De evolutie van de financiële functie De opkomst van de Chief Financial Officer Erasmus Universiteit Rotterdam Faculteit der Sociale Wetenschappen Afstudeerrichting Arbeid, Organisatie & Management Auteur: Patricia Berkhof Studentnummer: 298307



Dovnload 340.12 Kb.
Pagina10/13
Datum20.08.2016
Grootte340.12 Kb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13

6.2 Groeiende afhankelijkheid van de Verenigde Staten


Nederlandse ondernemingen met zowel een beursnotering in Nederland als in de Verenigde Staten benoemden als eersten een CFO in de Raden van Bestuur. Nederlandse ondernemingen met alleen een beursnotering in Nederland volgden later als gevolg van het aandeelhouderswaarde denken. Dit, conform Fligstein ook wel “shareholder value conception of control” genoemd, is in Nederland gekopieerd vanuit de Verenigde Staten. Door externe adviseurs en aandacht in vakliteratuur werd het belang en het implementeren hiervan evenals de nood van een financiële man aan de top gepromoot in Nederland. Dit komt overeen met Fligsteins overtuigingskrachttheorie over het bezitten van een betere bedrijfsstrategie en de omgeving die dit gaat kopiëren. Er werd steeds meer belang gehecht aan waardecreatie, in vakjargon ook wel “value based management “ (VBM) genoemd. De brede aandacht in de publiciteit kwam in Nederland tien jaar later vanuit de Verenigde Staten “gewaaid”.

Een onderzoek naar de beleving van het nut van VBM bij de leden van Raden van Bestuur is al verricht voor de periode 1996/1997 (Baas, De Graaff, Hosman, Steens en Steenvoorden, 1998: op managementsite.nl). Onderzocht is in hoeverre ondernemingen gestuurd worden in waardecreatie van aandelen. Het bleek dat 90% van de 22 ondervraagde Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen het begrip aandeelhouderswaarde kennen en juist het belang van het creëren hiervan onderkennen. Zij achten het zelfs noodzakelijk om de continuïteit van de onderneming te waarborgen. In Fligsteins termen derhalve een “conception of control”.

Grote financiële adviseurs, zoals PricewaterhouseCoopers, promoten dit op hun website en geven eventuele ondersteuning bij implementatie aan. Vakgerelateerde websites schreven over VBM, zoals de Managementsite. Een voorbeeld is een artikel van Steens en Baas ( april 1998):

In Nederland staan de traditionele besturingsconcepten, die gericht zijn op het vergroten van de nettowinst van de onderneming, de groei van de winst per aandeel of het boekhoudkundige rendement ter discussie. Naast het ervaren verschil tussen de feitelijke prestaties van de onderneming enerzijds en het door de boekhoudkundige regels gedomineerde winstbegrip anderzijds, neemt tevens de druk van de aandeelhouders en de financiële markten toe om de economische waarde van de onderneming te maximaliseren. Een groeiend aantal ondernemingen kiest daarom steeds vaker voor een besturingsconcept dat gericht is op het vergroten van de economische waarde…..”

Naast vakliteratuur uit de Verenigde Staten ontstond ook vakliteratuur in Nederland, onder andere boeken van prof.dr. J.F.M.G. Bouwens, prof.dr. L.A.G.M. van Lent en ir. E. Urff. Ondernemingen gingen zich steeds meer richten op het creëren van aandeelhouderswaarde en trok een beleid van waardemanagement door in de organisatie. Philips heeft het beleid, naast de investeringsbeslissingen van de CEO en CFO, ook doorgevoerd in de dagelijkse operatie door middel van het implementeren van Economic Value Added. Ook het Financieel-Economisch Magazine promoot het belang (Hers, 1999):

Het is buitengewoon zinvol dat ondernemingen zich ook operationeel op EVA gaan richten. Het dwingt managers in vele lagen van de onderneming zich rekenschap te geven van enkele belangrijke zaken die voorheen onvoldoende aandacht kregen.”



Naast Philips werd het denken in waardecreatie door meerdere ondernemingen tot uitvoering gebracht door middel van het implementeren van EVA (Economic Value Added) binnen de onderneming. EVA is een methode om de financiële prestaties van een onderneming te berekenen op basis van de gecreëerde waarde per aandeel. In een woordenboek voor managers (12manage.nl) staat dat EVA is ontwikkeld om managers te helpen de 2 basisprincipes van financiën mee te nemen in hun besluitvorming:

  1. Winstmaximalisatie voor aandeelhouders

  2. Het besef dat de waarde van een onderneming afhankelijk is van de verwachtingen van de investeerders

Ondernemingen zoals Ahold, Unilever, Vendex, Heijmans en DSM (Urff, 2001) hebben EVA geïmplementeerd.

Met de ontwikkeling van VBM en de implementatie en promotie van EVA zie je duidelijk de verschuiving van de financiële functie van boekhouder op de achtergrond naar een CFO op de voorgrond. Nederlandse ondernemingen nemen hiermee het creëren van aandeelhouderswaarde als leidend principe, als conception of control, over uit de Verenigde Staten.

De CFO heeft als taak te kijken naar de toekomst. Institutionele beleggers hebben geen interesse in cijfers uit het verleden, maar kijken naar de toekomstverwachtingen. Een onderneming moet wel conform het “shareholders concept of control” worden bestuurd. Institutionele beleggers en analisten toetsten de ondernemingen op hun aandeelhouderswaarde. Door het creëren van aandeelhouderswaarde wordt bij beleggers de verwachting gewekt dat er in de toekomst betere prestaties komen. Dit kan natuurlijk ook averechts werken, het vertrouwen verliezen.

In de tijd dat leiding en eigendom van de onderneming in handen waren van de familie, werden verliezen langer geaccepteerd. Ondernemingen worden er nu op afgerekend. Ondernemingen die geen waarde creëren zijn nu slachtoffer van fusies, overnames of ontmantelingen. Bijvoorbeeld de ontmanteling van Nedlloyd en de fusie van Pakhoed en Van Ommeren (Hers, 1999). Jaarlijks publiceert het Financieel Dagblad en het Financieel-Economisch Magazine een rangschikking van prestaties van Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen op basis van aandeelhouderswaarde. Het is een maatstaf geworden.


7. Conclusie

7.1 Onderzoeksresultaten versus hypothesen


Voorafgaand had ik hypothesen geformuleerd waarvan ik verwachtte dat deze in mijn onderzoek konden worden bevestigd. De conclusies:

Hypothese één: Alle Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen hebben in de loop van de jaren een CFO als lid van de Raad van Bestuur gekregen. Hiermee heeft de financiële functie een transformatie ondergaan naar business partner binnen een onderneming.
Dit is bijna correct. De CFO is vanaf 1987 opgekomen en in 2008 had 96,6% een CFO in de Raad van Bestuur. De CFO is een business partner geworden in de beslissingen van de CEO.

Hypothese twee: De opkomst van de CFO is te verklaren doordat de Rijnlandse ondernemingsstructuur steeds meer plaats maakt voor de Angelsaksische.
Dit is correct. Een financiële man aan de top van de onderneming werd nodig omdat we door internationalisering van de kapitaalmarkt plaats maken voor een Angelsaksisch ondernemingsstructuur. Nederland kent, conform het Rijnlandse model, nog steeds een netwerk, maar het netwerk begint wel een andere vorm te krijgen. Het ‘old boys’ netwerk is steeds meer aan het verdwijnen. Nederlandse ondernemingen zijn gefocust op de winst per aandeel en prestaties worden meetbaar gemaakt. De CFO werd nodig om de onderneming op cijfers te kunnen sturen. De Nederlandse onderneming heeft niet alle kenmerken van een Angelsaksische onderneming. Nederland kent nog steeds een Raad van Commissarissen en geen monistische bestuursstructuur. Dit is misschien wel aan het veranderen.

Hypothese drie: Door het aandeelhouderswaardedenken werd een financiële man aan de top nodig om de aandeelhouders de benodigde informatie te voorzien.
Dit is correct. De CFO is nodig om de onderneming op basis van de prestaties van de winst per aandeel en zijn verwachtingen te presenteren aan de aandeelhouders. Dit is een belangrijke taak van de CFO.

Hypothese vier: Grote Nederlandse ondernemingen hebben het aanstellen van een CFO gekopieerd van de Verenigde Staten.
Dit is correct. Sinds de Tweede Wereldoorlog neemt Nederland ondernemingsstrategieën over uit de Verenigde Staten. Als klein land is Nederland ook gebonden aan de internationale veranderingen en moet zich aanpassen om te blijven concurreren. De focus op de ‘core business’ in plaats van een gediversifieerd portfolio werd uit de Verenigde Staten overgenomen. De nood van een CFO in de Verenigde Staten hebben Nederlandse ondernemingen met een beursnotering in de Verenigde Staten als eersten overgenomen. Daarna volgde de rest in Nederland.


1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina