hij hun ter beschikking stelt in Hocht bij Maastricht. Er vestigt zich dan een kleine communiteit en deze begint met de exploitatie van de afgestane gronden. Weldra echter doen materiële moeilijkheden de aanvankelijke geestdrift bekoelen. Het is waar, dat de omgeving, streng en afschrikwekkend zo men wil, niet alleen alle hoop op uitbreiding moest ontnemen, maar ook alle echte ijver deed verdwijnen. De tucht zelf verslapt overigens en het Kapittel van Citeaux moet ingrijpen, zowel om een te reislustige abt te vermanen als ook het wijndrinken van de lekebroeders in de uuthoven te beteugelen. Daardoor gedwongen een plaats te zoeken die hen in staat zou stellen beter overeenkomstig de eisen van hun Regel te leven, wenden de monniken van Hocht hun blik naar andere streken. Zij beginnen met in Warsage twintig bunder land te kopen van Lotharius I van Hochstaden graaf van Daalhem (1203) .Daar hopen zij de grondslag te leggen, zoniet voor de nieuwe abdij, dan toch minstens voor een "uuthof ". Zij schenen daarin te slagen, toen zij in 1213 in staat waren de tiende van de plaats af te kopen. Te meer nog daar zij door hun succes de sympathie verwierven van de heren die verlangden de welvaart van hun gebied te doen toenemen. Hendrik III, hertog van Limburg en Lotharius II, graaf van Daalhem wedijverden zelfs in vrijgevigdheid om de communiteit binnen hun gebied te krijgen. De eerste begon met hen een ’allodium' op de linkeroever van de Berwinne aan te bieden, op de grens van het graafschap Daalhem en het hertogdom Limburg. De tweede van zijn kant wilde de monniken tot elke prijs voor zich behouden en schonk hun op zijn beurt een mansus, gelegen juist tegenover de gronden die door de hertog van Limburg afgestaan waren.

De tussenkomst van de graaf van Daalhem schijnt overigens niet uitsluitend door economische motieven ingegeven te zijn. Ongetwijfeld kende hij, evenals zijn buurman, de geestelijke voordelen die in het perspectief van die tijd, toevielen aan de weldoeners van de Kerk. Maar bij Lotharius van Hochstaden moest dat punt temeer de doorslag geven omdat hij mede verantwoordelijk werd gehouden voor de moord op Albert van Leuven. Deze, zoon van de hertog van Brabant, was in 1191 tot bisschop van Luik gekozen, terwijl Albert van Hethel, volle neef van de graaf van Henegouwen, eveneens een deel van de stemmen gekregen had. De eerlijkheid van de stemming, men raadt het, veroorzaakte protesten van de zijde van de Henegouwers, die er evenals de Brabanders alle belang bij hadden, dat een der hunnen tot die hoge waardigheid verheven zou worden. Daar beide partijen op hun standpunt bleven staan, werd het meningsverschil voor het keizerlijk gerechtshof gebracht en Hendrik VI kwam op het idee een derde persoon te benoemen, in dit geval Lotharius, broer van Diederik van Hochstaden, graaf van Daalhem.

De zaak kon daar evenwel niet bij blijven: Overtuigd van zijn goed recht ging Albert van Leuven in beroep bij Rome in januari 1192 en verkreeg er de erkenning van de juistheid van zijn keuze. Op 20 september in Reims gewijd werd hij op 24 september vermoord. De auteur van de " Vita Alberti " die deze feiten meedeelt, verzekert eveneens, dat het op raad van de graaf van Daalhem was, dat de keizer het conflict oploste door Lotharius te benoemen. Dat feit heeft niets verbazingwekkends als men weet, dat Diederik nauw bevriend was geraakt met Hendrik VI sinds hij deze in 1191 naar Italië vergezeld had. Welnu, als heerser over een gebied dat aan het prinsbisdom Luik grensde, had de graaf van Hochstaden er duidelijk alle belang bij zijn broer op de bisschoppelijke zetel benoemd te zien.

Daarentegen moest hij eveneens de bedreiging opmerken die voor zijn graafschap voortvloeide van de kant van een prins-bisschop die verwant was aan de machtige hertog van Brabant. Dat hij daardoor direct of indirect medeplichtig was aan de moord op de kandidaat die gekozen en door de paus bevestigd was, is waarschijnlijk, zo niet zeker. Aldus zouden bij wijze van boetedoening zijn zoon Lotharius I en vooral zijn kleinzoon Lotharius II hun bewijzen van vrijgevigheid te opzichte van de monniken van Hocht vermenigvuldigd hebben.

Zoveel is zeker, dat dezen als gevolg van het dubbele aanbod dat hun gedaan werd, besloten hun nieuwe abdij op beide terreinen tegelijk te bouwen. De eigenlijke kloostergebouwen staan op een deel van de mansus, die geschonken was door de graaf van Daalhem, terwijl de rest van dat terrein met het allodium door de hertog van Limburg afgestaan, dient voor de totstandkoming van de kern van de binnenplaats en de bijbehorende gebouwen. Zo wordt de abdij van Val-Dieu schrijlings op een staatkundige grens gesticht en komt daar tot bloei.

En dat moet als eerste kenmerk genoemd worden van die stichting in het begin van de dertiende eeuw. Verder moet men aannemen, dat door een stuk grond op de grens van hun gebied weg te schenken, zowel de graaf van Daalhem als de hertog van Limburg de hoop koesterden, er tegelijkertijd een gemeenschap van monniken en een politiek steunpunt te zien ontstaan. Het is waar dat deze handelwijze in die eeuwen gebruikelijk was en dat ten opzichte van hun rivalen de hertogen van Brabant evenzo handelden met betrekking tot de communiteiten van Villers, Afflighem en Tongerlo. Wat evenwel Val-Dieu doet verschillen van de andere abdijen van dat type is de

handhaving van zijn grenspositie door alle samensmeltingen van vorstendommen een die bij de aanvang van de moderne tijd tot stand kwamen. Vandaag de dag staat de abdij nog steeds op minder dan vijf en twintig kilometer van de grens van een naburige staat en zelfs vlak bij de taalgrens.

Een tweede punt dat beklemtoond moet worden is de kwaliteit van de gronden die gediend hebben voor de vestiging van de nieuwe abdij. Zonder twijfel was de grond die te Warsage gekocht was zodanig, dat ze rijke oogsten moesten opleveren. Gelegen in een kalkrijk gebied op een zachtgolvend terrein vormde ze in feite de belangrijkste en rijkste kern van het cisterciënser domein. Ongetwijfeld waren ook het allodium van Hendrik III van Limburg en de mansus van Lotharius II van Daalhem beter dan de in cultuur gebrachte gebieden in de buurt van Maastricht. Niet minder waar is evenwel, dat deze gronden, meer naar het zuiden gelegen dan het te Warsage verworven terrein en bestaande uit kleiige gronden op een diep gelegen en betrekkelijk vochtig terrein, tot dan toe hoofdzakelijk uit weilanden en bossen hadden bestaan. Volgens de bedoelingen van de edelmoedige gevers moesten dergelijke schenkingen dienen om de in cultuur gebrachte oppervlakte en de welvaart van de streek te doen toenemen dank zij de activiteiten van de monniken wier economische en sociale betekenis sinds lang bewezen waren. Die verwachtingen werden niet beschaamd daar de communiteit van Val-Dieu zich inspande die gronden te ontginnen en in waarde te doen toenemen. Door de vrijgevigheid van boeren, burgers en lagere adel werden van toen af aan het kloosterlijk domein weldra talrijke bestaande boerenbedrijven toegevoegd.

Tenslotte is er nog een derde trek die het uiterlijk van deze stichting bepaalt, nl. het bijzonder late tijdstip, waarop de stichting plaats heeft. Ze vindt in feite plaats op een ogenblik, dat op religieuze gebied de Orde van Citeaux reeds een groeicrisis doorstaan heeft en eenvoudig worstelt om in leven te blijven. De aanwas van roepingen zelf geeft vanaf het einde van de twaalfde eeuw een duidelijke daling te zien en die vermindering van de geestdrift voor het monastieke ideaal verklaart ten dele dat de nieuwe communiteiten nooit zeer talrijk zijn. De geboorte van Val-Dieu heeft bovendien op een ogenblik plaats, dat op politiek terrein tegelijk met het verdwijnen van de keizerlijke macht de vorstendommen zich volop ontwikkelen.

Nauwkeuriger nog, ze ziet het daglicht op een tijd, dat het graafschap Daalhem en het hertogdom Limburg begeerd worden door de hertogen van Brabant, waarvan vanaf de dertiende eeuwalle inspanningen gericht zijn op de verwerving van bruggenhoofden en invloedssferen ten oosten van hun gebied. De bezetting van Maastricht vanaf het begin van de dertiende eeuwen de verovering van het graafschap Daalhem in 1244 vormen de eerste resultaten van die expansiepolitiek. De éénwording van het hertogdom "Limburg met Brabant na 1288 zou aan Jan I de definitieve beheersing verzekeren van de weg van Duitsland naar de zee, waarvoor zijn voorvaderen zo lang gestreden hadden.
ZEVENENHALVE EEUW GESCHIEDENIS -AFWISSELING VAN GOEDE EN KWADE DAGEN
Eerste periode: consolidatie van het grondgebied

Vanaf Abt Guido tot Abt Jacob van Maastricht (1216-1285)


Nu de abdij eenmaal in Val-Dieu gevestigd is, neemt zij snel in welvaart toe. Onder de leiding van dynamische en talentvolle bestuurders streven de monniken er naar de kern van hun gebied uit te breiden en te consoliderén. Tot dat doel vragen en verkrijgen zij de steun van grote heren, aanvankelijk van de graven van Daalhem en de hertogen van Limburg, en daarna van hun machtige opvolgers; de hertogen van Brabant. Bovendien profiteren zij meerdere eeuwen van de expansiepolitiek van de. Brabantse hértogen in de richting van de Rijn, zowel in de vorm van bescherming als in de vorm van belangrijke schenkingen. Niettemin slagen zij er in vooral door de edelmoedigheid van de lagere adel, de burgers en de boeren, het domein af te ronden. Indien de financiële toestand het toestaat aarzelt de jonge kloostergemeenschap zelfs niet nieuwe gronden direct aan te kopen. Tenslotte ontstaat vanaf omstreeks 1270 op initiatief van Abt Thomas de gewoonte, jaargelden of lijfrenten vast te zetten op personen die grond of een kapitaal in geld aan de abdij afstaan.

Zo kan de abdij, na een halve eeuw bestaan te hebben, rekenen op de inkomsten uit zes molens, acht "uuthoven", drie pachthoeven en enkele wijngaarden. Bovendien geniet zij inkomsten uit het eigendom van huizen, tienden en grond, verkregen in verschillende steden en dorpen in het oosten van het land. Op dat moment evenwel loopt de periode van geografische uitbreiding ten einde en vanaf het laatste kwart van de dertiende eeuw beperkt het streven van de monniken zich tot het vestigen van uitgestrekte ontginningscentra, verkregen door ruil en transacties met andere grondbezitters. Onder de abten Arnold van Fronget (ongev. 1262-1268) en Jacob van Maastricht ( ongev. 1268-1285) bereikt Val-Dieu zijn materieel hoogtepunt.

De abdij boezemt in die periode zelfs zoveel vertrouwen in, dat verschillende grote heren er toe overgaan haar grote sommen gelds toe te vertrouwen. Bovendien komen de inwoners van Luik en Aken in 1273 overeen, hun eventuele geschillen aan het scheidsgerecht van de abt van Val-Dieu te onderwerpen. Een dergelijk aanzien moet evenwel afgunst opwekken. Reeds in 1272 moet Gregorius X de cijnsinners van de abdij, die de cijns en de renten weigerden af te dragen, met straffen bedreigen, Dat feit kondigt voor de kloostergemeenschap een tijd van moeilijkheden aan, die nog versneld wordt door de politieke gebeurtenissen.
Tweede periode: financiële en religieuze crisis.

Van Abt Arnoul tot Abt Johan (ongev. 1285-1347).


De crisis begint voorgoed bij het overlijden van Hertogin Irmgarde van Limburg (1283). Verschillende vorsten dingen naar de opvolging. Een lange oorlog zal het gebied tussen Brabant en de Rijn vele jaren teisteren. Het conflict eindigt pas in 1288 wanneer bij Woeringen de legers van de hertog van Brabant Jan I de bondgenoten rond de aartsbisschop van Keulen verslaan. De gevolgen van die gebeurtenissen voor de welvaart die Val-Dieu verworven had, laten zich gemakkelijk raden. De landbouwgronden die door de soldaten verwoest zijn, brengen praktisch niets meer op. Wat erger is, de militaire operaties verlammen het economisch leven van de gehele streek en de rentebetalers verkeren in de onmogelijkheid op de vervaldagen te betalen. De monnikengemeenschap verkeert zelf in geldverlegenheid en kan niet voldoen aan de verplichtingen die zij op zich genomen had bij de laatste aankopen. Gedurende lange tijd slaagt zij er slechts in voort te bestaan dank zij de welwillendheid van de Brabantse hertogen. Een stelselmatige saneringspolitiek van verkoop van talrijke gronden is niet voldoende om de crisis te boven te komen.

De abdij kan rekenen op de daadwerkelijke steun van Jan II van Brabant en diens opvolgers. Dit wordt al in 1299 bewezen, wanneer de hertog energieke maatregelen neemt in de hoop het herstel te verzekeren. Hij schrijft: " Uit het relaas van geloofwaardige personen weten wij, dat de abdij van Val-Dieu tot een dergelijke staat van armoede en ellende is vervallen dat de inkomsten haar niet langer in staat stellen de bewoners te onderhouden. Nog erger, verliezen en rampen, met de woekerrenten welke zij voor haar schulden moet betalen, schijnen het herstelonmogelijk te maken, indien er niet snel en krachtig ingegrepen wordt ". Daartoe beveelt Jan II aan zijn ambtenaren de abdij vrij te stellen van inkwartiering, hand- en spandiensten en leveranties van paarden ten dienste van zijn troepen.

Daarenboven behoudt hij zichzelf de rechtspraak voor over alle geschillen die er zouden kunnen rijzen tussen zijn onderdanen en de communiteit van Val-Dieu. Die bevelen zijn overigens verduidelijkt en nog verder uitgebreid in 1311 en 1312, wanneer de hertog van Brabant zijn slotvoogden en andere ambtenaren verbiedt op haar personen of goederen beslag te leggen voordat hij er persoonlijk kennis van genomen heeft. Enkele jaren later komt Jan III op zijn beurt tussenbeide ten gunste van de abdij door haar het overschot toe te kennen -na aftrek van de lijfrente -van de opbrengst van door particulieren verpande goederen.

Tezelfdertijd dat de haar geschonken gunstbewijzen zich vermenigvuldigen, spant de communiteit van Val-Dieu zich in, vooral vanaf de ambtsperiode van Jean de Brust ( :t 1314-1328), de enorme financiële schuld die tot dan toe haar bestaan bedreigt, af te lossen. Daartoe besluit zij een aanzienlijk deel van haar goederen te vervreemden, te beginnen met de verst afgelegene. Vanaf 1316 hebben de verkopingen van huizen, terreinen leenrenten en jaargelden zelfs plaats onder direct toezicht van de abt van Clairvaux, die door het Generaal Kapittel belast is met de noodzakelijke maatregelen tot

herstel óf tot radikale opheffing van de abdij.

Hadden de politieke gebeurtenissen de abdij op die manier in een materiele crisis als nooit tevoren gebracht, zij zijn evenmin zonder invloed op het geestelijk klimaat. De vurige ijver en de tucht schijnen tegen het eind van de dertiende eeuw zelfs in ernstige mate geleden te hebben. In 1292 moet het Kapittel van Citeaux in ieder geval maatregelen nemen tegen Abt Arnoul. en een aantalopstandige monniken. Drie jaar later wordt de abdij onttrokken aan het toezicht van Eberbach en geplaatst onder dat van Clairvaux. En in 1296 ziet de abdij zich een monnik van buiten de abdij als abt toegewezen,

in dit geval Raoul d' Aulne.

Het schijnt evenwel, dat gelijktijdig met de belangrijke pogingen tot materieel herstel, vanaf de ambtsperiode van Jean de Brust door de abdij ondernomen, ook het geestelijk leven na het tweede kwart van de veertiende eeuw weer wat in waarde toeneemt. Het is veelbetekenend, dat de monniken in die tijd en ondanks de aanhoudende moeilijkheden, het herstel van hun kerk en de kloostergebouwen ter hand nemen. In 1338 wordt een van hen verheven tot de waardigheid van abt van Himmerode. Zo kondigt zich reeds het herstel aan dat duidelijk wordt in de tweede helft van de eeuw.


Derde periode: Opvallend maar kortstondig herstel.

Vanaf Abt Boudewijn van Aulne tot Abt Wijnand van de Walde (ongev.1347-1465)


Onder Boudewijn van Aulne ( :t 1347-1370) plukt de abdij de eerste vruchten van de voorafgaande inspanningen en zet deze met succes voort. Daar zij hierdoor de sympathie en het vertrouwen van de mensen terugwint verkrijgt zij wederom giften terwijl zij er tegelijkertijd in slaagt nieuwe bezittingen aan te kopen. De hertogen van Brabant gaan overigens voort haar hun welwillende aandacht te schenken. Wenceslaus gelast in 1367 aan zijn slotvoogd te Daalhem aan Val-Dieu alle door de abdij vervreemde goederen terug te geven waarvan de eigenaars geen naar behoren gezegelde akte bezitten.

Vóór het einde van de veertiende eeuw wordt de abt van Val-Dieu voor de eerste maal met een belangrijke politieke taak belast. Filips de Stoute benoemt hem in 1396 tot lid van zijn Raad voor Limburg en de Landen van Overmaze. De eerste die deze waardigheid bekleedt is Frank van Gulpen.

De abdij aldus bevestigd in haar politieke en economische rol bereikt in de eerste helft van de vijftiende eeuween aanzienlijke welwaart. In het bijzonder de ambtsperiode van Wijnand van de Walde (ongev. 1437-1465) wordt nog gekenmerkt door een intensieve bestuurlijke activiteit. Er is bijgevolg niets dat op dat ogenblik de nieuwe en lange periode van verval doet voorzien, die met de troebelen van de regering van Karel de Stoute voor de abdij gaat beginnen.
Vierde periode: materieel en geestelijk verval.

Van Abt Gilles van Limburg tot Abt Willem van Xhénemont (ongev. 1465-1693).


Weliswaar heeft Val-Dieu niet zoveel te lijden van de materiële verwoestingen die door de veldtochten van de machtige hertog van Bourgondië ten oosten van het gebied aangericht worden, maar de bijdragen aan de oorlogskosten die in geld en in natura geheven werden, verstoren tenslotte opnieuw het financiële evenwicht, dat ten koste van een eeuw van inspanningen tot stand gekomen is. De ondergang is des te zekerder, daar met de plunderingen tevens de schenkingen voorgoed eindigen. Bovendien worden met de komst van het Spaanse bewind de bijdragen en schattingen steeds zwaarder. Vanaf de zestiende eeuw heeft de abdij dan ook moeite, haar erfdeel te handhaven. Zij moet zowel het hoofd bieden aan van oorsprong politieke moeilijkheden als aan intriges van particulieren of van sommige bestuursambtenaren. Zo geraakt Abt Simon van Lohirville in 1503 al in conflict met de drost van Daalhem ten aanzien van de leenverplichtingen van de abdij. Enkele jaren later zijn het de inwoners van Aubel en Warsage, die door hun lastig gedrag met betrekking tot de betaling van de tienden, de abt reden geven tot klachten.

Wat daarenboven nog tot de achteruitgang van de citsterciënser gemeenschap moest bijdragen was de sfeer van geestelijk verval die in de zestiende eeuw de meeste religieuze instellingen begon aan te tasten. In dat opzicht bewijzen de documenten afdoende dat in ieder geval in het tweede kwart van de eeuw, dus onder Abt Dirk van Battenborch (1523-1556) de tuchteloosheid en het gebrek aan godsvrucht opvallend waren.

Uit een rapport dat de Spaanse koning Filips II na het overlijden van de abt door een commissaris liet opstellen, blijkt voldoende duidelijk, dat Dirk in Val-Dieu inderdaad een verslapping van de regels van het kloosterleven had toegelaten. Deze commissaris verzamelde een aantal verklaringen, die alle de treurige staat van het laatste abbatiaat onderstreepten. Naar het zeggen der getuigen kwam het b.v. voor dat de monniken tijdens de kapittelvergaderingen vochten en met kruiken en stokken naar het hoofd van hun abt wierpen. Het persoonlijk leven van de monniken werd door de getuigen met niet minder nadruk getypeerd als "verwelkt”.

Men mag zelfs betwijfelen of de opvolger van Abt Dirk, Lambert van Limburg, er in geslaagd zou zijn, de vurigheid en de gestrengheid van het huis te herstellen. Want hoewel de door de commissaris verzamelde getuigenissen geen gewag maakten van de neiging tot de drank die de prior getoond had, onderstreepte het aan de soeverein gezonden rapport niettemin, dat Lambert van Limburg te gemeenzaam was met zijn monniken en te zacht was. Van de andere kant schijnt het tekenend voor de stijl van de nieuwe abt, dat hij in 1572 in de huuracte van de hoeve van Warsage de volgende bepaling liet opnemen: " De cijnsplichtige zal aan de abt op nieuwjaar een goede en grote peperkoek schenken en op zijn kosten livrei dragen om zijn meester eer te bewijzen. "

Het is waar dat die vorm van toegeven van de abten aan de weelde en genoegens van het leven misschien verklaarbaar waren uit hun steeds nauwere banden met de buitenwereld. Tevens dient er de nadruk op gelegd te worden, dat men vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw de abt van Val-Dieu naast die van Rolduc kon zien zetelen als lid van de Staten van Limburg en de Landen van Overmaze. Op die titel werd hij dikwijls met belangrijke zendingen belast, ma~r ongetwijfeld liet hij zich ook meeslepen door de staatsie van de functie.

In de zestiende eeuw ontstaat nog een tweede verandering in de betrekkingen van de abdij met de buitenwereld. Het ingrijpen van de vorst in het leven van de communiteit blijkt overduidelijk uit het recht dat deze zich sinds Karel V aangematigd had, om persoonlijk de abt te benoemen. Tot dat doel belast hij in het algemeen twee vertegenwoordigers de stemming der monniken voor te zitten en hun stemmen in ontvangst te nemen en tezelfdertijd een onderzoek in te stellen naar de materiële en geestelijke staat van de abdij.

Vanaf de zeventiende eeuw werd er bij de keuze van de abt vooral rekening gehouden enerzijds met de bestuurskwaliteiten van de kandidaten en anderzijds met hun herkomst, daar de voorkeur altijd uitging naar iemand die uit de Nederlanden afkomstig was. Die criteria voor een abtsverkiezing werden in 1604 toegepast, toen een opvolger voor de overleden Abt Devaulx gevonden moest worden. Er waren op dat ogenblik verschillende kandidaten beschikbaar en hoewel Dom Olivier van Chesneux de meeste stemmen op zich verenigde. aarzelden de afgevaardigden van de Aartshertogen Albertus en Isabella niet, de tweede gekozene aan te bevelen, Wery Fronteau, tot dan toe belast met de functie van pastoor van St.-Rémy.

Om hun voorstel te ondersteunen, benadrukken zij dat Fronteau iemand was "geboren in het genoemde Land van Daelhem, dat bijgevolg boven Dom Olivier voornoemd, aan hem de voorkeur gegeven moet worden bij de aanstelling in genoemde prelatuur, temeer daar Dom Olivier voornoemd nog erg jong is, naar hij zelf meedeelt pas dertig jaar, en óók omdat de prelaat van Val-Dieu met de abt van Kloosterrade (Rolduc) de enige vertegenwoordigers zijn van de geestelijkheid in de Landen van Overmaze en bijgevolg geroepen zijn om in de Staten van genoemd gewest het eerst hun mening te geven met de ridderschap van genoemd gewest, waarvoor een rijp oordeel en ervaring in tijdelijke zaken vereist is". En de commissarissen voegen er aan toe: " Buitendien vernamen wij uit genoemde inlichtingen alsook van andere ambtenaren van Uwe Hoogheden en van edellieden uit de buurt van genoemde abdij, dat voornoemd huis zeer vervallen en in ernstige wanorde is, en dat sinds meerdere jaren tot op heden toe de tijdelijke goederen van voornoemd convent slecht beheerd worden en dat er bijgevolg hoop is dat genoemde Dom Wery de meest aangewezenen en geschikte zal zijn om de in het verleden begane fouten in genoemd convent te herstellen, daar hij zijn eigen huishouden goed bëstuurd heeft."

Men zal het er over eens zijn, dat dit document veelzeggend is ten aanzien van de aanhoudende crisistoestand van Val-Dieu. De tijdsomstandigheden werkten evenwel niet mee de zaken in orde te krijgen, daar het oosten van het land weldra de rampzalige gevolgen ging ondervinden van het aflopen van het Twaalfjarig Bestand in 1621. Het abbatiaat van Michel Verviers ( ::!: 1622-1639) werd daardoor uitermate somber, temeer daar in 1632 Limburg en de Landen van Overmaze in de macht van de Hollanders vielen. Bij de financiële moeilijkheden voegden zich nu godsdienstige, zó zeer zelfs, dat in 1636 de abt van Val-Dieu gearresteerd werd en gedurende meer dan een jaar in Maastricht werd vastgehouden bij wijze van vergelding voor de repressailles die de Spanjaarden namen tegen de protestanten van de streek. Slechts ten koste van een zwaar losgeld werd hij bevrijd, waardoor de communiteit eens te meer gedwongen werd, verschillende eigendommen van de hand te doen. In de tijd dat de abdij zo de gevolgen ondervond van de Europese politiek, had deze nog altijd te strijden voor de erkenning van haar rechten door particulieren, ja zelfs voor het nakomen van hun verplichtingen.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw namen de om deze reden door de abdij aangespannen processen toe. Bovendien had de abdij steeds te lijden van allerlei gebeurtenissen die samenhingen met de financiële toestand van de abdij en die wel weerslag moesten hebben op de eerbied voor de Regel. Bij de dood van Abt Verviers was de toestand zelfs zó treurig, dat de commissarissen weigerden één van de gekozen kandidaten aan te bevelen. Het is noodzakelijk, zeiden zij, dat de nieuwe abt iemand is " vurig en vol ijver voor de dienst van God " teneinde de breuken te kunnen helen die de kloostertucht opgelopen heeft "door de kwade tijden". In hun ogen was het ook nodig dat hij zou zijn: "een voorzichtig man, bezonnen en zuinig", om de communiteit te verlossen van de renten en schattingen waarmee de goederen van de abdij belast waren.

Als gevolg van dit advies benoemde Filips IV tot de waardigheid van abt van Val-Dieu de onderprior van Cambron, Sirnon Ranst. Vlak voor diens komst werd het reeds zo zeer bedreigde voortbestaan van de abdij nog verder bemoeilijkt door de knevelarijen van de Hollanders die nog steeds in oorlog waren met de koning van Spanje. De nieuwe abt moest zelfs het hoofd bieden aan een van de meest benarde ogenblikken uit de geschiedenis van zijn huis, toen in 1648 de Vrede van Munster getekend werd. Een van de artikelen van dat verdrag bepaalde, dat beide partijen alle bezittingen zouden behouden, die zij op het ogenblik van de bekendmaking zouden hebben. .Welnu, terwijl, de onderhandelingen plaats vonden, maakten de Hollanders zich plotseling meester van de steden Daalhem, Valkenburg en Rolduc, die zij in 1635 hadden moeten prijsgeven, en begonnen er schatting te heffen. Hoe de Spanjaarden ook protesteerden, aan het besluit van Den Haag, en in de houding van de Hollandse ambtenaren veranderde niets. Tenslotte evenwel werd het geschil voorgelegd aan een commissie, die het hertogdom Limburg voorgoed toewees aan de Spanjaarden, maar zij weigerde uitspraak te doen over het lot van de Landen van Overmaze. Daar zij op grond hiervan de verwachting koesterden, het graafschap Daalhem te kunnen behouden, kondigden de Staten-GeneraaI der Verenigde Provinciën de inbeslagneming af van alle geestelijke goederen van het land. Daar die maatregelook de gebouwen van de communiteit van Val-Dieu betrof, stelde Abt Ranst, om de stelling van de calvinisten te bstrijden, heel handig, dat de abdij op Limburgs gebied lag. Het conflict vond pas in 1662 zijn oplossing, toen de Landen van Overmaze verdeeld werden tussen Spanje en de Hollanders. Ondertussen was Willem van Xhénemont tot opvolger van Abt Ranst benoemd (1658). Bij zijn komst vond hij aan kasmiddelen van de communiteit precies anderhalve ‘patakon'. Daarentegen bedroeg het totaal aan verpande goederen 14.200 gulden en die van de schulden 30.000 gulden. Men begrijpt dat van toen af de inspanningen van die energieke abt, daarbij geholpen door de overheden van de Orde, er op gericht waren een dergelijke, rondweg catastrofale financiële toestand te saneren. In 1682 gaf de abt van Villers, die belast was met de kanonieke visitatie, zelf nauwkeurige instructies voor het tijdelijk beheer.

Toch schijnen al deze van goede wil getuigende maatregelen niet voldoende te zijn geweest om de financiën van de abdij volledig en voorgoed te herstellen. De oorzaak hiervan is zonder twijfel dat de abdij eens te meer de gevolgen van lange en verwoestende gewapende conflicten had te verduren. Want met name Val-Dieu ondervond in de tweede helft van de zeventiende eeuw herhaaldelijk de weerslag van de militaire campagnes van Lodewijk XIV. Die gebeurtenissen doofden evenwel nimmer de vurigheid van Abt Willem, en de impulsen die hij aan de abdij gaf, zouden in de volgende eeuw rijke vrucht dragen.


Vijfde periode: evenwicht en vernieuwing

Van Abt Josef van Romrée tot Nicolas Delcour (1694-1790)


Bij het overlijden van Xhénemont namen drie en twintig religieuzen deel aan de stemming voor de keuze van de nieuwe prelaat. Tegelijk met de stemmen verzamelden de door de koning aangewezen commissarissen oudergewoonte verschillende getuigenverklaringen. Gebruikmakend van die gegevens brachten zij over de verschillende kandidaten als volgt advies uit: " Wij zouden gezegd hebben, dat deze drie personen in gelijke mate geschikt zijn voor de waardigheid van abt, ware het niet, dat wij gedurende de tijd van onze werkzaamheid door verschillende religieuzen attent zijn gemaakt op allerlei intriges en gekonkel om stemmen te winnen, en dat voornoemde prior, om de stemmen op zich te verenigen, aan de jongeren een grote mate van vrijheid heeft toegestaan. om overal heen te gaan, daarbij ingaand op voorwendsels die sommige, uit Luik afkomstige jongeren, verzonnen hebben om daarheen te kunnen gaan. Ze zijn er dan ook naar toe gebracht en aldaar verwend door de broer van voornoemde prior die daar burger is en handelaar in laken en wol.

Aan anderen heeft hij toegestaan naar Aken te gaan om er de stemmen te werven van hen die daar in religieuze huizen verblijven en waarvan één ons bekend heeft, dat hij er zich aan tafel in aanwezigheid van meerdere religieuzen op beroemd heeft, vijftien zekere stemmen voor genoemde prior in zijn zak te hebben om aldus zijn medebroeders die zich daar bevonden, er toe te brengen hem de hunne eveneens te geven."

De bijzondere manier om zich te verzekeren van de eer van de mijter, veroorzaakte het ter zijde schuiven van de gekozen kandidaten ten gunste van een monnik van Villers, Josef van Romrée. Evenals zijn opvolger, Paul Piroulle, beijverde deze zich het herstelwerk van Abt Willem voort te zetten. Daartoe stelden zij zich ten doel, de oudste bezittingen van Val-Dieu vrij te maken, voor zo ver ze ten tijde van een crisis verkocht of verpand waren, door eerst recent verworven bezittingen te verkopen. Zij slaagden daar goeddeels in en waren daardoor mede oorzaak van de nieuwe welvaart die de abdij vanaf Abt Jean Dubois (1711-1749) kende.

Terecht heeft deze de naam van bouwheer verworven. Zijn wapen staat dan ook op het merendeel van de in de achtiende eeuw tot stand gekomen gebouwen, zowel op het onmiddellijke terrein van de abdij als op plaatsen waar zij rechtsmacht bezat. Als lid van de Staten onderscheidde hij zich eveneens bij verschillende diplomatieke missies die hem zelfs de titel van Primaat der Staten van Limburg en de Landen van Overmaze bezorgden. Dat tijdens de canonieke visitaties de Abt van Clairvaux getuigt van de regelmaat in het geestelijk leven van de communiteit, wijst wel duidelijk op het gezag, dat Abt Dubois had.

Wat de opvolgers van Jean Dubois betreft, zij wisten zich op hun beurt te onderscheiden door hun beslistheid in het handhaven van het evenwicht tussen het tijdelijke en het eeuwige dat door de abdij tegen het midden van de achttiende eeuw bereikt was, Dit is des te verdienstelijker daar nieuwe moeilijkheden, tegelijk met overstromingen die de communiteit in 1756 teisterden, de toekomst van de abdij bedreigden.
Zesde periode: opheffing, restauratie en nieuw begin
Val-Dieu schijnt zo gereed te zijn, de negentiende eeuw binnen te treden, wanneer de Franse Revolutie en de inlijving van onze streken bij de Republiek en daarna bij het Keizerrijk, een beslissende slag toebrengen.

In september 1794, na de nederlaag van de Oostenrijkers bij Esneux, verlaat de monnikengemeenschap -op dat moment onder leiding van Abt Jacques Uls- voor de eerste keer het dal van de Berwinne om zich op Kasteel Steinhausen bij Wittem in veiligheid te brengen. Het jaar daarop evenwel staat de Franse vertegenwoordiger te Aken hen toe de verlaten abdij weer in bezit te nemen. Maar op 1 september 1796 wordt de wet afgekondigd die de religieuze orden en congregaties opheft en hun bezittingen naast. Weldra wordt zelfs de deportatie bevolen van elke geestelijke die weigert de eed van trouw aan de Republiek af te leggen. Door dat feit gedwongen het gemeenschappelijk leven op te geven, verspreiden de monniken zich na aan hun abt alle assignaten ter hand gesteld te hebben, die de Franse autoriteiten aan ieder van hen uitbetaald hadden als vergoeding voor de in beslaggenomen goederen. Zo had Abt Uls de middelen om het klooster, de kerk, de tuin en de binnenplaats terug te kopen en zelfs in Val-Dieu te blijven.

Bij het begin van de negentiende eeuw werden de strafwetten tegen de religieuzen die de eed geweigerd hadden, ingetrokken. Het merendeel van de dan nog in leven zijnde religieuzen slaagt er van dan af in, de abdij weer te betrekken en werk te vinden in onderwijsinstellingen of op vacante pastoorsplaatsen. De communiteit komt net weer tot leven, wanneer in 1812 bij de dood van Abt Uls, door het ontbreken van een testament de kloostergebouwen in handen van zijn erfgenamen overgaan. De abdij schijnt dan gedoemd, voorgoed te verdwijnen en de monniken ontvangen opdracht zich naar andere kloosters te begeven.

De abdij, waarvan alle roerende goederen waren verkocht, en de bibliotheek verspreid was geraakt, bleef in het dal van de Berwinne een prooi voor de slopers. Kanunnik Henrotte, directeur van het Seminarie van Luik en de Eerwaarde Heer Burgers, leraar in Visé, besloten aan het kloostergedeelte zijn bestemming terug te geven. Helaas kwamen zij na de instorting van het gewelf van de kerk. Op 22 mei 1840 kon de kanunnik het pand en de kloostergebouwen terugkopen. Toen hij deze verworven had, stelde hij de danig verminkte abdij ter beschikking aan Pater Bernard Klinkenberg, monnik van Val-Dieu, die zich inspande het monnikenleven te doen herleven. Heden handhaaft de abdij zich nog steeds en beijvert zich in de moderne Kerk een haven van vrede te zijn en een stralend middelpunt van geloof en liefde.


DE ABDIJ VAN VAL-DIEU, STRALEND MIDDELPUNT
Het is uiteraard onmogelijk om tot in bijzonderheden de rol te schetsen die de communiteit van Val-Dieu in de loop van zevenenhalve eeuw op godsdienstig gebied vervuld heeft. Want niet alleen zijn het geloof en de bezieling welke zij opwekt, voor de toeschouwer moeilijk na te speuren, maar ook komen hun uitingen vaak slechts op een negatieve manier tot ons. Het is immers algemeen bekend, dat eenvoudige en godvruchtige mensen geen geschiedenis maken, omdat de documenten ons over het algemeen slechts over het uitzonderlijke inlichten en niet over het gewone. De interventies van het Generaal Kapittel van Citeaux verstrekken ons dan ook alleen de opvattingen met betrekking tot abnormale situaties, en vooral vanaf de zestiende eeuw ten aanzien van de tijdelijke macht. Het schijnt evenwel zeker te zijn, dat de abdij zich al zeer spoedig inspande om een geestelijk middelpunt te worden. Als bewijs kan dienen, dat zij zich spontaan belastte met de bediening van verschillende dorpsparochies uit de omtrek, en de geestelijke leiding verzekerde van verschillende kloosters van cisterciënserinnen. Zelfs op het hoogtepunt van de verschillende crises zag zij nooit van die activiteiten af. De rapporten van de commissarissen benadrukten bij voorkomende gelegenheden vaak, dat het koorgebed eveneens verzorgd werd en dat de monniken niet te kort kwamen in de gebruikelijke liefdadigheid ten opzichte van de armen.

Wat de intellectuele activiteit betreft, deze schijnt onder het Ancien Régime niet in het middelpunt van de belangstelling van de cisterciënser communiteit gestaan te hebben. Ongetwijfeld was zij niet geheel afwezig, maar zij bereikte in ieder geval niet de hoogte, die ons b.v. van benedictijner gemeenschappen bekend is. Het is zelfs veelzeggend, dat de koninklijke commissarissen het aan het eind van de zeventiende eeuw van belang achtten, een lector aan te stellen teneinde de studie te bevorderen.

Het is daarentegen aan geen twijfelonderhevig dat de abdij een belangrijke rol spelde in het economisch leven van het oude Land van Herve. Daar zij eigenares was van een domein van meer dan duizend hectaren, was zij een belangrijke factor bij het herscheppen van die streek waar de ontginningen lang achtergebleven waren.

In hoofdzaak tot stand gekomen vóór het einde van de Middeleeuwen, vertoont het domein van de cisterciënsers vanaf de zestiende eeuween opmerkelijke stabiliteit. Nog sterker, de verbouw van voedingsgewassen bleef vanaf het begin der ontginning tot het einde van het Ancien Régime toe, hoofdzaak. Dat feit heeft wel iets verbazingswekkends. Want toen in de moderne tijd in het Land van Herve alle akkerbouwgronden omgezet werden in weiland, weigerden alleen de hoeven van Val-Dieu zich aan de moderne economische verhoudingen aan te passen. Waren zij aanvankelijk modelboeren, later waren zij slechts eigenaars. Voortaan werden zij slechts geleid door het belang een exploitatiesysteem te handhaven waardoor zij konden rekenen op een maximale opbrengst in geld en in natura. Deze constatering mag evenwel niet doen vergeten, welke belangrijke plaats de communiteit van Val-Dieu heeft vervuld in het oosten van het land. Want aan de eerste generaties monniken komt de eer toe, de bebouwde oppervlakte die tot dan toe slechts matig benut werd, in die mate te hebben uitgebreid. Vandaag de dag is dat fraaie grote domein van de monniken verdwenen, maar het uiterlijk van het Land van Herve is nog steeds een levend getuigenis van de belangrijke activiteiten van de eerste zonen van St. Bernard. De uitzonderlijk belangrijke economische rol die aan de abdij toeviel, bergt een tegenstelling in zich. Want gesticht door particulieren teneinde daardoor boete te doen, scheen zij bovenal aan het beschouwend leven gewijd te zijn. Haar stichting in een gebied dat voornamelijk uit bos bestond, maakte dat haar leden zich beijverden dat te veranderen in een uitgestrekt landbouwgebied. De stichting aan de staatsgrenzen maakte zelfs, dat zij verre van buiten het openbare leven te staan, daarentegen voor de vorsten en soevereinen van het



Ancien Régime een kostbaar politiek steunpunt betekende. Gevoegd bij haar ligging aan de taalgrens moest dit aan Val-Dieu bovendien het karakter bezorgen van een merkwaardig ontmoetingspunt. Inderdaad komen de monniken zowel uit Vlaanderen als uit het Walenland, uit Duitsland en uit Nederland, waardoor de abdij nog altijd haar naam van gastvrijheid en openheid voor de wereld hooghoudt. In het midden van de twintigste eeuw beantwoordt Val-Dieu nog steeds aan die roeping, welke het laatste concilie aan de gehele Kerk gegeven heeft.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina