De derde weg. Naar maximale onzekerheidsreductie in de materiële waarheidsvinding met behulp van deskundigenbewijs



Dovnload 58.31 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte58.31 Kb.
De derde weg. Naar maximale onzekerheidsreductie in de materiële waarheidsvinding met behulp van deskundigenbewijs.

N.J.M. Kwakman

Inleiding
Het wetsvoorstel ‘Deskundige in strafzaken’1 berust globaal gesproken op twee pijlers: in de eerste plaats de kwaliteitszorg met betrekking tot het inschakelen van deskundigen in het strafproces. En in de tweede plaats het recht op tegenspraak, dat in de ogen van de wetgever – als fundamenteel uitgangspunt in ons strafprocesrecht – eveneens (beter) dient door te werken in het beoogde nieuwe stelsel.

De eerste pijler is een min of meer vanzelfsprekend verlengstuk van ons primair inquisitoire stelsel van waarheidsvinding, hetgeen inhoudt dat de verdachte het (tot op zekere hoogte lijdzame) voorwerp van onderzoek is. Deze afhankelijkheidsrelatie rechtvaardigt dat de grootst mogelijke zorg wordt besteed aan de materiële waarheidsvinding, en dat ook de in te schakelen deskundigen (en de onderzoeksmethoden, theorieën of technieken waarmee zij werken) voldoen aan strenge kwaliteits- en betrouwbaarheidseisen.2

De tweede pijler houdt in feite niet veel meer in dan dat de mogelijkheid om deskundigen in te schakelen, meer in overeenstemming wordt gebracht met het recht op tegenspraak. Het recht op tegenspraak (ruimte voor ‘het andere verhaal’) hebben we al van oudsher hoog in het vaandel staan, als een correctiemechanisme en als een zeker tegenwicht tegen een al te eenzijdige inquisitoire benadering. In het recht op tegenspraak komt onder meer de partijautonomie van de verdachte tot uitdrukking, hetgeen met zich mee brengt dat een feitenvaststelling, aannames en conclusies die door de verdachte worden betwist, extra aandacht verdienen en extra zorgvuldig dienen worden onderzocht en getoetst alvorens daar van uit te gaan in de bewijsvoering. In die zin staat het recht op tegenspraak dus eveneens ten dienste van de materiële waarheidsvinding.

Zo bezien is er dus eigenlijk niet zoveel nieuws onder de zon.



De vraag is alleen of, gelet op de bijzondere positie van de deskundige in het strafproces, wel steeds kan worden volstaan met een koppeling daarvan aan de beide van oudsher omarmde uitgangspunten van ons straf(proces)recht. In het onderstaande zal ik betogen dat zich in de rechtspraktijk (tot op zekere hoogte buiten de huidige en de nieuwe wetgeving om) een derde weg aftekent, die het verdient wettelijk te worden verankerd als ‘derde pijler’.
Het sprongetje
De strafprocesrechtelijke waarheidsvinding zal, zo mogen we aannemen, het karakter van een ‘constructie’ nooit helemaal ontstijgen. Er is immers altijd een sprongetje voor nodig (en soms zelfs een flinke sprong; vergelijk het zogenaamde ‘schakelbewijs’ en andere vormen van indirect bewijs3) om uit de bewijsmiddelen, en de daaraan te ontlenen redengevende feiten en omstandigheden, de conclusie te trekken dat de ten laste gelegde feiten ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. In die zin kan de rechter het ten laste gelegde dus wettig en overtuigend bewezen achten terwijl er toch steeds sprake zal zijn van een bepaalde ‘onzekerheidsmarge’. Absolute zekerheid is er niet, en, zo durf ik te stellen, zal er ook nooit zijn. Maar betekent dit nu dat alle andere mogelijkheden (dan het ten laste gelegde feitencomplex) voor 100% moeten worden uitgesloten om de verdachte te kunnen veroordelen? Als dat zo zou zijn, zouden we het straf(proces)recht wel kunnen afschaffen. We nemen, gelet op de functie en de doelen van het straf(proces)recht, nu eenmaal voor lief dat er altijd een zeker risico zal zijn dat het in hoogst uitzonderlijke gevallen wel eens mis kan gaan. Vooral als daarbij ruimhartig middelen ter beschikking worden gesteld om deze incidentele missers achteraf recht te zetten of te compenseren, is daar ook wel mee te leven, ook al is elke misser er één te veel.4 De kunst is natuurlijk wel om die onzekerheidsmarge zo klein mogelijk te houden.5 Met het oog daarop staat in ons stelsel de op inquisitoire leest geschoeide ‘materiële waarheidsvinding’ voorop. Het OM en/of de rechter proberen daarbij ambtshalve de waarheid boven tafel te krijgen, ongeacht de proceshouding van de verdachte. Het zijn dus niet de partijen die de omvang van de rechtsstrijd bepalen op basis van ‘partijwaarheden’ waaraan de (lijdelijke) rechter is gebonden, 6 maar het OM, dat op basis van concrete aanwijzingen een ‘verticale’ rechtsstrijd entameert, waarin ook de rechter zich met het oog op de materiële waarheidsvinding allesbehalve passief opstelt.7 Ik zou (met Knigge8) durven stellen, dat naarmate er meer voor de verdachte op het spel staat, hij meer is gediend met een vorm van materiële waarheidsvinding die op inquisitoire leest is geschoeid, dan met een vorm van afdoening die consensuele trekken vertoont. Immers, vooral ingrijpende sancties mogen nooit de uitkomst zijn van een schikking (of welke vorm van consensuele afdoening dan ook) waarbij allerminst zeker is dat de verdachte het ten laste gelegde feit ook daadwerkelijk heeft begaan. In ons stelsel heeft de asymmetrische verhouding waarvan sprake is in het strafproces, en de zware overheidsverantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt om alles op alles te zetten om de juiste beslissingen te nemen, dan ook geleid tot de keuze voor de op materiële waarheidsvinding in inquisitoire zin. Daarbij staat voorop dat rechtsbescherming niet in alle opzichten kan worden vereenzelvigd met ‘persoonlijke belangen’. Iemand kan er bijvoorbeeld een persoonlijk belang bij hebben dat zijn zaak uit de publiciteit wordt gehouden, zodat hij graag bereid zal zijn aan een transactieaanbod te voldoen. Maar rechtsbescherming gaat verder: daarin ligt het uitgangspunt besloten dat niemand mag worden bestraft of anderszins onnodig van overheidswege worden lastig gevallen voor iets dat hij niet heeft gedaan. Daarbij kan – als gezegd – het recht op tegenspraak weliswaar een belangrijke functie vervullen, maar dan wel in de sleutel van de partijautonomie, dus zó opgevat dat ‘tegenspraak’ moet uitnodigen tot nog meer zorgvuldigheid bij de materiële waarheidsvinding dan wanneer de verdachte zich neerlegt bij de vaststelling van de feiten en de conclusies die daarop zijn gebaseerd. Het mag in ieder geval niet zo zijn dat door het recht op tegenspraak de materiële waarheid geweld wordt aangedaan, een gevaar dat zeker niet denkbeeldig is in (primair) accusatoire stelsels.9
De inquisitoire gerichtheid op de materiële waarheidsvinding, die impliceert dat er strenge eisen (moeten) worden gesteld aan de methoden van waarheidsvinding, komt vooral tot uitdrukking in de regels van het bewijsrecht en in bepaalde zittingsvoorschriften (zoals bijvoorbeeld het beëdigingsvereiste). Daarnaast kan nog worden gewezen op de motiveringseisen die de laatste decennia voortdurend worden aangescherpt, niet in de laatste plaats om rechters en andere strafrechtelijke functionarissen scherp te houden bij het construeren van het bewijs.
Voorts wordt tegenwoordig in brede kring, ook door de wetgever, aanvaard dat uit het inquisitoire karakter van ons strafproces eisen voortvloeien wat betreft de inzet van deskundigen in het strafproces. In dat verband kan met name worden gedacht aan protocollering en normering van het ‘vaststellende’ onderzoek (vgl. de ademanalyse, de geurproef, DNA-onderzoek, etc.) waarin een aantal minimumeisen zijn verdisconteerd met betrekking tot:

  1. de gebruikte techniek of onderzoeksmethode (de betrouwbaarheid in wetenschappelijke zin, de validiteit, de onomstredenheid binnen de eigen discipline, de relevantie, de bruikbaarheid, etc.);

  2. de deskundige (de betrouwbaarheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid, kennis, ervaring en know how met betrekking tot de gebruikte onderzoeksmethode, opleiding, de onomstredenheid binnen de eigen kring en binnen het strafrechtelijke apparaat; dat laatste eventueel te waarborgen door middel van registratie van deskundigen die aan bepaalde voorwaarden voldoen);10

  3. de communicatie tussen deskundigen en strafrechtelijke functionarissen (bijscholing aan beide kanten, het ontwikkelen van naslag- en instructiemateriaal, het aantrekken van gespecialiseerde medewerkers, enzovoort).11

Als het daar in één of meerdere opzichten aan schort, kan dat de inzet van deskundigen in het strafproces kwestieus en/of onbruikbaar maken. Maar dat wil andersom niet zeggen dat indien wel in alle opzichten is voldaan aan deze minimumeisen, de methode die de deskundige heeft toegepast, ook daadwerkelijk voor 100% betrouwbaar en valide is, en dat de rechter (dus) blind kan varen op de conclusies die de deskundige daaraan ontleent. Dat laatste geldt niet alleen voor omstreden theorieën en onderzoeksmethoden uit de zgn. ‘softe’ wetenschappen en disciplines. Ook binnen de zgn. ‘harde’ wetenschappen en disciplines bieden de ontwikkelde theorieën en onderzoeksmethoden vaak geen absolute zekerheid wat betreft de validiteit, betrouwbaarheid en bruikbaarheid daarvan.12 Dat kan voor een belangrijk deel worden verklaard uit het feit dat onderzoeksmethoden en/of theorieën eigenlijk per definitie nooit geheel zijn uitontwikkeld. Dat laatste uit zich vooral in de verschillen in opvattingen en inzichten die er binnen de eigen discipline (nog) kunnen bestaan. Anders gezegd: ook binnen de ‘harde’ wetenschappen kan er sprake zijn van verschillende ‘scholen’ en ‘omstreden hypothesen, onderzoeksmethoden en/of theorieën’.



In dat geval kunnen de proces-actoren, en niet in de laatste plaats de strafrechter, voor de schier onmogelijke taak komen te staan de betekenis en de kwaliteit van een deskundigenverklaring in te schatten als daaromtrent binnen de desbetreffende discipline zelf al niet eens overeenstemming bestaat.13
Dat laat overigens onverlet dat er ook zekere risico’s kleven aan onomstreden onderzoeksmethoden en gezaghebbende theorieën (of deskundigen), risico’s die verband houden met de schijnzekerheid die met deze onomstreden onderzoeksmethoden en theorieën in het leven worden geroepen. Dat laatste kan immers leiden tot een dermate blind vertrouwen in deze onomstreden en gezaghebbende methoden, dat de deur wijd open staat voor vormen van wetenschappelijke ‘tunnelvisie’.
Gevolgen voor de praktijk
De vraag is nu, wat dat alles betekent voor de strafrechtelijke functionarissen (en in het bijzonder voor de rechter) die voor de vaststelling van de materiële waarheid (deels) zijn aangewezen op deskundigen. In het uiterste geval zal dat met zich meebrengen dat het gat tussen het bewijsmateriaal en de bewezenverklaring niet kan worden overbrugd door middel van een wetenschappelijk en bewijsrechtelijk verantwoord ‘sprongetje’. Het ten laste gelegde feit kan dan niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat eigenlijk vrijspraak zou moeten volgen. Echter, een rechter in nood maakt in de ogen van wetenschappers soms rare sprongen om toch nog tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Er komen dan bewijsconstructies tot stand waar juristen goed mee uit de voeten kunnen, maar die in wetenschappelijke kringen nogal eens worden gerekend tot die juridische eigenaardigheden die voor niet-juristen nauwelijks zijn te doorgronden.14 Met name als een bepaald bestanddeel dat bewezen moet worden, een normatieve component bevat, ontkomt de rechter er vaak niet aan de materiële waarheid op dat punt te construeren in de meer enge betekenis van het woord.15 Het bekendste voorbeeld is wel het geval waarin de rechter niet kan beschikken over instrumenten om in het brein van de verdachte te kijken, terwijl toch moet worden vastgesteld of er bij de (ontkennende) verdachte al dan niet sprake was van de – voor het delict vereiste – schuld of opzet. Ook de deskundige kan de rechter daarbij niet helpen, aangezien er geen betrouwbare, onomstreden wetenschappelijke technieken voorhanden zijn om daarin uitkomst te bieden. De rechter kan in dat geval dus niet veel anders dan zelf het vereiste schuldverband trachten te ‘construeren’. Uit uiterlijke objectieve omstandigheden wordt dan op grond van ervaringsregels een innerlijke gesteldheid afgeleid. Men zou deze wijze van waarheidsvinding kunnen typeren als het ‘objectiverend construeren’ van de waarheid.16 Daar leunt een wat ander type bewijsconstructies dicht tegen aan: het ‘normativerend construeren’ van de waarheid. Dat laatste duidt op het ‘toerekenen’ van een bepaalde gesteldheid (zoals opzet of schuld), of van een omstandigheid (zoals de strafrechtelijk relevante causaliteit: toerekening naar redelijkheid), op grond van normatieve overwegingen. Dat wil zeggen dat de logische conclusie dat er bijvoorbeeld sprake is van opzet (een conclusie die noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de uiterlijke omstandigheden van het geval) lijkt te zijn opgeschoven naar een normatieve conclusie (die wordt ontleend aan de afkeurenswaardigheid en de ernst van de gedraging). Als die conclusie de grondslag vormt voor het bewijs van het (voorwaardelijk) opzet, wordt daardoor het opzet niet langer vastgesteld, maar toegerekend.17 Een discussiepunt is, of dergelijke genormativeerde constructies van de waarheid niet te zeer in de weg staan aan de (in het bewijsrecht besloten liggende) opdracht om de onzekerheidsmarge in de materiële waarheidsvinding zo klein mogelijk te houden. Immers, als een gesteldheid of omstandigheid normatief wordt toegerekend, is er helemaal geen noodzaak meer om de onzekerheidsmarge zo klein mogelijk te houden, aangezien die onzekerheidsmarge daarmee geheel is weggeredeneerd. 18 Met dergelijke geobjectiveerde of zelfs genormativeerde constructies van ‘de waarheid’ is op zichzelf niet zoveel mis, zolang het toerekenen van de voorwaarden voor strafbaarheid maar de uitdrukking vormt van de algemeen gedeelde afkeurenswaardigheid van het handelen. Maar het wordt anders indien de strafwaardigheid van het handelen juist afhangt van het vervullen van deze voorwaarden, d.w.z. als de handeling alleen strafwaardig wordt geacht als de desbetreffende voorwaarde onmiskenbaar is vervuld.

Het spreekt voor zich dat dergelijke risico’s, zoals het wegredeneren van de onzekerheidsmarge in de materiële waarheidsvinding, zich vooral zullen voordoen als de rechter onvoldoende kan putten uit breed gedragen en onomstreden expertise en kennis, aan de hand van valide en betrouwbare wetenschappelijke onderzoeksmethoden/technieken. In dat geval kan de rechter vaak niet anders dan op eigen ‘gezag’ en op eigen intuïtie een knoop doorhakken.


Daarmee is het probleem geschetst: hoe kan worden bereikt dat de rechter steeds zodanig is toegerust en geïnformeerd dat hij in staat is het gat tussen het voorliggende bewijsmateriaal en de uiteindelijke vaststelling van de materiële waarheid op een bewijsrechtelijk en wetenschappelijk zo verantwoord mogelijke manier te dichten (het bewijsrechtelijke sprongetje). En in dat verband: op welke wijze kan hij daarbij optimaal gebruik maken van de inzet van deskundigen in het strafproces om verzekerd te zijn van een ‘maximale onzekerheidsreductie’ in de materiële waarheidsvinding. Of vanuit een wat andere invalshoek: hoe kan met behulp van deskundigen worden bereikt dat de rechter in zijn bewijsconstructie zo min mogelijk is aangewezen op zijn eigen intuïtie en/of ‘normatieve’ constructies?19
Een model?
Ik wil voorop stellen, dat, voor welke benadering ook wordt gekozen, een werkbare methode of model in ieder geval aan bepaalde (rand)voorwaarden zal moeten voldoen. Zo zal er een inventarisatie- of informatiesysteem moeten worden ontwikkeld20 dat kan fungeren als een centraal punt voor het verzamelen, registreren en beschikbaar stellen van gegevens over:

    • de validiteit en betrouwbaarheid van de onderzoeksmethoden die in verschillende disciplines worden toegepast;

    • de beschikbaarheid van deskundigen die aan de minimum voorwaarden voldoen om te kunnen worden ingeschakeld in het strafproces;

    • de mate waarin bepaalde methodes en technieken, en met name de bruikbaarheid en de feitelijke toepassing daarvan, al dan niet omstreden zijn binnen de desbetreffende discipline;

    • de mate waarin er problemen optreden in de communicatie tussen forensische (en andere) deskundigen en strafrechtelijke functionarissen en andere participanten in het strafproces;

    • De basiskennis waarover strafrechtelijke functionarissen, maar ook de in te schakelen deskundigen, moeten beschikken om zinvol met elkaar te communiceren (met het oog waarop zo nodig instructiemateriaal e.d. zou kunnen worden ontwikkeld)

Daarnaast zal moeten worden nagegaan of de ‘inquisitoire’ instrumenten optimaal worden benut. Is het bijvoorbeeld, gelet op de bevindingen van het inventarisatie- of informatiecentrum als hierboven bedoeld, wenselijk extra inspanningen te verrichten op het gebied van om- en bijscholing van zowel de strafrechtelijke functionarissen als van forensische deskundigen? Voorts: is het wenselijk en haalbaar om, in geval er sprake is van verschillende ‘scholen’ of omstreden onderzoeksmethoden binnen een bepaalde discipline, in een samenwerkingsverband van gezaghebbende juristen en forensische deskundigen, bruikbare onderzoeksmethoden met een breed draagvlak te ontwikkelen?21


Het belang van dat alles moet zeker niet worden onderschat, maar ik durf de stelling aan dat daarmee niet kan worden volstaan. Immers: de wetenschap is voortdurend in beweging. En inherent aan wetenschappelijke vooruitgang is, dat daar steeds een wetenschappelijk debat aan vooraf gaat, en dat er dus per definitie steeds sprake zal zijn van opvattingen, aannames en benaderingen die (nog) ter discussie staan of waarover in ieder geval nog geen 100% overeenstemming bestaat.22

Met name als een breed wetenschappelijk draagvlak voor een bepaalde onderzoeksmethode (of de toepassing daarvan) ontbreekt, en/of als er anderszins sprake is van onuitgekristalliseerde onderzoeksmethoden of theorieën, zal er mijns inziens ook binnen het strafproces altijd voldoende ruimte moeten zijn voor het debat tussen deskundigen, ongeacht de proceshouding van de procesactoren. Dat zal de rechter niet alleen meer inzicht (kunnen) verschaffen in de materie die aan de desbetreffende deskundigen is voorgelegd, maar het zal hem ook verder kunnen helpen bij diens oordeelvorming over de vraag in hoeverre (en welke van) hun aannames, bevindingen, en conclusies houdbaar lijken, of in hoeverre daaraan ernstig moet worden getwijfeld.23


Gevolgen voor de inrichting van het strafproces?
Welke consequenties zal en moet dat alles hebben voor ons primair inquisitoire stelsel, en als uitvloeisel daarvan: voor de inrichting van ons strafproces? Immers, als het onder bepaalde omstandigheden de voorkeur verdient dat deskundigen met elkaar het debat aangaan in de context van het strafproces, zal het strafproces meer het karakter (moeten) krijgen van een podium voor dat debat dan vanuit het oogpunt van de inquisitoire invalshoek nodig lijkt te zijn. Dat heeft bepaalde accentverschuivingen in het strafproces, en m.n. ook de rol van de rechter daarin, tot gevolg. Zoals: een accentverschuiving in de fases waarin de rechter wordt betrokken bij het inschakelen van deskundigen (zie verderop). Voorts: de noodzaak om de kwaliteitsregels met betrekking tot het inzetten van deskundigen aan te vullen met regels van fair play en regels met betrekking tot de vraag hoe, wanneer en waar het debat kan en moet worden gevoerd. Wat dat laatste betreft lijken veel deskundigen de beslotenheid van het onderzoek door de R-C te prefereren boven de openbaarheid van het onderzoek ter terechtzitting. Daar komt nog bij dat rechters in het algemeen geen tijd willen vrijmaken om ‘het debat’ tussen deskundigen een plek te geven op het onderzoek ter terechtzitting en daarom eveneens liever kiezen voor een uitbesteding aan de R-C. Echter, soms – in geval van complexe zaken waarbij veel op het spel staat – kan het nodig zijn om, uit het oogpunt van interne en externe openbaarheid, het debat tussen deskundigen in alle openheid te doen plaatsvinden op de zitting zelf.
Met het oog op de consequenties van deze benadering voor het strafproces zal in de eerste plaats moeten worden onderzocht of op dit punt lering kan worden getrokken uit stelsels met een uitgesproken adversair karakter.24 Nagegaan zal moeten worden of bepaalde voordelen van deze ‘adversaire stelsels’ kunnen worden getransplanteerd naar ons primair inquisitoire stelsel, zonder daarmee ook de nadelen die daaraan (vanuit de inquisitoire invalshoek bezien) kleven, over te nemen.
Maar daarnaast, en daar draait het wat mij betreft om, zal moeten worden onderzocht in hoeverre het debat tussen deskundigen in de context van het strafproces steeds in de sleutel moet worden gezet van het recht op tegenspraak 25 en dus afhankelijk moet zijn van de proceshouding van de partijen.26 Ligt het tegen de achtergrond van het voorafgaande niet veel meer in de rede om het debat tussen deskundigen in het kader van het strafproces te beschouwen als een eigensoortige vorm van tegenspraak?27

Een eigensoortige vorm van tegenspraak die wordt losgekoppeld van de verantwoordelijkheid en de proceshouding van de partijen, en die daarmee wordt opgewaardeerd tot een publieke verantwoordelijkheid, zoals ook de kwaliteitszorg met betrekking tot de inzet van deskundigen in het strafproces steeds meer als een publieke verantwoordelijkheid wordt beschouwd?

Dat brengt wel met zich mee dat deze ‘eigen-aardige’ vorm van tegenspraak, die voor

een belangrijk deel al tot ontwikkeling is gekomen in de rechtspraktijk, zal moeten

worden uitgewerkt in (wettelijk verankerde) regels van ‘best practice’, anders

gezegd: in het model waarop hierboven werd gedoeld.


Een wettelijke verankering van de derde weg?
De vraag is of het huidige wetsvoorstel ‘Deskundige in strafzaken’, dat – zoals uiteengezet in de inleiding – berust op de twee pijlers ‘kwaliteit’ en ‘tegenspraak’, voldoende ruimte laat voor deze derde weg: de publieke verantwoordelijkheid voor het wetenschappelijke debat binnen het strafproces.

Een nadere bestudering van de wetsgeschiedenis van het wetsvoorstel stemt wat dat betreft weinig hoopvol. Zo blijkt uit de MvT bij het wetsvoorstel, dat de Minister er niet zoveel heil in ziet de zittingsrechter de bevoegdheid toe te kennen om zelf voorafgaande aan de zitting een deskundige te benoemen als hij dat nodig acht. De minister is van oordeel dat het huidige wettelijke kader voldoende mogelijkheden biedt om een – door het OM of de verdediging – benoemde deskundige nader aan de tand te voelen, of anderszins te bewerkstelligen dat er op de zitting aanvullend deskundigen worden benoemd of opgeroepen (bijvoorbeeld door de rechter-commissaris in te schakelen).28

Mocht ik dit alles verkeerd inschatten en uit de MvT ten onrechte afleiden dat de (zittings)rechter in deze wordt geacht een enigszins lijdelijke positie in te nemen (in ieder geval in de voorfase van het onderzoek ter zitting), dan zou wat meer duidelijkheid op dit punt wat mij betreft op haar plaats zijn. Dat wil zeggen: niet in bedekte termen, maar expliciet tot uitdrukking brengen dat de (zittings)rechter wel degelijk over de bevoegdheid beschikt om ambtshalve deskundigen in te schakelen – om het even in welke fase van het eindonderzoek en op welke manier dan ook – als hij dat op basis van het dossier nodig acht teneinde zich aanvullend te laten voorlichten, of meer algemeen: het debat het strafproces binnen te halen.

Het belang daarvan kan worden geïllustreerd aan de hand van de bevindingen van de CEAS in het kader van verschillende herzieningsverzoeken, en met name aan de hand van de bevindingen van A-G Knigge in zijn rapport ter zake van het herzieningsverzoek in de zaak Lucia de B.

A-G Knigge heeft in zijn rapport op overtuigende wijze aangetoond dat (en op welke wijze) het debat tussen verschillende deskundigen een doorslaggevende rol kan spelen in de oordeelsvorming van (in dit geval) hemzelf en uiteindelijk wellicht ook de herzieningsrechter. Dit ‘debat’ heeft in zijn geval tot de conclusie geleid dat de onzekerheidsmarge met betrekking tot de moorden waarvoor Lucia de B. is veroordeeld, achteraf bezien zo groot was, en is, dat het zelfs niet verantwoord was de veroordeelde nog langer vast te houden totdat de gehele herzieningsprocedure waartoe A-G Knigge een vordering heeft ingediend, zal zijn afgerond.29

Het is allerminst ondenkbaar, dat als hetzelfde debat in het kader van het strafproces zou hebben plaatsgevonden, en de feitenrechter zich op dezelfde wijze als A-G Knigge sterk had gemaakt om (ambtshalve) dit debat binnen het strafproces te halen, de onzekerheidsmarge wellicht ook toen al te groot zou zijn gebleken om de verdachte te kunnen veroordelen.



Met dit voorbeeld wordt onderstreept, dat de wenselijkheid om het debat binnen het strafproces te halen, niet in alle gevallen afhankelijk dient te worden gesteld van de proceshouding van de procesactoren, maar dat het een publieke verantwoordelijkheid betreft.
De conclusie kan zijn, dat er alle reden is om van overheidswege een wettelijk verankerd model te ontwikkelen (en uit te werken in regels van best practice) waarin deze derde weg, deze publieke verantwoordelijkheid voor het wetenschappelijke debat binnen het strafproces, zijn beslag kan krijgen, en waarmee tevens recht wordt gedaan aan de reeds gegroeide rechtspraktijk op dit terrein. Tot de kern daarvan zou wat mij betreft moeten behoren dat de wetgever ook de zittingsrechter – naast het OM, de verdediging en de R-C – expliciet een autonome bevoegdheid toekent deskundigen te benoemen, om onderzoek te doen verrichten en daaromtrent verslag uit te brengen en/of daarover zo nodig in de context van het strafproces in debat te gaan met andere deskundigen. Deze autonome bevoegdheid om deskundigen te benoemen, dient wat mij betreft – als gezegd – ruim te worden bemeten. De zittingsrechter zou niet alleen bevoegd moeten zijn om deskundigen in te schakelen tijdens het onderzoek ter terechtzitting, zoals nu ook al mogelijk is, maar tevens om vooruitlopend daarop (bijvoorbeeld tijdens de regiezitting) een deskundige te benoemen indien de eventuele deskundigenrapporten die deel uitmaken van het dossier, hem daartoe aanleiding geven. Voor het inschakelen van deskundigen op de zitting zelf, kan – zo blijkt uit de rechtspraktijk en ook uit de MvT bij het wetsontwerp – worden aangehaakt bij de huidige stelsel van art. 258 Sv, lid 5 laatste volzin, art. 263 Sv en 315/316 Sv (e.v.), welke artikelen ook nu al voldoende openingen bieden om tijdens het onderzoek ter terechtzitting op een creatieve manier ‘het debat tussen deskundigen het strafproces binnen te halen’.
Kortom: wat mij betreft zal de (nieuwe) wettelijke regeling niet alleen moeten worden gefundeerd op de pijlers ‘kwaliteitszorg’ en ‘het recht op tegenspraak’, maar tevens op deze derde pijler, door deze derde weg eveneens uitdrukkelijk wettelijk te verankeren. Dat zou niet alleen recht doen aan de ontwikkelingen die zich hier en daar op dit punt hier al hebben voltrokken in de rechtspraktijk, maar daarmee zou tevens de wenselijkheid om deze derde weg verder te verkennen en te plaveien met regels van best practice expliciet (wettelijk) worden onderstreept.

Verkort aangehaalde literatuur
T. Anderson, D. Schum & W. Twining, Analysis of Evidence. Cambridge, etc.: Cambridge University Press (second edition), 2005.
E. Beecher-Monas, Evaluating Scientific Evidence. Cambridge, etc.: Cambridge University Press, 2007.
K. Boonen, A.C. ’t Hart, Th. A. de Roos, Criminalistiek, Forensische deskundigen en strafrechtpleging, Deventer: Gouda Quint, 2000.
A.P.A. Broeders, Op zoek naar de bron, (diss.), Kluwer, 2003.
H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, Dubieuze zaken. Contact, 1992 en 2005.
H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, Anchored Narratives. Hemel Hempstead: Harvester Wheatsheaf, 1993.
M.J. Dubbelaar & J.F. Nijboer, ‘De procespositie van deskundigen eindelijk verankerd’. 38 Delikt en Delinkwent (afl. 1/2), 2008, p. 15-40.
D. Dwyer, The Judicial Assessment of Expert Evidence. Paper and lecture presented for the CRBS, at The University Groningen, 19 February 2008.
J. Hielkema, ‘Als deskundigen twijfelen of twisten’, In Delikt en Delinkwent, nr. 1,

januari 2006, p. 39-54.


P.J. van Koppen, ‘De hordes van de contra-expertise in strafzaken’ in Strafblad, afl. 1, 17 februari 2005, p. 84-92.
G. Knigge, ‘Het opzet van de deelnemer’ in M.S. Groenhuijsen & J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende Schalen (Liber amicorum J. de Hullu), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 291-321.
N.J.M. Kwakman, ‘De opzet van het opzet’ in B.F. Keulen, G. Knigge, H.D. Wolswijk (red.), Pet Af (Liber Amicorum D,H. De Jong), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 289-313.
R. Meester & M. Sjerps, ‘Why the effect of prior odds should accompany the likelihood ratio when reporting DNA evidence’, 3 Law, Probability and Risk, 2004, p. 51-62.
M. Malsch & J.F. Nijboer (red.), Complex Cases, Thela Thesis, 2000.
P. Roberts & A Zuckerman, Criminal Evidence, Oxford university press, 2004.
D.M. Risinger, M.J. Saks, W.C. Thompson. & R. Rosenthal, ‘The Daubert/Kumho Implications of Observer Effects in Forensic Science: Hidden Problems of Expectation and Suggestion’, 90 California Law Review, 2002, p. 1-56.
W.A. Wagenaar, Vincent plast op de grond; nachtmerries in het Nederlands recht, Amsterdam: Bert Bakker 2006.


1 Voluit: Wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Wet deskundige in strafzaken). Zie Kamerstukken 31 116.

2 Het zal duidelijk zijn dat ik hier het begrip ‘kwaliteitszorg’ gebruik in ‘enge’ zin, dat wil zeggen met betrekking tot de eisen die mogen worden gesteld aan deskundigen die in het strafproces worden ingeschakeld. Meer algemeen gesproken draagt vanzelfsprekend ook het recht op tegenspraak en ‘de derde weg’ die ik in deze bijdrage bespreek en bepleit, bij aan de kwaliteit van de waarheidsvinding in ruime zin.

3 Een rechter in (bewijs)nood maakt soms rare sprongen volgens sommige wetenschappers. Zo is het geen geheim dat Crombag, Van Koppen en Wagenaar op dit punt bepaald geen blad voor de mond nemen. Zie de vele publicaties van hun hand die voortborduren op Crombag, Van Koppen en Wagenaar (1992 en 2005). Zie bijvoorbeeld Wagenaar (2006). Zie ook verderop in deze bijdrage.

4 Een risico dat er wel eens iets fout kan gaan, is dus inherent aan het strafrecht. Om die reden ben ik dan ook van mening dat de strafrechtspleging de laatste tijd wel wat erg vaak onder vuur is komen te liggen in bepaalde wetenschappelijke kringen. De moties van wantrouwen lijken over elkaar heen te buitelen, ondanks dat ‘de strafrechtspleging’ er alles aan doet om in de toekomst het aantal mogelijke missers tot een aanvaardbaar minimum terug te brengen. De bereidheid van strafrechtjuristen om daarbij hun oor, meer dan voorheen, te luister te leggen bij de wetenschap en meer open te staan voor kritische geluiden en suggesties uit die hoek, lijkt in sommige wetenschappelijke kringen eerder te worden aangegrepen om de belerende vinger nog wat hoger te heffen, dan de krachten te bundelen en tot werkbare oplossingen te komen. Maar gelukkig is ook daarin hier en daar een kentering te bespeuren. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat er ook binnen de (forensische) wetenschap nog wel wat valt te verbeteren. Echter, ook dat is – zo zal verderop nog worden betoogd – inherent aan wetenschap bedrijven.

5 Vgl. bijvoorbeeld Crombag, Van Koppen en Wagenaar (1992) (1993) en (2005) over het ‘verankeren’ van de ‘sprongen’. Met dank aan J. Hielkema, die nog eens heeft gewezen op deze en andere publicaties en jurisprudentie waarin bepaalde aspecten van mijn betoog zijn terug te vinden, en waarnaar in deze bijdrage dan ook wordt verwezen.

6 Vgl. de niet-continentale stelsels met een primair ‘accusatoir’ karakter.

7 Zie ook Kamerstukken II, 2006-2007, 31 116, nr. 3 (MvT), p. 17 onderaan.

8 Zie uitgebreid zijn pre-advies voor de NJV 1994 (Thema van dat jaar: ‘Herbezinning op de grondslagen van het Wetboek van Strafvordering’).

9 In accusatoire stelsels wordt het strafproces vooral gezien als een rechtsstrijd tussen twee gelijkwaardige partijen waarbij het accent veel meer ligt op de relevante ‘partijwaarheden’ dan op de materiële waarheid. In dat verband verdient het dan ook de voorkeur ons stelsel niet te typeren als een ‘gematigd accusatoir stelsel’, zoals vaak wel gebeurt, maar als een gemengd contradictoir-inquisitoir stelsel. Daarin komt beter tot uitdrukking dat het recht op tegenspraak primair in het teken staat van de materiële waarheidsvinding en niet in het teken van een rechtsstrijd tussen twee gelijkwaardige partijen.

10 Vgl. voor deze eerste twee punten: Kamerstukken II 2006-2007, 31 116 (wetsvoorstel ‘deskundigen in strafzaken) nr. 3, onder andere p. 6 e.v. en p. 37. Zie voorts: Dubbelaar en Nijboer (2008) en Dwyer (2008).

11 Vgl. bijvoorbeeld het ‘verbeterprogramma’ (Cluster forensische opsporing) voor een betere stroomlijning van de samenwerking tussen politie, het OM en het NFI.

12 Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2006-2007, 31 116, nr. 3 (MvT), p. 10 en 18.

13 Zie Beecher-Monas (2007), Meester en Sjerps (2004), Rissinger e.a. (2002), Hielkema (2006); Vgl. voorts Kamerstukken II, 2006-2007, 31 116, nr. 3 (MvT), p. 18.

14 Toch lijkt die verbazing niet helemaal terecht, aangezien ook de wetenschap gebruik maakt van constructies. Volgens aanhangers van bepaalde (kennistheoretische) stromingen is ‘de’ werkelijkheid als zodanig voor de mens zelfs niet te kennen, maar hooguit een afgeleide daarvan in de vorm van een ‘menselijke constructie’(vgl. het constructivisme, het interactionisme, het subjectivisme en tot op zekere hoogte ook het criticisme van Kant en het kritisch rationalisme van o.a. Popper). Vanuit de strafrechtpraktijk zou dan ook de vraag kunnen worden opgeworpen waarom juridische ‘normatieve’ constructies van de werkelijkheid het af zouden moeten leggen tegen andere vormen van menselijke constructies van de werkelijkheid. Daar zijn soms (zoals in deze bijdrage al doorschemert) goede gronden voor aan te voeren, maar soms ook nadrukkelijk niet.

Met dank aan Jan Nijboer, UHD criminologie aan de vakgroep Strafrecht en Criminologie van de RuG, die aan deze kennistheoretische kwesties aandacht heeft besteed in het kader van het vak ‘forensisch bewijs’ dat onder leiding van J. Hielkema door de vakgroep wordt gegeven.



15 Hierboven bleek dat zelfs ‘pure’ feitenvaststelling altijd tot op zekere hoogte het karakter zal hebben van een constructie. Echter, hier wordt met het ‘construeren in enge zin’ gedoeld op een variant waarbij de vast te stellen feiten niet direct uit waarnemingen zijn af te leiden (vgl. empirisch onderzoek), maar waarvoor een aantal aannames en/of tussenstappen nodig is. Vgl. ook (andere) vormen van indirect bewijs, zoals ketting- of schakelbewijs.

16 Vgl. reeds HR 3 januari 1978, NJ 1978, 627 (Ronde Klip), HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199 (Porsche) en HR NJ 24 februari 2004, 2004, 375 (Slaan met pistool).

17 Vgl. Knigge (2003).

18 Kwakman (2007).

19 Een dergelijk model kan natuurlijk ook goede diensten bewijzen om het risico af te dekken dat de rechter zijn oordeel te veel baseert op (achteraf bezien) ondeugdelijke of bedenkelijke opvattingen en theorieën. Dus ook als er op voorhand niet direct aanwijzingen zijn dat daar sprake van zou zijn, kan het afdekken van dergelijke risico’s eveneens in de sleutel worden gezet van de invalshoek van de ‘onuitgekristalliseerde methoden en theorieën’. Vgl. ook Crombag, Van Koppen en Wagenaar (1992) (1993) en (2005), Malsch en Nijboer (2000), Anderson, Schum en Twining (2005) en Beecher-Monas (2007).

20 Daarbij kan worden aangehaakt bij het ‘kwaliteitssysteem’ dat de minister op het oog heeft in de concept nota van toelichting (versie 12-02-08) bij de Concept AMvB inzake kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken, waarin o.m. het ‘deskundigenregister’ wordt geregeld.

21 Vgl. het audit-model in Malsch en Nijboer (2000).

22 Zie ook p. 2 van de concept nota van toelichting (versie 12-02-08) bij de Concept AMvB inzake kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken, waar – wat betreft het beoogde kwaliteitssysteem – wordt gesproken van een ‘groeimodel’.

23 Zie voor een wat andere benadering Van Koppen (2005) p. 91: ‘Zonder een contra-expert weet men niet of men een contra-expert nodig heeft’ en Boonen, ‘t Hart en De Roos (2000) p. 68: Tegendeskundigen zijn essentieel in die zin, dat het besef dat hypotheses, het gebruik van bepaalde ananlysemethoden en de interpretatie van resultaten door andere deskundigen tegen het licht worden gehouden, zowel de diepgang als de breedte en de accuratesse van het onderzoek bevordert.

24 In stelsels met een uitgesproken adversair karakter is het uitgangspunt dat ‘de’ waarheid een illusie is en dat het debat (het recht op tegenspraak) de beste garanties biedt om de voor partijen relevante waarheid boven tafel te krijgen. Het recht op tegenspraak staat in die stelsels dan ook voorop, en het strafproces vertoont sterke trekken van een partijen-proces.

25 Vgl. HR 8 februari 2005, NJ 2005, 514.

26 Zie Roberts en Zuckerman (2004), Dwyer (2008), en Broeders (2003). Zie ook HR 8 februari 2005, NJ 2005, 514.

27 Vgl. HR 20 februari 2007, LJN AZ5717 (Zie met name de conclusie van A-G Machielse). Zie voorts Rb ’s Hertogenbosch 25 oktober 2006, LJN AZ0898; Rb Leeuwarden 26 juli 2007, LJN BB0609; Hof Den Haag 23 oktober 2007, LJN BB6224; Hof Den Haag 25 oktober 2007, LJN BB 6495; Rb Arnhem 30 juli 2004, LJN AQ5858.

28 Zie Kamerstukken 2006-2007, 31 116, nr. 3, p. 27-28.

29 Daarnaast laat A-G Knigge zich in het rapport in kritische zin uit over (de positie van) de rechters in deze zaak, alsmede over de aanpak en de bevindingen van de CEAS.




: research -> portal -> files
files -> Voorreformatorische koorhekken in nederland
files -> Serie: Psychologische interventies bij somatische aandoeningen Psychologische interventies bij kanker – zoeken naar de juiste maat
files -> Inaugurele rede Groningen Ex oriente lex, Groningen, 1993, 26p. 1992 Artikelen
files -> Groeiremming bij lange meisjes (samenvatting)
files -> De samenwerking tussen de American Psychological Association en de cia
files -> Myalgische Encephalomilits (M. E.) oftewel chronisch vermoeidheidssyndroom (cvs) is een syndroom waarvan de oorzaak nog niet bekend is. In Nederland lijden er ongeveer 20. 000 mensen aan
files -> Development of Poly(trimethylene carbonate) based Implant Devices and their Application in Oral and Maxillofacial Surgery
files -> Middeleeuwse kerken op het eiland Saaremaa (Estland) De gebouwen en hun inrichting
files -> Voedingssupplementen bij zwangerschap zinnig?
files -> Hoe de Godin verdween uit Oldeholtpade




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina