De evolutie van de financiële functie De opkomst van de Chief Financial Officer Erasmus Universiteit Rotterdam Faculteit der Sociale Wetenschappen Afstudeerrichting Arbeid, Organisatie & Management Auteur: Patricia Berkhof Studentnummer: 298307



Dovnload 340.12 Kb.
Pagina5/13
Datum20.08.2016
Grootte340.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

4. Ontwikkelingen in het Nederlandse bedrijfsleven in de twintigste eeuw


Om de opkomst van de CFO in Nederland te verklaren, is het van belang de onderneming te bestuderen zoals Fligstein dit heeft gedaan in de Verenigde Staten. Door het Nederlandse bedrijfsleven en de ondernemingen te bestuderen als één veld, waarin verschillende actoren afhankelijk zijn van elkaar en die hierdoor invloed uitoefenen op de strategie van een onderneming, kan aan de hand van de keuze van strategieën van verleden naar heden de opkomst van de CFO verklaard worden.

In het Nederlandse bedrijfsleven zijn bij de grote Nederlandse ondernemingen de volgende vier periodes (Sluyterman: 2003) te onderscheiden en aan elke periode heb ik de conception of control over die periode gekoppeld:



  1. Periode 1895 tot 1914: Netwerken van familiebedrijven als conception of control.

  2. Periode 1914 tot 1945: Kartelvorming als conception of control.

  3. Periode 1945 tot 1975: Fusies, overname en een gediversifieerde portfolio als concept of control.

  4. Periode 1975 tot 2000: Shareholder value als conception of control.

De vier conceptions of control zullen in de volgende paragrafen nader omschreven worden. Alle vier de ontwikkelingen zijn padafhankelijk en de componenten zijn overlappend. Ze omschrijven alleen wat er in de desbetreffende periode centraal staat bij de ondernemingen. Deze blijken net als in de Verenigde Staten in de verschillende periodes elkaars gedrag te kopiëren.

Een belangrijk aspect in alle periodes van het Nederlandse bedrijfsleven is dat Nederland een open en kleine economie heeft. Nederland is sterk afhankelijk van internationale ontwikkelingen en beschikt als klein land niet over de positie de ontwikkelingen te beïnvloeden. De leiders van ondernemingen besluiten over de strategie hoe de onderneming kan continueren en reageren op economische en/of politieke veranderingen door de strategie daarop aan te passen.


4.1 1895-1914: netwerken van familiebedrijven


In de periode 1895 tot 1914 ontwikkelde de wereldeconomie zich sterk en werd deze ook wel de Tweede Industriële revolutie genoemd. Door technische ontwikkelingen werden namelijk schaalvoordelen mogelijk gemaakt. De Verenigde Staten liep hierop voor met haar industriële grootbedrijven. Deze ondernemingen brachten veranderingen met zich mee en volgens Chandler (Sluyterman, 2003: 27) was het belangrijk dat de ondernemingen investeerden in productie, distributie alsmede het management. Het investeren in distributienetwerken door ondernemingen was nodig om zeker te zijn van voldoende aanvoer grondstoffen om de productie draaiende te houden en zo maximaal te kunnen profiteren van de schaalvoordelen. Ondernemingen groeiden hard door zowel horizontale en verticale integratie, via interne groei en fusies. Daarnaast vond een scheiding van eigendom en leiding plaats. Met de opkomst van de Industriële grootbedrijven werd massaproductie en massaconsumptie mogelijk gemaakt.

Ook Nederland ondervond een economische bloei, maar niet zo groot als in de Verenigde Staten. De Nederlandse economie was een open economie en een beleid van vrije handel van verkeer werd gehanteerd door de overheid.

Het succes van Nederlandse ondernemingen werd echter niet bereikt door een scheiding van leiding en eigendom. Nederlandse ondernemingen stonden nog steeds onder leiding van de familie. De Nederlandse economie was kleinschalig en open en moest leunen op zowel import als export.

Anders dan Chandlers theorie, bleken de familieondernemingen succesvol te zijn in Nederland. Chandler beweert namelijk dat ondernemingen die geleid worden door professionele managers succesvoller zijn.

Families spreidden hun risico door te investeren in nieuwe ondernemingen in plaats van in verticale integratie. Verticale integratie wil zeggen dat de ondernemingen meerdere stappen in de productieketen op zich neemt, bijvoorbeeld het vervoeren naast het produceren van het product. In Nederland richtten de families liever afzonderlijke ondernemingen op, die binnen familienetwerken bleven. De families vormden de belichaming van de onderneming. Dat zie je al aan de naam van de onderneming, die dikwijls overeenkwam met de naam van de familie. Deze ondernemingen hadden een sterk kenmerk, namelijk dynamisch leiderschap (Sluyterman, 2003: 49). De leider van een dergelijke onderneming zat voor een langere tijd op dezelfde plek, waardoor de zichtbaarheid van hem (en de familie) versterkt werd.

Anders dan in de Verenigde Staten gaf Nederland de voorkeur aan management op basis van familiebanden. Het scientific management van Taylor om de productiviteit en kapitaal te verhogen was wel bekend in Nederland, maar Nederlandse ondernemingen toonden weinig interesse hierin. Zij gaven de voorkeur aan productieve technologie en aan de interne organisatie om meerdere markten te betreden (Sluyterman, 2003: 52).

Het aanboren van deze markten vond zowel in het binnenland als in het buitenland plaats. Door het openstellen van de grenzen door de regering van de Nederlands Indische kolonie, werd het mogelijk voor de ondernemers om daar nieuwe markten aan te boren. Het opvallende is dat ook in Nederlands-Indië het ondernemen gekenmerkt werd door een informeel netwerk van familie en vrienden in plaats van geïntegreerde ondernemingen. Ook al leken het losstaande bedrijven, er ontstonden dubbelfuncties in ondernemingen tussen de kolonie en de moederland netwerken.

Er waren nog geen industriëlen. De bestuurlijke netwerken bestonden voornamelijk uit bankiers, scheepvaartmaatschappijen en handelaars. De zware industrie was nog afwezig. Nederland had een paar grote ondernemingen, maar tussen 1895 en 1914 waren er voornamelijk kleine en middelgrote ondernemingen. Ze waren wel internationaal gericht en de Nederlandse economie bleef voortbestaan door import, export en buitenlandse technologie. Door een afzijdige houding van de Nederlandse overheid werd de internationale markt aantrekkelijk. Er ontstond een netwerk van hechte zakenrelaties bestaande uit veelal familieverbanden. Nederland beschouwde zichzelf als een middelgrote politieke macht. Het familiebedrijf was in Nederland de meest voorkomende ondernemingsvorm.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina