De filosofische betekenis van een tuin Een tuin: oproep tot en plaats voor een bescheiden zingeving



Dovnload 36.24 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte36.24 Kb.


De filosofische betekenis van een tuin

Een tuin: oproep tot en plaats voor een bescheiden zingeving

Waarom houden zoveel mensen van tuinen, om ze te bekijken, er te toeven en ook om ze op te bouwen en te onderhouden? Waarom vinden de meesten van hen tuinen zo belangrijk? Hebben tuinen een bijzondere betekenis of misschien zelfs een boodschap voor mensen?


Als je deze vragen stelt aan een tuinliefhebber, krijg je vaak een aarzeling (er wordt niet veel over nagedacht – ook filosofen hebben niet zoveel geschreven over tuinen), maar ook meestal een duidelijk antwoord.

Betekenissen van een tuin
Tuinliefhebbers zeggen:

  • een tuin geeft mij rust

  • een tuin is mooi om naar te kijken

  • een tuin geeft mij een gevoel van vrijheid

  • een tuin brengt meer licht in de woonplaats, noodzakelijk voor een goede gezondheid en een goede stemming

  • een tuin geeft mij energie

  • in de aanleg van een tuin kan ik mijn creativiteit tonen

  • een tuin herinnert mij aan het mysterie van het bestaan (wat religieuze personen omvormen tot: een tuin verbindt mij met de diepere grond van het bestaan)

  • een tuin geeft mij geluk doordat ik kan zorgen voor levende, kwetsbare dingen.

Geleerden, zoals Freud en volgelingen, of Marx en volgelingen, beweren dat ook verborgen betekenissen aanwezig zijn, zoals:



  • een tuin helpt seksuele verlangens te sublimeren (bevredigen op onrechtstreekse manier: het bewonderen van een bloem vervangt bv. het bekijken van het vrouwelijk geslachtsorgaan)

  • een tuin is het decor voor onderdrukkende machtsverhoudingen (de betaalde tuinier bv. wordt uitgebuit door de tuineigenaar, of de tuin dient om de macht van de mens over de natuur te illustreren).

Vele tuinliefhebbers zullen dat vergezocht vinden. Wat echter moeilijk ontkend kan worden is dat tuinen van rijke mensen – van de tuinen in Versailles tot de kleine tuinen in een verkaveling ergens in een Vlaams dorp - een middel zijn om te tonen hoe rijk ze zijn.
Al deze antwoorden drukken ongetwijfeld een mogelijke betekenis van een tuin voor iemand uit.

Toch moet opgemerkt worden dat al de betrokken behoeften ook bevredigd kunnen worden door andere zaken dan een tuin:



  • je kan een gevoel van rust krijgen door naar muziek te luisteren bij de open haard of door aan de oever van een rivier te zitten en te vissen i.p.v. te tuinieren

  • je kan schoonheid ervaren door naar een mooi schilderij of een mooie mens te kijken

  • je kan vrijheid ervaren door uit een vliegtuig te springen

  • je kan extra licht bekomen door lampen te plaatsen

  • je kan een gevoel van energie krijgen door wild te dansen op technomuziek

  • je kan creatief zijn door te breien

  • je kan het mysterie van het bestaan ervaren door een bergwandeling (of misschien zelfs bij alles wat bestaat)

  • je kan gelukkig worden door te zorgen voor mensen of kwetsbare kunstwerken

  • je kan seksuele verlangens sublimeren door naar de opera te gaan

  • je kan mensen onderdrukken in de fabriek, de school, het te rooien bos

  • je kan je rijkdom tonen door een paleis te bouwen, een duur driesterrenrestaurant te bezoeken of geld te schenken voor het behoud van het regenwoud.

Het lijkt of alles wat een tuin kan geven, ook kan verkregen worden door hetzij kunstwerken, zowel schone kunsten als gebruiksvoorwerpen, hetzij de “wilde” natuur.


Dat klopt zeggen vele tuinliefhebbers, maar nergens ervaar ik de rust of de schoonheid of de vrijheid zo bevredigend als in een tuin.

Een tuin moet dus blijkbaar iets bezitten dat enkel een tuin bezit, iets dat dan ook de specifieke betekenis van een tuin uitmaakt.

Om dit te vinden is het nodig – en zoals zal blijken ook voldoende – nader te omschrijven wat een tuin juist is.

Definitie van een tuin
Zoals bij de meeste menselijke dingen is het onmogelijk een definitie te geven die alle gevallen omvat van wat door ten minste één iemand als een tuin wordt beschouwd. Er zijn steeds randgevallen. Het is hier echter niet de bedoeling om een zo volledig mogelijke definitie te vinden, maar enkel om het voornaamste kenmerk van een tuin te omschrijven.

Dat lijkt niet zo moeilijk.


Elke omschrijving van een tuin zal verwijzen naar twee aspecten: enerzijds de natuurlijke elementen vervat in de tuin, zoals planten, bloemen, water, aarde, stenen, licht en schaduw, natuurgeluiden, en anderzijds de menselijke ingrepen, zoals het bewerken van de natuurlijke elementen, de rangschikking ervan, het aanbrengen van kunstvoorwerpen (bv. beelden, of verlichting), het begrenzen van de ruimte die de tuin uitmaakt. Een tuin is een vermenging van natuur en cultuur.

Onder natuur wordt hier alles verstaan wat niet door de mens is gemaakt, onder cultuur wat wel door de mens is gemaakt. Het begrip cultuur wordt hier dus in zijn ruimste betekenis genomen, ruimer dan “kunst” of dan “vormen van expressie”: het slaat op alle dingen waarbij de mens aan het werk is geweest, dat wat hierboven werd aangeduid als “kunstwerken”, zoals een schilderij, maar evengoed een filosofisch artikel of een spade en een grasmachine.

In een tuin zorgt de mens ervoor dat beide aspecten, natuur en cultuur, in belangrijke mate aanwezig blijven, dat het ene aspect niet het andere verdringt. Dat is niet vanzelfsprekend, want natuur en cultuur zijn niet van gelijke aard. Er is een wezenlijk verschil tussen beide.
Natuur kan zonder cultuur bestaan (bv. een stuk volledig “ongerept” natuur, wat misschien niet meer bestaat, maar tot voor kort wel bestond en weer kan komen als de wereldwijde invloed van de mens terug zou verkleinen), cultuur daarentegen kan nooit zonder natuur bestaan.

De mens kan niets scheppen, hij kan enkel natuur bewerken (zo is zelfs plastic, dat 100 jaar gelden niet voorkwam in de natuur, slechts een omvorming van aardolie; zo zijn maatschappelijke instellingen slechts een ordening van mensen, die altijd een deel natuur blijven behouden).

De natuur trekt zich niets aan van de mens en is dan ook in de meeste gevallen niet vriendelijk voor de mens. Daarom heeft de mens cultuur nodig, daarom dringt de mens bij de meeste cultuurproducten het aandeel van de natuur sterk terugdringt en maakt hij het specifiek culturele – datgene wat de mens wijzigt aan de natuur, dat wat de mens “toevoegt” aan het natuurlijke basismateriaal – zo groot mogelijk.

Juist hier ligt het eigene van het cultuurproduct “tuin”: in een tuin reserveert de mens doelbewust een groot aandeel voor de natuur. Natuur en cultuur bereiken er een evenwicht.



De tuin als midden tussen natuur en cultuur
Een tuin houdt het midden tussen natuur en cultuur.

In een natuurreservaat houdt de mens zijn ingrijpen zo beperkt mogelijk, omdat hij het aandeel van de natuur zo groot mogelijk wil. In een gebouw wordt de natuur maximaal teruggedrongen: er worden daken aangebracht om geen regen te krijgen, er worden isolatietechnieken gebruikt om zo weinig mogelijk ongewenste temperatuurschommelingen te hebben, er worden vloeren gelegd om geen onkruid of geen modder te krijgen. In een tuin neemt de mens een middenpositie in.

In een tuin wordt de natuur in toom gehouden, geordend, gevormd naar de wensen van de mens, maar blijft de natuur een wezenlijk of zelfs het belangrijkste aspect.

De reden van deze houding ligt voor de hand.


In een tuin probeert de mens het beste van twee werelden te bekomen:

  • een tuin geeft rust, zonder de vrees dat die vlug verstoord zal worden zoals in de onbewerkte natuur en zonder kunstmatig aan te doen (rust geschonken door cultuurproducten behouden meestal een spoor van de onrust bij het maken ervan)

  • een tuin biedt de schoonheid van de natuur, niet verzwakt door de lelijke dingen uit de onbewerkte natuur, maar daarentegen verstrekt door culturele ingrepen

  • een tuin geeft een zekere mate van vrijheid (meer dan een gebouw), zonder de onveiligheid die de vrijheid in de onbewerkte natuur meebrengt

  • een tuin geeft licht dat moeilijk geëvenaard kan worden door kunstlicht

  • een tuin geeft energie, zonder dat je die weer verliest aan het overwinnen van vervelende moeilijkheden in de onbewerkte natuur

  • in een tuin wordt je creativiteit geholpen door de werking van de natuur

  • een tuin herinnert aan het mysterie van het bestaan zonder dat het mysterie te bedreigend overkomt

  • een tuin geeft gelegenheid tot geluk door zorg te betonen zonder dat de zorg afgewezen wordt

  • in een tuin behoudt de sublimatie van seksuele behoeften een grotere seksuele spanning door de seksuele geladenheid van de natuur

  • in een tuin wordt de machtstrijd aanwezig in de natuur vergoelijkt door een schijn van de culturele neiging tot gelijkheid

  • een tuin toont rijkdom op meer bedekte wijze dan andere cultuurproducten omdat je zogezegd de natuur niet kan kopen, maar krijgt aangeboden van de aarde.

Terecht beschouwt een Amerikaanse filosofe en kunstenares (Mara Miller, in The Garden as art, 1993, Suny Press, New York) een tuin als een “metafoor (zinnebeeld, afspiegeling) voor het ideale menselijke leven, waarin de tegenstellingen die ons bestaan beheersen verzoend worden”.

Een tuin verzoent rechte lijnen met grillige vormen, planning met spontane onvoorziene gebeurtenissen, verlangen naar vrijheid met verlangen naar veiligheid, bevrediging van verlangens met relatief weinig moeite (toch meestal minder moeite dan bij bevrediging door andere cultuurproducten), buiten met binnen, natuur met cultuur.
Een tuin weerspiegelt in het bijzonder de middenpositie van de “condition humaine”, de onontkoombare wijze van menselijk bestaan en de voorwaarden ertoe: enerzijds is de mens zelf natuur en cultuur, anderzijds heeft de mens zowel natuur als cultuur nodig.

Enerzijds heeft de mens een natuurlijke kant die niet gewijzigd kan worden (er zijn bv. onvermijdelijke behoeften zoals die naar voedsel), maar tezelfdertijd is hij een cultuurgegeven, een wezen dat zichzelf kan veranderen (het verlangen naar vlees kan gewijzigd worden door een vegetarische houding). Anderzijds heeft de mens de natuur nodig (hij kan bv. niet zonder de aardse atmosfeer), maar tezelfdertijd kan hij niet overleven zonder zijn cultuur (hij moet beschutting bouwen tegen te strenge atmosferische verschijnselen zoals koude of warmte).

Een tuin brengt de mens in contact met zijn “ware” zelf, meer dan kunstwerken of de onbewerkte natuur doen. Een tuin wijst de mens erop dat hij een evenwicht moet bewaren tussen zijn natuurlijke kant en zijn culturele activiteiten.
Een afspiegeling van een ideaal is echter steeds een aansporing om het ideaal in stand te houden of zo goed mogelijk te benaderen.

Een verzoening tussen tegenstellingen dreigt steeds weer verstoord te worden. Wat in een middenpositie staat heeft de neiging op te schuiven naar een van de beide uitersten.

Hier ligt dan ook de belangrijkste filosofische - dat betekent kritische – betekenis van een tuin.

De betekenis eigen aan een tuin: aansporing tot bescheidenheid
Een mens moet een evenwicht behouden tussen zijn natuurlijke kant en zijn culturele activiteiten.

Hij moet erkennen dat hij zich voor een deel moet onderwerpen aan de natuur en voor een deel de natuur kan overheersen. Hij moet het juiste midden houden, hij moet de scheiding kunnen maken tussen “teveel natuur” en “teveel cultuur”. Deze houding kan aangeduid worden met het begrip “bescheidenheid” (in het Latijn “modestia”, afgeleid van “modus” wat o.a. “maat” en “grens” betekent: bescheidenheid is maat houden).

Wie teveel op cultuur vertrouwt is verwaand, of anders uitgedrukt, hoogmoedig (hij denkt dat hij meer kan en meer waard is dan feitelijk het geval is). Wie teveel aan de natuur toegeeft is laag-bij-de-gronds, anders uitgedrukt nederig, in de zin van wie zich vernedert (wie denkt dat hij minder kan en minder waard is dan feitelijk het geval is).

Er moet op gelet worden niet de begripsverwarring te maken van veel religies die de bescheidenheid gelijk stellen aan nederigheid. Een humanist verwerpt ook de houding van veel religies die deze nederigheid positief waarderen. Nederigheid is mensonterende vernedering. Enkel bescheidenheid, het juiste midden tussen nederigheid en hoogmoed, is passend voor de mens. Daarom is een tuin passend voor de mens.


Een tuin is een bescheiden cultuurproduct (misschien met uitzondering van de paradijstuin uit de oude Mesopotamische beschavingen: de paradijstuin is een tuin waarin de mens ongestraft hoogmoedig kan zijn omdat de natuur daar de mens volledig ter wille is, omdat het een tuin van onbeperkte overvloed is – religies die een paradijs voorspiegelen plaatsen een toekomstige hoogmoed naast hun huidige nederigheid).

De tuinier of een tuinliefhebber is niet verwaand: hij weet dat er hard moet gewerkt worden om in de zomer mooie bloemen te hebben en dat het geen zin heeft te proberen om dezelfde bloemenpracht te hebben in de winter. Maar hij is ook niet nederig: hij weet dat hij door zijn werk en kennis meer bloemen kan doen bloeien dan in de onbewerkte natuur.

Een tuin roept op om ook op de andere vlakken van het leven dezelfde bescheidenheid aan de dag te leggen. Wie tuiniert of van tuinen houdt zal bijvoorbeeld vaak vlugger aanvaarden dat hij moet sterven, maar ook inzien dat hij kan strijden tegen vroegtijdige dood. Een tuinliefhebber leert bescheiden te zijn. Dat wordt ook aangetoond in de geschiedenis van de Griekse filosofie.
De klassieke formulering van een filosofie van bescheidenheid is te vinden in de Ethica van Aristoteles (4e eeuw vóór Christus) met de theorie van de juiste middenpositie: alles wat “deugt” is een midden tussen te veel en te weinig (de deugd van vrijgevendheid is bv. het midden tussen enerzijds gierigheid en anderzijds verspilzucht). De filosoof die de bescheidenheid het meest heeft verdedigd is echter Epicurus (rond 300 v. Chr.).

Volgens Epicurus kan de mens maar gelukkig worden door soberheid. De Griekse filosoof pleit tegen de hoogmoed van wie roem, rijkdom en macht wil, maar pleit ook tegen de nederigheid: “ook soberheid kent een maat, en wie daarmee geen rekening houdt vergaat het als degene die grenzen overschrijdt door zijn onmatigheid” (Vaticaanse stellingen, nr. 63). Epicurus paste zijn theorie toe door zich met vrienden terug te trekken op een domein met een grote tuin en werd daarom de “filosoof van de tuin” genoemd. Het leven in een tuin – weg van de wereld van rijkdom en machtsstrijd – is de toepassing van een bescheiden en daarom gelukkig makende levenswijze.


Een tuinliefhebber heeft de kans om vlugger te beseffen dat de mens kan zorgen voor meer groei dan de onbewerkte natuur, maar dat elke groei haar natuurlijke grens heeft die niet ongestraft overschreden kan worden. Deze formulering duidt op de actuele betekenis van een “epicuristische” beleving van een tuin.

Hedendaagse betekenis van een tuin: dringende oproep tot bescheidenheid
De geschiedenis van de mens laat een slingerbeweging zien tussen verwaandheid en nederigheid, met af en toe een pauze van bescheidenheid.
Onze westerse cultuur helt (na een periode van nederigheid met het christendom) sinds enkele eeuwen steeds meer over naar de verwaandheid: we denken dat we, dank zij de wetenschap en de techniek, steeds meer zullen kennen en kunnen en dat we dus onbeperkt vooruitgang kunnen realiseren. De dominerende zingeving van het leven ligt in het consumentisme, de neiging om steeds meer producten te kopen, vanuit de idee dat geluk ligt in het verbruiken van steeds meer materiële goederen, een idee gesteund door de kapitalistische én socialistische ideologie van economische groei (onbeperkte groei is goed én mogelijk).
Sinds enkele decennia is deze verwaandheid omgeslagen in waanzin: de dominerende cultuur (die ondertussen ook de niet-westerse wereld domineert) is niet in staat de duidelijke werkelijkheid te zien dat de grenzen aan de groei worden overschreden en dus de “straf” spoedig zal volgen. Dit soort waanzin is levensbedreigend.

Er moet dan ook dringend werk gemaakt worden van een nieuwe cultuur, een cultuur van bescheidenheid.

De ervaring van een tuin kan helpen om tot dit besef te komen.
Een tuin kan de mens doen beseffen dat hij afhankelijk is van de natuur, zonder er totaal aan overgeleverd te zijn, dat hij de wereld kan en mag (of moet) veranderen om geluk te bekomen, zonder echter te denken dat hij met de natuur alles mag doen.
Is deze betekenis van een tuin niet vergezocht?

Hoe komt het immers dat bijna geen tuinliefhebber deze ervaring zal vermelden, als hem gevraagd wordt naar de betekenis van een tuin?



Hedendaagse beleving van een tuin
De betekenis van iets kan uiteraard beleefd worden op een onbewuste wijze.

Zoals Freud en Marx reeds beseften, zijn vaak juist zeer belangrijke levenservaringen enkel onbewust aanwezig. Het is dan de taak van de filosofie om dergelijke dieperliggende betekenissen duidelijk te maken, om niet onmiddellijk zichtbare fundamenten te bespreken.

Er is echter een andere reden dat tuinliefhebbers de betekenis van een tuin als voorbeeld van bescheidenheid niet ervaren: de moderne – hoogmoedige - mens is vervreemd van deze tuinbeleving.
Tuinervaringen zijn ten eerste zeldzaam geworden.

In onze moderne technisch-wetenschappelijke cultuur werd de natuur, zowel de onbewerkte natuur als de bewerkte (tuinen, parken, landbouwgronden), steeds meer verdrongen door cultuurproducten zoals woningen, fabrieken, autostrades, pretparken. Hoeveel kinderen kunnen bijvoorbeeld nog spelen in het groen? Niet de kinderen op appartementen, niet de kinderen in sloppenwijken, niet de kinderen op school (want een schoolspeelplaats is van beton of steen).

Sinds de jaren 1970 slaagt hier en daar een actiecomité erin om wat groen te redden, maar het betreft slechts kleine toegevingen bedoeld om het geweten te sussen. De opmars van beton en asfalt is sinds de jaren 1980 meer dan ooit versneld, ook in delen van de wereld die tot voor kort “achtergebleven” waren. De beweging voor meer groen is gerupereerd, d.w.z. ze wordt toeglaten en zelfs gestimuleerd door de machthebbers, maar enkel in verzwakte vorm, zodat ze onschadelijk wordt (men doet kleine plaatselijke toegevingen zonder de vernietiging van groen radicaal te stoppen). Een gerecupereerde beweging doet meestal meer kwaad dan goed.
Ten tweede wordt ook in de tuin de bescheidenheid meer en meer vervangen door de hoogmoed van de moderne wetenschappelijk-technische cultuur. Wieden is vervangen door het spuiten van vergif, een fontein maakt niet meer gebruik van de zwaartekracht maar van elektriciteit, afbakening gebeurt niet meer door een haag, maar door een plastieken afrastering.

Bovendien zit de tuincultuur, zoals alle andere levensdomeinen, gevangen in de hedendaagse uiting van de wetenschappelijk-technische-kapitalistische ideologie, het consumentisme.


Net zoals voeding, kleding, vermaak is de tuin big business geworden. Het kijken in luxueuze tuinmagazines vol reclame (tegenwoordig niet vervangen door, wel aangevuld met surfen op het net met nog meer reclame) en het shoppen in het tuincentrum – enkel bereikbaar per auto - is even belangrijk geworden als de eigenlijke tuinbeleving. De reclame doet ons geloven: hoe meer geld we spenderen aan een tuin, hoe meer geluk hij ons zal brengen. De vernietigende impact van een dergelijk levenswijze op het milieu wordt daarbij weggemoffeld.

Hier en daar probeert iemand ecologisch te tuinieren, maar ook dit segment van de tuincultuur is ontdekt door de business. Ook deze beweging wordt gerecupereerd en dient om mensen te verhinderen zich te bekommeren om het grote geheel, om hun bescheiden tuin te beschouwen als een aansporing om op alle levensdomeinen met minder tevreden te zijn.

De hedendaagse tuincultuur maakt het zeer moeilijk om de tuin nog te ervaren als plaats van en een aansporing tot bescheidenheid.

Is de situatie dan hopeloos?



Een oorspronkelijke beleving van de tuin is nodig en mogelijk
De situatie heeft veel weg van een vicieuze cirkel. Een oorspronkelijke tuinervaring zou ons moeten helpen een bescheiden levenswijze terug te vinden, maar een bescheiden levenswijze is nodig om een oorspronkelijke tuinervaring terug te vinden. Een vicieuze cirkel is echter niet onverbreekbaar.

Het klopt dat het doorbreken ervan zeer moeilijk is omdat elke schakel versterkt wordt door de andere, maar het is niet onmogelijk, en wat meer is, er zijn meerdere mogelijkheden om de cirkel te doorbreken, omdat hij doorbroken kan worden bij elke schakel.

Filosofen moeten blijven kritiek geven op de ondertussen levensgevaarlijke moderne (wetenschappelijk-technisch-kapitalistische) cultuur en wijzen op de betekenis van een tuin daarbij.

Tuinliefhebbers moeten vanuit de liefde voor hun tuin deze kritiek overwegen, hun bescheidenheid als tuinliefhebber bewust worden en deze bescheidenheid op alle vlakken uitbreiden.

De mens is als cultuurwezen te flexibel om te beweren dat de strijd hopeloos is. Een cultuur van bescheidenheid, dus een cultuur die de zin van het leven niet langer legt in het consumentisme, is dringend nodig en ook mogelijk.
In zo’n nieuwe cultuur zal een tuin sterk aan betekenis winnen.
De tuin zal een belangrijke plaats zijn om diverse zingevingen te realiseren, degene die reeds genoemd werden, zoals rust vinden, schoonheid bewonderen, vrij zijn, van licht genieten, energie voelen, creatief zijn, het mysterie van het bestaan ervaren, zorgen voor kwetsbare dingen, seksuele verlangens bevredigen (al dan niet gesublimeerd, naar gelang passend is).

In een cultuur waar een tuin niet meer van onderdrukkende machtsverhoudingen getuigt en niet meer dient om te tonen hoe veel geld men wel kan uitgeven, zal een tuin sterk bijdragen tot een bescheiden en dus optimaal geluk.



Paul Gordyn



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina