De doop vinden wij het eerst bij Johannes de Doper. Deze doop wordt in Markus 1 vers 4 genoemd: de doop der bekering tot vergeving der zonden



Dovnload 185.38 Kb.
Pagina1/11
Datum26.08.2016
Grootte185.38 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Les 19: Doop

De doop vinden wij het eerst bij Johannes de Doper. Deze doop wordt in Markus 1 vers 4 genoemd: de doop der bekering tot vergeving der zonden.1 ‘Bekering’ betekent: boete, berouw, inwendige vernieuwing. De doop heeft voor iemand dus alleen dán betekenis als hij zijn zonden belijdt met oprecht verdriet, en zich van harte bekeert. Verder wordt deze doop genoemd: de doop der bekering tot vergeving der zonden. Dat wil zeggen: de doop is voor iemand een bewijs dat zijn zonden om Christus’ wil vergeven zijn (kanttekeningen op Markus 1 vers 42).

Waarom is het nodig dat mensen gedoopt worden? Als de vergeving der zonden in Gods Naam wordt afgekondigd, moet dat toch genoeg zijn! Jawel, maar gedoopt worden is nodig omdat je de vergeving der zonden niet zomaar kunt geloven, tenzij je meent dat je zonden nog wel meevallen en jij dus genoeg hebt aan een idéé van vergeving en dus met je verstand kunt geloven. Maar wanneer je werkelijk door de Heilige Geest overtuigd wordt van je zonden en er eerlijk aan ontdekt wordt, dan is het lang niet gemakkelijk om het voor waar te durven houden: God is genegen om mij al mijn vuile, gruwelijke en God-tergende zonden te vergeven; Hij is er graag toe genegen om mij weer aan te nemen tot Zijn kind en met Zijn liefde te vervullen; en dit alles uit louter genade! O nee, alles van binnen getuigt ertegen, het ontwaakte geweten is het daarmee absoluut niet eens en deze ‘stem van God’ ontkent de vergeving der zonden in alle toonaarden!

Hoe weet ik nu, dat God deze vergeving mij werkelijk zal schenken, ja in de belofte al heeft geschonken? God zegt mij in het door Hem ingestelde teken van de doop: zó zeker als je in Mijn Naam deze doop der bekering tot vergeving der zonden hebt ontvangen, terwijl je eerlijk je hemelhoge schuld beleed en tegelijk eerbiedig op de verdienste van Mijn Zoon Jezus Christus alleen steunde, zó zeker heb Ik je van al je vuile zonden gewassen...! Daaraan hoef ik dus niet te twijfelen, daaraan mág ik zelfs niet twijfelen, omdat ik dan Gods betrouwbaarheid verdenk.

Ondertussen moeten wij ervoor oppassen, dat we niet in het water van de doop een kracht leggen, die er niet in ligt. Het doopwater wast ons niet van onze zonden (HC, 72). De doop wijst af van het teken, het water, en wijst heen naar de betekende zaak, het bloed van Christus (vergelijk HC, 67)! Daarom geldt de kracht en waarde van de doop ook levenslang en hoeven wij nooit weer te worden gedoopt.

Besnijdenis en doop


Besnijdenis en Pascha in het Oude Testament zijn bloedige verbondstekenen en duiden aan dat er geen opname in het verbond met God mogelijk is buiten bloedstorting, en wel van het Lam Gods. Bij de besnijdenis lijkt het zelfs om óns bloed te gaan… Doop en avondmaal in het Nieuwe Testament zijn onbloedig, maar verwijzen naar het Offer op Golgotha dat is gebracht. Daarom is er geen bloedstorting meer nodig.

De besnijdenis – en ook de doop – heeft drie functies:



  1. De besnijdenis verzegelde Gods genadeverbond in Christus met de Zijnen. Zo werd door dit teken het geloof versterkt, dat God met Abraham en met diens nageslacht een verbond, een ‘contract’ of ‘overeenkomst’, had gesloten. Hierbij beloofde God aan Abraham en aan zijn zaad (dat nog niet verwekt was, maar nog in zijn lenden was!) Abrahams God te zijn. Deze uitdrukking betekent: God zal de Zaligmaker en Verzorger van hem zijn door de komende Messias; en alle goederen van het genadeverbond zullen het deel van Abraham en van diens nageslacht zijn (zie de kanttekeningen op Genesis 17 vers 7). Dit betekende niet dat elke besnedene zaligmakend deel had aan de inhoud van dit genadige verbond. We kunnen ons dan ook afvragen: wat voor nut had het feitelijk om besneden te worden? Niemand werd door die besnijdenis zalig, zelfs niet eerder of gemakkelijker zalig. Toch was de besnijdenis (en is de doop) van groot belang: bij het opgroeien had elke Israëliet een garantie van Gods gewilligheid om zijn Zaligmaker te zijn. De opgroeiende Izak had dat nodig, wanneer hij door Gods Geest aan zichzelf werd ontdekt. Wanneer je in het licht van Gods heiligheid jezelf in je doemwaardigheid hebt leren kennen, kun je niet anders dan achter al Gods heerlijke beloften en genadeweldaden een groot vraagteken plaatsen met betrekking tot jezelf: voor mij kan het niet (meer) waar zijn dat God mijn God is…!

  2. De besnijdenis was dan ook een zegel of bewijs van de rechtvaardigheid door het geloof3 – net zoals de doop de band met Christus afbeeldt en verzegelt.4 Niet alleen geloof en dóóp horen bij elkaar, ook geloof en besnijdenis horen bij elkaar. Om de uitdrukking rechtvaardigheid van het geloof of geloofsrechtvaardigheid te verstaan moeten we ons herinneren dat wij voor Gods Aangezicht rechtvaardigheid of gerechtigheid (dat is wetsgehoorzaamheid) kunnen verkrijgen óf door de werken der wet óf door de geloofsvereniging met de beloofde Messias en Plaatsbekleder. De eerste weg tot gerechtigheid is door onze zonden radicaal afgesneden.5 De tweede weg heeft God in het genadeverbond genadig geopend. In het teken van de besnijdenis zei Hij: zo zeker als je bent besneden, zo zeker schenk ik jou beloftegewijs de geloofsgerechtigheid van Christus. De gerechtigheid waarin het genadeverbond voorziet en die Christus door Zijn dierbaar bloed heeft verworven of verdiend, wordt door geloofsvereniging met Hem ons eigendom. Hiervan is de besnijdenis in de Oudtestamentische bediening van het verbond al een afbeelding en verzekering.

Deze gerechtigheid heeft Hij voor ons verdiend voordat wij geloofden.6 De ‘kinderbesnijdenis’ tekent dit uit: voordat je gelooft, is er al die geloofsgerechtigheid. Zo mag ook de kinderdoop – meer dan de geloofsdoop – ons uittekenen dat Gods genade in Christus ons geloof vóór was. Niet ons geloof gaat voorop maar Christus en Zijn gerechtigheid gaan voorop. Wanneer je Hem oprecht vertrouwt, ken je de inhoud van de besnijdenis (en van de doop).7 Niet jezelf rijk rekenen zonder geloofsovergave en geloofstoevlucht tot Christus, het beloofde Zaad; maar in vol vertrouwen op Gods genadige gezindheid Hem smeken om de toepassing / uitwerking van deze rijke belofte.

  1. De besnijdenis was een voortdurende oproep aan het volk (en aan elke Israëliet) om het hart te besnijden.8 En geen wonder, als we bedenken dat de besnijdenis voor het eerst werd bediend aan de vader der gelovigen! Hij had immers een besneden hart. Zo kon ze ook een herinnering zijn aan Gods belofte dat Hij dit bij hen (én bij hun zaad!) zou doen.9 Dit is in de doop niet anders. Wat houden deze eis en belofte in? Dat het verbondsleven gestalte krijgt.10 In Deuteronomium 10 staat de oproep in het verband (vers 12-13) van de eis: Nu dan, Israël, wat eist de HEERE, uw God van u dan de HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en de HEERE, uw God, te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel; om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied, u ten goede. Hieruit blijkt dat de besnijdenis niet iets uitwendigs is11 (zoals baptisten nog al eens beweren: het zou alleen uitwendige zegeningen bevatten, zoals de landbelofte), maar veeleer een geestelijke inhoud heeft. Net als het bij de doop niet alleen om het uitwendige lidmaatschap van de kerk gaat, maar vooral om de wedergeboorte van het hart. Daarom kan Paulus besnijdenis en doop in één adem noemen. Hierbij noemt hij tevens de geestelijke inhoud van beide, namelijk de uittrekking van het lichaam der zonden, (Kolossenzen 2 vers 10-12 – zie onder).12 Hoe geestelijk de besnijdenis in het Oude Testament was bedoeld blijkt als de Heere besneden Israëlieten die Hem niet dienen, op één lijn zet met onbesneden heidenen.13

Zo functioneren besnijdenis en doop beide bij de toegang tot Gods gemeente. Wie zich niet liet besnijden, hoorde niet bij het verbondsvolk, en wie zich niet laat dopen, hoort niet bij de gemeente van Jezus Christus. Besneden te zijn was geen garantie dat iemand een lévend lid van de Godsgemeente was, maar lid was hij wel. En dit is geen klein voorrecht.

Dus de besnijdenis (en ook de doop) bewerkte niet de zaligheid. Dat is ook helemaal niet nodig. Zonder sacramenten kun je immers wel zalig worden (zonder geloof niet). De besnijdenis werkte bij Abraham ook niet het geloof. Abraham was immers al door het geloof gerechtvaardigd14, voordat hij werd besneden; en zo was de kamerling al een gelovige voordat hij werd gedoopt.15 Dit teken bekrachtigde en bekrachtigt echter wel de belofte en versterkt dus het geloof(svertrouwen) in de belofte.





  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina