De Deuren der Waarneming Aldous Huxley



Dovnload 150.78 Kb.
Pagina3/5
Datum26.08.2016
Grootte150.78 Kb.
1   2   3   4   5
    Laat ik er, voor we dit onderwerp verlaten, aan toevoegen dat er geen enkele vorm van beschouwing, zelfs niet de meest quiëtistische, is, die zonder zijn ethische waarden is. Minstens de helft van alle moraal is negatief en bestaat uit het buiten houden van onheil. Het Onze Vader telt minder dan vijftig woorden en zes van die woorden zijn gewijd aan de vraag aan God ons niet in verleiding te brengen. De eenzijdige beschouwende mens laat vele dingen die hij eigenlijk zou moeten doen ongedaan; maar om dat goed te maken, onthoudt hij zich van een menigte dingen die hij niet behoort te doen. De som van het kwaad, heeft Pascal opgemerkt, zou veel minder worden als mensen alleen maar zouden leren rustig in hun kamers te zitten. De beschouwende mens wiens waarneming gereinigd is hoeft niet in zijn kamer te blijven. Hij kan zich, zo volledig tevreden met het zien en een deel te zijn van de goddelijke Orde van de Dingen, aan zijn zaken wijden, dat hij zelfs nooit in de verleiding komt zich aan de, wat Traherne "de lage Listen van de Wereld" noemde, over te geven. Wanneer wij onszelf de enige erfgenamen van het universum voelen, wanneer "de zee in onze aderen stroomt.....en de sterren onze juwelen zijn," wanneer alle dingen als oneindig en heilig beschouwd worden, wat voor drijfveer kunnen we dan hebben voor hebzucht of zelfbevestiging, voor het najagen van macht of treuriger vormen van plezier? Het is aannemelijk dat beschouwende mensen geen gokkers, koppelaars of dronkaards worden; zij prediken doorgaans geen onverdraagzaamheid, of voeren oorlog; zij vinden het niet nodig de armen te bestelen, te bedriegen of te onderdrukken. En aan deze enorm negatieve deugden zouden we een andere die, hoewel moeilijk definieerbaar, zowel positief als belangrijk is, kunnen toevoegen.  De arhat en de quiëtist mogen dan wel de beschouwing niet in zijn volheid uitoefenen; maar mochten ze die in de praktijk brengen dan zouden ze verlichtende berichten van een andere, een transcendente streek van de geest, mee kunnen terugbrengen; en als zij die het op zijn verhevenst uitoefenen zullen ze gidsen worden door wie wat weldadige invloed vanuit die andere streek in de wereld van de verduisterde zelven kan stromen, die chronisch sterven bij gebrek daaraan.
    In tussen had ik mij, op verzoek van de onderzoeker, van het portret van Cézanne gekeerd naar wat er binnen in mijn hoofd, gebeurde als ik mijn ogen sloot. Deze keer was het landschap bijzonder weinig belovend. Het blikveld was gevuld met stralend gekleurde, doorlopend veranderende structuren, die uit kunststof of geëmailleerd blik gemaakt leken te zijn.
    "Goedkoop," merkte ik op. "Afgezaagd. Als dertien in een dozijn."
    En al deze vulgariteit bevond zich in een gesloten en verkrampt universum.
    "Het is alsof je benedendeks in een schip bent,'zei ik, "een dertien-in-een-dozijn-schip."
    En terwijl ik keek, werd het overduidelijk dat dit dertien-in-een-dozijn-schip op een of ander manier verbonden was met menselijke pretenties, met het portret van Cézanne, met A.B. die, temidden van de Dolomieten, zijn favoriete ingebeelde karakter overdreef. Dit verstikkende inwendige van een stuiverswinkel-schip was mijn eigen persoonlijke ik; deze prullerige mobielen waren mijn persoonlijke bijdrage aan het universum.
    Ik voelde dat de les heilzaam was, maar het speet me desalniettemin dat die op dit moment en in deze vorm toegediend moest worden. In de regel ontdekt de mescalinegebruiker een binnenwereld als een duidelijk gegeven, als vanzelfsprekend "oneindig en heilig," als die getransfigureerde buitenwereld die ik met mijn open ogen had gezien. Vanaf het begin was mijn eigen geval anders geweest. De mescaline had mij tijdelijk met het vermogen begiftigd dingen met mijn ogen gesloten te zien; maar het kon, of in ieder geval bij deze gelegenheid niet een innerlijk landschap openbaren dat in de verte vergelijkbaar was met bloemen, stoel of flanel "daarbuiten." Wat het me had toegestaan binnenin te ontwaren was niet het Dharma-lichaam, in beelden, maar mijn eigen geest; geen Zo-Zijn, maar een stel symbolen - met andere woorden een eigengemaakt surrogaat voor Zo-Zijn.
    De meeste visualiseerders veranderen door mescaline in visionairen. Enkelen van hen - en dat zijn er Misschien meer dan over het algemeen wordt aangenomen - hebben geen transformatie nodig; zij zijn altijd visionairen. Het mentale soort waar Blake toe behoorde is zelfs in de geïndustrialiseerde stedelijke gemeenschappen van tegenwoordig, tamelijk wijd verspreid.  Het unieke van de dichter-kunstenaar bestaat niet in het feit dat hij (om uit zijn Descriptive Catalogue te citeren ) werkelijk "die schitterende oorspronkelijke wezens die in de Heilige Schriften de Cherubijnen genoemd" zag. Het bestaat niet uit het feit dat "deze schitterende oorspronkelijke wezens, die ik in mijn visioenen zag, waarvan sommigen honderd voet hoog waren .....allen een mythologische en verborgen betekenis bevatten." Het bestaat enkel uit zijn bekwaamheid om in woorden of (wat minder geslaagd) in lijn en kleur in ieder geval enige zweem van een niet buitensporig ongewone ervaring af te beelden. De niet getalenteerde visionair mag dan een niet minder geweldige, prachtige en betekenisvolle innerlijke werkelijkheid dan de door Blake aanschouwde wereld,  waarnemen; maar hij mist ten ene male het vermogen, in literaire of beeldende symbolen, uit te drukken wat hij heeft gezien.
    Uit de getuigenissen van religie en de overgeleverde monumenten van dichtkunst en de beeldende kunsten is het zeer duidelijk dat mensen, in de meeste tijden en op de meeste plaatsen, meer belang hebben gehecht aan het innerlijke landschap dan aan de objectief bestaande dingen en hebben gevoeld dat wat zij met hun ogen gesloten zagen een spiritueel hogere betekenis bezat dan wat zij met hun ogen open zagen. De reden? Bekend maakt onbemind en hoe te overleven is een probleem dat zich noodzakelijkerwijs beweegt tussen het chronisch saaie en het ondragelijke. De buitenwereld is waarin wij elke morgen van ons leven ontwaken, is de plaats waar wij of het willen of niet, moeten proberen iets van ons leven te maken. In de binnenwereld is werk noch eentonigheid. Wij bezoeken die alleen in onze dromen en overpeinzingen, en de vreemdheid ervan is zodanig dat we nooit op twee opeenvolgende gelegenheden dezelfde wereld vinden. Is het dan te verwonderen dat als mensen in hun zoeken naar het goddelijke er in het algemeen de voorkeur aan hebben gegeven naar binnen te kijken? In het algemeen, maar niet altijd! Niet minder in hun kunst dan in hun religie hebben de Taoïsten en de Zen-Boeddhisten voorbij visioenen van de Leegte gekeken, en door de Leegte naar "de tienduizend dingen" van de objectieve werkelijkheid. Door hun leer van "het Woord is Vlees geworden" zouden de Christenen vanaf het begin in staat geweest moeten zijn een dergelijke houding ten opzichte van het universum rondom hen aan te nemen. Maar door de leer van de Zondeval hebben zij het erg moeilijk gevonden dat te doen. Nog geen driehonderd jaar geleden was een getuigen van een radicale wereldverloochening en zelfs wereld-veroordeling zowel orthodox als begrijpelijk. "Wij zouden ons over volstrekt niets in de Natuur mogen verwonderen, behalve alleen over de Vleeswording van Christus." In de zeventiende eeuw leek die uitspraak van Lallemant zinvol. Tegenwoordig is het een teken van waanzinnigheid.
    In China vond de opkomst van de landschapschilderkunst tot de graad van een grote kunstvorm ongeveer duizend, in Japan ongeveer zeshonderd en in Europa ongeveer driehonderd jaar geleden plaats. De vergelijking van het Dharma-lichaam met de haag werd door die Zenmeesters gemaakt, die het Taoïstische naturalisme paarden aan het Boeddhistische transcendentalisme.Daarom was het alleen in het verre Oosten dat de landschapsschilders hun kunst bewust als religieus beschouwden. In het Westen was het religieuze schilderen een zaak van het portretteren van heilige personages, van het illustreren van gewijde teksten. Landschapsschilders beschouwden zichzelf als wereldlijk. Tegenwoordig herkennen we in Seurat een van de voortreffelijkste meesters van wat mystiek landschapsschilderen genoemd zou kunnen worden.  En toch werd deze man, die doeltreffender dan wie dan ook, in staat was het Ene in de velen weer te geven, helemaal verontwaardigd als iemand hem voor de "poëzie" van zijn werk prees. "Ik gebruik alleen maar het Systeem," wierp hij tegen. Hij was met andere woorden slechts een pointilliste en, in zijn eigen ogen, niets anders. Een vergelijkbare anekdote wordt van John Constable verteld. Op een dag tegen het einde van zijn leven ontmoette Blake Constable in Hampstead en men liet hem een van de schetsen van de jongere kunstenaar zien. Ondanks zijn minachting voor naturalistische kunst begreep de oude visionair het heel goed toen hij het zag - tenzij het natuurlijk van Rubens geweest was. "Dit is geen tekenen," riep hij uit, "dit is inspiratie!" "Ik had het als tekenen bedoeld," was het karakteristieke antwoord van Constable. Beide mannen hadden gelijk. Het was tekenen, precies en waarheidsgetrouw, en tezelfdertijd washet inspiratie - inspiratie van een minstens even hoge orde als die van Blake. De grove dennen van Hampstead Heath waren in werkelijkheid hetzelfde gezien als het Dharma-lichaam. De schets was een weergave, noodzakelijkerwijs onvolmaakt maar toch zeer indrukwekkend, van wat een gereinigde waarneming voor de open ogen van een groot schilder had geopenbaard. Van een beschouwen in de traditie van Wordsworth en Whitman, van het Dharma-lichaam als haag, en van visioenen als van Blake, van de "prachtige oorspronkelijken" in de geest, hebben contemporaine dichters zich teruggetrokken in een onderzoek naar het persoonlijke, als het tegenovergestelde van het meer dan persoonlijke, onderbewuste en in het in zeer abstracte termen weergeven niet van het gegeven objectieve feit maar van louter wetenschappelijke en theologische begrippen. En iets dergelijks is met de inhoud van het schilderen gebeurd, waar we van een algemene terugtocht van het landschap getuige zijn geweest, de overheersende kunstvorm van de negentiende eeuw. Die terugtocht uit het landschap heeft niet geleid naar dat andere, innerlijke, goddelijke Gegeven, waarmee de meeste traditionele scholen van het verleden zich bezig gehouden hebben, die Archetypische Wereld, waar mensen altijd de ruwe grondstoffen van mythe en religie gevonden hebben. Nee, het is een terugtocht van het uiterlijke Gegeven naar het persoonlijke onbewuste geweest, naar een zelfs armoediger en geslotener mentale wereld dan de wereld van een bewuste persoonlijkheid. Waar had ik deze uitvindsels van prullig en felgekleurd plastic eerder gezien? In elk schilderijenmuseum dat de laatste voorstellingsloze kunst tentoonstelt.
    En nu haalde iemand een grammofoon te voorschijn en legde een plaat op de draaischijf. Ik luisterde met plezier, maar ervoer niets vergelijkbaars aan de apocalyps van bloemen of flanel, die ik gezien had. Zou een van nature begaafde musicus de openbaringen, die voor mij uitsluitend visueel geweest waren, horen ? Het zou interessant zijn de proef op de som te nemen. Intussen droeg de muziek, hoewel niet getransfigureerd en ofschoon zij haar normale kwaliteit en intensiteit behield, er niet in geringe mate toe bij dat ik begreep wat er gebeurd was en aan de verdere problemen die deze gebeurtenissen hadden opgeroepen..
    Vreemd genoeg liet instrumentele muziek me nogal koud. Mozart's Piano Concert in C-Mineur werd na het eerste deel afgebroken en daarvoor kwam de opname van een paar madrigalen van Gesualdo in de plaats
    "Deze stemmen," zij ik waarderend, "deze stemmen - zijn als een soort brug terug naar de menselijke wereld."
    En zij bleven een brug terug, ook toen zij de meest ontstellende chromatische composities van de krankzinnige prins zongen. Door de ongelijkmatige frasen van de madrigalen heen, vervolgde de muziek zijn weg, zonder ooit twee maten aan dezelfde sleutel te blijven hangen. In Gesualdo, dat fantastische personage uit een melodrama van Webster, was de psychologische ontbinding overdreven, tot een uiterste grens gedreven, een tendens die inherent is aan modale in tegenstelling tot volledig tonale muziek. De daaruit voortgekomen werken klonken alsof zij door de latere Schönberg gecomponeerd waren.
    "En toch," voelde ik mijzelf verplicht te zeggen, toen ik naar deze vreemde voortbrengselen van een Contra-reformatie-psychose luisterde, die op een laat middeleeuwse kunstvorm inwerkte,  "en toch maakt het niet uit dat hij volledig in stukken uiteenligt. Het geheel is ontregeld. Maar elk afzonderlijk fragment klopt en is een vertegenwoordiger van een Hogere Orde. De Hoogste Orde overheerst zelfs in de desintegratie. De totaliteit is zelfs in de brokstukken aanwezig. Misschien zelfs duidelijker aanwezig dan in een compleet samenhangend werk. In ieder geval word je niet door een of andere slechts menselijke, slechts gefabriceerde orde in een gevoel van valse zekerheid gesust. Je moet afgaan op je directe waarneming van de ultieme orde. In zekere zin kan desintegratie dus zijn voordelen hebben. Maar het is natuurlijk gevaarlijk, afschuwelijk gevaarlijk. Stel je voor dat je uit die chaos niet terug zou kunnen komen...."
    Van Gesualdo's madrigalen sprongen wij over een golf van drie eeuwen naar Alban Berg en de Lyrische Suite.
    "Dit" kondigde ik van tevoren aan, "gaat de hel worden."
    Maar het bleek dat ik het bij het verkeerde eind had. De muziek klonk in werkelijkheid nogal grappig. Opgedregd uit het persoonlijke onbewuste volgde twaalftonige zielenstrijd op zielenstrijd; maar wat me trof was alleen maar de wezenlijke tegenstrijdigheid tussen een nog totalere psychologische desintegratie dan die van Gesualdo en de verbazingwekkende hulpmiddelen, in talent en techniek, die bij de uitdrukking ervan gebruikt waren.
    "Wat heeft hij met zichzelf te doen!" merkte ik met een spottend gebrek aan medegevoel op. En daarna,  "Katzenmusik—geleerde Katzenmusik." En tot slot, na nog een paar minuten van foltering, "Het zal me een zorg zijn wat zijn gevoelens zijn. Waarom kan hij zijn aandacht niet aan wat anders besteden?"
    Het was als kritiek op wat ongetwijfeld een zeer opmerkelijk werk is, oneerlijk en onredelijk - maar ik denk niet ontoepasselijk. Ik haal het aan voor wat het waard is en omdat ik zo, in een toestand van volledige beschouwing, op de Lyrische Suite reageerde.
    Toen het voorbij was, stelde de onderzoeker een wandeling in de tuin voor. Ik wilde wel; en hoewel mijn lichaam zich bijna volledig van mijn geest had afgescheiden - of preciezer, hoewel mijn bewustzijn van de getransfigureerde buitenwereld niet langer vergezeld werd door het bewustzijn van mijn fysieke organisme - bleek ik in staat op te staan, de openslaande deur te openen en met slechts een minieme aarzeling naar buiten te lopen. Het was natuurlijk raar het gevoel te hebben dat "ik" niet hetzelfde was als deze armen en benen "daar buiten" als deze hele objectieve romp en nek en zelfs hoofd. Het was raar; maar ik raakte er al gauw aan gewend. En het lichaam leek in ieder geval uitstekend in staat op zichzelf te letten. In werkelijkheid let het natuurlijk altijd goed op zichzelf. Alles wat het bewuste ego kan doen is wensen formuleren die dan door krachten die het maar weinig onder controle heeft en helemaal niet begrijpt, uitgevoerd worden. Als het iets meer doet - als het te zeer zijn best doet, wanneer het zich bijvoorbeeld zorgen maakt, als het bezorgd voor de toekomst is - vermindert het de effectiviteit van die krachten en kan er zelfs voor zorgen dat het van zijn levenskracht beroofde lichaam ziek wordt. In mijn huidige toestand was het bewustzijn niet toe te schrijven aan het ego; het stond zogezegd op zichzelf. Voorlopig was dat bemoeizuchtige neurotische dat, in uren van waken de show probeert te stelen, zalig uit de weg.
    Ik wandelde door de openslaande deuren naar buiten onder een soort pergola die deels door een klimroos bedekt was, deels door latjes van een paar centimeter breed met een centimeter tussenruimte. De zon scheen en de schaduw van de latjes maakten een zebra-achtig patroon op de grond en over de zitting en rugleuning van een tuinstoel die aan deze kant van de pergola stond. Zal ik die stoel ooit vergeten? Waar de schaduwen op de canvas bekleding vielen, wisselden strepen van een diep maar stralend indigo elkaar af met strepen van een zo intens stralend gloeien dat het nauwelijks te geloven was dat die uit iets anders dan uit blauw vuur gemaakt waren. Gedurende wat een immens lange tijd leek, staarde ik zonder te weten, zelfs zonder willen weten, naar wat het was dat zich tegenover mij bevond. Bij elke andere gelegenheid zou ik de stoel afwisselend met licht en schaduw gestreept hebben gezien. Vandaag had het waargenomene de voorstelling verzwolgen. Ik was zo volledig in beslag genomen door het kijken, zo overdonderd door wat ik in werkelijkheid zag, dat ik me van niets anders bewust kon zijn. Tuinmeubels, latjes, zonlicht, schaduw - dat waren niet meer dan namen en begrippen, slechts verwoordingen, voor gebruiks- of wetenschappelijke doeleinden, naderhand. Het gebeuren was deze opeenvolging van azuren ovendeuren gescheiden door golven van onpeilbaar gentiaan. Het was onuitsprekelijk prachtig, prachtig bijna op het afschrikwekkende af. En plotseling kreeg ik een flauw vermoeden van hoe het zou moeten voelen gek te zijn. Schizofrenie heeft zowel zijn hemels als zijn hellen en vagevuren. Ik herinnerde me wat een oude vriend die al jaren dood is, mij over zijn krankzinnige vrouw vertelde. Hij was op een dag, in een vroeg stadium van de ziekte, toen zij nog haar heldere ogenblikken had, met haar begonnen over hun kinderen te praten. Ze luisterde een tijdje en viel hem toen in de rede. Hoe kon hij het opbrengen zijn tijd te verdoen aan een paar afwezige kinderen , als alles wat er werkelijk hier en nu toe deed, de onuitsprekelijke schoonheid van de patronen was, die hij, in zijn bruine tweedjasje, telkens wanneer hij zijn armen bewoog, maakte? Helaas was dit Paradijs van de gereinigde waarneming, van een zuiver eenzijdige beschouwing, onverdraaglijk. De gelukzalige onderbrekingen werden zeldzamer, werden korter, tot er tot slot geen meer waren; er was alleen nog maar afgrijzen.
    De meeste mescaline-slikkers ervaren alleen het hemelse deel van de schizofrenie. De drug brengt alleen hel en vagevuur aan diegenen die kortgeleden nog geelzucht hebben gehad, of die aan periodieke depressies of chronische angsten lijden. Als mescaline, zoals de andere in kracht wat vergelijkbare drugs, opvallend toxisch zou zijn, zou het innemen op zich al genoeg zijn om onrust op te wekken. Maar de redelijk gezonde persoon weet van tevoren dat, voor zoverre het om hem gaat, mescaline volledig onschadelijk is, dat de effecten ervan na acht of tien uur zullen verdwijnen en geen kater zal opleveren en dientengevolge geen verlangen naar een nieuwe dosis. Gesterkt door deze wetenschap, laat hij zich onbevreesd in met het experiment - met andere woorden, zonder neiging een ongekend vreemde en anders dan een menselijke ervaring in iets ontzettends, iets werkelijks duivels te veranderen.
    Geconfronteerd met een stoel die er als het Laatste Oordeel uitzag - of  nauwkeuriger, met het Laatste Oordeel dat ik na een hele tijd en nogal wat moeite als een stoel herkende - bevond ik me opeens op de rand van paniek. Plotseling voelde ik dat dit te ver ging. Te ver, zelfs nu het naar een intensere schoonheid en diepere betekenis voerde. Het was, naar ik achteraf analyseerde, de angst verpletterd te worden of te desintegreren onder de druk van een werkelijkheid, groter dan een geest die meestal gewend is in een behaaglijke wereld van symbolen te leven, mogelijk zou kunnen dragen. De litteratuur van de religieuze ervaring wemelt van de verwijzingen naar de pijnen en verschrikkingen waar diegenen, die te overijld van aangezicht tot aangezicht met een openbaring van het Mysterium tremendum stonden, door overstelpt werden. De angst is, in theologische taal, te wijten aan de onverenigbaarheid tussen de zelfverheerlijking van de mens en de goddelijke zuiverheid, tussen de door de mens zelf verergerde afgescheidenheid en de oneindigheid van God.. In navolging van Boehme en William Law, zouden we kunnen zeggen dat het goddelijke Licht in zijn volle gloed, door niet herboren zielen, slechts als een brandend vagevuur opgevat kan worden. Een vrijwel gelijkluidende leer kan men in het Tibetaanse Dodenboek vinden, waar de heengaande ziel als in doodsangst krimpend voor het Zuivere Licht van de Leegte beschreven wordt en zelfs voor de mindere, getemperde Lichten, ten einde regelrecht de vertroostende duisternis van de zelfzucht van een herboren menselijk wezen in te vluchten, of zelfs als van een beest, een ongelukkig spook, een bewoner van de hel. Alles liever dan de brandende helderheid van een grenzeloze Werkelijkheid - alles liever!
    De schizofreen is een niet alleen niet wedergeboren ziel, maar ook nog eens wanhopig ziek. Zijn ziekte bestaat uit zijn onmacht uit de inwendige en uitwendige werkelijkheid te vluchten (zoals de geestelijk gezonde persoon doorgaans doet) - de strikte menselijke wereld van bruikbare begrippen, gedeelde symbolen en maatschappelijk aanvaardbare conventies. De schizofreen is als iemand die doorlopend onder invloed van mescaline is en daardoor niet in staat is het ervaren van een werkelijkheid, waarvoor hij niet heilig genoeg is om mee te leven, buiten te sluiten, die hij niet weg kan redeneren omdat het de koppigste van alle primaire feiten is, en die hem, omdat het hem nooit toestaat met alleen maar menselijke ogen naar de wereld te kijken, te bang maakt om de aanhoudende vreemdheid en de brandende intensiteit van haar betekenis, als de uitingen van menselijke of zelfs kosmische boosaardigheid te interpreteren en die de meest wanhopige tegenmaatregelen oproept, van moorddadig geweld aan het ene uiteinde tot katatonie, of psychologische zelfmoord aan het ander uiteinde van de schaal. En eenmaal op de neerwaartse, de weg naar de hel, zou men nooit meer in staat zijn halt te houden. Dat nu, was maar al te duidelijk.
    "Als je op de verkeerde manier begint," antwoordde ik op de vragen van de onderzoeker, "dan zou alles wat er zou gebeuren een bewijs voor de samenzwering tegen jou zijn. Het zou allemaal zelfbevestigend zijn. Geen ademhaling zou mogelijk zijn zonder besef dat het een deel van het complot was."
    "Dus je denkt te weten waar krankzinnigheid in ligt?'
    Mij antwoord was overtuigd en hartgrondig, "Ja."
    "En je zou het niet in de hand kunnen houden?"
    "Nee, ik zou het niet in de hand kunnen houden. Als iemand met angst en haat als de belangrijkste premisse zou beginnen, zou hij tot het einde door moeten gaan."
    "Zou je in staat kunnen zijn," vroeg mijn vrouw, "je aandacht op wat het Tibetaanse Dodenboek het Heldere Licht noemt te vestigen?"
    Ik twijfelde..
    "Zou het het kwaad weghouden als je het vast zou kunnen houden?"
    Ik dacht enige tijd na over de vraag. "Misschien," antwoordde ik tenslotte, "misschien zou ik het kunnen - maar alleen als er iemand zou zijn die me over het Heldere Licht zou kunnen vertellen. Je zou het niet alleen kunnen. Dat is het, geloof ik, waar het bij het Tibetaanse ritueel om gaat - iemand die er de hele tijd bij zit en je vertelt wat wat is."
    Nadat ik naar dit deel van de opname van het experiment had geluisterd, pakte ik mijn exemplaar van de uitgave van Evans-Wentz van Het Tibetaanse Dodenboek en sloeg het zomaar open. "O edelgeborene, laat uw geest niet afgeleid worden." Dat was het probleem - niet afgeleid worden. Niet afgeleid door de herinnering aan voorbije zonden, door verbeeld vermaak, door de bittere nasmaak van oude misstappen en vernederingen, door de angsten en haatgevoelens en begeerten die het Licht gewoonlijk overschaduwen. Zouden de psychiaters niet, wat die Boeddhistische monniken voor de stervenden en de doden deden, voor de krankzinnigen kunnen doen? Laat er een stem zijn die hen, overdag en als zij slapen, verzekert dat ondanks alle verschrikkingen, alle verwarring en verbijstering, de ultieme Werkelijkheid onschokbaar zichzelf blijft en dat het van dezelfde substantie is als het innerlijk Licht van zelfs de wreedst gefolterde geest. Met behulp van apparaten als bandrecorders, schakelklokken, publieke omroepsystemen en hoofdkussen-luidsprekers zou het heel gemakkelijk zijn de bewoners van zelfs een personeelsonderbezette inrichting voortdurend aan dit fundamentele feit te herinneren.  Misschien zouden op die manier een paar van die verloren zielen geholpen kunnen worden in enige mate controle over het universum te verkrijgen - tegelijkertijd prachtig en aantrekkelijk, maar altijd anders dan menselijk, altijd volledig onbegrijpelijk - waarin zij zichzelf veroordeeld vinden te leven.


1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina