De Gereformeerde gezindheid



Dovnload 78.45 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte78.45 Kb.
DE KRACHT EN DE ZWAKTE VAN DE GEREFORMEERDE GEZINDTE


De Gereformeerde gezindheid


Wat ik versta onder de ‘Gereformeerde gezindheid’ zal uit het vervolg van mijn verhaal duidelijk worden. Ik verwijs hiervoor naar de onderdelen 'KENMERK' (over de kracht van de Gereformeerde gezindte). 1

Ik benader het begrip vanuit de wortel: Gereformeerd gezind is: wat stoelt op en gelovig leeft uit de Gereformeerde Calvijnse belijdenis in de kerken der Reformatie van ons land in het bijzonder.Wie Gereformeerd gezind is, wil aanspreekbaar zijn op die belijdenis. 2

Of zoals Groen van Prinsterer het formuleerde: geen formulier-rechtzinnigheid zonder meer (= dode orthodoxie), maar levende geloofswaarheden, in de formulieren verkondigd. 3
In de onderdelen MARGINALISERING doe ik een poging om zwakten in de Gereformeerde gezindte op het spoor te komen (toege­spitst op de rechter- en linkerflank). In de onderdelen UITDA­GING wil ik proberen sluimerende krach­ten binnen de Gerefor­meerde gezindte wakker te roepen.

I. HAAR BOODSCHAP (die van de Reformatie)



I.A. Kenmerk

De ‘kernenergie’ van de Gereformeerde gezindte ligt in een boodschap waarmee zij midden in het bonte gewoel van kerk en wereld wil staan: de bijbelse bevrijdende boodschap van vrije genade, van genade overvloeiende voor de groot­ste van de zonda­ren. De boodschap van de drie ‘sola's’ van de Refor­matie. Die staan haar hoog in het vaandel geschreven. Daarover wil zij gewaakt hebben, pastoraal/ diaconaal. Met andere woorden: de trini­tarische zelfopen­baring van de levende God.


'Sola scriptura' - de Schrift alleen. Gereformeerd gezind betekent: bijbelgetrouw. Schriftkritiek, in welke vorm ook, is ondergraving van het fundament van elk kerkelijk en geestelij­ke leven.
'Sola gratia' - genade alleen. Gereformeerd gezind houdt in: volstrekt aangewezen willen zijn op de van Gods kant komende genade, soeverein en vrijmachtig. In de rechtvaardiging van de goddeloze, de dubbele verkiezing, de wedergeboorte als een eenzijdig werk van God in de ziel (Dordtse Leerregels, III­/IV.1­1). Iedere vorm van pelagianisme/ arminianisme is vertroebeling van de bron van elk kerkelijk en geestelijk leven.
'Sola fide' - door het geloof alleen. Gereformeerd gezind is: leven uit het geloof, dat het verzoeningswerk van Jezus Christus genoeg is om mee voor God te bestaan. Dat geeft heilzame ontspannenheid en tevens heilige ingespannenheid. Waar geloof is een werkzaam geloof. Het draait om de rechtvaardiging, het gaat om de heiliging (de heili­ging van Gods Naam op heel de aarde). In dit alles ligt de vitaliteit van elk kerkelijk en geestelijk leven.
Als deze boodschap niet onverkort (ondubbelzinnig) gepredikt wordt, boeten wij aan kracht in. Hier ligt de katholiciteit en uniciteit van de Gereformeerde gezindheid. Daarin blijven wij verbonden met de kerk der eeuwen (de Vroege Kerk, de Reforma­tie, het puritanisme) en dat maakt het bestaan van de Gereformeerde gezindte 'up to date'. Dat geeft ons ook de rechte gezamenlijkheid.
I.B. Marginalisering

Deze gezindheid blijkt telkens weer in onze achterhoede gemarginaliseerd te zijn, in de zin van, dat er wat aan toegevoegd is, dat er een selectie gemaakt wordt van bepaalde onderdelen van de belijdenis of ook dat er iets van die belijdenis wordt afgedaan.




  1. rechts: in het hypercalvinisme/ ultra – gereformeerdheid:

    • de Bijbel is Bij-bel. Het komt erop aan, dat de mens door de Heilige Geest op een buitengewone wijze wordt wedergeboren (Woord en Geest los van elkaar);

    • Gods genade is verworven door Christus, maar wordt alleen aan de uitverkorenen aangeboden; er is geen algemeen aanbod van genade; de beloften alleen zijn niet genoeg; pas op voor ‘Christus –mannetjes’;

    • een ware gelovige komt er, al zou hij de halve wereld uitmoorden.




  1. links: door invloeden van arminiaanse evangelische bewegin­gen:

  • de Bijbel alleen. Wat er in de traditie van de kerk, de eeuwen door, aan Bijbeluitleg is te vinden, heeft weinig betekenis;

  • Gods genade is voor iedereen. ‘God heeft u lief.’ Soms is er zelfs sprake van heilsuniversalistisch (geen hel);

  • geloven is resultaat van een samenspel tussen God en mens;

‘kies voor Jezus’;

  • pas wie de bijzondere gaven van de Geest ontvangen heeft, gelooft ‘echt’.


I.C. Uitdaging

Telkens beweegt de Gereformeerde gezindte zich tussen deze twee klippen als tussen de Scylla en de Charibdis.


Mijn inziens doen we er goed aan ons op deze punten nog weer opnieuw inten­sief bezig te houden met de brief van Paulus aan de Romeinen.

Dat kan naar alle kanten genezend werken. Daarin gaat het immers centraal om de vraag: waar is Gods gerechtigheid op de aarde te vinden? Antwoord: niet in Israël (onder de wet), niet in het heidendom (zonder de wet); maar in de ene Israë­liet Jezus Christus, in Zijn volbrachte verzoeningswerk. Wie de armen van geloof om Hem slaat, is rechtvaardig voor God, al is hij goddeloos. In hem komt Gods gerechtigheid overeind (heiliging in gebrokenheid). Hij is de Geest - rijke mens (uit Israël en de volkerenwereld), in wie Gods verkiezend welbeha­gen zich uit­werkt.


Deze samenvatting en kern van het Evangelie is een goed ge­neesmiddel tegen de ketterijen in onze achterhoede. Tegen het logisch willen maken van de verkiezingsleer en tegen heilsuni­versalisme, tegen de inperking van het vrije, ongereserveerde genade - aanbod en tegen de leer van de vrije wil.
Een bijzondere uitdaging voor de Gereformeerd gezinden in onze tijd is: hoe brengen wij de boodschap van zonde en genade zo

* dat zonde iets concreets is (geen lot, maar schu­ld);

* dat genade doorleefde werkelijkheid is?
Hier dus de vraag naar de landingsbaan van het Evangelie (‘de boodschap en de kloof’). Kenmerkend voor de Gereformeerde gezindheid is in alle gevallen, dat de heilige wet van God in ere gehouden dient te worden. In de Gereformeerde prediking komt Gods wet (niet alleen ter ontdekking, maar ook als regel der dankbaarheid) aan de orde.
Daarop heeft ds.G. Boer indertijd in zijn discussie met H. Berk­hof over de Midden-orthodoxie uitdrukkelijk gewezen.Ons in­ziens ligt hier voor ons allen een heilige opdracht. Het kon ook wel eens zijn, dat wij ons minder zorg hebben te maken over de vraag, hoe wij de post - moderne mens van onze tijd en ook onze Refo - jongeren kunnen bereiken, naar mate wij bereid zijn om hen te leren, wat waarden en normen zijn (zingevings­vragen) en wat het betekent om hartelijk te leven uit de heilfontein, ons in Christus Jezus geschonken.

Dat laatste houdt ook in, dat we niet alleen gaarne tot Christus komen, maar ook uit Hem zoeken te leven.


In dit beginsel ligt het antwoord op de uitdagin­gen die op ons afkomen, aan het begin van het derde millennium. De belijdenis van de Reformatie mag geen ‘slapend bezit’ zijn (G.Boer in De Gereformeerde gezindte nu en in de toekomst).
II. HAAR CONFESSIONEEL GEHALTE (die van drie formulieren)
II.A. Kenmerk

Ik kan me geen Gereformeerde gezindheid voorstellen die niet geöriënteerd wil zijn op de belijdenis van de Gereformeerde (Calvinistische) Kerk in Nederland; de drie formulieren van enigheid. De confessie is haar kloppend hart. Dat is in begin­sel iets gezamenlijks en samenbindends. Even afgedacht van de vraag hoe en in welke mate het alleenrecht van deze belijde­nis in de kerken van de Gereformeerde gezindte functioneert (ondertekening van de formulieren door ambtsdragers, ja dan nee; plaats in de kerkorde, in de catechese en in de eredienst o.a.).


Hoe vaak lezen we niet ook in statuten van instellingen uit deze hoek: Gods Woord, opgevat naar de drie formulieren van enig­heid... De Gereformeerde belijdenis is (in deze volgorde): ‘een lied om te zingen, een staf om te gaan en een stok om te slaan’ (O. Noordmans).
Dogma­tisch (wat de leer betreft) staan hierin de belangrijkste stukken van de geloofsleer op een rij.Een dronk uit een schaal waters (Gods Woord). In principe is in deze belijdenis alles gezegd. Formulering daarvan is steeds in de kerk der eeuwen als een ‘must’ ervaren, mede ter afweer van dwalingen. We weten waaraan we elkaar hebben te houden.Bovendien moet de Kerk een gezicht hebben; de buitenwacht moet weten wat men aan ons heeft. Ondubbel­zin­nig en onbekrom­pen.

De belijdenis is ‘de hartekreet’, de ‘zielsuit­druk­king’, het ‘Godverheerlijkend getuigenis’ van de naar Gods Woord ge-re-formeerde kerken; ‘haar kenmerk, haar banier en haar vereni­gingspunt’ (Prof. C. Veenhof in Tien keer Gereformeerd; zie noot 3).


Daarin is de Gereformeerde gezindheid onderscheiden van libe­rale stromingen (het woord ‘liberaal’ zegt genoeg) en in het algemeen van evangelische bewegingen/ gemeenten. Onder de laatsten komen we nog al eens belijdenis - vrees tegen (het hebben van een belij­denis als akkoord van gemeenschap betekent in hun ogen: afsnoering van de spon­tane­ïteit van geloven). Dit geldt in mindere mate van de Anglicaanse ‘evangelicalen’.
In de Gereformeerde gezindheid heerst het besef, dat geloof zowel ‘fides qua’ is (het geloof als relatie; erva­ring) als ook ‘fides quae’ (inhoud van het geloof; geloofsken­nis). Het geloof heeft een kennis - element (zie Heidelbergse Catechismus, zondag 7) dat gestalte krijgt in het dogma van de kerk. Verder is het waar: 'non in intellectu, quod non prius in sensu' [niets komt in het verstand/ hart dat niet eerst in de zinnen, de betekeniswereld/ ervaring van het ik is geweest].
Kortom, ‘een reformatorisch christen is een belij­dend christen. Beslist, hardnekkig, vastberaden’ (A. A. van Ruler).
II.B. Marginalisering

De belijdenis, zoals boven omschreven, komt echter in onze achterhoede, nog al eens op de tocht te staan.


a.rechts: in de rechterflank van de Gereformeerde gezindte komt ‘confessionalisme’ voor. In dat geval functioneert de belijdenis als een dwang­buis, als een bunker, als gestol­de waarheid. De religie van de belijdenis (het hart) klinkt dan niet meer mee. De waarheid is hard geworden. En ze wordt niet meer in haar totali­teit beleefd.

Wij mogen ons wel afvragen, wat er waar is van wat A. A. van Ruler schrijft, namelijk dat de mensen­ van de gere­for­meerde Refor­matie allemaal het slop zijn inge­rend van het confes­sionalis­me; zij hebben alles vastgezet op de zuive­re leer, op de ene kaart van de leerstellig geformu­leerde waar­heid. Zijn de ultra-gereformeer­den gaan­de­weg niet gekomen tot een zeer be­paalde inter­preta­tie van de gere­formeerde interpretatie van het Evangelie?

Vaak zijn het enke­le leer­stel­lingen uit de confessie die tot de hoogste macht worden verhe­ven, terwijl veel andere zaken blijven liggen (bijv. inzake het verbond, de heili­ging, het sacrament, de liturgie, de ambten). Zij hebben een confes­sie uit de con­fes­sie geselec­teerd. ‘Een confes­sie van eigen maaksel’ = de alou­de waarheid.

Enkele vragen:



  1. waarom hebben de Gerefor­meer­den Gemeenten aanvullende artike­len opge­steld over het ver­bond?

  2. komen de drie belijdenisgeschriften van de Nederlandse Gereformeerde Kerken in kerk en school onder ons inderdaad nog wel in al hun diepte en bre­edte aan de orde?

b) links: aan de linkerkant van de Gereformeerde gezindte signaleren we afkalving van belijdeniskernen. Zo is in de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) in 1905 artikel 36 (over de taak van de overheid) ingekort (weglating van ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst...’) en is in 1977 de dubbele verkiezing tussen haken gezet. Om verder maar te zwijgen over alle deconfessionalisering van de GKN sinds de zestiger jaren.


Verder: hoeveel vraagtekens worden er ook onder belijde­nis-getrouwen tegenwoordig niet gezet bij wat in de drie formulieren van enigheid wordt beleden op het punt van de voorzienigheid (Zondag 10 Heidelbergse Catechismus), van de Dordtse leer betreffende verkiezing en wedergeboorte, van het leven na dit leven (de hemel voor de doden die in de Heere ster­ven; de hel als p­l­a­ats van e­e­u­w­ige pijn).
NB.

De belijdenis is het gemeenschappe­lijk ‘bezit’ van de gehele Gerefor­meerde gezindheid. Veranderingen daarin aanbrengen door een kerk op haar eentje is zeer ongewenst. De belijdenis is indertijd in Dordt aanvaard in aanwezigheid van vertegen­woor­digers uit buiten­landse kerken (oecume­ne).


Ook geeft het te denken, als het EO-onder­zoek 'De boodschap en de kloof' (1999) constateert, dat 55% van de EO achterban een vrouwe­lijke dominee bijbels niet verkeerd acht en de helft van de ondervraag­de vrijge­maakte EO-leden niet gekant is tegen een vrouw op de kan­sel. De praktijk wint het hier van kenne­lijk van de leer.
II.C. Uitdaging

Van groot belang acht ik voor de Gereformeerd gezinden nu, dat zij de belijdenis constant toetst. Zo is zij van oorsprong ook bedoeld. Van de Schrift naar de belijdenis (niet omgekeerd). Prioriteiten mogen daarin mijn inziens zijn:




  • de hermeneutiek (het geheel van uitlegkundige regels waarmee de boodschap van de Schrift verstaanbaar kan worden gemaakt voor nu). Wie hermeneutisch dwaalt, heeft confessioneel geen been meer om op te staan. Bijvoorbeeld: hoe lezen wij de brief aan de Romeinen (op het punt van de verkiezing); en: zeggen Genesis 1 - 3 ons werkelijk wat Paulus ons voorhoudt over de man - vrouw verhouding?

  • de vragen rondom thema's die niet of nauwelijks aan de orde komen in de belijdenis, maar waarover de kerk zich wel degelijk ook dient uit te spreken. Ik noem hier alleen: de vraag naar de verhouding van Kerk en Israël. Heb ik het mis, als ik zeg, dat de bezinning zich op dit punt onder ons gelukkig in goede banen beweegt? (geen vervangingsleer; geen twee – wegenleer; geen chiliasme).

Een andere uitdaging waarvoor de Gereformeerde gezindte in onze tijd staat, is - dunkt mij - de vertolking van de gereformeerde waarheid in een postmoderne wereld die antidogma­tisch is ingesteld.


Kenmerkend is - naar men zegt - voor postmoderniteit: indivi­dualisme, relativisme, framentarisme. Niet meer: het collec­tieve (gemeen­schap­pelijke waarden en normen); niet meer: het zoeken naar objec­tief gelden­de waarheid. Maar wel: religieuze beleving in allerlei individuele vormen (in elke gods­dienst zit wel iets van mijn gading).
Kan men in zo'n tijd nog met de aloude gereformeerde waarheid aankomen? Ik beantwoord die vraag met ‘ja’. Maar ik worstel tevens met de vraag, langs welke weg ik die postmoderne mens daarmee kan bereiken?

Hoe kan ik de waarde van Gods exclusieve waarheid, hoe kan ik de normen van God mijn Schepper Die mijn leven zinvol maken, aanreiken aan een naar geborgenheid zoe­kende mens die er geen begrip van heeft, dat een wet ergens op slaat? Kan ik aanslui­ten bij het weer opkomend verlangen bij de mens van onze tijd om weer terug te keren tot een waardevast en genormeerd bestaan?


III. HAAR BEVINDELIJKE GESTALTE (een hartezaak)
III.A. Kenmerk

Gereformeerd gezind is bevindelijk getint; bevindelijk in de zin van: ‘Hoort, wat mij God deed ondervinden...’. (Ps.66 : 8). Bevindelijk ook in de zin van: dagelijks levend in een Godgewijd leven. Dat zou ik willen noemen: de vitaliteit van de Gerefor­meerd gezinden.

Zij wordt gekenmerkt door het hebben van geloofservaringen waarover men ook zijn mond kan opendoen. Daarbij gaat het niet zelden door grote diepten (tot en met Godsverlating), maar mag het ook komen tot grote hoogten (thuiskomen aan Gods Vader­hart). ‘Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openba­ren’ (Gal.1 : 15v).
Kenmerkend echter is door alles heen: de zekerheid van Gods heil en de zekerheid van het geloof. Dat hoort bij het wezen van het geloof dat zelfs in tijden van geestelijke verdorring niet weg is. Dat te zeggen, ligt in de lijn van wat Calvijn en o.a. de Dordtse Leerregels ons voorhouden.
Dit ware geloof heeft het voor het zeggen in de Gereformeerde gezindheid. Het heeft de wereld, de duivel en het eigen hart vaak tegen. Maar het heeft het Woord van de levende God mee.

Het draagt in een ‘inwonende’ Christus in het hart en in een daadwerkelijke levensheiliging van Zijn Geest de kentekenen van het geestelijke leven.

Kenmerkend voor een Gereformeerd geloofsleven is het hebben van kennis (zie boven). Maar kenmerkend daarvoor is ook: een ‘gevoelig’ en authentiek leven.
Mijn inziens maakt dit, dat de Gereformeerde religie niet uit de tijd, maar juist hoogst actueel is. Juist in een uiterst gevoelige tijd als waarin wij leven en waarin het authentieke aandacht krijgt. Juist in een tijd van diep verval van waarden en normen. Denk vooral ook aan onze jongeren.
III.B. Marginalisering

Dit hooggestemde geloofsleven komt in de flanken van de Gereformeerde gezindte nog al eens in de marge terecht.


a) rechts: waar het begrip ‘bevindelijk gerefor­meerd’' gereserveerd wordt voor een bevolkingsgroep die SGP-minded is en herkenbaar aan standpunten op levensbeschou­welijk ter­rein. Een groepering in het isolement die zich steeds bedreigd gevoelt;


  • er bestaat een prediking die de twijfel veiliger vindt dan z­e­k­e­r­h­e­id. Het kenmerk van de twijfel krijgt dan voorrang op het kenmerk van de zekerheid. Men hoort hier vaker wat het niet is dan wat het wel is.

  • voor alle zeker­heid schuilt men liever weg in ui­terlijke kenmerken (opvattingen over verzekeren, sta­king, inenting, bio­scoopbe­zoek, t.v.bezit). Dat lijkt ons te kunnen behoeden voor wereldgelijkvor-migheid. Bevinde­lijkheid van de buitenkant waar het hart vooreerst niet mee van doen heeft. Een geestelijk gesprek in het gezin - van hart tot hart - komt zelden voor.

  • met straffe hand worden regels en gedragspatronen opge­legd aan kinderen. Het kind des verbonds is uitwending lid van een uitwendige kerk. Het Heilig Avondmaal is los gemaakt van het bevel: ‘Doe dit tot Mijn gedachtenis’. Grotere deelname aan het Heilig Avondmaal wordt gezien als teken van geestelijke achteruitgang. 4

b) links: in kringen waar de subjectiviteit van het geloof een sterk gevoelsmatig karakter draagt:



  • twijfel (ook aan het feit, dat je een kind van God bent) is zonde;

  • het kruis (Golgotha) en de bekering zijn gepasseerde stadia; daar moet het niet altijd over gaan in de prediking; met alle gevaren van gearriveerdheid;

  • een christen leeft onder het Evangelie, niet meer onder de wet; het OT is vervangen door het NT (leven uit de Geest).


III.C. Uitdaging

1. ‘Och, of al het volk des Heeren profeten ware, dat de Heere Zijn Geest over hen gave’ (Num.11 : 29). A.A. van Ruler wijst ons in zijn alom bekende verhaal over ultra-gereformeerd en vrijzinnig op de tirannie van de geestelijke mens. Die ben ik ook wel tegen gekomen. Maar ik heb ook eenvoudige kinderen van God ontmoet, die als ware profeten door hun getuigenis een stempel zetten op een gemeente en regio. Waar zijn die profe­ten vandaag?


2. Wij voelen ons geroepen om meer en meer gestalte te geven aan het algemeen ‘priesterschap’ van gelovigen. Zie hierover artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis o.a.. Inschakeling van door Gods Geest begaafde gemeenteleden (in goede samenhang en samengang met de ambten), zowel van mannen als van vrouwen kan de kerk zeer ten goede komen. De velden zijn wit om te oogsten. Vooral op het punt van de inschakeling van de vrouw in kerkenkerk is het terrein in de Gereformeerde traditie braak blijven liggen. Van het feminisme - hoe bedreigend ook - is nog wel het één en ander voor ons te leren.
Laten kerkenraden hier niet maar het ‘spook’ zien van een­ onbijbelse democra­tise­ring van het kerkelijk leven. Ik ken kerkenraden van grote gemeenten die het aantal ambtsdra­gers expres klein gehouden willen hebben, omdat zij hun ‘mach­t’ niet wensen te delen. Zelfs komt het voor, dat kerkenraden deelname van vrouwen aan een verkiezing van ambtsdragers zien als heersen over de man, verboden door Gods Woord.
3. Het is hoog tijd, dat de roep, het verlangen naar een opwekking (een ontwaken uit onze geestelijke dommel) blijft klinken.
IV. HAAR CONTEXTUALITEIT (in rapport met de tijd)
IV.A. Kenmerk

Een wezenlijk kenmerk van Gereformeerd Gezind - zijn is ook de hartstocht voor een reformatie van heel het leven, persoonlijk en maatschappelijk, in gezin en maatschappij. ‘Reformata, quia reformanda’ - Gereformeerd om Gereformeerd te worden. Als God het kwaad niet verduurt, zouden wij het dan verdragen?


Ik kan me geen Gereformeerd gezind mens voorstellen die niet graag opkomt voor de heiliging van Gods Naam op heel de aarde. Hij beleeft zijn Christen-zijn in rapport met de tijd. Gere­formeerd-zijn in contextualiteit. De vraag, hoe een mens zich in zijn sterven bevindt, is een voorrangsvraag. Maar het is al evenzeer van groot belang, hoe een mens het leven doorkomt: ‘Coram Deo’ - onder Gods ogen.
Op dat laatste is door Calvijn steeds grote nadruk gelegd. In het dagelijkse leven - tussen doornen en distelen - moet God aan Zijn eer komen. Ook de begintijd van de Nadere Reforma­tie - kijk het na bij oud-vaders als Jodocus van Lodenstein - wordt gekenmerkt door de voort­duren­de oproep tot heiliging van hart en leven. Verinnerlijking in de gemeenschapsoefening met God behoeft niets af te doen van strijdvaardigheid in het opkomen voor de Naam des Heeren op alle terreinen van het pu­blieke leven (in maatschappij en politiek, nationaal en inter­nationaal). Het draait om de rechtvaardiging, maar het gaat om de heiliging. En ‘al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus, dat houdt zijn waarde, 't zal blijven bestaan’.
IV.B. Marginalisering

Ook dit punt is er binnen de Gereformeerde Gezindheid sprake van marginaliseringen.


a) rechts: in de rechterflank van de Gereformeerde gezindte ontbreekt nog al eens het rechte zicht op de verhouding schepping - verlossing. Hier dreigt het gevaar van een dualistische levensinstelling en van een dubbele moraal (het gewone leven, de cultuur, de politiek, de maatschappij hebben hun eigen wettelijk­heden die om een eigen moraal en gedragscode vragen, los van wat er zich in de binnen­kamer afspeelt). Een gescheiden burgerschap van twee werelden. Dat wij intussen, zeer ten nadele van een chris­tenleven als leven van een vreemdeling op aarde, vermate­rialiseren, wordt op de koop toegenomen. Wij nestelen ons in in een eigen Refo - Wegwijs en beconcurreren elkaar intussen vrolijk.

Ik ben er niet zeker van of onze mensen nog zo tegen loterij zouden zijn, als zij zouden weten, dat het lot dat men vandaag koopt, volgende week het lot blijkt te zijn, waarop honderdduizend Euro wordt uitge­keerd.

Intussen worden de bloemetjes ook wel buiten gezet (denk aan trouwpartij­en) en gaan we zonder veel bezwaar op in de genot­scul­tuur van onze dagen.
b) links: in kringen waar een theologie van het koninkrijk van God een hoofdrol speelt. Hier zijn twee valkuilen:


  • de eerste valkuil is, dat we het welzijn van de wereld dermate van onze inspanningen afhankelijk maken, dat wij met geweld alle wantoestanden de wereld willen uit­helpen. Dat is theologie van de revolutie. Daarin is het Rijk van God identiek aan het resultaat van onze activi­teiten. Het is hier als met kinderen die de huiska­mer versieren, terwijl hun jarige vader nog even uitslaapt. Straks komt hij beneden en zegt: ‘Wat hebben jullie alles mooi voor mij gemaakt!’ Zal het zo gaan bij de wederkomst van de Heere Jezus? Of is alles wat gelovigen op aarde mogen doen, slechts een ‘lichtplek’ in een oerwoud waar even het zonlicht van een herschapen werkelijkheid doorheen glan­st?

  • de tweede valkuil is die van een cultuuroptimisme. De gelovige kent slechts een klein beginsel van gehoorzaam­heid.Hij weet ook, dat de wereld om hem heen, naar­mate het einde van die wereld nadert - al spant hij zich nog zo in om het leven in te richten naar Gods geboden - er niet beter op wordt. Wetsloos­heid, anar­chie, terreur zijn met handen te tasten. Maar dat weer­houdt er hem niet van om op te komen voor de waarden en normen van Gods Woord en de wereld te claimen voor de Schep­per.

NB

Mijn inziens hebben wij in de beschouwingen van A.A. van Ruler te maken met zo'n cultuuroptimisme. Zo hooggestemd de loftrompet te steken over de goede schep­ping als hij dat doet, is ons niet gegeven. In het genie­ten van de seksualiteit als een goede gave van God, komt een geval­len zondaar gemakkelijk terecht in de valkuil van het hartstoch­telijk en ongeremd seksualisme waar het moderne leven aan stukgaat.En een sportliefhebber kan zich in onze dagen toch bij alle sportverdwazing niet verlus­tigen in de triomfen van Ajax met haar aanhang?


IV.C. Uitdaging

Voor zover ik zie, is er de laatste decenniën binnen de Gereformeerde gezindte het nodige ten goede aan het veranderen. Ik wijs op de volgende ontwikkelingen:


a) De prediking van zonde en genade moet handen en voeten krijgen in deze tijd met de vele vragen van het moderne leven. Predikanten worstelen daarmee. Zij proberen in te spelen op post - modernis­tische levensge­voelens zonder daarmee de oude paden te verlaten.Tevens signaleer ik, dat bij voorgan­gers die als goed gere­formeerd te boek staan, die oude paden al te vaak als platgetreden worden beschouwd.
b)De SGP/ Christenunie zijn de zogenaamde kleine christe­lijke partijen. In de praktische politiek en in de studiecen­tra van deze par­tijen kan – bij alle afbraak van het CDA - verwacht worden, dat de waarde en de normen van het Woord van God voor de wetgeving op zedelijk terrein, voor cultuur en beheer (het milieu), voor het onderwijs, voor de internationale verhoudingen (o.a. in een Verenigd Europa), enz. ondubbelzinnig en onbekrompen aan de orde komen. De vraag zal daarbij zeker zijn, of en in welke mate er bij een theocratische visie op de wereld, aan­sluiting te vinden is in een zekere opleving van het normbesef onder algemeen religieuzen en bij de VVD bijvoorbeeld. De Leidse recht­sfilo­soof dr. Andre­as Kinneging - tevoren wetenschappe­lijk medewer­ker van de VVD - zei onlangs: ‘De mens is van nature slecht, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ ; hij ‘is een slaaf van zijn driften, onder het motto zichzelf te zijn’. Is er dan toch nog zo iets als een ‘wederhouder’ (2 Thess.2) die de totale verleugening en verloedering van de maatschap­pij nog enige tijd ophoudt?
c) wij hebben minder hooggestemde idealen dan A.A. van Ruler met betrekking tot de (her)ker­stening van de samenleving, maar onder ons (ook onder vele jongeren) mag gelukkig het besef leven, dat wij een dure roeping hebben te vervullen in heel het leven. Het zendingsbewustzijn is de laatste tijd sterker gaan leven. Op onze jongeren wordt niet tevergeefs een beroep gedaan door hulporganisaties [gezondheids­zorg, (wereld)diaco­naat, inter­nationale hulp aan derde wereld­landen, onderwijs enz.].
d) enige tijd geleden is het voorstel gedaan om te komen tot een beraads­groep voor bezinning op de Refo - jongeren problemiek; een beraadsgroep bestaande uit jongeren die afgevaardigd zijn door de kerken van de Gere­formeerde gezindte (uit elke kerk twee); een beraadsgroep die de resultaten van haar beraad aan de synoden van die kerken kwijt kan. En dat zou dan weer kunnen leiden tot een spreken tot de overheid met één stem van alle kerken van de Gereformeerde gezindte.

Overigens zou het wel eens kunnen zijn, dat zo'n beraadsgroep voor dingen komt te staan, die ons de haren ten berge doen rijzen. Als pastor verbonden aan het zogenaamde Refoweb krijg ik vragen van Refojongeren voorgeschoteld, die getuigen van een verregaande verwereldlijking. Een leraar van het reformatorisch voortgezet onderwijs vertel­de mij onlangs, dat hij de ouders opbelde van een jongen die in twee dagen niet op school was geweest. Zij wisten ook niet, waar de jongen uithing. ‘Maar u kunt hem zelf bellen’, zeiden ze, ‘hij heeft een GSM-telefoon’.


e) anderzijds dreigt het gevaar, dat wij ons ‘onkri­tisch’ aanpas­sen aan het moderne leefkli­maat. In de onderwijswereld zal dat betekenen, dat wij ons moeten afscher­men tegen een godlo­ze cultuur. Maar we worden hier ook uitgedaagd om in te spelen op de uitda­gingen van de cultuur (denk aan de Informatica (ICT)). Van aanpas­sing aan de ‘Babelcultuur’ hebben wij zo langzamer­hand binnen de kerken in Neder­land genoeg ellende gezien. Ik pleit voor: anti­these in soli­dariteit. Solidari­teit, a) omdat wij van huis uit in niets verschillen van wat het moderne heiden­dom be­zielt; de geest van postmoderniteit zit onder elke huid en b) omdat God ook in onze God - vergetende wereld telkens niet ver blijkt te zijn van een ieder van ons (Hand.1­7 : 2­7); de Geest zucht in de ganse schepping (Rom.8 : 20vv).
f) laat ons zuinig zijn op de dwarsverbindingen die in de Gereformeerde gezindheid aanwezig zijn en waarin vaak een wezenlijke eenheid in de verscheiden­heid en gescheidenheid van de kerken mag worden beleefd. Laat het niet zijn: bij elkander deugen zij niet, van elkander meugen zij niet. De kleine Gere­formeerde gezindte of de reformatorische mini-zuil die door een verre­gaande verwatering van de protestants-christelijke zuil is bevorderd, is ook iets om zuinig om te zijn.
Controle of dominantie van een bepaalde kerk is hierbij onge­wenst.En platforms waarbinnen onderlinge samenwerking kan worden bevorderd, zijn zeer ge­wenst. Als wij er maar voor oppas­sen, dat onze organisaties niet steeds meer een eigen (kerke­lijke) eigenheid dragen. Ik noem:


  • het reformatorisch onderwijs (basisscholen; scholen voor voortgezet onderwijs, HBO onderwijs). Met hun studentencontacten (op universitair niveau binnen bijvoorbeeld de CSFR);.

  • de kleine politieke partijen. Waarom niet meer samenwerking tussen SGP en Christenunie met elk hun eigen achter­ban?;

  • de media, o.a. de Evangelische Omroep met een achterban die grotendeels bestaat uit reformatorischen;

  • dagbladen als het RD (uit de reformatorische minizuil) en het ND (uit vrij­gemaakte kring goeddeels);

  • maatschappelijke/ diaconale instellingen (o.a. GPZ, Gliagg De Poort, de Schuilplaats; ‘Woord en Daad’);



(zo iets als de NZR);



  • conferenties van het C(ontact)O(rgaan)G(ereformeerde)G(ezindte) 5; predikantenconferenties (Haam­stede);

  • gezamenlijk ethisch appel (abortus/ euthanasie).

Het is toch eigenlijk heel droevig, als in de voorbereiding van een godsdienstmethode niet alle godsdienstleraren van het reformatorisch onderwijs de handen ineenslaan om in een vruchtbare samenwerking elkaar tot een hand en een voet te zijn.


De christenheid in de wereld heeft iets defensiefs, maar ook altijd iets offensiefs aan zich. En hoe verdeelder die chris­tenheid zich opstelt, des te zwakker is zij in haar verdedi­ging en proclamatie van Gods heilige Naam.
V. HAAR KERKELIJKE IDEALEN (twee polen)
V.A. Kenmerk

De kerken van de Gereformeerde gezindte hebben - in het alge­meen gesproken - hun kerk-zijn gebaseerd op de belijdenis aangaande de kerk, zoals geformuleerd in de artikelen 27-32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.


Daarin onderkennen we twee spanningsvolle polen:

  1. die van de (zichtbare) kerk, door de vergaderende Christus samengeroepen en samengehouden in de weg van de bediening van het Woord en van de sacramenten, in de weg van de regering en de tucht vanwege de ambten (de kerk als ‘congregatio’); en

  2. die van de (ware/ onzichtbare) kerk die een vergadering is van ware Chri­st-gelovigen, delend in de door Christus verworven heils­welda­den (de kerk als ‘coëtus’). 6

Deze twee lijnen zijn als schering en inslag. Ik kan ook zeg­gen: ze zijn als de twee rails van een spoorlijn. Ze moeten steeds evenwijdig aan elkaar blijven. Helaas is dat in de geschiedenis van het Gereformeerd protestantisme niet altijd het geval geweest. Een enkel voorbeeld. In de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) ligt sterk de nadruk op het eerste (a); de eenheid moet bewaard blijven, ook al gaat dat nog al eens ten koste van de tucht en de waar­heid [de uiterste consequentie daarvan is: de kerk wordt een vergaarbak van kette­rijen]. In de kerken van de afscheiding ligt van oorsprong een sterk accent op het tweede (b); de waarheid (ook de bele­ving ervan) gaat boven alles, ook al wordt de kerkelijke eenheid daardoor verbroken [uiterste consequentie; de kerk wordt versplinterd in gelijkgezinde gemeenten; congregationa­lisme/ indepententisme]. In de gemeenten van de zogenaamd Hersteld Hervormden overheerst het laatstgenoemde. Het is voor velen die de verbreiding en verdediging van de Gereformeerde belijdenis in de NH Kerk hoog in het vaandel hadden staan, een groot verdriet, dat het lichaam van Christus nog weer verder is verscheurd.


Eén ding mag als een paal boven water staan: de eenheid van de Kerk als het lichaam van Christus is een hoog goed. Ooit kreeg ik - in Bennekom - twee jongens van een Bijbel­school bij mij, die mij vroegen of ik mee wilde doen aan een enquête. Zij wilden een gemeente gaan stichten; een gemeente van mensen die op zoek waren naar God. Of zij ook over hun plannen overleg gepleegd hadden met bestaande reformatorische kerken in Bennekom? Nee, dat niet.
De eenheid van de kerk is een kostbare zaak. Denk aan de hogepriesterlijke bede van de Heere Christus (Joh.17): ‘dat zij allen één zijn’. Dat zij ook ons dagelijks gebed en dat ter wille van de geloof­waardigheid van de kerk (in de wereld). De idee van de pluriformiteit van de kerk (A.Kuyper) - uiting van veelkeurige wijsheid? - zij ons vreemd. Wij stichten geen kerken/ gemeen­ten in het wilde weg. Want een gemeente die naar de Naam van Christus is genoemd, is geen zelfbedieningszaak. Wat wij geloven en belijden, geloven en belijden wij samen met alle heiligen! Het lichaam van Christus mag niet verbroken worden.
Ons mag een heimwee naar eenheid van alle Christ-gelovi­gen bezielen. ‘Calvi­nus oecumenicus’ (W.Nijenhuis) wilde wereld­zeeën oversteken om geestverwanten te ontmoeten. In zijn dagen zijn er keer op keer gods­dienstgesprekken ge­voerd (met Luth­eranen, Zwinglianen), die ten doel hadden ‘on speaking terms’ met elkaar te blijven, zonder dat er van de waarheid iets zou worden afgedaan.
In de huidige situatie echter zitten wij met de brokstukken. Ook en juist de Gereformeerde gezindte is verdeeld ‘als been­deren, verstrooid aan de mond van het graf..’ (Ps.141 :7). En geen sterveling onder ons ziet kans om die brokstukken bijeen te brengen. De Samen-op-Weg beweging was een van hogerhand georganiseer­de con­structie die het kerk-zijn in Gereformeerde zin niet heeft bevorderd en verdere decon­fes­sionalisering in de hand werkte. Het ideaal om alle kerken van de Gerefor­meerde gezindte tot een nieuw kerke­lijk instituut te maken, lijkt voor altijd een onhaalbare zaak.
V.B. Marginalisering

Ik volsta met enkele stellingen:




  1. de Gereformeerde gezindte loopt steeds gevaar het ideaal van de gelijkgezindheid als het hoogste kerke­lijke ideaal te zien (conventikel);




  1. binnen de Gereformeerde gezindte heeft het 'kerkisme veel kwaad g­e­d­a­an; het heeft geleid tot een lie­fdeloos veroordelen en verketteren van elkaar (etikettenplakkerij). ‘Vele kerk­scheuringen worden tegenwoordig gerechtvaardigd met leer­stuk­ken, maar de wortel der verbittering zit in de kop­stukken.’ (ds.Joh. van der Poel);




  1. de kleine traditie (inzake liturgische kwesties o.a.) wordt al te weinig gerelateerd aan de grote (katholiek-reformatori­sche) traditie;




  1. intolerantie is kwaad, verdraagzaamheid is goed (1 T­h­e­s­s­.5 : 15);




  1. er wordt weinig meer echt geleden aan de kerk;




  1. er is sprake van een doorgaande verzuiling.


V.C. Uitdaging

Ik volsta met enkele adviezen:


1) Laat iedere Gereformeerd gezinde de identiteit van zijn eigen kerk bewaken. Hij mag weten, waarom hij lid is van de kerk waarin hij is gedoopt en waarin hij onderwezen wordt in de ‘leer der godzaligheid’. ‘Kerkgevoel’ (de beleving van de kerk als een ‘home’ met een stuk geborgen­heid) is niet maar iets negatiefs.

Het is niet in alle opzichten positief, als tegenwoordig een groot aantal jongeren hun kerklidmaatschap relativeert en zegt, dat zij ook net zo goed lid konden zijn van een andere kerk. Deze afzwakking van kerkbesef kan een verborgen en niet altijd terechte kri­tiek op de eigen kerk inhouden en uitlopen op kerktoe­risme en een kerkelijk zwer­vers­bestaan of een vlucht naar een evangelische gemeente (met meer openheid en tegelijk grote onderlinge ver­deeld­heid). Het kan echter ook uitgelegd worden als een pro­test tegen te hoog opgerichte kerkelijke muren: horen wij in wezen niet bijeen en maken wij ons niet - gelet op de nood der tijden - al te druk om margi­nale zaken?


2) Laat iedere Gereformeerd gezinde het lidmaatschap van zijn kerk relateren aan het hart van het kerk-zijn (zie de twee genoemde lijnen van het kerk-zijn volgens art.27-32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis).
3) Laten alle Gereformeerd gezinden antwoord geven op de volgende vragen:

  • Is de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) een valse kerk? Waarom (niet)?

  • Zijn de Christelijke Gereformeerde Ker­ken (hoewel onderling bepaald geen eenheid) een verkieslijke kerk (omlijnd en open tegelijk)? Idem de Vrijgemaakten/ Nederlands Gereformeerden?

  • Zijn de Gereformeerde G­em­een­ten/de Gereformeerde Gemeenten in Nederland de zuiverste openbaring van de ware kerk (vanwege de aloude Gereformeerde waarheid)?

  • Bestaat er een kerk op aarde of ook in Nederland waar de volle waarheid in al haar delen te vinden is?

  • Betekent de oproep van de Nederlandse Geloofsbelijdenis om zich bij de ware kerk te voegen (artikel 28), dat wij geroepen zijn om ons bij de zuiverste kerk aan te sluiten?




1 Deze voordracht is door mij gehouden tijdens een themadag binnen de hogeschool De Driestar over ‘De Gereformeerde gezindte anno Domini 2000’ en verschenen in de gelijknamige bundel bij uitg. De Groot Goudriaan – Kampen. ISBN 90 6140 733 8. De tekst van deze voordracht is in het onderstaande hier en daar aangepast.


2 Wat is Gereformeerde gezindheid? Het begrip is ontstaan rondom de afscheiding (eerste helft 19e eeuw). De ‘auctor intellectualis’ is: Groen van Prinsterer. In dit begrip wordt de nadruk gelegd op de gezindheid boven kerkelijke verdeeldheid (genootschappelijkheid) uit: de (hervormde of) Gereformeerde gezindheid binnen en buiten de Hervormde Kerk (1837). Zij wil aanspreekbaar zijn op de ‘religie van de belijdenis’ (drie formulieren van enigheid; de Dordtse Leerregels niet als een overtolligheid uitgezonderd), de belijdenis van de drie-ënige God met als stralend middelpunt het Hoofd van de Kerk Jezus Christus Die ons door de Heilige Geest doet leven uit het geloof.

Uit ds. G. Boer, De gereformeerde Gezindte nu en in de toekomst (Huizen 1964): ‘Wij zijn ten diepste ‘Gereformeerd, omdat Woord en Geest ons te sterk geworden zijn en ons reformeren naar God toe, naar Christus toe, naar het Woord toe.’ ‘Meer dan andere landen zijn wij gezegend met de regenererende kracht van Gods Heilige Geest en met een verstaan van het Evangelie, dat o.a. zijn neerslag vond en vindt in de belijdenis en het belijden van de Kerk.’ ‘Alles wat in de belijdenis voorhanden is en wat niet, of nog niet en niet meer in de prediking van nu wordt verkondigd als de schat van het Evangelie, dat wordt - kerkelijk gezien - slapend bezit’ (straks vergeten, bestreden, geëlimineerd bezit).



3 Zie hierover Tien keer Gereformeerd; Publicatie Gereformeerde Bond (bundeling van artikelen in de Waarheidsvriend); Kampen 1973. O.a. n.a.v. de vraag: is de eenheid van de gereformeerde belijders alleen een geestelijke eenheid of moet die ook kerkelijke consequenties hebben? Is er gezien de ontwikkelingen in de Hervormde Kerk en de gescheiden kerken reden om de motieven van Afscheiding en Doleantie nog weer eens onder ogen te zien en is er binnen het raam van het Gereformeerd belijden ruimte voor een legitieme pluriformiteit?

Volgens prof. dr. G. Dekker zijn er thans: orthodox-gereformeerden, bevindelijk-gereformeerden en modern gereformeerden.



4 Zie hierover het verslag van het minisymposium ‘De eeuw in het hart’ (maandag 5 oktober 1998; t.g.v. het 25-jarig jubileum bij het Reformatorisch Dagblad van dr.C.S.L. Janse, hoofdredacteur van het RD). N.a.v. de uitkomsten van de in 1998 gehouden RD enquête onder leerlingen van verschillende reformatorische scholen en hun ouders (de ‘bevindelijk Gereformeerden’ = SGP - georiënteerden). Hieruit blijkt, dat er - vergeleken met de uitslag van de in 1981 gehouden enquête over de emancipatie van de ‘bevindelijk gereformeerden’ (i.v.m. de dissertatie van Janse) - sprake is van verschuivingen, c.q. assimilatie in het waarden- en gedragspatroon aan de omringende cultuur (volgen op afstand of een stille revolutie; staat de 'Refodijk' op springen?). Er is sprake van een verdergaande assimilatie, ondanks veel eigen organisaties. Een meerderheid heeft geen bezwaar tegen: bioscoopbezoek, vrouwelijk kamerlidmaatschap, verzekeren, inenten. Een groeiende minderheid is voor gebruik van voorbehoedmiddelen (inperking van gezinsgrootte). Slechts 54% (tegen 65% in 1981) ziet grote deelname aan het Heilig Avondmaal als een slecht teken. Zingen van gezangen tijdens de eredienst en een nieuwe Bijbelvertaling: een groeiend aantal voor. Vrouw in het ambt door 48% van de jongeren afgewezen (ouders 81% tegen; in 1981: 92%). 53% (van de ouders 69%) stelt, dat men zich nergens anders thuis voelt dan in de eigen kerk.

Onder de jongere bevindelijken is 80% het er niet mee eens, dat het voor een meisje minder belangrijk is een goede schoolopleiding te krijgen dan voor een jongen. Een groeiende minderheid (ook onder ouders) twijfelt over de plicht van vrouwen om een hoofddeksel te dragen tijdens kerkdiensten. En is zelfs ruimte voor vrouwelijke ambtsdragers. Er is – samengevat – sprake van:

a) beginnende twijfel aan de historische betrouwbaarheid van de Bijbel, aan het goed recht van kerkelijke gewoonten, aan de uitsluiting van de vrouw uit het ambt.

b) liberalisering van opvattingen over verzekeren, staken, inenten, bioscoopbezoek, t.v.bezit, gebruik van voorbehoedmiddelen.

Prof.dr.G. Dekker, socioloog stelde tijdens dit symposium, dat sociaal en cultureel persisteren goed mogelijk is door een zekere assimilatie: het oude wezen bewaren in nieuwe vormen, veranderen om gelijk te blijven.


5 Het Contactorgaan van de Gereformeerde Gezindte (COGG) is opgericht op 19 september 1963 (het is een voortzetting van Het Gereformeerd Convent in oprichting, 1957). Het bestaat uit vertegenwoordigers van vijf groepen, al of niet officiëel hun kerk of groepering vertegenwoordigend. Thans:

- De Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland

- De Gereformeerde Kerken in Nederland

- De Nederlands Gereformeerde Kerken

- De Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (op persoonlijke titel)

- De Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de waarheid in

de Nederlandse Hervormde Kerk en Confessionele Vereniging.

- De Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika (op persoon-

lijke titel).

Doelstelling: ‘Het COGG wenst te bevorderen dat de deelnemende kerken of groeperingen met elkaar contact oefenen, opdat ze elkaar beter leren verstaan, elkaar aanspreken op basis van Gods Woord en de drie formulieren van enigheid en op deze wijze dichter tot elkaar komen’.

Uit het percommuniqué van de eerste conferentie (22/23 april 1964, Woudschoten/ Zeist): ‘Op basis van de drie formulieren van enigheid aanvaarden de aanwezigen elkaar als Gereformeerden in het besef van de ongeoorloofdheid van hun verdeeldheid en spraken ze uit, voor elkaar op die basis aanspreekbaar te zijn’. Prof. dr. H.N. Ridderbos (voorz.): ‘Een samenspel van zonden en dwaasheden houdt ons uit elkaar, is de oorzaak van onze verdeeldheid en versplintering en doet ons als kemphanen tegenover elkaar staan’.

Het COGG wil niet meer zijn dan een adviserend orgaan, een geestelijk centrum, een platform. In mei 1996 werd een ‘Ecclesiologische consensus’ opgesteld en gepresenteerd, een visie op de kerk vanuit de Schriften, unaniem aanvaard. Daarin valt sterk de nadruk op de eenheid van de kerk als lichaam van Christus dwars door onontkoombare schisma's heen. Prof. W. van ‘t Spijker deed in 1996 het voorstel om te komen tot een convent van kerken.



Dr. ir. J. van der Graaf typeerde op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond (29 mei 1996) de Gereformeerde gezindte als een ‘pleister op een diepe wond, een alibi om aan de kerkelijke nood te ontsnappen, een gewetensusser.’ ‘Het COGG is niet bij machte gebleken verder te komen dan enige contacten binnen een deel van de Gereformeerde gezindte. Kerkelijk gezien is er van de Gereformeerde gezindte niets goeds te zeggen. Het verbrokkelingspoces ging verder door, werd zelfs nog versterkt door de opkomende reformatorische zuil. Een deel van de reformatorische zuil staat buiten het COGG, een deel van het COGG staat buiten de reformatorische zuil. Een ander deel is ambivalent. Maar als geheel genomen is de Gereformeerde gezindte een kerkelijke onmogelijkheid gebleken. Verder dan een bescheiden ‘contactorgaan kwam het niet’. ‘Geen verdeelder wereld dan de gereformeerde wereld.’ (Waarheidsvriend,jrg.84, nr. 12,13 juni 1997).


6 In de Institutie van Calvijn zijn deze twee lijnen evenwichtig bijeen. Tegenover het machtsinstituut van de paus en de priesters (de kerk blijft de kerk, al zouden alle bisschoppen liegen), ligt sterk de nadruk op de geestelijke dimensie van de kerk, de onzichtbare kerk. De kerk bestaat uit het volle getal der uitverkorenen van alle tijden en plaatsen, door Woord en Geest tot een verborgen gemeenschap met Christus gebracht. Tegenover de Dopersen echter legt Calvijn er evenzeer de nadruk op, dat de kerk geen vereniging van gelijkgezinden is. Via de bediening van Woord en sacrament is zij de onvervangbare moeder van alle gelovigen, waardoor zij gemeenschap met de Vader en de Zoon ontvangen.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina