De europese unie



Dovnload 86.97 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte86.97 Kb.











RAAD VAN

DE EUROPESE UNIE




NL

C/04/276

Luxemburg, 11 oktober 2004

12770/04 (Presse 276)

Persmededeling

2609e zitting van de Raad


Algemene Zaken en Externe Betrekkingen
Externe Betrekkingen
Luxemburg, 11 oktober 2004

Voorzitter Bernard BOT


Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland

* Enkele punten op het gebied van externe betrekkingen werden zonder debat aangenomen tijdens de 2608e zitting van de Raad Algemene Zaken.



Voornaamste resultaten van de Raadszitting

Als onderdeel van een beleid van contact en overleg met Libië heeft de Raad besloten om onder meer het wapenembargo tegen dat land op te heffen, en een reeks economische sancties in te trekken die de EU had genomen krachtens resolutie van de VN-Veiligheidsraad. De Raad heeft Libië verzocht positief te reageren op dit beleid, en met name een oplossing te vinden voor de resterende EU-vragen, met name de zaak van de Bulgaarse en Palestijnse gezondheidswerkers en andere hangende kwesties.

De Raad heeft in verband met de situatie in het Midden-Oosten


  • in de strengste bewoordingen de terroristische aanslagen in de Sinaï-woestijn tegen onschuldige Egyptische en Israëlische burgers veroordeeld;

  • zijn ernstige bezorgdheid uitgesproken over de nooit geziene cyclus van geweld en tegengeweld in Israël en de bezette gebieden. Hij heeft beide partijen opgeroepen stappen te doen om hun verplichtingen en toezeggingen uit hoofde van de Routekaart na te komen, en heeft verklaard ingenomen te zijn met de voorstellen van de Speciale Vertegenwoordiger van de EU voor een EU-coördinatiemechanisme met betrekking tot donorbijstand aan de Palestijnse civiele politie.

Andere belangrijke aangelegenheden op het gebied van externe betrekkingen, bijvoorbeeld het verscherpen van de beperkende maatregelen tegen Birma/Myanmar, en de genomen besluiten op het gebied van het Europees veiligheids- en defensiebeleid worden besproken in de mededeling aan de pers "Algemene Zaken", 12767/04 Presse 275.

INHOUD1

DEELNEMERS 4

BESPROKEN PUNTEN

LIBIË - Conclusies van de Raad 6

CHINA 7

IRAN 9


MIDDEN-OOSTEN 11

– Terroristische aanslagen in Taba en Ras Satan - Conclusies van de Raad 11

– Vredesproces in het Midden-Oosten - Conclusies van de Raad 11

EUROPEES NABUURSCHAPSBELEID 13

SUDAN/DARFUR - Conclusies van de Raad 13

GEBIED VAN DE GROTE MEREN IN AFRIKA - Conclusies van de Raad 15

ICTY 16

WESTELIJKE BALKAN - Conclusies van de Raad 17



INDONESIË - Conclusies van de Raad 18

OEKRAÏNE - Conclusies van de Raad 19

DIVERSEN 20

– EU-Mercosur 20

– Guinee-Bissau 20

EVENEMENTEN IN DE MARGE VAN DE RAAD 20



ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN

zie mededeling aan de pers "Algemene Zaken" 12767/04 Presse 275.



DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:



België:

de heer Karel DE GUCHT minister van Buitenlandse Zaken

de heer Didier DONFUT staatssecretaris voor Europese Zaken

Tsjechië:

de heer Cyril SVOBODA vice-minister-president en minister van Buitenlandse Zaken



Denemarken:

de heer Per Stig MØLLER minister van Buitenlandse Zaken



Duitsland:

de heer Joschka FISCHER minister van Buitenlandse Zaken en plaatsvervanger van de bondskanselier



Estland:

mevrouw Kristiina OJULAND minister van Buitenlandse Zaken



Griekenland:

de heer Petros MOLYVIATIS minister van Buitenlandse Zaken



Spanje:

de heer Miguel Angel MORATINOS minister van Buitenlandse Zaken en Samenwerking

de heer Alberto NAVARRO staatssecretaris voor de Europese Unie

Frankrijk:

mevrouw Claudie HAIGNERÉ toegevoegd minister van Europese Zaken, ministerie van Buitenlandse Zaken



Ierland:

de heer Dermot AHERN T.D. minister van Buitenlandse Zaken



Italië:

de heer Franco FRATTINI minister van Buitenlandse Zaken



Cyprus:

de heer George IACOVOU minister van Buitenlandse Zaken



Letland:

de heer Artis PABRIKS minister van Buitenlandse Zaken



Litouwen:

de heer Oskaras JUSYS permanent vertegenwoordiger



Luxemburg:

de heer Jean ASSELBORN vice-minister-president, minister van Buitenlandse Zaken en Immigratie

de heer Nicolas SCHMIT gedelegeerd minister van Buitenlandse Zaken en Immigratie

Hongarije:

de heer László KOVÁCS minister van Buitenlandse Zaken



Malta:

de heer Michael FRENDO minister van Buitenlandse Zaken



Nederland:

de heer Bernard BOT minister van Buitenlandse Zaken

mevrouw Anna Maria Agnes van ARDENNE-van der HOEVEN minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Oostenrijk:

de heer Gregor WOSCHNAGG permanent vertegenwoordiger



Polen:

de heer Włodzimierz CIMOSZEWICZ minister van Buitenlandse Zaken



Portugal:

de heer António MONTEIRO minister van Buitenlandse Zaken en van de Portugese Gemeenschappen



Slovenië:

de heer Ivo VAJGL minister van Buitenlandse Zaken



Slowakije:

de heer Eduard KUKAN minister van Buitenlandse Zaken

de heer József BERÉNYI staatssecretaris, ministerie van Buitenlandse Zaken

Finland:

de heer Erkki TUOMIOJA minister van Buitenlandse Zaken



Zweden:

mevrouw Laila FREIVALDS minister van Buitenlandse Zaken



Verenigd Koninkrijk:

de heer Jack STRAW minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

de heer Denis MacSHANE onderminister van Europese Zaken

Commissie:

de heer Chris PATTEN lid

de heer Günter VERHEUGEN lid

de heer Poul NIELSON lid

mevrouw Michaele SCHREYER lid

Secretariaat-generaal van de Raad:

de heer Javier SOLANA secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB



BESPROKEN PUNTEN

LIBIË - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"1. De Raad herhaalde zijn steun voor de door Libië op 19 december 2003 aangekondigde intrekking van de Libische programma's voor massavernietigingswapens. Libië is een van de eerste landen die daartoe vrijwillig, in een transparant samenwerkingsproces onder internationaal toezicht overgaan.

2. De Raad nam er nota van dat op 3 september 2004 in Tripoli een schikking inzake de schadevergoeding voor de nabestaanden van de slachtoffers van de aanslag op een disco­theek in Berlijn in 1986 is overeengekomen. De Raad beschouwt dit als een bewijs te meer dat Libië bereid is zijn beleid te wijzigen en een verantwoordelijk bestuur in te stellen.

3. De Raad vond de verbetering van de mensenrechtensituatie in Libië een essentieel onder­deel in de ontwikkeling van de betrekkingen. Onmiddellijke aandacht verdienen ernstige belemmeringen van de vrijheid van meningsuiting en van vereniging, geloofwaardige meldingen van foltering van verdachten en gerechtelijke dwalingen, alsmede onmenselijke detentievoorwaarden. Voorts herhaalde de Raad dat hij gekant is tegen de doodstraf.

4. De Raad sprak zijn diepe medeleven uit met de mensen die in het ziekenhuis in Benghazi met HIV besmet zijn geraakt.

5. De Raad gaf uiting aan zijn diepe bezorgdheid over het lot van de in 1999 als verdachten in een strafzaak aangehouden Bulgaarse en Palestijnse gezondheidswerkers die op 6 mei 2004 ter dood zijn veroordeeld. De Raad was van oordeel dat Libië, na heronderzoek van het beschikbare bewijsmateriaal, zou kunnen concluderen dat recht geschiede door hun spoedige vrijlating. De Raad verwacht hun spoedige vrijlating.

6. In zijn opsomming van de factoren die voor de ontwikkeling van de betrekkingen met Libië belangrijk zijn, verwees de Raad naar zijn conclusie van november 2002 dat samen­werking met Libië op migratiegebied essentieel en dringend is. Hij sprak opnieuw zijn bezorgdheid uit over de omvang van de illegale immigratie vanuit of via Libië over de Middellandse Zee. Het verlies van mensenlevens op zee, de handhaving van de openbare orde in de havens van binnenkomst en de last van de illegale immigratie vanuit of via Libië vragen om doeltreffende Libische maatregelen. In dit verband onderstreepte de Raad tevens dat Libië zijn internationale verplichtingen moet nakomen. De Raad achtte het voor de ontwikkeling van de betrekkingen met Libië belangrijk dat er wordt samengewerkt op gebieden waar het Libië aan de nodige vermogens en capaciteiten ontbreekt.

7. De Raad kwam overeen ten aanzien van Libië een beleid van contact en overleg te voeren en besloot tot de volgende stappen:

a. Intrekking van de beperkende maatregelen die de EU heeft genomen krachtens Resoluties 748(1992) en 883(1993) van de Veiligheidsraad.

b. Opheffing van het wapenembargo.

De Raad memoreerde dat de overdracht van wapens aan Libië onder de Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer zal vallen, en besloot dat, na het embargo, een bijzondere wapenoverdrachtregeling ("tool box"), waaraan momenteel bij de Raad wordt gewerkt, van toepassing zal zijn.

c. Zo spoedig mogelijk een technische missie naar Libië sturen, waarvan de taak op basis van het mandaat van de Raad van 16 juni 2003 is omschreven, om er de maat­regelen ter bestrijding van de illegale immigratie te bekijken.

d. Zo spoedig mogelijk een daad stellen van solidariteit met de mensen die in het ziekenhuis in Benghazi met HIV zijn besmet.

e. Nauwlettend toezicht houden op de mensenrechtensituatie in Libië.

8. De Raad verklaarde zich bereid een Commissiemandaat voor onderhandelingen over een visserijovereenkomst met Libië te bespreken.

9. De Raad beschouwde de volledige integratie van Libië in het Barcelonaproces als hoofd­doel van zijn inzet. Hij herhaalde dat de deelname aan het Barcelonaproces en de moge­lijke sluiting van een associatieovereenkomst afhankelijk blijven van de bereidheid van Libië om zich volledig en onvoorwaardelijk te houden aan de tijdens de Europees-medi­terrane conferentie op 27 en 28 november 1995 aangenomen Verklaring van Barcelona en aan het acquis van Barcelona.

10. De Raad verzocht Libië positief te reageren op het hier geschetste EU-beleid van contact en overleg. In dit verband drong hij erop aan dat Libië een oplossing vindt voor de reste­rende EU-vragen, met name de zaak van de Bulgaarse en Palestijnse gezondheidswerkers, en alle hangende bilaterale kwesties met EU-landen, en om bilateraal en in multilaterale kaders mee te werken aan de ontwikkeling van nauwere betrekkingen in de toekomst."



CHINA

De ministers bespraken tijdens de lunch de stand van de besprekingen betreffende het embargo op de wapenverkoop aan China, naar aanleiding van de opdracht die de Europese Raad in december 2003 aan de Raad heeft gegeven om het embargo opnieuw te bekijken.

*

* *


De Raad nam tevens de hiernavolgende conclusies aan betreffende de mensenrechtendialoog EU-China:

"1. De Raad is ingenomen met de evaluatie van de mensenrechtendialoog EU-China die volgens de richtsnoeren van de EU inzake de mensenrechtendialoog is verricht op basis van een breed scala aan rapporten en bijdragen van onder meer het maatschappelijk middenveld.

2. De Raad herinnert aan de in zijn conclusies van januari 2001 opgenomen doelstellingen voor de mensenrechtendialoog EU-China. De Raad erkent dat China de voorbije tien jaar aanzien­lijke vooruitgang heeft geboekt in zijn sociaal-economische ontwikkeling en in de econo­mische vrijheid voor de doorsnee burger. Het verheugt de Raad dat China stappen heeft gezet ter versterking van de rechtsstaat; de Raad dringt er bij China op aan erop toe te zien dat die maatregelen effectief worden toegepast. Ook spreekt de Raad zijn voldoening uit over initia­tieven die de samenwerking met de mensenrechtenmechanismen van de Verenigde Naties bevorderen en over het werk dat China tot dusverre heeft verricht om het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) te bekrachtigen. De EU hoopt dat het werk op dit terrein wordt voortgezet en dat de bekrachtiging binnenkort plaatsvindt. Zij hoopt ook dat het systeem van heropvoeding door dwangarbeid binnenkort hervormd wordt.

3. Ondanks die ontwikkelingen uit de Raad zijn verontrusting over de mensenrechten­schendingen die nog steeds plaatsvinden, zoals inbreuken op de vrijheid van meningsuiting (persvrijheid en internet daaronder begrepen), de godsdienstvrijheid en de vrijheid van verga­dering en van vereniging. De Raad moet ook concluderen dat vorderingen uitblijven met betrekking tot de rechten van personen die tot minderheden behoren, vooral uit het oogpunt van godsdienstvrijheid, en dat culturele rechten van minderheden met name in Tibet en Xinjiang nog steeds ondermijnd worden. De Raad betreurt dat de doodstraf nog altijd brede toepassing vindt en dat folteringen blijven plaatsvinden, ook al hebben de Chinese autoriteiten het bestaan van dit probleem toegegeven. In het algemeen beschouwd geven de ontwikke­lingen een gemengd beeld te zien van vorderingen op sommige en onverminderde redenen tot verontrustheid op andere terreinen.

4. Al met al en over een langere periode kan evenwel een positieve trend worden waargenomen, met verbeteringen op het stuk van de rechtsstaat en eerbiediging van economische rechten en een afnemende invloed van de staat op het dagelijks leven van de burger. Het is de over­tuiging van de Raad dat de dialoog een communicatiekanaal biedt en een forum waar problemen onbevangen kunnen worden uitgesproken, de Chinese beleidsmakers confronteert met de internationale normen en praktijken op het gebied van de mensenrechten en concrete samenwerkingsprojecten op dat gebied in het leven roept. De dialoog blijft daardoor waarde­vol als proces en kan een positieve invloed hebben op de mensenrechtensituatie in China.

5. Tegelijkertijd merkt de Raad op dat er ruimte te over is voor verbetering en bevordering van concrete uitvloeiselen van de dialoog en tastbare resultaten op het terrein. De Raad onder­schrijft dan ook de operationele conclusies die in de evaluatie worden getrokken met betrek­king tot de praktische invulling van de dialoog, zoals de behoeften inzake een breder deel­nemersveld, een grotere transparantie door openbare nabesprekingen, een betere voor­bereiding en follow-up van de dialoog, meer samenhang tussen de dialoog en de studie­bijeenkomsten en een betere afhandeling van de lijst van individuele zaken.

6. Concluderend beschouwt de Raad de mensenrechtendialoog als een waardevol instrument en een belangrijk onderdeel van de betrekkingen tussen de EU en China in het algemeen. Hij zal daarom de mensenrechtendialoog, de samenwerkingsprogramma's en de studiebijeenkomsten voortzetten, met inachtneming van de bovenvermelde aanbevelingen. De EU zal mensen­rechtenaangelegenheden in bilaterale en multilaterale uitwisselingen op alle niveaus met China blijven aankaarten. De EU zal ook de jaarlijkse evaluatie van deze dialoog volgens de richtsnoeren van de EU inzake de mensenrechtendialoog blijven voortzetten."

IRAN

De ministers bespraken tijdens de lunch de toestand in Iran, met bijzondere aandacht voor het Iraanse nucleaire vraagstuk. Zij hielden een gedachtewisseling over hun aanpak voor de komende weken, mede met het oog op de vergadering van de Raad van Beheer van de IAEA op 25 november. Het voorzitterschap merkte op dat de EU zich verder zou inzetten - met name door middel van de inspanningen van Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, gesteund door hoge vertegenwoordiger Solana - om vorderingen te maken bij het Iraanse nucleaire vraagstuk.

*

* *


De Raad nam tevens de hiernavolgende conclusies over de mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran aan:

"1. De Raad memoreert zijn vorige conclusies over het onderwerp (21 oktober 2002, 18 maart 2003, 21 juli 2003 en 13 oktober 2003), en is ingenomen met de evaluatie van de mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran. Deze evaluatie is opgesteld overeenkomstig de richtsnoeren van de EU inzake de mensenrechtendialoog en heeft betrekking op de vierde ronde van de dialoog, die op 14 en 15 juni 2004 in Teheran heeft plaatsgevonden.

2. De Raad memoreert de toezegging van de regering van Iran om de mensenrechten in het land meer te eerbiedigen en de rechtsstaat te bevorderen.

3. De Raad blijft er uitermate bezorgd over dat ondanks deze toezegging in Iran nog steeds ernstige schendingen van de mensenrechten plaatsvinden.

4. In de evaluatie wordt duidelijk gesteld dat er sinds de start van de dialoog in december 2002, in weerwil van enige hoopvolle signalen, op een bepaald moment, weinig algemene vooruit­gang is geboekt met betrekking tot de punten die de Raad als zijn prioriteiten heeft aange­merkt. Deze belangrijke aandachtspunten, die zijn gebruikt als maatstaf om de mensen­rechtensituatie in Iran te beoordelen en de resultaten van de dialoog te meten, betreffen de medewerking van Iran met de mensenrechtenmechanismen en de uitvoering van in het kader daarvan geformuleerde aanbevelingen, de bekrachtiging en uitvoering van de belangrijkste overeenkomsten, vrije toegang voor internationale waarnemers en internationale NGO's, burgerrechten en politieke vrijheden, hervorming van het gerechtelijk apparaat, voorkoming en uitroeiing van folteringen, strafrechtelijke vervolging, discriminatie, alsmede het gevangenisstelsel.

5. In de evaluatie wordt geconcludeerd dat Iran inderdaad een permanente invitatie heeft uitgevaardigd voor bezoeken door de bijzondere mensenrechtenmechanismen van de VN en dat er verscheidene bezoeken daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, hoewel er maar weinig vooruitgang is geboekt met de uitvoering van de aanbevelingen die hieruit zijn voortgevloeid. Wat de andere prioritaire vraagstukken betreft is er op het terrein evenwel weinig of geen vooruitgang waar te nemen.

6. De Raad merkt op dat de situatie met betrekking tot de uitoefening van de voornaamste burger­rechten en politieke vrijheden zoals de vrijheid van meningsuiting sinds de parlements­verkiezingen in februari dit jaar is verslechterd. De Raad memoreert dat hij al zeer lang een krachtig standpunt tegen de toepassing van de doodstraf inneemt en geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het recentelijk toegenomen aantal berichten over de uitvoering van executies waarbij kennelijk internationaal erkende waarborgen worden genegeerd, alsook over executies van jeugdige daders. Hij betreurt dat er ondanks enige recente verbeteringen in de wetgeving, geen einde komt aan talrijke discriminerende praktijken tegen vrouwen en personen die tot al dan niet door Iran erkende religieuze minderheden behoren.

7. De Raad bevestigt andermaal dat de mensenrechtendialoog met Iran een van de middelen blijft waardoor de EU de mensenrechtensituatie kan helpen verbeteren. Hij erkent de inspan­ningen die Iran zich tot dusver ten behoeve van de dialoog met de Europese Unie heeft getroost, maar herhaalt dat deze dialoog enkel een doeltreffend instrument in het mensen­rechtenbeleid kan zijn indien zowel op korte als op lange termijn op het terrein voldoende vooruitgang wordt geboekt. De dialoog op zich moet een positieve bijdrage kunnen leveren aan de betrekkingen tussen de EU en Iran op dit gebied. De EU blijft de mensenrechten­dialoog nastreven, maar beziet jaarlijks opnieuw de voorwaarden teneinde de doeltreffendheid ervan met betrekking tot de centrale punten te verbeteren. Gezien het resultaat van de evalua­tie acht de Raad het noodzakelijk om van de Iraanse autoriteiten een hernieuwde toezegging te verkrijgen dat ze de mensenrechten beter zullen naleven en de rechtsstaat in het land zullen bevorderen, en onderstreept hij tevens de noodzaak om de voorwaarden van de dialoog te wij­zigen teneinde deze doeltreffender te maken.

8. De Raad wenst met Iran te spreken over een aantal praktische aanbevelingen die erop gericht zijn de doeltreffendheid van dialoog te verhogen, zoals een tijdige overeenstemming over de thema's, en vaste data, namelijk vóór elke VN-Commissie inzake mensenrechten en elke Algemene Vergadering van de VN, een degelijkere voorbereiding, zowel voor de ronde­tafelgesprekken als voor uitsluitend op regeringsniveau te houden vergaderingen, en meer transparantie ten aanzien van het publiek. Deze dialoog heeft grote verwachtingen gecreëerd bij de civiele samenleving in Iran. De EU en Iran moeten hun best doen om deze verwach­tingen in te lossen.

9. De Raad wenst dat een EU-trojka de inhoud van deze Raadsconclusies binnenkort met de Iraanse regering zal bespreken, en wijst op de noodzaak de eerbieding van de mensenrechten te verbeteren en de rechtsstaat in het land te bevorderen; tevens dient de verdere gang van zaken te worden besproken.

10. De Raad bevestigt andermaal zijn beginselstandpunt dat de dialoog de mogelijkheid tot het indienen van een resolutie in de VN-Commissie inzake mensenrechten of in de derde commissie van de Algemene Vergadering van de VN onverlet laat. Hij is het erover eens dat de EU tijdens de 59e zitting van de Algemene Vergadering van de VN haar diepe bezorgdheid zal uiten over de ernstige schendingen van de mensenrechten in Iran.

11. De EU zal zich opnieuw op het onderwerp beraden in het licht van de ontwikkelingen in de mensenrechtensituatie in Iran."



MIDDEN-OOSTEN

  • Terroristische aanslagen in Taba en Ras Satan - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"De Raad veroordeelt in de strengste bewoordingen de terroristische aanslagen in Taba en Ras Satan tegen onschuldige Egyptische en Israëlische burgers. Onder de slachtoffers bevonden zich twee jonge burgers van de Europese Unie.

De Raad betuigt de families van de slachtoffers zijn innige deelneming en verklaart zich solidair met de bevolking van Egypte en Israël. Hij prijst de twee regeringen voor hun nauwe samenwerking bij de reddings- en onderzoeksactiviteiten, en is bereid de nodige steun te verlenen. Hij hoopt dat de daders van deze misdrijven spoedig geïdentificeerd en voor de rechter gebracht worden.

Deze afschuwelijke aanslag versterkt ons in onze gemeenschappelijke onwrikbare houding tegen­over het terrorisme."



  • Vredesproces in het Midden-Oosten - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"1. De Raad heeft de situatie in het Midden-Oosten beoordeeld en zich verheugd over de verklaring die het Kwartet op het niveau van de hoofden op 22 september in New York heeft afgelegd.

2. De Raad spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de nooit geziene cyclus van geweld en tegen­geweld in Israël en de bezette gebieden. De Raad herhaalt dat hij elke vorm van terrorisme, inclusief raketaanvallen tegen Israël, geheel en onvoorwaardelijk veroordeelt en roept de Palestijnse Autoriteit op streng op te treden tegen de bedenkers en uitvoerders van dergelijke terreurdaden. Hoewel de Raad erkent dat Israël het recht heeft zijn burgers tegen terreurdaden te beschermen, benadrukt hij dat dit recht moet worden uitgeoefend binnen de grenzen van het internationale recht. De Raad veroordeelt tevens de onevenredigheid van het militaire optreden van Israël in de Gazastrook. Bij dit optreden zijn vele onschuldige burgers, waaronder kinderen, om het leven gekomen en velen gewond geraakt. De Raad roept Israël op deze operatie onmiddellijk te beëindigen en het vierde Verdrag van Genève volledig te eerbiedigen. Hij herinnert Israël aan zijn verplichting om voor diplomatieke missies en humanitaire organisaties een onbeperkte en veilige toegang te waarborgen.

3. De Raad roept beide partijen op een eind te maken aan de spiraal van geweld en hun verplichtingen na te komen. De Raad wijst Israël en de Palestijnen erop dat zij aan de lange­termijngevolgen van hun optreden moeten denken. Hij benadrukt dat de enige manier om in het Midden-Oosten duurzame vrede te bereiken, de hervatting van de samenwerking op veilig­heidsgebied en rechtstreekse onderhandelingen tussen de partijen zijn, zoals is gevraagd in de Routekaart.

4. De Raad verklaart nogmaals dat hij zich inzet voor een door onderhandelingen tussen de partijen overeengekomen tweestatenoplossing welke leidt tot een levensvatbare, soevereine en onafhankelijke Palestijnse nabuurstaat die naast en in vrede met Israël bestaat, binnen erkende en veilige grenzen. Hij herinnert aan het eerder vastgestelde EU-standpunt dat de Unie geen andere wijzigingen van de grenzen van 1967 zal erkennen dan die welke door de partijen in onderling overleg zijn vastgesteld.

De Raad bevestigt op ondubbelzinnige wijze dat de Route­kaart, die door Resolutie 1515 van de VN-Veiligheidsraad is bekrachtigd, het fundamentele kader vormt voor een oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict en roept beide partijen op stappen te doen om hun verplichtingen en toezeggingen uit hoofde van die Routekaart na te komen.

5. De Raad herhaalt zijn standpunt dat voorstellen voor een terugtrekking van Israël uit de Gaza­strook en een gedeelte van het noorden van de Westelijke Jordaanoever een belangrijke stap voor de uitvoering van de Routekaart zouden kunnen zijn, op voorwaarde dat het om een volledige terugtrekking gaat, die geschiedt in overeenstemming met de onderstaande vijf elementen die de Europese Raad in maart 2004 heeft vastgesteld:

- de Routekaart wordt gevolgd,

- het is een stap in de richting van een tweestatenoplossing,

- het leidt niet tot verplaatsing van de nederzettingenactiviteit naar de Westelijke Jordaan­oever,

- er zijn regelingen getroffen voor en onderhandelingen gevoerd over een overdracht van bevoegdheden aan de Palestijnse Autoriteit, en

- Israël faciliteert de rehabilitatie en de wederopbouw van de Gazastrook.

In het licht van recente verklaringen onderstreept de Raad tevens dat de terugtrekking geen poging mag zijn om de Routekaart en de tweestatenoplossing die deze bevat, te vervangen. Hij herinnert er tevens aan dat de bouw van nederzettingen in strijd is met de Routekaart.

6. De Raad herhaalt klaar te staan om samen met de partijen de terugtrekking door Israël te doen slagen en refereert daarbij aan de gewaardeerde inspanningen van Egypte voor een hervorming van de Palestijnse veiligheidsdiensten. De Raad is ook ingenomen met de voor­stellen van de Speciale Vertegenwoordiger van de EU voor een EU-coördinatiemechanisme met betrekking tot donorbijstand aan de Palestijnse civiele politie in overleg met de betrokken partijen. De Raad prijst de Wereldbank om de geleverde inspanningen en spoort de Palestijnse Autoriteit en Israël aan zich voor te bereiden op de komende bijeenkomst van het AHLC.

7. De Raad benadrukt dat hij bereid is de Palestijnse Autoriteit verder bij te staan in haar her­vormingsproces. Hij roept de Palestijnse Autoriteit op het pakket hervormingsmaatregelen dat in het kader van de Task Force voor Palestijnse hervormingen met de internationale gemeenschap is overeengekomen, volledig en met bekwame spoed uit te voeren.

8. In dat verband spreekt de Raad zijn steun uit voor de Palestijnse verkiezingen, die volgens inter­nationale normen moeten verlopen, en neemt hij er nota van dat het proces van kiezers­registratie is begonnen. De Raad neemt nota van het bemoedigend aantal kiezers dat tot nu toe is geregi­streerd en hoopt dat dit aantal zal blijven toenemen; tegelijkertijd dringt hij er bij de Palestijnse Autoriteit op aan dat de verkiezingen gegarandeerd vrij, eerlijk en door­zichtig verlopen en overal in de Bezette Gebieden worden gehouden. Hij roept Israël op om, conform zijn verant­woordelijkheden op grond van het vierde Verdrag van Genève, de registratie van kiezers, de voorbereiding en het verloop van de verkiezingen, de verplaat­singen van kandidaten en van functionarissen die bij de kiesverrichtingen zijn betrokken, te vergemakkelijken, ook in bezet Oost-Jeruzalem.

De Raad is tevens van mening dat de verkiezingen in principe in één ronde moeten worden gehouden, om de ontwikkeling van verantwoording verschuldigde bestuurs­structuren in de bezette gebieden te bespoedigen. De Europese Unie staat klaar om verdere steun en bijstand te verlenen aan het Palestijnse verkiezingsproces.

9. De Raad verzoekt nogmaals alle partijen in de regio met klem om onmiddellijk beleids­maatregelen te treffen die bijdragen tot dialoog en onderhandelingen. De relatie van de EU met degenen die hiertegen ingaan, zal onvermijdelijk de weerslag van die tegenwerkingen onder­vinden."



EUROPEES NABUURSCHAPSBELEID

De Raad heeft nota genomen van een voortgangsverslag van de Commissie over de stand van zaken van de actieplannen met de zeven betrokken landen in het kader van het Europees nabuurschaps­beleid. De Raad was ingenomen met de aanzienlijke vorderingen en verzocht de Commissie om haar formele voorstellen uiterlijk op 20 oktober bij de Raad in te dienen.



SUDAN/DARFUR - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"1. De Raad neemt nota van de verslagen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties die op 5 oktober door de speciale vertegenwoordiger aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zijn gepresenteerd. De Raad neemt nota van de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van een aantal toezeggingen, en spoort de partijen aan hun inspanningen om te voldoen aan alle resterende verzoeken te verdubbelen. In dit verband dringt de Raad er bij de Sudanese regering op aan, informatie te verstrekken over de maatregelen die tot dusver zijn genomen om de Janjaweed-milities te neutraliseren en te ontwapenen en de bedrijvers van mensenrechtenschendingen en van misdrijven tegen burgers voor de rechter te brengen.

2. De Raad blijft uitermate bezorgd over de gevechten, waaronder aanvallen op burgers, die in verscheidene delen van Darfur blijven plaatsvinden en groot menselijk leed veroorzaken. Hij dringt er bij de regering van Sudan, JEM en SLM/A op aan dat zij de staakt-het-vuren-over­eenkomst die op 8 april 2004 in Ndjamena is ondertekend strikt in acht nemen en herhaalt zijn oproep tot alle partijen om publiekelijk een moratorium af te kondigen op militaire operaties die een schending van de staakt-het-vuren-overeenkomst inhouden, teneinde een gunstig klimaat voor de vredesbesprekingen te Abuja te scheppen, hetgeen een spoedig akkoord over een protocol inzake veiligheidsregelingen ten goede zou komen.

3. De Raad spoort de regering van Sudan en SLM/A en JEM aan, te voldoen aan de eisen die zijn vervat in de Resoluties 1556 en 1564 van de VN-Veiligheidsraad en in de conclusies van de Raad van 12 en 26 juli en van 13 september 2004. Overeenkomstig de Resoluties 1556 en 1564 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zal de Raad tegen de regering van Sudan en alle andere partijen passende maatregelen nemen, waaronder sancties, indien er op dit gebied geen aantoonbare vooruitgang wordt geboekt.

4. De Raad spreekt zijn voldoening uit over de recente missie naar Darfur van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties en de Speciale Adviseur voor de preventie van genocide van de Verenigde Naties, alsmede over de door hen geopperde aanbevelingen. Tevens uit de Raad zijn voldoening over het besluit van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties om het aantal mensenrechtenwaarnemers in Darfur te vergroten.

5. De Raad spreekt zijn voldoening uit over Resolutie 1564 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en de instelling van een Commissie die de schendingen van het inter­nationale humanitaire recht en de mensenrechten waaraan alle partijen zich in Darfur schuldig hebben gemaakt moet onderzoeken, die onder andere moet nagaan of er sprake is geweest van genocide in Darfur. De Raad roept alle partijen op hun volledige medewerking aan deze onderzoekscommissie te verlenen.

6. De Raad herhaalt dat hij de Afrikaanse Unie wil steunen bij haar inspanningen om de veilig­heidssituatie in Darfur te stabiliseren en op te treden als bemiddelaar in de besprekingen van Abuja. De Raad bevestigt andermaal dat hij vastbesloten is de Afrikaanse Unie te steunen bij de planning en uitvoering van een aanzienlijk uitgebreide proactieve waarnemersmissie met een voldoende breed mandaat, teneinde de veiligheidssituatie in Darfur te verbeteren.

7. De Raad wijst met aandrang op de behoefte aan aanvullende humanitaire hulp en coördinatie. De EU heeft al meer dan 300 miljoen euro vastgelegd. De Raad wijst er tevens op dat huma­nitaire hulp en veiligheidsbevorderende maatregelen elkaar wederzijds versterken en in gelijke mate de aandacht van de internationale gemeenschap verdienen.

8. De Raad neemt met voldoening nota van de hervatting van de onderhandelingen tussen de regering van Sudan en SPLM/A onder auspiciën van de IGAD, en dringt er bij beide partijen op aan dat zij de besprekingen over de onopgeloste punten zo spoedig mogelijk afronden, een alomvattend vredesakkoord ondertekenen en dit onverwijld uitvoeren. De Raad is van oordeel dat een spoedige afronding van het "proces van Naivasha" een politiek platform zou kunnen bieden om de onderliggende oorzaken van de aanhoudende conflicten in Sudan, en met name in Darfur, aan te pakken, vaart te zetten achter de hervormingen, de eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen en een echte en constructieve dialoog met de politieke krachten die niet in Naivasha aanwezig zijn op gang te brengen.

9. De Raad neemt nota van de geplande hervatting van de besprekingen van Abuja op 21 oktober, en roept alle partijen op naar deze besprekingen delegaties op hoog niveau en met een volledig mandaat af te vaardigen en te goeder trouw en van de urgentie van deze kwestie doordrongen, te onderhandelen. De Raad neemt er nota van dat er in Cairo een dialoog is gepland van de regering van Sudan en de Nationale Democratische Alliantie. De Raad roept de partijen op dit initiatief aan te grijpen om de spanningen met andere politieke krachten te verlichten, met name in Oost-Sudan, en hoopt binnenkort meer informatie over deze gesprekken te ontvangen.

10. De Raad neemt nota van de volgende door de regering van Sudan gedane toezeggingen:

- samenwerken met een uitgebreide waarnemersmissie van de AU met een ruimer mandaat en een eventuele politiecomponent, zoals de AU besloten heeft;

- de gebieden die onder haar militaire controle staan en de posities van haar eigen en de geallieerde strijdkrachten duidelijk afbakenen en de staakt-het-vuren-commissie van de AU hiervan in kennis stellen;

- haar troepen en de gewapende groeperingen die zich hierbij hebben aangesloten, onder controle brengen in afgebakende gebieden;

- onmiddellijk en unilateraal uitvoering geven aan het humanitair protocol van Abuja;

- ervoor ijveren zo spoedig mogelijk een alomvattend vredesakkoord met de SPLM te sluiten.

De Raad herinnert aan de verbintenis van de regering van Sudan uit hoofde van het gezamenlijk communiqué tussen de regering van Sudan en de Verenigde Naties van 3 juli 2004, waarnaar verwezen wordt in Resolutie 1556 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

De Raad herhaalt dat het kantonneren van SLM/A en JEM een beslissende factor is voor de terugkeer van vrede en stabiliteit in Darfur, en roept SLM/A en JEM op hier snel voor te zorgen.

11. De Raad roept alle buurlanden van Sudan en alle landen in de regio op de stabilisering van de situatie in Sudan te helpen bevorderen en volledige steun te verlenen aan de Afrikaanse Unie en de IGAD bij hun inspanningen om de vrede in Sudan te herstellen. In dit verband herinnert de Raad aan het wapenembargo tegen alle niet-gouvernementele organi­saties en personen in Darfur, waaronder de Janjaweed, dat bij Resolutie 1556 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties is opgelegd."



GEBIED VAN DE GROTE MEREN IN AFRIKA - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"1. De Raad heeft de situatie in het gebied van de Grote Meren besproken. Ondanks een aantal positieve ontwikkelingen blijft de Raad zich zorgen maken over de algemene situatie in het gebied. De Raad heeft alle partijen opgeroepen de verplichtingen die zij krachtens de vredes­akkoorden hebben, te eerbiedigen en na te komen, en heeft alle landen opgeroepen te waar­borgen dat hun grondgebied niet wordt gebruikt om de soevereiniteit van andere landen te schenden.

2. De Raad benadrukte dat de verbetering van de veiligheidssituatie in het gebied van de Grote Meren, vooral in het grensgebied van de DRC, Rwanda, Burundi en Uganda onder de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van alle betrokken landen valt en van essentieel belang is voor het vredesproces in Burundi en de DRC.

3. De Raad heeft verheugd gereageerd op de aanneming van Resolutie 1565 van de VN-Veilig­heidsraad, die het mandaat van MONUC verder versterkt en oproept tot een forse verruiming en verbetering van de vermogens van MONUC, zodat MONUC de haar opgedragen belang­rijke taken kan vervullen. De Raad heeft in dit verband gewezen op de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap, waaronder de regionale actoren, om het vredesproces in de DRC ten volle te steunen.

4. De Raad heeft zijn conclusies van september over EU-steun aan inspanningen van de VN om MONUC te versterken bevestigd, en benadrukt dat de Europese Unie en haar lidstaten momenteel bezien welke bijdragen zij aan MONUC zouden kunnen leveren, waarbij de aandacht in het bijzonder uitgaat naar het specifieke verzoek in het derde verslag van de secretaris generaal van de VN over MONUC. In dit verband zal de EU onder meer EU-steun verlenen aan MONUC via toegang tot SATCEN-vermogens.

5. De Raad heeft de bevoegde Raadsinstanties verzocht om op basis van aanwijzingen van de lidstaten en in nauw overleg met de relevante VN-instanties een "clearing house"-procedure te starten, teneinde via een gecoördineerde Europese respons de vermogens van MONUC te versterken en daarover in november aan de Raad verslag uit te brengen. Bovendien heeft de Raad de bevoegde Raads­instanties verzocht verschillende mogelijkheden te onderzoeken voor een EU-respons, mede via het EVDB, op het gebied van politieopleiding en hervorming van de beveiligingssector, waaronder de integratie en de opleiding van het leger.

6. De Raad heeft zijn volle steun gegeven aan de conclusies van de recente bijeenkomst van de landen die lid zijn van het CIAT in New York. De Raad heeft tevens verheugd gereageerd op de instelling van het gemeenschappelijke verificatiemechanisme van de DRC en Rwanda en heeft de hoop uitgesproken dat dit mechanisme de partijen zal helpen bij hun inspanningen om het vredesproces niet te laten ontsporen door sabotagedaden, en dat het in nauwe samen­werking tussen de partijen en MONUC een basis kan bieden om de problemen op te lossen. De Raad heeft benadrukt dat er krachtig moet worden opgetreden tegen de strijdkrachten van de ex FAR/Interahamwe in Oost-Congo. De Raad heeft de regering van de DRC verzocht in coördinatie met MONUC een strategie voor dit probleem uit te stippelen en uit te voeren.

7. De Raad heeft wederom toegezegd president Ndayizeye van Burundi ten volle te zullen steunen in zijn streven het vredesakkoord van Arusha uit te voeren en als prioriteit een refe­rendum te houden over de ontwerp-grondwet, waarop snel verkiezingen moeten volgen. De Raad heeft het belang benadrukt van de rol van ONUB bij het organiseren van verkiezingen in Burundi. De Raad heeft alle bij het vredesproces in Burundi betrokken partijen opgeroepen zich ten volle te blijven inzetten voor het overgangsproces dat als doelstelling in het vredes­akkoord van Arusha is opgenomen.

8. De Raad heeft alle partijen en groeperingen in Burundi met klem verzocht tot een akkoord te komen over een beperkte en doelgerichte verlenging van de overgangsperiode en af te zien van iedere actie die tot spanning of geweld kan leiden. In dat verband heeft de Raad alle partijen opgeroepen met ONUB samen te werken, werk te maken van een spoedige ontwape­ning, demobilisatie en reïntegratie (DDR) en snel een einde te maken aan de vijandelijkheden."



ICTY

De Raad heeft een gedachtewisseling gehouden met de hoofdaanklager van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY), mevrouw Carla del Ponte (zie hierna, in het gedeelte betreffende het ICTY in de conclusies betreffende de Westelijke Balkan).

*

* *


De Raad heeft tevens zonder bespreking een gemeenschappelijk standpunt en een verordening aan­genomen, waarbij alle geldmiddelen en tegoeden die toebehoren aan de door het ICTY in staat van beschuldiging gestelde personen Ante Gotovina, Radovan Karadzic en Ratko Mladic, worden bevroren (zie mededeling aan de pers "Algemene Zaken", 12767/04 Presse 275).

WESTELIJKE BALKAN - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:



"SAMENWERKING MET HET INTERNATIONAAL STRAFTRIBUNAAL VOOR HET VOORMALIGE JOEGOSLAVIË (ICTY)

De Raad heeft met grote bezorgdheid nota genomen van de presentatie die de hoofd­aanklager van het ICTY, mevrouw Carla del Ponte, vandaag gaf en waarin zij benadrukte dat er beter met het Tribunaal moet worden samengewerkt. De Raad herinnerde aan de verbintenis die de landen van de regio tijdens de bijeenkomst van het forum van de Westelijke Balkan op 9 december 2003 zijn aan­gegaan, namelijk "volledige en ondubbelzinnige samenwerking met het ICTY, met name inzake de overdracht aan Den Haag van de beklaagden die nog op vrije voeten zijn, en toe­gang tot docu­menten en getuigen". De Raad herhaalde zijn oproep tot alle staten, in het bijzonder Servië en Montenegro, Bosnië en Herzegovina, en ook Kroatië, om het ICTY alle nodige bijstand te verlenen, met name om Ratko Mladic, Radovan Karadzic en Ante Gotovina en alle andere voortvluchtige beklaagden onverwijld voor het ICTY te brengen. De Raad kijkt uit naar het verslag dat de hoofd­aanklager van het ICTY, mevrouw Carla del Ponte, in november 2004 zal uitbrengen aan de Veilig­heidsraad van de Verenigde Naties. Een verder uitblijven van volledige en spoedige samen­werking met het ICTY zal de verdere toenadering tot de EU ernstig in gevaar brengen.



SERVIË EN MONTENEGRO

De Raad was verheugd over het resultaat van de missie van hoge vertegenwoordiger Solana en Commissielid Patten naar Belgrado. De Raad betuigde zijn steun voor de tweesporenaanpak, die één enkele stabilisatie- en associatieovereenkomst zal behelzen, waarbinnen aparte onder­hande­lingen met de Republieken zullen worden gevoerd over het handelsbeleid, het economisch beleid en eventueel het beleid op andere relevante gebieden. De Raad bevestigde zijn verbintenis ten aanzien van een versterkte statenunie van Servië en Montenegro op basis van het constitutionele handvest. De Raad toonde zich verheugd over het voornemen van de Commissie om de werkzaamheden ten behoeve van de uitvoerbaarheidsstudie over een stabilisatie- en associatieovereenkomst te hervat­ten. Hij drong er bij de politieke leiders van het land op aan de tweesporenaanpak te benutten om een bijdrage te leveren opdat de uitvoerbaarheidsstudie begin volgend jaar een positief resultaat zou hebben. Hij herinnerde eraan dat de nakoming van de internationale verplichtingen, waaronder volledige samenwerking met het ICTY, van cruciaal belang blijft voor de verdere vooruitgang in het proces inzake Europese integratie. In dit licht constateerde de Raad met voldoening dat de heer Beara zich recentelijk bij het ICTY heeft gemeld en sprak hij de hoop uit dat alle voort­vluchtige beklaagden aan Den Haag worden overgedragen.

De Raad was ingenomen met de door de regering van Servië op 8 september gedane toezegging dat zij de dialoog met alle etnische gemeenschappen zal intensiveren en ziet uit naar de uitvoering van deze verbintenis. De EU zal de ontwikkelingen ter zake blijven volgen.

SERVIË EN MONTENEGRO/KOSOVO

De Raad heeft van gedachten gewisseld over de komende parlementsverkiezingen in Kosovo op 23 oktober. Hij hoopt op vrije en eerlijke verkiezingen in een vreedzaam en democratisch klimaat, met de grootst mogelijke deelname van alle gemeenschappen. De Raad was ingenomen met de oproep van President Tadic die de Kosovo-Serviërs aanmoedigde om aan de verkiezingen deel te nemen, en hij sprak zijn tevredenheid uit over de daaropvolgende registratie van Kosovo-Servische partijen voor die verkiezingen.

De Raad benadrukte dat het van belang is dat op korte termijn een functionerende regering wordt gevormd, die zich ten volle inzet voor de uitvoering van de Normen voor Kosovo, om aldus de weg te effenen voor een positieve toetsing medio 2005. Hij herhaalde tevens dat hij groot voorstander is van een multi-etnisch Kosovo, dat de volledige bescherming van minderheden waarborgt, bijdraagt tot de stabiliteit van de regio en voldoet aan de waarden en normen van de EU."

*

* *



De Raad heeft tevens conclusies aangenomen betreffende de volgende aangelegenheden:

  • de verlenging met 12 maanden van de politiemissie van de Europese Unie in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (EUPOL "PROXIMA") (zie mededeling aan de pers "Algemene Zaken", 12767/04 Presse 275);

  • de goedkeuring van het operationeel plan voor de EUFOR-operatie Althea in Bosnië en Herzegovina (zie mededeling aan de pers "Algemene Zaken", 12767/04 Presse 275).

INDONESIË - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"De Raad wenste Susilo Bambang Yudhoyono geluk met zijn verkiezing tot President. De Raad complimenteerde Indonesië met de vreedzame verkiezingen, die overeenkomstig internationale normen zijn gehouden en werden gekenmerkt door een opmerkelijke opkomst; het democratisch hervormingsproces in Indonesië is hierdoor verder versterkt.

De Raad herhaalde dat hij hecht aan een verenigd, democratisch, stabiel en welvarend Indonesië. Hij herhaalde dat de EU de territoriale onschendbaarheid van de Republiek Indonesië eerbiedigt, en zich ervan bewust is dat het land een belangrijke partner is. De Raad is verheugd over de beleids­voornemens van Susilo Bambang Yudhoyono, met name waar het gaat om verdere economische en juridische hervormingen, en om de uitvoering van hervormingen in de veiligheidssector. De Raad is van mening dat een en ander zou bijdragen tot goed bestuur, versterking van het investeerders­vertrouwen en terugdringing van de armoede. De Raad moedigde de Indonesische Regering aan om daar waar conflicten bestaan of dreigen te ontstaan, vreedzame oplossingen te zoeken, en was verheugd over de verklaring van Susilo Bambamg Yudhoyono betreffende een toekomstige speciale autonomie voor Papoea en Atjeh. De Raad verzoekt de autoriteiten om aan internationale en niet-gouvernementele organisaties normaal toegang te verlenen tot de provincie Atjeh, en om voor diplomaten bezoeken ter plaatse mogelijk te maken. De Raad sprak de hoop uit dat de nieuwe President ten aanzien van alle aspecten van de mensenrechten verdere vorderingen zal doorvoeren. De Raad verklaarde opnieuw principieel tegenstander van de doodstraf te zijn, en hoopt dat de Indonesische Regering het feitelijke moratorium inzake de doodstraf opnieuw zal instellen.

De Raad bevestigde dat de EU tot een hechter partnerschap met Indonesië wenst te komen. Hij memoreerde de verbintenis van de EU ten aanzien van een verdere versterking van de politieke dialoog. De Raad stelde institutionalisering van een regelmatige politieke dialoog voor door middel van ontmoetingen met de ministeriële EU-Trojka.

De Raad beklemtoonde dat een duurzame economische ontwikkeling van belang is voor vorde­ringen in bovengenoemde sectoren. Het verheugde hem dat verdere ingrijpende economische hervormingen een prioriteit zijn van de Regering en hij bevestigde dat de EU bereid is dit streven te steunen.

De Raad verklaarde zich solidair met Indonesië in de strijd van dit land tegen het terrorisme, en erkende dat Indonesië zich daarbij geplaatst ziet voor ernstige uitdagingen. Hij herhaalde dat de Unie zich ertoe verbindt de Indonesische Regering te steunen bij de bestrijding van het terrorisme en betoonde zich verheugd over de oprichting van het centrum voor samenwerking op het gebied van de wetshandhaving in Jakarta. Hij herhaalde het aanbod van de EU inzake financiële en tech­nische bijstand ten behoeve van de strijd tegen het terrorisme.

De Raad beklemtoonde dat de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen op een duurzame basis moet plaatsvinden, zodat de diversiteit van de Indonesische natuur behouden blijft, mede in het belang van de toekomstige generaties.

De Raad verklaarde zich te willen verbinden tot bijstand aan de Indonesische Regering voor de verdere versterking van maatregelen om de armoede uit te roeien en een antwoord te vinden op humanitaire noden, onder meer de behoeften van binnenslands ontheemden.

De Raad bevestigde dat de EU bereid is de hervormingsinspanningen verder te steunen, vooral op het gebied van rechterlijke organisatie, wetgeving, goed bestuur, corruptiebestrijding, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en verlichting van de armoede. Hij riep op tot een nauwere coördinatie tussen de lidstaten en de Commissie bij het verlenen van bijstand om het hoofd te bieden aan de bovengenoemde uitdagingen. Deze samenwerking zal de rol van de Unie coherenter, doeltreffender en zichtbaarder maken.

Om het onderling begrip en respect tussen de burgers van de EU en Indonesië te vergroten, moedigde de Raad aan tot een brede dialoog van mens tot mens, culturele interactie en initiatieven tot contacten met parlementsleden, religieuze groeperingen en het maatschappelijk middenveld."

OEKRAÏNE - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"De Europese Unie beschouwd Oekraïne als belangrijk buurland en belangrijke partner die tevens een sleutelrol vervult in de regionale en mondiale veiligheid. De Unie steunt het streven van Oekraïne naar democratisering en economische hervormingen, erkent de Europese aspiraties van Oekraïne en is ingenomen met het vaste voornemen van Oekraïne om een nauwere samenwerking met de EU aan te gaan. De EU beklemtoont dat het versterken van de betrekkingen met Oekraïne in de eerste plaats afhankelijk blijft van een geslaagde omvorming van Oekraïne tot een democratische staat gegrond op de beginselen van de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden en de markteconomie. In dit verband herinnert de Raad aan het strategisch belang van het kader van het nabuurschaps­beleid voor de ontwikkeling van sterke betrekkingen met Oekraïne, voortbouwend op gedeelde waarden, zoals bepaald in de conclusies van de Raad van juni 2004.

De EU heeft de Oekraïense autoriteiten bij verschillende gelegenheden opgeroepen om ervoor te zorgen dat alle noodzakelijke voorwaarden zijn vervuld voor het houden van vrije, eerlijke en transparante presidentsverkiezingen in het najaar. De Raad herhaalt deze oproep, die hij laatstelijk heeft onderstreept in de verklaring van de EU van 29 september 2004 over de aanstaande verkie­zingen en de mediavrijheid, en herinnert de Oekraïense leiders eraan dat het houden van deze verkiezingen het bewijs zal vormen dat Oekraïne de democratische waarden van de Raad van Europa en de OVSE onderschrijft, en van grote betekenis is voor de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne.

Gelet op de omstandigheden waaronder de verkiezingscampagne tot dusver is verlopen, onderstreept de Raad dat voor een eerlijke en transparante campagne onafhankelijke media en vrijheid van meningsuiting van het allergrootste belang zijn.

De EU heeft zijn tevredenheid uitgesproken over de uitnodiging om de verkiezingscampagne en de verkiezingen te volgen. De EU-lidstaten zullen een passend aantal internationale waarnemers sturen.

De Raad dringt er bij Oekraïne op aan om ook binnenlandse waarnemers, waaronder niet-partij­gebonden waarnemers, de gelegenheid te bieden de presidentsverkiezingen te volgen.

De Raad verheugt zich tot slot op een nauwe samenwerking met een democratisch Oekraïne als belangrijke partner in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid."



DIVERSEN

  • EU-Mercosur

De Commissie heeft de Raad op verzoek van de Franse delegatie een korte toelichting verstrekt over de vooruitzichten van mogelijke verdere contacten op ministerieel niveau tussen de EU en Mercosur met betrekking tot de handelsaspecten van de onderhandelingen tussen de EU en Mercosur over een associatieovereenkomst.

  • Guinee-Bissau

De Raad nam nota van de opmerkingen van de Portugese delegatie over de recente gebeurtenissen in Guinee-Bissau en over de inspanningen die nodig zijn om bij te dragen tot het wegwerken van de spanningen.

EVENEMENTEN IN DE MARGE VAN DE RAAD

De volgende evenementen hebben plaatsgevonden in de marge van de Raad:



  • ondertekening van een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Tadzjikistan (zie mededeling aan de pers 13294/04 Presse 289);

  • zitting van de Associatieraad en politieke dialoog met Jordanië (zie het standpunt van de EU in mededeling aan de pers 13269/04 Presse 288).

ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN

zie mededeling aan de pers "Algemene Zaken" 12767/04 Presse 275.

PERS

Wetstraat 175 B – 1048 BRUSSEL Tel.: +32 (0)2 285 6319 / 6319 Fax: +32 (0)2 285 8026



press.office@consilium.eu.int http://ue.eu.int/Newsroom

12770/04 (Presse 276)



NL


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina