De evolutie van de financiële functie De opkomst van de Chief Financial Officer Erasmus Universiteit Rotterdam Faculteit der Sociale Wetenschappen Afstudeerrichting Arbeid, Organisatie & Management Auteur: Patricia Berkhof Studentnummer: 298307



Dovnload 340.12 Kb.
Pagina8/13
Datum20.08.2016
Grootte340.12 Kb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13

4.5 Samenvatting


Het Nederlandse bedrijfsleven kenmerkte zich tot 1930 voornamelijk door familieondernemingen waarbij eigendom en bestuur één zijn. Uit onderzoek naar de honderd grootste ondernemingen in 1930 in Nederland blijkt dat 61% een familieonderneming was of voortkwam uit een familieonderneming (Sluyterman en Winkelman, 1993). Ondanks dat de onderneming in juridisch opzicht geen familieonderneming meer was, bleven families een dominante positie behouden.

In 1960 neemt de scheiding tussen leiding en eigendom toe bij Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen (van Gerwen, de Goey en van Driel, 2005). Voor de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland haar eigen unieke bedrijfsleven met haar familieondernemingen, de kolonie en daarna haar kartelvorming in de moeilijke oorlogsjaren.

Na de oorlog ontstonden er veel invloeden van haar bevrijder, de Verenigde Staten. Nederland keek op naar de welvaart en begon ideeën van managementstrategieën uit de Verenigde Staten te adopteren.

In de jaren zeventig worden veel Nederlandse ondernemingen geleid vanuit het idee van de gediversifieerde portfolio. Als tijdens de recessie blijkt dat dit niet meer werkt, doet een focus op de ‘core business’ zijn intrede. Vanwege de hoge rentestand gaan bedrijven vaker aandelen uitgeven en krijgen aandeelhouders en in het bijzonder institutionele investeerders, een toenemende macht. Net als in de Verenigde Staten werd in Nederland vanaf de jaren negentig het tegemoet komen aan de verwachtingen van de aandeelhouders een kernelement in de strategie van ondernemingen. Het Rijnlandse model in Nederland maakt hierdoor plaats voor het Angelsaksische model.

Voor een groot deel van de twintigste eeuw is Nederland op basis van het poldermodel en daarmee haar CME kenmerken (zoals overlegcultuur, kartelvorming en consensus) een Rijnlands model te noemen. Overleg is een belangrijk aspect in de geschiedenis van het Nederlandse bedrijfsleven. Vanaf de jaren tachtig werd echter een beleid van privatiseren en dereguleren van de economie ingebed in een omgeving wat juist bestaat uit consensus. Deze ontwikkelingen hingen samen met de internationalisering en de Europese integratie die Nederland ondervonden heeft. Het opheffen van beperkingen op internationaal kapitaalverkeer vergroot daarom de behoefte aan liberalisering van de economie en aandacht voor concurrentie op internationaal niveau. Netwerken tussen grote Nederlandse ondernemingen, die zorgen voor het aantrekken van kapitaal buiten de beurs om, vallen uiteen en het aandeelhouderswaardedenken ontstaat.

5. Analyse: De Opkomst van de CFO in de Raden van Bestuur van Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen


Sluyterman (2003) constateerde vanaf de jaren negentig de komst van het aandeelhouderswaardedenken in Nederland. Een verandering die in de Verenigde Staten heeft geleid tot de opkomst van de CFO in het topmanagement. Naar aanleiding van hoofdstuk drie en vier heb ik de volgende hypothesen voor mijn vraagstelling geformuleerd:

  1. Alle Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen hebben in de loop van de jaren een CFO als lid van de Raad van Bestuur gekregen. Hiermee heeft de financiële functie een transformatie ondergaan naar business partner binnen een onderneming.

  2. De opkomst van de CFO is te verklaren doordat de Rijnlandse ondernemingsstructuur steeds meer plaats maakt voor de Angelsaksische.

  3. Door het aandeelhouderswaardedenken werd een financiële man aan de top nodig om de aandeelhouders van de benodigde informatie te voorzien.

  4. Grote Nederlandse ondernemingen hebben het aanstellen van een CFO gekopieerd van de Verenigde Staten.

Hoewel de opkomst van de CFO in Nederland niet eerder systematisch onderzocht is, is er wel enig onderzoek bekend waarin het onderwerp ter sprake komt. Icke, Mokken en Schijf (1997) onderzochten de samenstelling van de directie van de grootste Nederlandse ondernemingen tussen 1984 en 1993. Aanleiding voor het onderzoek was om de technische oordeelkundigheid van de directie te bepalen. Uit hun onderzoek kwam echter een groei van financiële specialisten naar voren. Zij constateerden toen al een verschuiving naar financieel rentmeesterschap. Namelijk, een lange termijn ondernemingsstrategie van productontwikkeling waarbij marktontwikkeling werd vervangen door een overwegend financiële overlevingsstrategie die meer gericht was op korte termijn winstmaximalisatie (Icke, Mokken en Schijf, 1997:61).

Ook ingewijden constateerden deze trend. In 1993 merkte de topman van Ahold, C. van der Hoeven, het volgende op:

De laatste jaren stoten financiële generalisten door in allerlei bedrijfstakken, waar tot voor kort de boekhouder in de top ondenkbaar zou zijn. Als je in een bepaalde bedrijfstak voldoende ervaring hebt opgedaan, kun je met bepaalde eigenschappen ook in een andere bedrijfstak omhoog komen. Financiële managers zijn tegenwoordig meer dan alleen Willy Wortels. De financiële man ziet in de uitoefening van zijn functie vreselijk veel. Het hele spectrum komt voorbij. Als hij daarnaast ook nog zekere persoonlijke eigenschappen heeft, zoals met mensen omgaan en leiding kunnen geven aan een team, is het niet gek dat hij op de hoogste plek terecht komt”. (geciteerd in Icke, Mokken en Schijf, 1997:60)

Om systematischer te bezien hoe deze ontwikkeling zich in Nederland voltrokken heeft, heb ik de volgende Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen uit de AEX-index of Midkap-index anno 2008 onderzocht (bijlage I):



Aalberts

DSM

Océ

Aegon NV

Fugro

Randstad

Akzo Nobel NV

Heijmans

Rodamco

Arcadis

Heineken NV

SBM Offshore

ASM International

ING

Shell

ASML

Imtech

Unilever NV

Bam groep

Koninklijke Ahold NV

Wavin

Boskalis

Koninklijke Philips Electronics

Wereldhave

CSM

Koninklijke Wessanen

Wolters Kluwer

Draka Holding

KPN




Van deze 29 Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen heb ik de samenstelling van de Raden van Bestuur geanalyseerd. Per onderneming heb ik uit haar jaarverslagen van 1993 tot 2008 genoteerd in welk jaar een CFO benoemd werd als lid van de Raad van Bestuur, met een uitzondering van Unilever en Philips. Hiervan komt mijn informatie uit het onderzoek van Icke, Mokken en Schijf (1996:61). Onderstaand de resultaten per onderneming:

Naam bedrijf

Jaar CFO in Raad van Bestuur

Aalberts

1999

Aegon NV

1997

Akzo Nobel NV

1998

Arcadis

2006

ASM International

1993

ASML

1995

Bam groep

2004

Boskalis

2006

CSM

2000

Draka Holding

2001

DSM

2006

Fugro

2001

Heijmans

2000

Heineken NV

2002

ING

1996

Imtech

2002

Koninklijke Ahold NV

1997

Koninklijke Philips Electronics

1992

Koninklijke Wessanen

2005

KPN

2000

Océ

2000

Randstad

2001

Rodamco

2004

SBM Offshore

2001

Shell

2003

Unilever NV

1987

Wavin

2003

Wereldhave

geen

Wolters Kluwer

2003

Uit de analyse blijkt dat in 1987 de eerste CFO lid werd van een Raad van Bestuur. Sindsdien is het aantal toegenomen en in 2008 had 96,6% van de onderzochte Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen een CFO als lid van de Raad van Bestuur.

Figuur 5 is een grafische weergave van de opkomst van de CFO in de Raden van Bestuur van Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen. Vooral vanaf 2000 groeide het aantal hard.

Figuur 5: Aantal van origine Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen (N = 29) met een CFO in de Raad van Bestuur (1987-2008).

Het percentage geeft aan dat in de laatste twee decennia van de vorige eeuw belangrijke wijzigingen hebben plaatsgevonden in de ondernemingsstructuur. De CFO is in vrij korte tijd een onmisbaar lid geworden van de Raad van Bestuur van beursgenoteerde ondernemingen.

Unilever was één van de eerste. Niall Fitzgerald werd in 1987 lid van de Raad van Bestuur en aangesteld als CFO. Fitzgerald heeft een belangrijke rol gespeeld in het uitvoeren van de ‘core business’ strategie van Unilever. Daarnaast onderhield hij de relaties met beleggers en investeerders en presenteerde hij de rendementsverwachtingen. Jim Lawrence heeft deze taken van hem overgenomen.

Bij de ING vervulde men de functie van bestuursvoorzitter eerst voornamelijk met commerciële mensen, maar in 1993 werd de financiële man, Aad Jacobs bestuursvoorzitter. Naast hem werd Cees Maas in 1996 CFO bij ING en benoemd als lid van de Raad van Bestuur. Hij werd verantwoordelijk voor de financiering van de onderneming en risicobeheer. Bij Philips werd Cor Boonstra in 1992 de CEO en was de eerste bestuursvoorzitter die van buiten de onderneming kwam. Aan hem werd de financiële specialist, Dudley Eustace, gekoppeld als CFO. Bij Shell werd in 1993 een registeraccountant, Cor Herkströter, bestuursvoorzitter. Toch had Shell pas in 2003 officieel een CFO als lid van Raad van Bestuur, namelijk Judy Boyton.

Bij Akzo Nobel wordt Fritz Fröhlich in 1998 CFO. Hij was al lid van de Raad van Bestuur als verantwoordelijke voor de divisie ‘Fibers’. De CFO-functie werd voorheen vervuld door Jean den Hoed. Hij was echter geen lid van de Raad van Bestuur, maar lid van de managent council. Fröhlich heeft in zijn rol als CFO een belangrijke bijdrage geleverd aan het succes van Akzo Nobel en heeft een leidende rol gehad in reorganisaties. Daarnaast onderhield hij de relaties met analisten en investeerders. In een interview met Fem Business (2004:7) geeft hij aan een Angelsaksische denkwijze te hebben.

Bij Ahold werd in 1997 Michiel Meurs benoemd als CFO en lid van de Raad van Bestuur. Voor zijn benoeming was hij bij Ahold directeur business development en directeur financiën.

In de jaarverslagen komt de verandering in de richting van financieel rentmeesterschap, zoals Icke, Mokken en Schijf constateerden, duidelijk naar voren.

De CFO heeft een transformatie ondergaan van scorekeeper naar strategisch business partner (figuur 6). De CFO is een risicobeheerser, hij is een resultaatvoorspeller en een resultaatverbeteraar (Conijn, 2005). Hij neemt deel aan het beslissingsproces van een onderneming en verricht een risico inschatting bij fusies of overnames. Hij onderhoudt de relatie met investeerders en dient aan de verwachtingen van institutionele investeerders en financieel analisten te voldoen.


Figuur 6: De CFO van scorekeeper naar business partner (Website PricewaterhouseCoopers)


Nu systematisch is weergegeven wanneer de CFO een positie heeft gekregen in de Raden van Bestuur, heb ik verder onderzocht hoe de opkomst van de CFO te verklaren is door middel van een schriftelijke vragenlijst onder CFO’s (zie hoofdstuk twee).

De respondenten (N=20) uit mijn onderzoek geven de volgende factoren aan welke geleid hebben tot de opkomst van de CFO:



a)Toename van invloeden vanuit de Verenigde Staten

85% van de respondenten geeft aan dat het Nederlandse bedrijfsleven plaats maakt voor Angelsaksische invloeden, waardoor de financiële verslaglegging van een onderneming belangrijk is geworden. 15% van de respondenten benadrukt dat de naam oorspronkelijk uit de Verenigde Staten komt. Dit komt overeen met wat Sluyterman constateert, namelijk dat Nederland strategieën kopieert van de Verenigde Staten.

Naar mijn mening komt dit door de toenemende globalisering welke begin jaren 80 begon. Hierdoor kwamen er kansen voor Nederlandse bedrijven om te groeien (Nederland heeft zelf maar een kleine thuismarkt) hetzij autonoom maar ook door overnames. Voor overnames was de toegang tot de kapitaal markt onontbeerlijk. Aandeelhouders waren alleen bereid in te stappen indien daar een goed rendement tegenover stond. Aandeelhouderswaarde werd voor ondernemingen steeds belangrijker door de steeds grotere noodzaak om toegang tot de kapitaalmarkt te krijgen. De kapitaalmarkten waren van oorsprong het verst ontwikkeld in de Angelsaksische landen. Daar was verantwoording afleggen aan de aandeelhouders al gebruikelijk en daardoor was er behoefte aan een financiële man naast de algemeen directeur. Derhalve was in de Verenigde Staten de CFO al een sturende functie; in Nederland nog slechts een aanleveraar van financiële informatie ten behoeve van de directie. Dit is met name in de laatste 10 jaar sterk veranderd.” aldus een respondent.

Het benoemen van de CFO heeft Nederland gekopieerd van de Verenigde Staten. Om dit te bezien ben ik nagegaan of er een verschil bestaat tussen ondernemingen die alleen in Nederland een beursnotering hebben en ondernemingen die ook in de Verenigde Staten aan de beurs genoteerd staan (figuur 7 en 8). Dit leverde een interessante kwestie op, namelijk ondernemingen met een beursnotering in de Verenigde Staten en Nederland benoemde als eersten een CFO en daarna volgden ondernemingen met alleen een beursnotering in Nederland.

Figuur 7 : Aantal CFO's bij ondernemingen met een beursnotering in Nederland in vergelijking met ondernemingen met een beursnotering in de Verenigde Staten en Nederland


Figuur 8: Totaal aantal CFO’s versus aantal CFO’s bij ondernemingen met een beursnotering in Nederland en ondernemingen met een beursnotering in de Verenigde Staten en Nederland.

Nederlandse ondernemingen met tevens een beursnotering in de Verenigde Staten, hadden al eerder behoefte aan een CFO als lid van de Raad van Bestuur om de aandeelhouders van de benodigde informatie te voorzien en gingen eerder over op financieel rentmeesterschap. Vanaf 2000 volgden de ondernemingen met alleen een notering op de Nederlandse beurs.



  1. Stijgende macht van (internationale) aandeelhouders

Toegang tot de kapitaalmarkt was noodzakelijk, maar de invloed van aandeelhouders werd wel groter. Als organisatie moet je er voor zorgen dat er een bepaalt rendement behaald moet worden. Dit is ook in het belang van aandeelhouders. Zonder aandeelhouders zijn er ook minder mogelijkheden voor het verkrijgen van kapitaal om verdere investeringen te doen” aldus een respondent.

75% van de respondenten geeft aan dat aandeelhouders belangrijker zijn geworden. Aandeelhouders eisten rendement op hun investering en de CFO speelt hierin een belangrijke rol. De macht van aandeelhouders is gestegen en de aandeelhouders zijn assertiever geworden. 60% van de respondenten geeft aan dat het internationaliseren van de kapitaalmarkt daar een rol in heeft gespeeld. Communicatie door middel van transparantie met de kapitaalmarkt is belangrijk. Bovendien hangt de waarde van een onderneming nauw samen met de wijze waarop de onderneming is gefinancierd. En financiering is het terrein van de CFO. Veel beleggers komen uit de Verenigde Staten en ondernemingen moeten aan hun verwachtingen voldoen om het internationale kapitaal aan te blijven trekken.

Een respondent: “Middels certificering van aandelen was de macht van bestuurders sterk en de invloed van de AVA stemrecht conform de wet was bij een (bevriend) administratie kantoor gelegd. Gebrek aan transparantie in het kader van besluitvorming zorgde voor een steeds grotere oppositie. De certificering werd niet toegepast in onder andere de Verenigde Staten en door middel van peergroups bleek dat Nederlandse ondernemingen minder presteerden. Uit universitair onderzoek bleek dat er vanwege onvoldoende rekening houden met de aandeelhouders de beurskoers achterbleef. De financiële ruimte voor overnames/ expansie was daardoor geringer en dit is ongewenst. Vermogen aantrekken middels uitgifte was minder succesvol indien sprake van certificaten ipv aandelen. Financiering en sturen op cash is door de economische kentering meer op de voorgrond gekomen. Door deze punten werd een financiële man nodig en zijn we de Verenigde Staten gaan volgen.”

Dit komt overeen met wat Sluyterman heeft geconstateerd met de opkomst van het aandeelhouderswaarde denken, zoals omschreven wordt in mijn themaverkenning van de Nederlandse bedrijfsgeschiedenis. Sluyterman benoemde het onderbrengen van het stemrecht bij een bevriend administratiekantoor en de oppositie van aandeelhouders die ontstond na enorme rendementsverliezen.

Aandeelhouders hebben meer macht gekregen en het creëren van waarde per aandeel werd een maatstaf voor de onderneming en haar aandeelhouders.

Waar voorheen op gevoel werd besloten, wordt nu tegengehouden om te kijken of er wel omzet gegenereerd kan worden. De prestaties en verwachtingen moeten eerst meetbaar gemaakt worden voor de aandeelhouders. Er zijn veel investeerders uit de Verenigde Staten. Dit heeft als beperking dat zij mede de dienst uit maken en dit is erger geworden door investeringsbedrijven.” aldus een respondent.

De communicatie met financiële analisten en investeerders neemt daardoor in belang toe en de CFO speelt hierin een rol. Het onderhouden van goede relaties met financiers is erg belangrijk. Enerzijds om toegang te hebben tot middelen om te kunnen investeren, anderzijds om bestaande leningen/kredieten te herfinancieren. Het aantrekken van geld via aandeelhouders is een vak geworden. De CFO voorziet de ontwikkelingen op de kapitaalmarkt en hij speelt daarop in.


  1. Invloeden vanuit de overheid door middel van regelgeving

Ondernemingen moeten aan bepaalde codes en regelgevingen voldoen. 35% van de respondenten geeft aan dat dit heeft meegespeeld in het benoemen van de CFO. Er moest een eindverantwoordelijke komen om aan de regelgeving te voldoen en de codes te handhaven. Ondernemingen moeten hun financiële gegevens rapporteren volgens de IFRS standaard. Daarnaast moeten ondernemingen codes handhaven, zoals de Code-Tabaksblat. De Nederlandse ondernemingen die tevens een beursnotering hebben in de Verenigde Staten moeten voldoen aan de Sarbanes-Oxley-wet en staan onder toezicht van de “Securities and Exchange Commission” (SEC).

Figuur 9 is een grafische weergave van bovenstaande uitkomsten. Het aandeelhouderswaardedenken en de toename van invloeden vanuit de Verenigde Staten komen duidelijk naar voren. In de theorie van Hall en Soskice werd al duidelijk dat dit sterke LME kenmerken zijn.



Figuur 9: De uitkomsten van de respondenten (N=20) weergegeven in %.


1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina