De evolutie van de financiële functie De opkomst van de Chief Financial Officer Erasmus Universiteit Rotterdam Faculteit der Sociale Wetenschappen Afstudeerrichting Arbeid, Organisatie & Management Auteur: Patricia Berkhof Studentnummer: 298307



Dovnload 340.12 Kb.
Pagina7/13
Datum20.08.2016
Grootte340.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13

4.4 1975 tot 2000: Shareholder value maakt haar intrede


De afhankelijkheid van de internationale economische conjunctuur werd duidelijk tijdens de oliecrisis in 1973. Een economische inzinking volgde daarop.

Diversificatie strategieën leken voor ondernemingen waardevol voor risicoverspreiding, maar de crisis raakte alle sectoren waardoor het voordeel van spreiding in de portfolio van ondernemingen geen nut had. Daarnaast leidde de diversificatie in de portfolio tot hogere transactiekosten. De ondernemingen voelden de concurrentie van kleinere gespecialiseerde ondernemingen. Tot slot was het voor de directie bij gediversifieerde bedrijven onmogelijk om over alle kennis te beschikken van alle onderedelen binnen de portfolio en konden zij hierdoor moeilijke inschattingen maken bij overnames.

Familiebedrijven en kleinere bedrijven werden weer meer gewaardeerd. Zij waren bereid verliezen te accepteren om het bedrijf te behouden en beschikten over veerkracht om de recessie beter te doorstaan.

De crisis duurde voort tot 1982 en betekende ook meteen een einde aan de groei van grote geïntegreerde industriële ondernemingen (Sluyterman, 2003: 258). De ondernemingen moesten flexibeler worden om beter aan te sluiten aan externe veranderingen en sneller te reageren op uitdagingen op de markt. Vooral met de toenemende concurrentie en de opkomst van de informatietechnologie was de globalisering een feit. De term globalisering ontstond in de jaren tachtig en Theodore Levitt gebruikte deze term in 1983 als één van de eersten om aan te duiden dat globalisering zowel een belofte is als een bedreiging (Sluyterman, 2003: 238):

A Powerful force drives the World toward a converging commonality, and that force is technology. (…) The result is a new commercial reality – the emergence of global markets for standardized consumer products on a previously unimagined scale of magnitude. (…) Gone are accustomed differences in national or regional preference. Gone are the days when a company could sell last year’s models – or lesser versions of advanced products – in the less developed World. And gone are the days when prices, margins, and profits abroad were generally higher than at home. The globalization of markets is at hand.”

De lidstaten van de Europese Gemeenschap kwamen op economisch gebied steeds dichter bij elkaar en vormden een geliberaliseerde interne markt in 1992. Hiermee waren er geen handelsbelemmeringen meer tussen de lidstaten.

Flexibiliteit van een onderneming werd erg belangrijk door de toenemende concurrentie. Hierdoor begonnen industriële ondernemingen meer de nadruk te leggen op kwaliteit. Activiteiten die niet vielen onder de core business werden afgestoten of uitbesteed. De strategie van gediversifieerde bedrijven werd ingeruild voor een strategie overgenomen vanuit de Verenigde Staten, namelijk het focussen op de kernactiviteiten van de ondernemingen. Een strategie van inversificatie volgde. De belangrijkste instrumenten om de nieuwe strategie ten uitvoer te brengen waren acquisities op horizontaal niveau en selectieve afstotingen binnen de ondernemingen en binnen het deel wat geacquireerd was. Fusies en overnames waren nog steeds erg belangrijk om kostenbesparingen, verhoging van de efficiency door schaalvergroting en de strategie te realiseren. Dit alles om internationaal te kunnen concurreren.

Banken speelden nog steeds een belangrijke rol in lange termijn financiering, maar door een hoge rentestand in de jaren zeventig werd financiering door banken minder aantrekkelijk en eerder een last. Ondernemingen keerden terug naar het uitgeven van aandelen voor financiering en veel aandeelhouders waren institutionele investeerders.

In de periode 1975-2000 kregen aandeelhouders langzaam maar zeker meer invloed. Aandeelhouders kregen in de jaren tachtig weinig winst uitgekeerd of aandelen werden waardeloos omdat ondernemingen failliet gingen. Aandeelhouders konden de verliezen alleen aanzien en hadden op dat moment geen invloed op de strategieën van een onderneming, omdat bij aandelenuitgifte het stemrecht werd ondergebracht bij een bevriend administratiekantoor van de onderneming. Het was de Raad van Commissarissen die een sterke positie bezat en de invloed van aandeelhouders beperkten (Sluyterman, 2003: 271). In Nederland kennen wij, anders dan in Verenigde Staten, een Raad van Commissarissen boven een Raad van Bestuur, ookwel een dualistisch bestuursstructuur genoemd. In de Verenigde Staten kent men alleen een monistisch bestuursstructuur, namelijk alleen een Raad van Bestuur.

De waarde van de aandelenkoersen werd echter belangrijker en hierdoor kregen aandeelhouders indirect steeds meer invloed. Zij waren bijvoorbeeld nodig om grote fusies te realiseren. De focus van een onderneming werd in Nederland, net als in de Verenigde Staten, het creëren van aandeelhouderswaarde. Door het verschaffen van financiële informatie hoopten zij dat de aandelen zouden stijgen.

Net zoals Fligstein het aandeelhouderswaardedenken voor de Verenigde Staten aantoont, toont Sluyterman dit aan voor Nederlandse ondernemingen. De aandelenkoers werd een graadmeter voor het succes van een onderneming en dit heeft in de Verenigde Staten tot de opkomst van de CFO geleid.

Met de komst van het aandeelhouderswaardedenken werd voor het Rijnlandse model in Nederland steeds meer plaats gemaakt voor het Angelsaksische model. Omdat dit een belangrijke verandering is in het bedrijfsleven en de opkomst van de CFO zou kunnen verklaren, heb ik de modellen nader uitgewerkt.

Het Rijnlandse model gaat ervan uit dat in een vrije markt het individu niet volledig geïnformeerd wordt en hierdoor niet altijd rationele, gecalculeerde beslissingen maakt. Het model richt zich daarom op een actieve overheid en instituties die informatie verstrekken en ingrijpen in de economie. De kracht van het collectief denken wordt hier onderkend en door middel van sociale zekerheidsstelsels worden minderheden gesteund door de samenleving. De overheid speelt een actieve rol en dient te zorgen voor sociale zekerheid. De economie in de Rijnlandse samenleving kenmerkt zich daarom door veelvuldig overleg tussen overheid, vakbeweging en werkgeversorganisaties alsmede collectieve arbeidsovereenkomsten, regulering door de overheid en controlerende instanties, meer staatsbedrijven en vakbonden.

Tegenover het Rijnlandse denken staat het Angelsaksische denken. De klassieke denkbeelden van het liberalisme staan hier centraal en dot model vindt de wortels in de samenleving van Verenigde Staten en Groot-Brittannië.

In plaats van het collectief denken, staat hier winstmaximalisatie op individueel niveau centraal. Concurrentie en macht zijn belangrijk. Termen als “living the American dream’ en “the winner takes it all” geven al aan dat in de Verenigde Staten het uitgangspunt is dat iedereen die hard werkt kan profiteren van economisch gewin. Als individu krijg je hiervoor de vrije hand. Staatsinterventie moet zo gering mogelijk zijn om vrije marktwerking te bewerkstelligen (Bakker, Evers, Hovens, Snelder en Weggerman, 2005).

Het Angelsaksische model steunt op competitie en de krachten van vraag en aanbod. De markt wordt gezien als een spontane orde en is gebaseerd op duizenden individuele keuzen. In dit model streeft men naar een zo laag mogelijke overheidsinterventie om de spontane markt niet te beïnvloeden. Dit is gebaseerd op de neoklassieke theorie, waar men uitgaat van nutsmaximalisatie en calculeerbaarheid. In plaats van harmonie, staat competitie hier centraal. Het individu krijgt hier meer kansen, maar loopt ook een groter risico. Niet elk individu heeft de mogelijkheid mee te gaan in het streven naar economisch gewin. Minderheden worden aan hun lot overgelaten.

Nederland heeft door haar veelvuldige kartelvorming en collectieve voorzieningen dezelfde theoretische fundering als het Rijnlandse model. Maar Nederland heeft wel minder regulering en overheidsbemoeienis met de economie dan in het Rijnlandse model. Het belangrijkste kenmerk van de Nederlandse economie is haar overlegmodel, ook wel ‘poldermodel’ genoemd. Er vindt een structureel overleg plaats tussen vakbonden, de overheid en het bedrijfsleven. Het model vond zijn basis door de totstandkoming van het ‘Akkoord van Wassenaar’ in 1982 tussen werkgevers en werknemers.

Wim Kok (FNV, links) en Chris van Veen (VNO) na de ondertekening van het historische Akkoord van Wassenaar, in 1982.


Bron:© FOTO ANP 28 februari 2009 www.trouw.nl

Werkgevers en werknemers hadden een gezamenlijk doel, namelijk het herstellen van de werkgelegenheid. Door overleg en consensus ontstond het ‘akkoord’ tot loonkostenmatiging. De overheid speelde hier ook een rol door het herzien van het sociale zekerheidsstelsel en het beheersen van de collectieve uitgaven.

Deze wijzigingen, voortgekomen uit overleg en consensus, hebben bijgedragen aan de groei van de Nederlandse economie. Het poldermodel krijgt echter meer overeenkomsten met het Angelsaksische model. Steeds meer overheidstaken zijn aan privatisering onderhevig, bijvoorbeeld de spoorwegen, nutsbedrijven en het zorgstelsel dat in 2006 is aangepast.

Ook Hall en Gingerich (Touwen, 2006) constateerden een verandering veroorzaakt door de privatisering, flexibilisering van de arbeidsmarkt en deregulering van de economie. Het opvallende is dat deze veranderingen ingebed zijn in de bestaande omgeving waar alles door overleg en consensus tot stand is gekomen. Dat de inbedding mogelijk is, heeft te maken met de eigenschappen van de kleine en open economie van Nederland, waardoor Nederland genoodzaakt is het beleid te veranderen om de internationale concurrentiekracht bij te kunnen benen.

Om dit verder te beschrijven heb ik als referentiekader de theorie van de ‘varieties of capitalism’ van Hall en Soskice (Touwen, 2006) gebruikt, omdat zij rekening houden met omgevingsfactoren. De theorie van ‘varieties of capitalism’ kent twee ideaaltypen van vrije markteconomieën, namelijk;


  • De ‘Liberal Market Economy’ (LME). De LME heeft een sterk liberaal karakter waar de focus ligt op competitie, vrije marktwerking zonder overheidsbemoeienis. Concurrentie en kortetermijnwinst staan hier centraal. De markt, met haar vraag en aanbod, zorgt hier voor coördinatie. De LME is gebaseerd op de Verenigde Staten en is vergelijkbaar met het Angelsaksische classificatiemodel.

  • De ‘Coordinated Market Economy’ (CME). Bij de CME ligt de nadruk niet alleen op vraag en aanbod. Contacten tussen bedrijven vinden ook plaats door een focus op lange termijn relaties, netwerken, samenwerken en vertrouwen. Dit samen coördineert de vrije markt. CME is gebaseerd op Duitsland. De CME is te vergelijken met het Rijnlandse classificatiemodel.

De theorie van Hall en Soskice draait niet alleen om de economie van een land te rangschikken in een ideaaltype. Het is tevens een verklaringsmodel voor het ontstaan daarvan, waarbij de padafhankelijkheid van economische ontwikkelingen een grote rol speelt. Om deze economische ontwikkelingen te verklaren wordt er verband gelegd tussen het gedrag van de ondernemingen en de institutionele omgeving waarin de onderneming is ingebed.

Ondernemingen binnen de theorie van ‘varieties of capitalism’ worden geanalyseerd door te kijken of zij hun coördinatieproblemen oplossen via de markt of via overleg.

Om dit te analyseren worden vijf institutionele deelgebieden (Touwen, 2006:77) onderscheiden, namelijk:


  1. Houding van ondernemingen versus vakbonden en overheid bij onderhandelingen over lonen en arbeidsomstandigheden: In LME landen draait het om winst op korte termijn en arbeidsvoorwaarden worden hierop afgestemd. Bij daling in omzet moet het bijvoorbeeld mogelijk zijn werknemers snel te ontslaan. In CME landen is de invloed van de overheid en de vakbonden groot en worden werknemers hiertegen meer beschermd.

  2. Investering van de ondernemingen in educatie van hun werknemers: Bij LME landen liggen de investeringen in educatie lager dan in CME landen, omdat de mobiliteit op de arbeidsmarkt groter is. Bij CME is de mobiliteit lager doordat er meer samenwerking is tussen bedrijven. Werknemers blijven langer bij een bedrijf en het wegkopen door de concurrentie is minder. CME landen investeren hierdoor ook meer in educatie van hun werknemers.

  3. Corporate governance van ondernemingen: De corporate governance van een onderneming hangt samen met de wijze van kapitaalaantrekking. Bij een LME land wordt het kapitaal voornamelijk aangetrokken via de beurs en hierdoor hebben aandeelhouders invloed op de corporate governance van een onderneming. Het draait hier om winst op korte termijn. In een CME land draait het juist om winst op lange termijn. Kapitaal wordt niet alleen via de beurs aangetrokken, maar ook via een netwerk.

  4. Netwerken van een onderneming: In een LME land is sprake van een concurrentie en formele juridische contracten tussen bedrijven. In CME landen is er sprake van samenwerking en vertrouwen. Daarnaast vormen de Raden van Commissarissen van ondernemingen een netwerk met elkaar.

  5. Houding van de onderneming ten opzichte van haar eigen werknemers: In een LME land is er sprake van een sterke hiërarchie en hebben werknemers weinig invloed op de besluitvorming. Hun inspanning wordt geprikkeld door incentives en persoonlijke targets. In een CME land worden werknemers meer betrokken bij besluitvorming en worden zo deelgenoot van de onderneming.

Hall heeft voor twintig landen in de periode 1990-1995 in samenwerking met Gingerich onderzocht waar landen op gecoördineerd zijn aan de hand van de volgende indicatoren: aandeelhoudersmacht, spreiding van de macht, omvang van de aandelenmarkt, wijze en mate van looncoördinatie en arbeidsmarktmutatie. Zij werkten met een schaal van 0 tot 1. Een 0 betekent een coördinatie op LME en de 1 een coördinatie op CME. De Verenigde Staten scoorde een 0 en Duitsland een 0,95.

Nederland kwam uit op 0,66. Touwen (2006) heeft dit verder onderzocht door de Nederlandse economie van 1950-2000 te bestuderen.



Indexcijfers voor de mate van coördinatie

Land

Coördinatie index Hall & Gingerich
(schaal 0-1)


Duitsland

0,95

Italië

0,87

België

0,74

Frankrijk

0,69

Nederland

0,66

Engeland

0,07

Verenigde Staten

0

Bron: Touwen, 2006:86

Uit het onderzoek kwam naar voren dat Nederland in verhouding tot de overige landen een CME land met ook LME kenmerken. De uitkomsten van de vijf institutionele deelgebieden zorgden voor dit gemiddelde. Op het gebied van arbeidsverhoudingen is Nederland sterk op overleg gebaseerd en daarom richting een CME land. Maar juist door het meenemen in de analyse van aandeelhoudersmacht evenals de omvang van de aandelenmarkt schuift Nederland richting LME. Er is sprake van een paradox. Het aandeelhouderskapitalisme is net als in de Verenigde Staten ook in Nederland aanwezig. Als je kijkt naar de corporate governance en netwerken tussen ondernemingen (deelgebieden drie en vier) zie je de verschuiving richting LME.

In het netwerk zijn namelijk veranderingen opgetreden. In Nederland bestaan, overeenkomend met het Rijnlandse model en hetgeen Sluyterman constateert, netwerken binnen ondernemingen door middel van dubbelfuncties, ook wel interlocks genoemd. Uit een onderzoek in de jaren zeventig van Helmers en Mokken (Heemskerk, 2007: 20) worden de interlocks bestudeerd van 86 Nederlandse ondernemingen.

Zij constateerden dat 84 ondernemingen verbonden waren door 873 interlocks en dit door 95 directeuren. Een grote clustering van macht waar de media zich op stortten. Het netwerk vormt een samenhangende clustering van ondernemingen en zijn bank georiënteerd. Deze verbindingen zorgen ervoor dat ondernemingen hun corporate governance niet alleen coördineren middels marktwerking maar ook door directe coördinatie via samenwerking. Het is een samenwerking tussen een bestuurselite.

Heemskerk heeft de laatste kwart van de vorige eeuw deze elite geanalyseerd en hij spreekt ook wel van een ‘Old Boys’ netwerk. Hoewel dubbelfuncties ook voorkomen in het Angelsaksische model, is er een groot verschil in de manier hoe de dubbelfuncties gebruikt wordt in Nederland. In Nederland worden de netwerken gebruikt om juist buiten marktwerking om de economische processen te coördineren. Het is een sturingssysteem voor zowel directe als indirecte coördinatie.

De bestuurselite vormt namelijk een gemeenschap die met regelmaat bijeenkomsten organiseert. Een dergelijk netwerk bestaat al sinds de opkomst van de naamloze vennootschap in Nederland. Uit onderzoek van de laatste kwart van de vorige eeuw blijkt echter een vermindering in het aantal dubbelfuncties en in de omvang van het bedrijfsbestuur. Bestuurders zijn nog wel verbonden, maar het duurzame netwerk die juist voor sturing van economische processen zorgde, is aan het verdwijnen. Het aantrekken van kapitaal verloopt steeds meer via de beurs. Door het verdwijnen van het "old boys" netwerk verschuift Nederland richting LME en krijgt de Nederlandse economie Angelsaksische trekken.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina