De Deuren der Waarneming Aldous Huxley



Dovnload 150.78 Kb.
Pagina1/5
Datum26.08.2016
Grootte150.78 Kb.
  1   2   3   4   5
 
 
 

De Deuren der Waarneming

  Aldous Huxley

    De Deuren der Waarneming werd voor het eerst in Engeland uitgegeven door Chatto & Windus Ltd 1954. ©Mrs. Laura Huxley 1954

Opmerking: De Deuren der Waarneming verschijnt in deze bibliotheek onder de "Eerlijk gebruik" regels volgens de 1976 Copyright Wet voor NON-profit academische, onderzoeks-, en algemene informatiedoeleinden. Lezers die een eigen kopie van de Deuren der Waarneming voor hun boekenkast willen hebben, wordt verzocht een boek bij hun boekhandel te kopen.




 
 



Als de deuren der waarneming gereinigd zouden worden, zou alles aan de mens verschijnen zoals het is, oneindig. — William Blake

HET WAS IN 1886
dat de Duitse farmacoloog, Louis Lewin, de eerste systematische studie over de cactus, waar vervolgens zijn eigen naam aan gegeven werd, publiceerde. De Anhalonium lewinii (tegenwoordig Lophophora Williamsii var.lewinii) was nieuw voor de wetenschap.Voor de primitieve godsdienst en de indianen van Mexico was het sinds onheuglijke tijden een oude vriend. Het was eigenlijk meer dan een vriend. In de woorden van een van de vroege Spaanse bezoekers aan de Nieuwe Wereld, "zij eten een wortel die zij peyote noemen, en die zij als een godheid vereren."
    Waarom zij het als een godheid vereerd zouden hebben werd duidelijk toen uitnemende psychologen als Jaensch, Havelock Ellis en Weir Mitchell hun experimenten met mescaline, de actieve stof van peyote, begonnen. Zij stopten weliswaar lang voor ze aan verafgoding toe waren; maar alles gebeurde met het oogmerk om mescaline een plaats onder de kruiden van een uitzonderlijk aanzien te geven. Toegediend in geschikte dosering, verandert het de kwaliteit van het bewustzijn grondiger en toch is het minder toxisch dan enig andere substantie in het repertoire van de farmacologen.
    Mescaline-onderzoek is sinds de dagen van Lewin en Havelock Ellis slechts sporadisch voortgezet. Chemici hebben niet alleen het alkaloïed geïsoleerd; zij hebben ook geleerd hoe ze het konden synthetiseren, zodat de beschikbaarheid niet langer van de schaarse en afwisselende oogst van de woestijncactus afhangt. Psychiaters hebben zichzelf mescaline toegediend in de hoop daardoor, uit de eerste hand, tot een beter begrip van de mentale processen van hun patiënten te komen. Psychologen, die jammer genoeg met te weinig proefpersonen binnen een te nauw bereik van omstandigheden gewerkt hebben, hebben een aantal van de meest opvallende effecten van de drug geobserveerd en gecatalogiseerd. Neurologen en fysiologen hebben het een en ander over het werkingsmechanisme op het centraal zenuwstelsel ontdekt. En minstens één Beroeps- filosoof heeft mescaline ingenomen terwille van het licht dat het op die oeroude, onopgeloste raadsels zoals de plaats van de geest in de natuur en het verband tussen hersenen en bewustzijn, zou kunnen werpen.
Er bleven zaken liggen totdat, twee of drie jaar geleden, een nieuw en misschien zeer veelbetekenend feit werd waargenomen. Eigenlijk had het feit een aantal decennia lang iedereen aangestaard; maar het geval wilde dat niemand het had opgemerkt, totdat een Jonge Engelse psychiater, die nu in Canada werkt, getroffen werd door de nauwe overeenkomst in chemische samenstelling tussen mescaline en adrenaline. Verder onderzoek onthulde dat lyserginezuur, een uiterst krachtig hallucinogeen afgeleid van moederkoorn, een structurele biochemische overeenkomst met de andere bezit. Vervolgens kwam de ontdekking dat adrenochroom, dat een afbraakprodukt van adrenaline is, veel van de symptomen kan veroorzaken, die bij een mescaline-intoxicatie worden waargenomen. Maar adenochroom komt waarschijnlijk van nature in het menselijk lichaam voor. Met andere woorden zou ieder van ons in staat kunnen zijn om een chemische stof, waarvan bekend is dat zeer kleine hoeveelheden Diepgaande veranderingen in het bewustzijn kunnen veroorzaken, te produceren. Bepaalde van die veranderingen zijn vergelijkbaar met diegene, die voorkomen in die zeer karakteristieke plaag van de twintigste eeuw, de schizofrenie. Is die geestesziekte aan een chemische ontregeling te wijten? En is die psychische ontregeling op zijn beurt aan psychische noden die de bijnieren beïnvloeden te wijten? Het zou overhaast en voorbarig zijn dat te bevestigen. Het enige wat we kunnen zeggen is dat er een soort van prima facie zaak uit op gemaakt kan worden. Intussen wordt de aanduiding systematisch gevolgd, de speurneuzen - biochemici, psychiaters en psychologen - zitten op het spoor.
    Door een reeks van, voor mij uiterst gunstige omstandigheden, liep ik, in het voorjaar van 1953, zomaar tegen dat spoor aan. Een van de speurneuzen was voor zaken naar Californië gekomen. Ondanks zeventig jaar van onderzoek met mescaline beschikte men nog maar over belachelijk ondeugdelijk psychologisch materiaal, en hij wilde daar dolgraag  wat aan toevoegen. Ik was ter plaatse en wilde inderdaad graag als proefkonijn fungeren. Zo gebeurde het dat ik, op een stralende morgen in Mei, viertiende gram mescaline, opgelost in een half glas water, innam en ging zitten om op de uitwerking te wachten
    Wij leven samen, wij beïnvloeden elkaar en reageren op elkaar; maar altijd en onder alle omstandigheden zijn wij op onszelf. De martelaren gaan hand in hand de arena in; alleen worden zij gekruisigd. In een omhelzing proberen de geliefden wanhopig hun extasen in een enkele zelftranscendentie te versmelten; tevergeefs. Juist door zijn aard is elke belichaamde ziel gedoemd in eenzaamheid te lijden en te genieten. Gewaarwordingen, gevoelens, inzichten, fantasieën - zijn allemaal persoonlijk en, behalve door middel van symbolen en uit de tweede hand, niet meedeelbaar. Wij kunnen informatie over ervaringen bij elkaar brengen, maar nooit de ervaringen zelf. Van gezin tot natie is elke menselijke groep een gemeenschap van eiland-universums.
    De meeste eiland-universums lijken voldoende op elkaar om ons te Veroorloven te begrijpen dat ze op hetzelfde neerkomen of zelfs tot wederzijdse empathie en "invoelen" leiden. Zo kunnen wij dus, als wij ons onze eigen verliezen en vernederingen herinneren, met anderen in vergelijkbare omstandigheden ons medeleven betuigen en onszelf (natuurlijk altijd op een wat Pickwickiaanse manier) in hun plaats verplaatsen. Maar in bepaalde gevallen is de communicatie tussen twee universums onvolledig of zelfs niet-bestaand. De geest is zijn eigen plek, en Plekken, die door de krankzinnige en buitengewoon begaafde wordt ingenomen verschillen zo van de plekken waar gewone mannen en vrouwen leven, dat er weinig of geen gemeenschappelijke geheugengebied bestaat dat als basis voor begrijpen of medegevoel kan dienen. Woorden worden geuit, maar slagen er niet in te verhelderen. De dingen en gebeurtenissen waar de symbolen naar verwijzen behoren tot elkaar wederzijds uitsluitende rijken van de ervaring.
    Het is een uiterst weldadige gave onszelf te zien zoals anderen ons zien. Nauwelijks minder belangrijk is het vermogen anderen te zien zoals zij zichzelf zien. Maar wat als die anderen tot een ander soort behoren en een radicaal ander universum bewonen? Hoe kan bijvoorbeeld de gezonde te weten komen hoe het werkelijk voelt om krankzinnig te zijn. Hoe kunnen we ooit, als wij niet als visionairen, als medium, of als een muzikaal genie wedergeboren worden de werelden waar Blake, Swedenborg en Johan Sebastiaan Bach thuis waren, bezoeken? En hoe kan een mens aan de uiterste grenzen van ectomorfie en cerebrotonie zich ooit verplaatsen in iemand aan de grenzen van de endomorfie en de viscerotonie, of, uitgezonderd binnen bepaalde nauw omschreven gebieden, de gevoelens delen met iemand die zich aan de grenzen van de mesomorfie en somatotonie bevindt? Voor de onvervalste behaviorist zijn, veronderstel ik, zulke vragen zonder betekenis. Maar voor diegenen die theoretisch geloven dat wat zij uit de praktijk kennen waar is - namelijk, dat er aan de ervaring zowel een binnen- als een buitenkant is - zijn de geponeerde problemen werkelijke problemen, deste ernstiger, omdat sommige volledig onoplosbaar, sommige zijn alleen in uitzonderlijke omstandigheden en met methoden, die niet voor iedereen beschikbaar zijn, op te lossen.  Zo lijkt het ogenschijnlijk zeker dat ik nooit zal weten hoe het voelt om Sir John Falstaff of Joe Louis, te zijn. Aan de andere kant heeft het mij altijd mogelijk geleken, dat ik, door bijvoorbeeld hypnose, door middel van systematische meditatie, of anders door de geschikte drug in te nemen, mijn alledaagse wijze van bewustzijn zo zou kunnen veranderen, dat ik, van binnenuit, in staat zou zijn te weten waar de ziener, het medium of zelfs de mysticus het over gehad hebben.
    Door wat ik over de ervaring met mescaline gelezen had, was ik er bij voorbaat van overtuigd dat de drug mij, in ieder geval voor enige uren, toe zou laten in het soort binnenwereld die door Blake en AE beschreven zijn. Maar wat ik verwacht had gebeurde niet. Ik had verwacht dat ik met gesloten ogen zou liggen kijken naar visioenen van veelkleurige meetkundige figuren, naar bezielde architecturen, vol edelstenen en sprookjesachtig mooi, van landschappen met heroïsche figuren, van symbolische drama's die onophoudelijk op grens van de ultieme openbaring zouden trillen. Maar ik had, dat was duidelijk, geen rekening gehouden met de eigenaardigheden van mijn mentale gesteldheid, met de feiten van temperament, opleiding en gewoonten.
    Ik ben nu en zolang als ik mij kan herinneren, altijd een armzalige visualiseerder geweest. Woorden, zelfs de veelzeggende woorden van dichters, roepen in mijn geest geen beelden op. Geen halfslaapse visoenen begroeten mij op de grens van de slaap. Als ik mij iets weer voor de geest roep, toont de herinnering mij dat niet als een levendige gebeurtenis in mijn geest. Door een wilsinspanning kan ik een niet erg levendig beeld van wat er gistermiddag gebeurd is oproepen, van hoe de Lugarno er gewoonlijk uitzag voor de bruggen vernield werden, van de Bayswaterstraat toen de enige bussen nog groen en klein waren en door oude paarden met drie en een halve mijl per uur werden voortgetrokken. Maar zulke beelden zijn van weinig betekenis en leiden beslist geen eigen leven. Zij staan tot werkelijke waargenomen beelden zoals de geesten van Homerus, die in de schaduwen tot hen kwamen, tot mensen van vlees en bloed stonden. Alleen als ik hoge koorts heb komen mijn eigen mentale beelden tot een eigen leven. Voor diegenen in wie het visualiseringsvermogen krachtig is, moet mijn binnenwereld wel merkwaardig saai, beperkt en oninteressant toeschijnen. Het was die binnenwereld - een armzalige maar wel mijn eigen - waarvan ik verwachtte die in iets totaal anders dan die was te zien veranderen.
    De verandering die er in feite in die wereld plaats vond, was op geen enkele manier revolutionair. Een half uur nadat ik de drug had ingenomen werd ik mij van een trage dans van gouden lichtjes bewust. Een half uur later waren er weelderige opzwellende en zich vanuit stralende knopen uitdijende rode oppervlakken van energie die trilden met een doorlopend veranderend schakerend leven. Op een ander moment openbaarde het sluiten van mijn ogen mij een complex grijze structuren, waarin bleke paarse bollen in een intense vastheid bleven verschijnen en eenmaal verschenen geluidloos naar boven uit het zicht bleken te glijden. Maar op geen enkel moment waren er beelden of vormen van mensen of dieren. Ik zag geen landschappen, geen enorme ruimten, geen magisch groeien en metamorfose van gebouwen, niets wat in de verste verte op een drama of parabel leek. De andere wereld waar mescaline mij in toeliet was niet de wereld van visioenen; die bestond daar buiten, in wat ik met mijn ogen kon zien. De grote verandering trad op in het rijk van de objectieve feiten. Wat er met mijn subjectieve universum gebeurd was, was betrekkelijk onbelangrijk.
    Ik nam mijn pil om elf uur. Anderhalf uur later zat ik in mijn studeerkamer en keek strak naar een kleine glazen vaas. In de vaas stonden maar drie bloemen - een Belie van Portugal-roos in volle bloei, schelproze met aan de basis van ieder bloemblad een zweem van een warmere vlammendere tint; een grote helrode en roomkleurige anjer; en de koene heraldieke bloesem van een iris, bleek purper aan het eind van haar gebroken stengel. Toevallig en zomaar verbrak die kleine ruiker alle regels van een gebruikelijke goede smaak. Die morgen was ik bij het ontbijt getroffen door de levendige dissonant van de kleuren ervan. Maar dat was niet langer het punt. Ik keek nu niet naar een ongewone bloemschikking. Ik zag nu wat Adam op de morgen van zijn schepping gezien had - het wonder, moment na moment, van het naakte bestaan.
    "Is het prettig?" vroeg iemand (tijdens dit deel van het Experiment werden alle gesprekken op een bandrecorder opgenomen, en dat heeft mij in staat gesteld mijn geheugen over alles wat er gezegd was, op te frissen)
"Niet prettig en niet vervelend," antwoordde ik. "het is alleen maar."
    Istigkeit— was dat het woord niet dat Meister Eckehart doorgaans gebruikte? "Is-heid." Het Zijn van de Platoonse filosofie - behalve dat het lijkt dat Plato de enorme, groteske fout gemaakt heeft Zijn te scheiden van Worden en het met de mathematische abstractie van de Idee te identificeren. Hij, de stakker, kon nooit een boeket bloemen hebben zien schijnen met hun eigen innerlijke licht, dat alleen maar onder de druk van de betekenis waarmee ze geladen waren, trilde; kon nooit ontwaard hebben dat wat roos en iris en anjer zo intens beduidden niets meer of minder was dan wat zij waren - een voorbijgaan dat toch het eeuwige leven was, een eindeloos tenietgaan dat tegelijkertijd zuiver zijn was, een bundel van haarfijne, unieke bijzonderheden, waarin door een of andere onuitsprekelijke en toch vanzelfsprekende paradox de goddelijke bron van alle bestaan te zien was.
    Ik bleef naar de bloemen kijken, en het leek alsof ik in hun levende licht het kwalitatieve equivalent van ademen bespeurde - maar van een ademen zonder terugkeer naar het beginpunt, zonder regelmatig wegebben maar slechts een herhaald vloeien van schoonheid naar grotere schoonheid, van een diepere naar een nog diepere betekenis. Woorden als "genade" en "verheerlijking" doken op in mijn geest en dat was onder andere wat er natuurlijk mee bedoeld werd. Mijn ogen gingen van de roos naar de anjer, en van die geveerde gloed naar de zachte krullen van gevoelend amethist die de iris vormden. Voor het eerst begreep ik Het Gelukzalige Visioen, Sat Chit Ananda, het Gezegende Bewustzijn, niet op het verbale niveau, niet door aanvankelijke aanduidingen of van een afstand, maar precies en volledig waar die wonderlijke lettergrepen op duiden. En toen herinnerde ik mij een passage die ik in een van Suzuki's essays gelezen had. "Wat is het Dharma-lichaam van de Boeddha?" (het Dharma-lichaam van de Boeddha is een ander manier om Geest, Zo-Zijn, Leegte, de Godheid te zeggen) De vraag wordt in een Zen-klooster door een ernstige en verbijsterde novice gesteld. En met de onmiddellijke irrelevantie van een van de Marx-brothers, antwoordt de Meester, "De haag achterin de tuin." "en wat is, als ik vragen mag," vraagt de novice onzeker, "de man die deze waarheid verwerkelijkt?" Groucho geeft hem met zijn staf een klap op zijn schouders en antwoordt: "Een goudharige leeuw."
    Het was toen ik het las slechts een vaag betekenisvol stukje onzin geweest. Nu was het allemaal glashelder, even duidelijk als Euclides. Natuurlijk was het Dharma-lichaam van de Boeddha de haag achterin de tuin. Tegelijkertijd, en niet minder overduidelijk was het deze bloemen, en was het alles waar ik - of liever dat gezegende Niet-Ik, dat voor een ogenblik uit mijn wurgende omarming verlost was - naar wilde kijken. De boeken bijvoorbeeld waarmee de wanden van mijn studeerkamer bekleed waren. Zij gloeiden toen ik ernaar keek net als de bloemen, met stralender kleuren en een diepere betekenis. Rode boeken als robijnen; smaragden boeken; in witte jade gebonden boeken; boeken van agaat; van aquamarijn, van gele topaas; lapis lazuli boeken waar de kleur zo intens van was, zo intrinsiek betekenisvol, dat het leek alsof zij op het punt stonden hun planken te verlaten om zich nog indringender aan mijn aandacht toe te vertrouwen.
    "Hoe zit het met de ruimtelijke verhoudingen?" vroeg de onderzoeker, toen ik naar de boeken keek.
    Dat was moeilijk te beantwoorden. In werkelijkheid leek het perspectief nogal vreemd en de muren van de kamer leken niet langer in rechte hoeken bij elkaar te komen. Maar dit waren niet de werkelijk echt belangrijke feiten. Het echt belangrijke feit was dat de ruimtelijke verhoudingen niet langer meer veel te betekenen hadden en dat mijn geest de wereld in andere termen dan ruimtelijke categorieën waarnam. Normaal houdt het oog zich bezig met problemen als Waar? - Hoe ver? - Hoe verhoudt het zich tot wat? Tijdens de mescaline-ervaring zijn de impliciete vragen waar het oog op antwoordt van een andere orde. Plaats en afstand zijn niet langer bijzonder belangrijk. De geest doet zijn Waarnemen in termen van intensiteit van zijn, diepte van betekenis, verhoudingen binnen een patroon. Wat ik waarnam, wat zelf indruk op mijn geest maakte, was het feit dat zij allemaal gloeiden met een levend licht en dat in sommige de luister groter was dan in andere. In deze context waren plaats en de drie dimensies niet ter zake. Natuurlijk was de categorie ruimte niet opgeheven. Als ik opstond en wat rondliep, kon ik dat heel gewoon doen, zonder de plaats van voorwerpen verkeerd in te schatten. De ruimte was er nog, maar had zijn overwicht verloren. De geest was op de eerste plaats niet met maten en posities maar met zijn en betekenen bezig.
    En tegelijkertijd met de onverschilligheid voor ruimte trad er een nog totalere onverschilligheid voor tijd op.
    "Het lijkt alsof er genoeg van is," was alles wat ik kon antwoorden, toen de onderzoeker mij vroeg wat ik over tijd voelde.
    Genoeg, maar precies hoeveel was volstrekt niet relevant. Ik had natuurlijk op mijn horloge kunnen kijken; maar ik wist dat mijn horloge in een andere dimensie was. Mijn werkelijke ervaren was geweest, en was nog steeds die van een oneindige duur of anders gezegd van een eeuwigdurend heden gevormd door een doorlopend veranderende apocalyps.
    De onderzoeker stuurde mijn aandacht van de boeken naar het meubilair. Een kleine schrijftafel stond in het midden van de kamer; een stuk verder, vanuit mijn gezichtspunt, stond een rieten stoel en nog verder een bureau. De drie stukken vormden een ingewikkeld patroon van horizontalen, verticalen en diagonalen - een deste belangwekkender patroon, omdat het niet in termen van ruimtelijke verhoudingen vertaald werd. Tafel, stoel en bureau voegden zich aaneen in een compositie als van Braque of Juan Griz, een zichtbaar met de herkenbare wereld verbonden stilleven, maar zonder diepte weergegeven, zonder enige poging tot fotografisch realisme. Ik keek naar mijn meubilair, niet als een gebruiker die op stoelen moet zitten of aan bureaus en tafels moet schrijven, en niet als de cameraman of wetenschappelijke rapporteur, maar als de pure estheet, die zich alleen over de vormen en hun verhoudingen binnen het gezichtsveld of ruimtelijke beeld, bekommert. Maar terwijl ik keek maakte dit puur esthetische, Kubistenoog-beeld plaats voor wat ik slechts als een sacramentele visie van de werkelijkheid kan omschrijven. Ik was terug op het punt waar ik geweest was toen ik naar de bloemen keek - terug in een wereld waar alles met het Innerlijke Licht scheen en oneindig in betekenis was. Die poten van die stoel bijvoorbeeld - wat een wonderlijke buizigheid, wat een bovennatuurlijke opgepoetste gladheid! Ik besteedde een paar minuten - of was het een paar eeuwen? - niet alleen aan het staren naar die poten van bamboe, maar in feite het die zijn - of beter gezegd mijzelf in hen; of om nog nauwkeuriger te zijn (want "Ik" was niet in de zaak, noch zij in zekere zin, betrokken) mijn Niet-ik in het Niet-ik dat de stoel was, zijn.
    Als ik terugdenk over mijn ervaring, merk ik dat ik het met die vooraanstaande Cambridge filosoof, Dr. C. D. Broad, eens ben, "dat wij er goed aan zouden doen veel serieuzer met het soort theorie die Bergson geopperd heeft in verband met het geheugen en gezichtszin, rekening te houden dan we tot nu toe genegen waren. Het idee is dat de functie van de hersenen en het zenuwstelsel en de zintuigen hoofdzakelijk eliminerend en niet productief zijn. Ieder mens is op ieder moment in staat zich alles wat er ooit met hem gebeurd is te herinneren en alles dat overal in het universum gebeurt waar te nemen. De functie van het brein en het zenuwstelsel is ons te beschermen tegen een bedolven worden onder en verward te worden door deze massa van grotendeels onbruikbare en irrelevante kennis, door het meeste wat we anders zouden waarnemen of ons zouden herinneren uit te sluiten, en slechts die kleine en speciale selectie over te laten die praktisch bruikbaar lijkt" Volgens zo'n theorie is ieder van ons een potentiële Grote Geest. Maar voor zover we dieren zijn, is het onze zaak tot elke prijs te overleven. Om een biologische overleving mogelijk te maken, moet de Grote Geest door de reduceerventiel van het brein en het zenuwstelsel getrechterd worden. Wat er aan de andere kant uitkomt is een armzalig stroompje van het soort bewustzijn dat ons zal helpen te overleven op het oppervlak van juist deze planeet. Om de inhouden van dit gereduceerde bewustzijn te formuleren en uit te drukken, heeft de mens die symboolsystemen en onuitgesproken filosofieën die wij talen noemen, ontwikkeld en eindeloos uitgewerkt. Ieder individu is tegelijkertijd de begunstigde en het slachtoffer van de taalkundige traditie waarin hij is geboren - de begunstigde in zoverre als taal toegang geeft tot de geaccumuleerde getuigenissen van de ervaringen van anderen, het slachtoffer in zoverre dat het hem bevestigd in het geloof dat het gereduceerde bewustzijn het enige bewustzijn is en het zijn realiteitszin behekst, zodat hij maar al te graag zijn opvattingen voor feiten en zijn woorden voor echte dingen houdt. Dat wat in de taal van de religie "deze wereld" genoemd wordt is het universum van een gereduceerd bewustzijn, uitgedrukt en als het ware versteend door de taal.
De verschillende "ander werelden" waar menselijke wezens al dwalend contact mee maken zijn even zovele elementen in de totaliteit van het bewustzijn dat tot de Grote Geest behoort. De meeste mensen weten meestal alleen maar wat door de reduceerventiel passeert en als onvervalst echt door de plaatselijke taal geheiligd wordt. Sommige personen echter, lijken met een soort van omleiding geboren te zijn die de reduceerventiel ontduikt. Bij anderen kunnen tijdelijke omleidingen of spontaan verworven worden, of zijn het resultaat van doelgerichte "spirituele oefeningen", van hypnose, of van de hulp van drugs. Door deze permanente of tijdelijke omleidingen vloeit dan inderdaad niet de waarneming "van alles wat overal in het universum gebeurt" (want de omleiding schaft de reduceerventiel, die nog steeds de totale inhoud van de Grote Geest uitsluit, niet af)  maar iets meer dan, en bovenal iets verschillend van, het zorgvuldig geselecteerde utilitaire materiaal dat onze vernauwde, individuele geesten als een compleet, in ieder geval voldoende, beeld van de werkelijkheid beschouwen.
    De hersenen zijn voorzien van een aantal enzymsystemen die ervoor dienen de werking ervan te coördineren. Een aantal van deze enzymen regelt de glucose-toevoer naar de hersencellen. Mescaline verhindert de productie van die enzymen en verlaagt op die manier de hoeveelheid glucose die voor een orgaan, dat een constante behoefte aan suiker heeft, nodig is. Wat gebeurt er als mescaline het normale rantsoen aan suiker van de hersenen verlaagt? Er zijn te weinig gevallen geobserveerd en daarom kan een alomvattend antwoord nog niet gegeven worden. Maar wat er met de meerderheid van die enkelingen die mescaline onder toezicht hebben ingenomen gebeurt kan als volgt samengevat worden:


  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina