De Deuren der Waarneming Aldous Huxley



Dovnload 150.78 Kb.
Pagina2/5
Datum26.08.2016
Grootte150.78 Kb.
1   2   3   4   5
    (1) Het vermogen tot herinnering en "logisch te denken" is weinig zo niet helemaal verminderd. (Als ik naar de opnamen van mijn conversatie onder invloed van de drug luister, kan ik niet ontdekken dat ik toen ook maar iets dommer was dan ik normaal ben.)
    (2) Visuele indrukken worden hevig versterkt en het oog hervindt iets van de onschuldige waarneming van de kinderjaren, toen het zintuig nog niet onmiddellijk en automatisch ondergeschikt was aan de opvatting. Belangstelling in ruimte is verminderd en belangstelling in tijd zakt vrijwel tot nul.
    (3) Hoewel het intellect onaangetast blijft en hoewel de waarneming enorm verbeterd is, ondergaat de wil een diepe verandering ten kwade. De mescaline-slikker ziet geen enkele reden ook maar iets speciaals te doen en vindt de meeste redenen waarvoor hij gewoonlijk bereid was te handelen en te lijden, volslagen onbelangrijk. Hij kan zich daar niet mee bezig houden, om de goede reden dat hij wel wat beters heeft om aan te denken.
    (4) Deze betere dingen kunnen, (zoals ik ze ervaren heb) "daarbuiten" of "hierbinnen" of in beide werelden, de binnen en de buiten, tegelijkertijd of opeenvolgend ervaren worden. Dat zij beter zijn wordt door alle mescaline-slikkers die met een gezonde lever en niet vertroebelde geest aan de drug beginnen, als vanzelfsprekend beschouwd.
    Deze effecten van mescaline zijn van die soort dat je zou kunnen verwachten van de toediening van een drug die het vermogen heeft de doelmatigheid van de cerebrale reduceerventiel aan te tasten. Als de hersenen aan het eind van hun voorraad suiker raken, wordt het ondervoede ego zwak, kan zich niet meer bezig houden met het ondernemen van noodzakelijke klusjes en verliest alle belangstelling voor die ruimtelijke en tijdelijke verhoudingen die voor een organisme, dat er op uit is in de wereld vooruit te komen, zoveel betekenen. Wanneer de Grote Geest langs de niet langer waterdichte klep sijpelt beginnen er allerlei biologisch nutteloze dingen te gebeuren. In sommige gevallen kunnen er buitenzinnelijke waarnemingen optreden. Andere personen ontdekken een wereld van een visionaire schoonheid. Weer anderen wordt de glorie, de oneindige waarde en zinvolheid van het naakte bestaan, van het gegeven, onbegrijpelijke gebeuren, onthuld. In het laatste stadium van de ego-loosheid is er een "verborgen weten" dat Alles in alles is - dat in feite Alles iedereen is. Zo dichtbij is het, voor zover ik het begrijp, dat een eindige geest ooit kan komen tot een "alles wat er overal in het universum gebeurt waar te nemen"
    Hoe veelbetekenend  is in dit kader de enorme verhoging onder invloed van mescaline van het waarnemen van kleur! Voor sommige dieren is het biologisch zeer belangrijk dat zij staat zijn bepaalde kleurtinten te onderscheiden. Maar buiten de grenzen van hun utilitaire spectrum zijn de meeste schepsels totaal kleurenblind. Bijen besteden bijvoorbeeld hun meeste tijd aan het "onteren van de frisse maagden van het voorjaar"; maar zij kunnen zoals Von Frisch heeft aangetoond, maar heel weinig kleuren onderscheiden. De hoogontwikkelde kleurzin van de mens is een biologische luxe - voor hem, als een intellectueel en spiritueel wezen, onschatbaar waardevol , maar niet noodzakelijk voor zijn biologische overleving. Te oordelen naar de adjectieven die Homerus in hun mond legt, overtroffen de helden van de Trojaanse oorlog in hun vermogen kleuren te onderscheiden, de bijen nauwelijks. Wat dat betreft is de vooruitgang van het mensdom althans wonderbaarlijk geweest.
    Mescaline verheft alle kleuren tot een hogere macht en maakt de waarnemer van ontelbare fijne kleurnuanceverschillen bewust, waarvoor hij normaal gesproken volledig blind is. Het lijkt erop dat voor de Grote Geest het zogenoemde secundaire karakter van de dingen primair is. Anders dan bij Locke, voelt het duidelijk dat kleuren belangrijker zijn, meer waard zijn er aandacht aan te besteden, dan massa's, posities en dimensies. Net als mescaline-gebruikers, ontwaren veel mystici bovennatuurlijke stralende kleuren, niet alleen met hun inwendige oog, maar zelfs in de objectieve wereld rondom hen. Gelijkluidende mededelingen worden door paranormalen en mediums gedaan. Er zijn bepaalde mediums voor wie de voor de mescaline-gebruiker kortdurende openbaring , gedurende lange perioden, een zaak van dagen- en urenlange ervaren is.
    Laten we nu, van deze lange maar onmisbare uitwijding in het rijk van de theorie, terugkeren naar de wonderbaarlijke feiten - vier rieten stoelpoten in het midden van een kamer. Net als de narcissen van Wordsworth, brachten zij alle manieren van rijkdom - de onschatbare gave van een nieuw onmiddellijk inzicht in de waarachtige Natuur van de Dingen, samen met een bescheidener schat van begrip in het bijzonder op het gebied van de kunsten.
    Een roos is een roos is een roos. Maar deze stoelpoten waren stoelpoten, waren Sint Michael en alle engelen. Vier of vijf uur na het gebeuren, toen de effecten van het suikertekort in de hersenen afnamen, werd ik meegenomen voor een rondje door de stad, wat ondermeer een bezoek, tegen zonsondergang, aan waarvan men eenvoudig beweert dat het Werelds Grootste Drug Store is, inhield. Achter in de W.G.D.S stond temidden van het speelgoed, de wenskaarten en stripboeken, verrassend genoeg een rij kunstboeken. Ik pakte het eerste boek dat bij de hand lag. Het was over Van Gogh en het schilderij waarmee het boek opende was "De Stoel" - het verbazingwekkende portret van een Ding an Sich, dat de krankzinnige schilder met een soort verheerlijkende verschrikking zag en geprobeerd had op het doek over te brengen. Maar het was een taak waarvoor zelfs het vermogen van het genie volledig ontoereikend bewees te zijn. De stoel die Van Gogh gezien had was in wezen duidelijk dezelfde die ik had gezien. Maar, hoewel onvergelijkbaar meer werkelijk dan gewoon waargenomen stoelen, bleef de stoel in zijn schilderij niet meer dan een ongewoon uitdrukkingssymbool van het feit. Het feit was een gemanifesteerd Zo-Zijn geweest; dit was slechts een zinnebeeld. Zulke zinnebeelden zijn bronnen van ware kennis over de Natuur van de Dingen, en deze ware kennis zou kunnen dienen om de geest voor te bereiden op onmiddellijke inzichten voor eigen rekening. Maar daar blijft het bij. Hoe veelzeggend symbolen ook kunnen zijn, zij kunnen nooit de dingen zijn waar ze voor staan.
    Het zou in dit verband interessant zijn een studie van de kunstwerken die de grote kenners van het Zo-Zijn ter beschikking stonden te maken. Naar wat voor schilderijen heeft Eckehart gekeken? Wat voor beeldhouwwerken en schilderijen hebben een rol gespeeld in de religieuze ervaring van St. Johannes van het Kruis, van Hakuin, van Hui-neng, van William Law? De beantwoording van die vragen ligt buiten mijn vermogen; maar ik heb een sterk vermoeden dat de meeste van die grote kenners van het Zo-Zijn weinig aandacht aan kunst geschonken hebben - sommigen hebben geweigerd om er ook maar iets mee te maken te hebben, anderen hebben zich tevreden gesteld met wat een kritisch oog als tweederangs, of zelfs tienderangs werken zou hebben beschouwd. (voor een persoon van wie de verheerlijkte en verheerlijkende geest het Al in al ditgene kan zien, zal het eersterangse of tienderangse van zelfs een religieuze schildering een zaak van opperste onverschilligheid zijn)  Ik veronderstel dat kunst slechts voor beginners is, of anders voor die vastberaden doodlopers die hun geesten erop ingesteld hebben tevreden te zijn met het Ersatz van Zo-Zijn, liever met de symbolen dan met wat zij betekenen, met het smaakvol gecomponeerde recept in plaats van het diner zelf.
    Ik zette de Van Gogh terug in zijn rek en pakte het boek dat ernaast stond. Het was een boek over Botticelli. Ik sloeg de bladzijden om. "De Geboorte van Venus" - nooit een van mijn favorieten. "Mars en Venus," die door die arme Ruskin op het toppunt van zijn langdurige seksuele tragedie zo hartstochtelijk verketterde verrukkelijkheid. De magnifiek rijke en ingewikkelde "Lastering van Apelles." En toen een wat minder bekend en niet erg goed schilderij, "Judith". Mijn aandacht werd geboeid en ik staarde gefascineerd, niet naar de bleke neurotische heldin of haar dienaar, niet naar het harige hoofd van het slachtoffer of het lentelandschap op de achtergrond, maar naar het paarsachtige zijde van Judith's geplooide lijfje en lange door de wind bewogen rokken.
    Dit was iets dat ik eerder had gezien - diezelfde morgen had gezien, tussen de bloemen en de meubels, toen ik per ongeluk naar beneden keek, en zomaar hartstochtelijk bleef staren naar mijn eigen gekruiste benen. Die plooien in mijn broek - wat een labyrint van oneindige betekenisvolle ingewikkeldheid! En het weefsel van het grijze flanel - hoe rijk, hoe diep geheimzinnig weelderig! En hier waren ze opnieuw in Botticelli's schilderij.
    Beschaafde menselijke wezens dragen kleren en daarom kan er geen portret, geen mythologische of historische vertelling zijn zonder afbeeldingen van gevouwen geweven stoffen. Maar hoewel het als de bronnen beschouwd wordt, kan alleen het kleermaken nooit de overdadige ontwikkeling van het draperen als hoofdthema van alle beeldende kunsten verklaren. Het is overduidelijk dat kunstenaars altijd van het draperen op zich gehouden hebben - of liever omwille van zichzelf. Als je geplooide stoffen schildert of beeldhouwt, schilder of beeldhouw je voor alle gemak vormen die niet representatief zijn - het soort van onvoorwaardelijke vormen waarin kunstenaars zich, zelfs in de meest naturalistische traditie schijnen uit te leven. In de gemiddelde Madonna of Apostel is het echt menselijke, geheel representatieve element maar voor tien procent van het geheel verantwoordelijk. De hele rest bestaat uit vele gekleurde variaties op het onuitputtelijke thema van verkreukelde wol of linnen. En dit niet representatieve negentiende van een Madonna of een Apostel kan misschien kwalitatief net zo belangrijk zijn als kwantitatief. Heel vaak zetten ze de toon van het hele kunstwerk, bepalen ze de sleutel waarin het thema is weergegeven, drukken de stemming uit, het temperament en de levenshouding van de kunstenaar. Stoïcijnse sereniteit openbaart zichzelf in de gladde oppervlakken, de brede ongekwelde vouwen van Piero's draperieën. Verscheurd tussen feit en wens, tussen cynisme en idealisme, verzacht Bernini de bijna karikaturale waarheidsgetrouwheid van zijn gezichten met reusachtige kleermakers-abstracties, die de belichaming, in steen of brons, van de altijddurende gemeenplaatsen van de retoriek zijn - het heldendom, de heiligheid, de verhevenheid waar de mens, onophoudelijk, grotendeels tevergeefs, naar streeft. En hier zijn El Greco's verontrustende tot het binnenwerk behorende rokken en mantels; hier zijn de scherpe, verstrengelde, vlammige vouwen waarin Cosima Tura zijn figuren kleedt: in het begin bezwijkt de traditionele spiritualiteit in een naamloos fysiologisch smachten; vervolgens is er een ineenkrimpen van een hartverscheurend besef van de wezenlijke vreemdheid en vijandigheid van de wereld. Of kijk naar Watteau; zijn mannen en vrouwen spelen luit, maken zich klaar voor bals en harlekinades, schepen zich, op fluwelen grasvelden en onder edele bomen, in voor de Cythera van iedere minnaar's droom; hun immense melancholie en de gehekelde, gefolterde gevoeligheid van hun schepper vindt zijn uitdrukking, niet in de getoonde handelingen, niet in de gebaren en geportretteerde gezichten, maar in het reliëf en weefsel van hun tafzijden rokken, hun satijnen capes en wambuizen. Hier geen centimeter glad oppervlak, geen moment van vrede of vertrouwen, alleen een zijden wildernis van ontelbare kleine plooien en rimpels, met een onophoudelijk moduleren - innerlijke onzekerheid met de volmaakte zekerheid van de hand van de meester neergezet - van toon op toon, van de ene onbestemde kleur in de andere. De mens wikt en god beschikt in het leven. In de beeldende kunsten wordt het wikken gedaan door het onderwerp; wat beschikt is uiteindelijk het temperament van de kunstenaar, naast (tenminste in de portretkunst, geschiedenis- en genre-kunst) de gebeeldhouwde of geschilderde draperie. Deze twee kunnen onder elkaar uitmaken of het fête galante tot tranen toe zal bewegen, dat een kruisiging tot een punt van vrolijkheid sereen zal zijn, dat een stigmatisering bijna onverdraaglijk erotisch, dat de gelijkenis van een wonder van vrouwelijke hersenloosheid (ik denk nu aan Ingres' onvergelijkelijke Mme. Moitessier) de meest strenge, de meest compromisloze intellectualiteit zal uitdrukken.
    Maar dit is niet het hele verhaal. Draperieën zijn, zoals ik nu ontdekt had, veel meer dan middelen om niet representatieve vormen in naturalistische schilderijen en beeldhouwwerken in te brengen. Wat de rest van ons slechts onder invloed van mescaline ziet, dat is de kunstenaar aangeboren altijd te zien. Zijn waarneming is niet beperkt tot wat biologisch of maatschappelijk bruikbaar is. Een beetje van de kennis die aan de Grote Geest toebehoort sijpelt langs de reduceerventiel van brein en ego in zijn bewustzijn. Het is de kennis van de intrinsieke betekenis van al  het bestaande. Net als voor de kunstenaar zijn ook voor de mescaline-gebruiker draperieën levende hiëroglyfen die op een of andere bijzondere veelzeggende manier staan voor het onpeilbare geheim van het zuivere zijn. Nog meer dan de stoel, hoewel misschien minder dan  die volledig bovennatuurlijke bloemen, waren de vouwen van mijn grijze flanellen broek vol "Is-heid." Ik kan niet zeggen, waaraan het deze bevoorrechte status ontleende. Is het misschien omdat de vormen van gevouwen draperie zo vreemd en dramatisch zijn dat zij in het oog vallen en op die manier de aandacht op het miraculeuze feit van louter bestaan vestigen? Wie weet? Wat van belang is minder de reden van de ervaring  dan de ervaring zelf. Toen ik naar Judith's rokken tuurde, daar in de Grootste Drug Store ter Wereld, wist ik dat Botticelli - en niet alleen Botticelli, maar ook vele anderen - naar de draperieën gekeken hadden met dezelfde verheerlijkte en verheerlijkende ogen als de mijne die ochtend waren geweest. Zij hadden de Istigkeit, het Alzijn en Oneindigheid van gevouwen kleren gezien en hadden hun best gedaan om het in verf of steen weer te geven. Natuurlijk noodzakelijkerwijs, zonder sukses. Want de glorie en het wonder van zuiver bestaan horen tot een andere orde, voorbij het Vermogen waarmee zelfs de hoogste kunst kan uitdrukken. Maar in Judith's rok kon ik duidelijk zien wat ik, als ik een geniale schilder was geweest, van mijn oude grijze flanel had kunnen maken. Niet veel, de hemel weet het, in vergelijking met de werkelijkheid, maar genoeg om generatie na generatie van toeschouwers te verrukken, genoeg om hen tenminste een beetje van de ware betekenis van wat wij in onze zielige imbeciliteit "slechts dingen" noemen en veronachtzamen terwijl van de televisie, te laten begrijpen.
    "Dit is zoals men eigenlijk zou behoren te zien," bleef ik zeggen toen ik op mijn broek neerkeek, of een blik wierp op de bejuweelde boeken in de kasten, naar de poten van mijn oneindig meer dan Van Goghiaanse stoel. "Zo zou men eigenlijk moeten zien, hoe de dingen werkelijkheid zijn." En toch waren er reserves. Want als iemand altijd op deze manier zou zien, zou hij nooit meer iets anders willen doen. Alleen maar kijken, alleen het  goddelijke Niet-Ik van bloem, boek, stoel of flanel, zijn. Dat zou genoeg zijn. Maar hoe zou het in dat geval met andere mensen moeten? Hoe met menselijke relaties? In de opnamen van de gesprekken die morgen vind ik de vraag voortdurend herhaald "Hoe is het nu met menselijke verhoudingen?' Hoe zou iemand deze tijdloze gelukzaligheid van zien zoals men eigenlijk zou moeten zien kunnen rijmen met de tijdelijke plichten van te doen wat men eigenlijk moet doen en te voelen wat men eigenlijk zou moeten voelen? " Men zou in staat moeten zijn," zei ik, "om deze broek als oneindig belangrijk te zien en menselijke wezens als nog veel oneindiger belangrijk."  Men zou moeten - maar in de praktijk lijkt het onmogelijk te zijn. De deelname aan de geopenbaarde glorie van de dingen lieten geen ruimte, zogezegd, voor de gewone en noodzakelijke bezigheden van het menselijke bestaan, bovenal in de aangelegenheden met betrekking tot andere personen. Want Personen zijn Ikken en tenminste in een opzicht, was ik nu een Niet-Ik, die tegelijkertijd het Niet-Ik van de dingen rondom mij zag en was. Voor dit wedergeboren Niet-Ik, was het gedrag, de verschijning, zelfs de gedachte aan het Ik voor een ogenblik opgehouden en denken aan die andere Ikken, zijn voormalige soortgenoten, leek niet alleen onaangenaam (want onaangenaam was niet een van de categorieën waarin ik dacht) maar ontzaglijk irrelevant. Aangespoord door de onderzoeker om wat ik aan het doen was te analyseren en er verslag van te doen (en wat verlangde ik er naar om met de Eeuwigheid in een bloem, Oneindigheid in vier stoelpoten en het Absolute in de vouwen van een flanellen broek alleen gelaten te worden) realiseerde ik mij dat ik opzettelijk de ogen van diegenen die bij mij in de kamer waren ontweek, en opzettelijk naliet mij te zeer van hen bewust te zijn. De ene was mijn vrouw, de ander een man die ik respecteerde en waar ik zeer op gesteld was; maar beiden behoorden tot de wereld, waaruit de mescaline mij voor een moment bevrijd had; de wereld van Ikken, van tijd, van morele oordelen en utilitaristische overwegingen, de wereld (en het was dit aspect van het menselijk leven dat ik boven alles wilde vergeten) van zelfbevestiging, van zelfverzekerdheid, van overgewaardeerde woorden en afgodisch aanbeden begrippen.
    Op dit punt van het gebeuren werd mij een grote kleurreproductie van het bekende zelfportret van Cézanne overhandigd - het hoofd en de schouders van een man met een grote strohoed, met rode wangen en lippen, met uitbundige zwarte bakkebaarden en een duister en onvriendelijk oog. Het is een prachtig schilderij; maar het was niet als een schilderij dat ik het nu zag. Want onmiddellijk nam het hoofd een derde dimensie aan en kwam als een kleine trolachtige man tot leven, die door in raam in de bladzijde voor me naar buiten keek. Ik begon te lachen. En toen ze me vroegen waarom, bleef ik herhalen "Wat een pretenties!" "Wie ter wereld denkt hij wel dat hij is?" De vraag was niet in het bijzonder tot Cézanne gericht, maar tot de menselijke soort in het algemeen. Wie dachten ze allemaal dat ze wel waren?
    "Het is net Arnold Bennett in de Dolomieten," zei ik, terwijl ik me plotseling een, gelukkig in een kiekje vereeuwigd, tafereel herinnerde van A.B. ongeveer vier of vijf jaar voor zijn dood, kuierend over een winterse weg in Cortina d'Ampezzo. Rond hem lag de maagdelijke sneeuw en op de achtergrond was een meer dan gothisch streven van rode rotspunten. En daar was een beminnelijke, aardige ongelukkige A.B., die de rol van zijn favoriete ingebeelde karakter bewust overdreef, zichzelf, het Typetje in eigen persoon. Daar ging hij, langzaam kuierend in de stralende Alpenzon, zijn duimen in de armsgaten van een geel vest dat een beetje lager uitbolde met de gracieuze boog van een Regency koepelvenster in Brighton - zijn hoofd achterover gegooid alsof hij een of andere gestamelde voordracht, als een houwitser, naar het blauwe hemelgewelf richtte. Wat hij in werkelijkheid zei ben ik vergeten, maar wat zijn hele manier, voorkomen en houding eigenlijk uitschreeuwden was,"Ik ben net zo goed als die verdomde bergen." En op een of andere manier was hij natuurlijk oneindig beter; maar niet, zoals hij best wist, op de manier die zijn favoriete ingebeelde karakter zich graag verbeeldde.
    Met (wat dat ook moge betekenen) of zonder succes, wij overdrijven allemaal ons favoriete ingebeelde karakter. En het feit, het bijna oneindig onwaarschijnlijke feit, van het in werkelijkheid Cézanne zijn, maakt geen verschil.. Want de volmaakte schilder, met zijn kleine pijpleiding die het breinventiel en ego-filter naar de Grote Geest omzeilt, was ook en even oprecht deze bebakkebaarde trol met het onvriendelijke oog.
    Ter opluchting keerde ik naar de vouwen in mijn broek terug. "Zo zou men moeten zien," herhaalde ik nog eens. En ik zou er aan toe hebben kunnen voegen, "Dit is het soort dingen waar men naar zou moeten kijken." Dingen zonder pretenties, tevreden met slechts zichzelf, genoeg in hun Zo-Zijn, niet gespeeld, en zonder krankzinnig, afgescheiden van het Dharma-lichaam, in een Luciferiaans tarten van Gods genade, proberen het helemaal alleen te doen.
    "Een Vermeer," zei ik, "zou dit het meest benaderen".
    Ja, een Vermeer. Want deze geheimzinnige kunstenaar was echt begiftigd met het zien dat het Dharma-lichaam als de haag achter in de tuin waarneemt, met het talent zoveel van dat zien weer te geven als de beperkingen van het menselijk vermogen toestaan, en met de bedachtzaamheid zich in zijn schilderijen te beperken tot de meer hanteerbare aspecten van de werkelijkheid; want hoewel Vermeer menselijke wezens afbeeldde, was hij toch altijd een schilder van het stilleven. Cézanne, die zijn vrouwelijke modellen vertelde dat zij hun best moesten doen er als appels uit te zien, probeerde in dezelfde geest portretten te schilderen. Maar zijn pippelingachtige vrouwen hebben meer te maken met Plato's Ideeën dan met het Dharma-lichaam in de haag. Zij zijn Eeuwigheid en Oneindigheid, niet in zand of bloem gezien, maar in de abstracties van een of andere zeer hogere meetkunde. Vermeer vroeg zijn meisjes nooit er als appels uit te zien. Hij stond er integendeel op dat zij tot het uiterste meisje waren - maar altijd onder het voorbehoud dat zij zich er van weerhielden meisjesachtig te zijn. Zij mochten zitten of rustig staan maar nooit giechelen, nooit verlegenheid uitstralen, nooit gebeden opzeggen of smachten naar afwezige vrijers, nooit roddelen, nooit afgunstig naar baby’s van andere vrouwen staren, nooit vuil worden, nooit liefhebben, haten of werken. Met het doen van een van deze dingen zouden zij ongetwijfeld intenser zichzelf worden, maar zouden om diezelfde reden ophouden met hun goddelijke wezenlijke Niet-Ik te tonen. Met de woorden van Blake waren de deuren van Vermeer's waarneming slechts gedeeltelijk gereinigd. Een enkel paneel was bijna volmaakt doorzichtig geworden; de rest van de deur was nog onder de modder. Het wezenlijke Niet-Ik zou zeer helder in de dingen en in levende schepsels aan gene zijde van goed en kwaad waargenomen kunnen worden. Het was in menselijke wezens alleen zichtbaar als zij in rust waren, hun geesten onbekommerd, hun lichamen onbeweeglijk. Onder deze omstandigheden kon Vermeer het Zo-Zijn in al zijn hemelse schoonheid zien - kon het zien en in zeer geringe mate weergeven - in een doordringend en weids stilleven. Vermeer is ongetwijfeld de grootste schilder van menselijke stillevens. Maar er zijn andere geweest bijvoorbeeld de Franse tijdgenoten van Vermeer, de gebroeders Le Nain. Zij stelden zich tot doel, meen ik, genreschilders te zijn; maar wat zij werkelijk voortbrachten was een reeks menselijke stillevens, waarin hun gereinigde waarneming van de oneindige betekenis van alle dingen niet, zoals bij Vermeer, wordt weergegeven door een doordringende verrijking van kleur en samenstelling, maar door een verhoogde helderheid, een obsessieve bepaaldheid van vorm, met een strenge, bijna monochromatische toonzetting. In onze eigen tijd hebben we Vuillard gehad, de schilder, op zijn best, van onvergetelijk prachtige schilderijen van het Dharma-lichaam, geopenbaard in een bourgeois slaapkamer, van het Absolute opvlammen temidden van een of andere effectenmakelaarsgezin, dat in een voorstedelijke tuin, aan de thee is.

Ce qui fait que l'ancien bandagiste renie


Le comptoir dont le faste alléchait les passants,
C'est son jardin d'Auteuil, où, veufs de tout encens,
Les Zinnias ont l'air d'être en tôle vernie.
 

    Voor Laurent Taillade was het schouwspel alleen maar onzedelijk. Maar als de handelaar in rubberartikelen in ruste stil genoeg had gezeten, zou Vuillard in hem alleen maar het Dharma-lichaam gezien hebben en zou hij in de zinnia's, de goudvissenvijver, de Moorse toren en Chinese lantaarns van de villa, een hoek van de Hof van Eden voor de val hebben geschilderd.


    Maar ondertussen bleef mijn vraag onbeantwoord. Hoe zou deze gereinigde waarneming met een passende betrokkenheid met menselijke relaties verzoend kunnen worden, met de noodzakelijke werkzaamheden en plichten, om maar niet te spreken van barmhartigheid en werkelijk mededogen. De eeuwenoude woordenstrijd tussen de actieven en de comtemplatieven werd hernieuwd - hernieuwd, voorzover het mij betrof, met een ongekende bewogenheid. Want tot op deze morgen had contemplatie alleen zijn eenvoudigere, zijn gewonere vorm gekend - als onsamenhangend denken; als een verrukt opgaan in dichtkunst, schilderkunst of muziek; als een geduldig wachten op inspiratie zonder welke zelfs de meest prozaïsche schrijver niet kan hopen ook maar iets tot stand te brengen; als incidentele blikken in de Natuur, van  Wordsworth's "iets veel diepers ineengesmoltens"; als een stelselmatige stilte die soms tot zwemen van "duistere kennis" leidt. Maar nu kende ik beschouwing op zijn hoogtepunt. Op zijn hoogtepunt, maar nog niet in zijn volheid. Want in zijn volheid omvat de weg van Maria de weg van Martha en verheft die, zogezegd, tot zijn eigen hogere kracht. Mescaline legt de weg van Maria open, maar sluit de deur voor die van Martha. Het geeft toegang tot beschouwing - maar tot een beschouwing die niet verenigbaar is met handelen en zelfs niet met de wil tot handelen, niet eens aan de gedachte tot handelen. In de tussenpozen tussen die openbaringen is de mescalinegebruiker geneigd, hoewel aan de ene kant alles ten hoogste is zoals het zou moeten zijn, aan de andere kant te voelen dat er iets verkeerd is. Zijn probleem is in wezen hetzelfde als dat wat de quiëtist tegenkomt, de arhat en op een ander niveau de landschapschilder en de schilder van menselijke stillevens. Mescaline kan dat probleem nooit oplossen, het kan het alleen, apocalyptisch, stellen aan diegenen die het zichzelf nog nooit tevoren had gesteld. De volledige en uiteindelijke oplossing kan alleen door diegenen gevonden worden, die bereid zijn de juiste manier van Weltanschauung door middel van de juiste manier van gedrag en de juiste manier van standvastige en ontspannen waakzaamheid, te betrachten. Tegenover de quiëtist staat de actief-beschouwende, de heilige, de man die in de woorden van Eckehart, bereid is uit de zevende hemel neer te dalen met de bedoeling zijn zieke broeder een kop water te brengen. Tegenover de arhat, uit de schone schijn teruggetrokken naar een volledig transcendentaal Nirwana, staat de Bodhisattva, voor wie Zo-Zijn en de wereld van toevallige omstandigheden één zijn, en voor wiens grenzeloze mededogen elk van die omstandigheden niet alleen een gelegenheid om inzicht te herscheppen is, maar ook voor de meest feitelijke barmhartigheid. En in het universum van de kunst staat tegenover Vermeer en de andere Schilders van menselijke stillevens, tegenover de meesters van de Chinese en Japanse landschapschilderkunst, tegenover Constable en Turner, tegenover Sisley, Seurat en Cézanne, de alomvattende kunst van Rembrandt. Dit zijn kolossale namen, ongenaakbare grootheden. Voor mijzelf kon ik, op deze gedenkwaardige morgen in Mei, alleen maar dankbaar zijn voor een ervaring die mij, duidelijker dan ik ooit eerder had gezien, de ware aard van de uitdaging en het volledig bevrijdende antwoord had laten zien.


1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina