De diepte van cd’s, of, hoe mijn geloof steeds wankelt



Dovnload 13.19 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte13.19 Kb.
De diepte van CD’s, of, hoe mijn geloof steeds wankelt.

Met gemakzucht houden wij vast aan onze veronderstellingen, en als iedereen er een tijd lang afblijft noemen we het de waarheid. Af en toe wordt er echter zo hard aan je overtuigingen geschud, dat je lang gekoesterde dromen moet opgeven. Dan leer je dat alles anders is. Hopelijk leer je de volgende keer niet meer zo vast in een bepaald idee te blijven geloven.


Toen ik voor het eerst platen ging kopen, stond ik voor complexe keuzes. Doorgaan met het betaalbare Ronette stereo kristal element of doorsparen voor het onbetaalbare Shure magnetische element met de betere klank. De buizenversterker werdt zelf gebouwd, niet omdat het in de mode was, maar eenvoudig om geld te besparen. Een voedingstrafo sloopte we uit een legerradio.
In 1983 hoorde ik voor het eerst muziek in huis, zonder krassen, zonder snelheidsafwijkingen zoals wow en flutter, zonder de aftastvervorming van een pickup element, zonder het hoogfrequentverlies dichterbij het midden van de plaat en zonder slijtage. Ik had mijn eerste CD speler, een Philips CD-200, de brede bovenlader met al die groene lampjes. Loopt nog steeds. Kan maar tot vijftien tellen. Ik vond dit het einde. Zoals velen heb ik toen ook een deel van mijn platencollectie weggedaan, met het langetermijnplan om zonder platen te eindigen.
Totdat een journalist van een audioblad thuis een superieure platenspeler liet horen, en ik verbijsterd voor het eerst naar de diepte van Joe Jackson’s Body And Soul stond te luisteren. Daarna heb ik mezelf nog een tijd voor de gek gehouden. Het was maar een illusie. Die CD’s zijn toch prima. Niets aan de hand. Vergeten en doorgaan.
Er was een tweede klap nodig. Van een kennis kocht ik zelf een superieure platenspeler. In de aanbieding. Hij wilde voortaan alleen maar CD’s. Toen sloeg ik in een keer om. Ik zette een versleten LP van Mike Oldfield’s Tubular Bells op en hoorde die zeldzame diepte in mijn eigen huis. Aan het einde van kant een, als alle instrumenten behalve Mike’s gitaar al weggedraaid zijn, hoor je het getokkel duidelijk een meter achter de speakers. In de tuin in mijn geval.
Toen ben ik al mijn platen weer gaan draaien. En alle verkochte platen op rommelmarkten weer terug gaan kopen. Een LP exemplaar van Roxy Music’s Avalon, gekocht voor een gulden op Koninginnedag, klinkt honderd keer beter dan een dure CD van veertig ballen. Wat voelde ik me bedrogen. Ik draaide geen CD meer. Zelfs mijn peperdure gouden Amerikaanse CD’s bleven keurig in hun typische uitklapdoosjes staan. De gewone Engelse LP-persing van Dark Side Of The Moon van Pink Floyd, klonk veel warmer dan de glimmende Ultradisc variant. En dat terwijl ik kort daarvoor f.1300,= had neergeteld voor een topmodel CD speler, met de bejubelde 1-bits bitstream converter.
Ik kon alle tikjes en spetterjes van de LP’s best verdragen. Zelfs een elliptische of eccentrische plaat kon nog door de beugel. De diepte in het geluidsbeeld stond boven alles en werd alleen met LP’s verkregen. Dankzij de nieuwe platenspeler, met moving-coil element.
Ik had het moeten zien aankomen. Net als het stof weer is gaan liggen, zegt een vriend “je moet deze converter eens beluisteren”. Ik hield de boot af. Vast niet aan te sluiten op mijn CD speler. Uitgang op studio lijnniveau veel te hoog voor mijn audio systeem. Bovendien ik geloof er niet meer in. Deze argwaan werd door mijn vriend vernuftig omzeild door twee converters mee te geven voor een vergelijkend waren-onderzoek. Toen werd het wetenschappelijk. Maar niets kon de LP overtreffen. Dacht ik.
De eerste converter was aangesloten, een 18-bitter van Nederlandse bodem. Werkte meteen op de tot dan ongebruikte digitale uitgang van de CD-speler. Het ding staat inmiddels permanent in mijn systeem. Prachtig diep laag, moeiteloos hoog, kortom een veel prettiger indruk dan de interne 1-bitter. Een uitstekend instrument, waar voor je geld.
Maar toen sloot ik de Engelse 24-bitter aan. En al mijn vooroordelen en veronderstellingen kwamen pijnlijk bloot te liggen. Niets is meer waar. Geen enkele stelling is absoluut. Zekerheid verdwijnt voor altijd. Want ik hoorde voor het eerst diepte in CD-weergave. Ik was er niet eens naar op zoek. Ik geloofde er immers niet in. Nee, ik stond in de kamer ernaast te kletsen, terwijl Eric Clapton’s Unplugged voor de lol lag te draaien. En mijn bek viel van stomme verbazing open, omdat ik het applaus verder weg hoorde dan de gitaar, vanuit de kamer ernaast. En nog wilde ik niet mee. Vast een illusie, geluidbedrog. Maar de diepte bleef rotsvast staan ondanks alle pogingen het tegendeel te bewijzen. De een na de andere probleem-CD kwam weer uit de kast. Het krassende, gestressde slot van Tommy James & the Shondells Crimson & Clover hoorde ik voor het eerst volkomen clean en zonder enige hinder, ondanks het loeiharde geluid. De desastreuse goedkope mono CD van het magische eerste Procol Harum album, leerde mij na al die jaren dat er wel degelijk gitaar werd gespeeld op A Whiter Shade Of Pale. Ga maar luisteren.
Nu was de zoektocht in ernst begonnen. Ergens realiseerde ik me wel dat mijn geloof weer eens was omgekeerd, en ik ging er in op. De fraaie CD re-issues van het Modern Jazz Quartet op Apple leverde een diepe studiozaal, waarin mensen van vlees en bloed voor mij stonden te spelen.
Toen Deep Purple’s Child In Time. Kent iedereen. Stond jarenlang bovenaan de top honderd aller tijden. Halverwege kom je terecht in het drukke deel, waarin de heren flink uitpakken, en de muziek een brei wordt, ja toch? Nee, ik hoorde dit voor het eerst zonder brei. Zelfs terwijl Blackmore hevig tekeer gaat op zijn Stratocaster blijven alle details van de andere instrumenten tot in het kleinste detail hoorbaar.
En bij de gouden Ultradisc van Stevie Wonder’s Innervisions werd het me even teveel.
Vervolgens het allereerste Pink Floyd album op remastered CD, de stereo editie. Deze opname bevat bijna geen laag, hetgeen gebruikelijk was in 1967. Dus maar lekker hard opgezet, en toegegeven aan de verleiding om de “bass” regelaar iets vanuit het middenpunt mee te draaien. Zo heb ik dit album nog nooit gehoord. Elke noot van Roger Waters is perfekt hoorbaar. Want alle instrumenten staan op een andere afstand en ze lopen elkaar niet voor de voeten.
Maar de ultieme test kwam nog, op de valreep, want het stevig geprijsde apparaat (f.7000,=) moest snel terug naar de rechtmatige eigenaar. Aarzelend greep ik mijn lievelingsplaat, een gouden CD op het Amerikaanse DCC label, van Strange Days van the Doors. Ooit kocht ik deze muziek van gespaard vakantiegeld. Het was mijn allereeste langspeelplaat. De singles die eraan vooraf gingen waren van een wat lichter kaliber, zoals de Lemon Pipers.
Ik ken elke noot op Strange Days. Het deed mijn oren open toen ik dertien was. Tot deze plaat had ik het bestaan niet vermoed van de serieuze kant van de popmuziek. Zware lichte muziek. En toch hoorde ik de CD alsof het voor het eerst was. Het oorverdovende kabaal aan het slot van Horse Latitudes onthulde een reeks miniscule bijgeluiden die ik me nog nooit waren opgevallen. De vreemde onthutsende echo op de stem in het openingsnummer, deed geen zeer meer aan de oren, maar vormde een toverachtige nagalm. Wat vooral opviel was dat de zanger veel meer mens werd. De stem klonk veel kwetsbaarder, veel losser van de muziek. Detail-intonaties worden niet meer door de andere instrumenten verhuld.
Het magistrale slotnummer When The Music’s Over sloeg alles. In het fluisterende poetische middendeel staan de drummer en de zanger niet meer op dezelfde plek, maar dagen ze elkaar van een afstand uit. En de galm plakt niet meer aan de instrumenten vast, maar komt uit de ruimte er omheen.
Wat heb ik nou geleerd? Dat ook dit niet de absolute waarheid is. Dat ik ook ver in de toekomst mijn oren moet geloven en niet mijn vooroordelen. Dat de oren als telescopen kunnen worden gebruikt, om door de drukke instrumenten heen te luisteren en om verafgelegen details eruit te vissen. Dat de rest van mijn apparatuur geen enkel probleem heeft met diepte. Dat je met zeer zwaar geschut moet komen om diepte uit CD’s te halen. Dat zelfs matige CD’s flink opknappen als je ze een eerlijke kans geeft. Dat een topmodel CD-speler met “bitstream” eigenlijk rotzooi is.
De geleende converter was een Prism Dream DA-1, een apparaat bedoeld voor de studiowereld. Zelfs daar vinden ze hem duur. Ik kan zo’n uitgave nooit rechtvardigen, maar deze machine is elke cent waard. En vraag me niet waarom 24-bits beter klinkt als de CD zelf er maar zestien heeft. Ik geloof dat de extra bits gebruikt worden om de ruwe lijn die je met 16 bits krijgt verder plat te strijken. Maar het interesseert me ook helemaal niet. Ik hoor alleen maar een wonderschoon ontspannen geluid, waarin alles van elkaar loskomt. En waarin stukjes muziek die ik altijd als schel heb ervaren, plotseling volkomen rustig blijven.
Stel je voor wat er zou gebeuren als ik toch een keer mijn oude vierweg-speakers vervang door elektrostaten! En daar dan echte kabels bij neem! Of toch maar een buizenversterker in plaats van die prachtige Mission 770, je weet wel, met het koelblok als merknaam……..Niets is meer zeker.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina