De geschiedenis van het onderwijs. Scholen in de middeleeuwen



Dovnload 56.77 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte56.77 Kb.
DE GESCHIEDENIS VAN HET ONDERWIJS.
SCHOLEN IN DE MIDDELEEUWEN.
Over de allerbeste scholen in ons land is weinig bekend. Ze zijn waarschijnlijk opgezet naar het voorbeeld van Engelse kloosterscholen. In de zevende en achtste eeuw na Chr. Bestonden er in Engeland al scholen en kloosters. Een klein aantal jongens kreeg daar een opleiding tot monnik of priester.
Vanuit Engeland staken geestelijken over naar het vasteland van Europa om het christelijke geloof te prediken. Zij werden missionarissen genoemd. Twee beroemde missionarissen waren Bonifatius en Willibrordus. Zij leiden jongens op die hen bij het missiewerk konden helpen. Rond 750 na Chr. Richtte een leerling Bonifatius, Gregorius genaamd, een kloosterschool op in Utrecht. Het is één van de eerste scholen in ons land waarover iets bekend is.
KAREL DE GROTE EN ZIJN ONDERWIJSWETTEN.
Karel de Grote was van 768 tot 814 na Chr. De machtigste man in het grote Frankische Rijk. Voor het besturen van zijn land maakte hij gebruik van de diensten van graven, zendgraven en geestelijken. Zij waren vrijwel de enigen die de bevelen en wetten van Karel de Grote konden opschrijven en lezen. De rest van het Frankische volk was analfabeet.
‘’ Et ut scolae legentium puerorum fiant…: En dat er scholen zulle gesticht worden, waarin de kinderen lezen…’’ Zo luidde in 789 na Chr. Een wet van Karel de Grote. Om het christelijk geloof te verspreiden vaardigde Karel de Grote een aantal onderwijswetten uit. Daarin stond onder meer geschreven dat alle Frankische jongens in een kloosterschool moesten leren lezen, schrijven, bidden en zingen. De bijbel bleef daarbij een belangrijke rol spelen.

Velen herinneren zich het verhaal dat Karel de Grote de scholen in ons land heeft opgericht.

Bovendien zou hij alle scholen persoonlijke bezocht hebben om de leerlingen te overhoren. Dit verhaald klinkt mooi om waar te zijn, en dat is het ook. Wel heeft Karel de grote een aanbeveling uitgevaardigd om in alle Bisschopssteden scholen te stichten. Niet alleen achtte hij het leren lezen en schrijven op scholen van groot belang, ook zag hij hierin een middel tot verdere christianiseren van de bevolking. Hierdoor hoopte hij een grotere eenheid in zijn rijk te bewerkstelling.
Het is maar de vraag of er veel jongens naar de kloosterschool zijn gegaan. Kinderen werkten meestal van jongs af aan met hun ouders op het land of in de werkplaats om aan de dagelijkse kost te komen. Waarschijnlijk waren er in deze tijd maar heel weinig scholen. Toch waren de onderwijswetten die Karel de Grote heeft uitgevaardigd belangrijk voor de ontwikkeling van scholen in latere eeuwen.
DE KLOOSTERSCHOLEN.
De beslissing om naar een klooster te gaan was een beslissing voor het leven. In het klooster werden jongens in de klooster opgeleid voor een kerkelijke of ambtelijke functie.

In de twaalfde eeuw kwam daarin verandering door de maatschappelijke ontwikkelingen. Door de opkomst van steden en vooral door de groeiende handel en nijverheid ontstond er behoefte aan beter opgeleide burgers. Daarom lieten de kloosters een klein aantal burgerjongens toe om hen op te leiden voor functies in het plaatselijke bestuur en de handel.

Dit had consequenties voor de plaats van de kloosterschool in het kloostercomplex. De burgerjongens mochten het kloosterleven namelijk niet verstoren. We kunnen dan ook op oude plattegronden zien dat de kloosterschool van het binnenhof verplaats werd naar de buitenmuur, waardoor het kloosterleven ongestoord door kon gaan.

Omdat er nu sprake was van de opleiding aan burgerjongens( meisjes werden pas in de veertiende eeuw tot kloosterscholen toegelaten) ontstond de wens het religieuze karakter van het onderwijs te versterken. De wandschilderingen in onze kloosterscholen zou je normaal verwachten in een kapel.


Een kloosterschool omvatte dikwijls zowel het eerste onderwijs als het vervolgonderwijs( latere universitaire niveau). In de onderbouw werd aandacht besteed aan het lezen, schrijven en zingen. Belangrijk was het leren beheersen van de Latijnse taal, aangezien bij iedere vorm van verder onderwijs het Latijn de voertaal was. Na de onderbouw kregen de leerlingen les in de zeven vrije kunsten bestaande uit drie taalvakken (het trivium: grammatica, retoriek en dialectiek) en vier wiskundevakken (het quadrivium: rekenkunde, wiskunde, sterrenkunde en muziek). Hierna kon men nog verder studeren, bijvoorbeeld theologie of rechten.

Tot de negende eeuw werden al deze vormen van onderwijs aan één school gegeven. Toename van de bevolking, nieuwe nederzettingen en economische herstel deden het aantal parochies en daarmee tevens het aantal scholen stijgen. Parochies met voldoende middelen stelden een meester aan die kinderen kon onderwijzen. In ruil voor onderwijs beschikte de parochie dan over een koor.

Deze parochiescholen waren eenvoudiger dan de oorspronkelijke kloosterscholen. Wel werd het inmiddels voor meer kinderen mogelijk te leren lezen en schrijven, zonder zich te binden aan het kloosterlijke leven.
De kloosterschool in het museum is een eenvoudige school. Hier werd slechts een klein aantal jongens onderwezen in het lezen van de bijbel, de vrome verhalen over heiligen en de psalmen. De leeftijd van de jongens kon variëren van ongeveer zes tot twaalf jaar. Ook het niveau van het onderwijs en de lesstof varieerden. Geen enkele kloosterschool was gelijk aan de andere. Sommigen gaven basisonderwijs, andere gingen daarentegen veel verder met hun onderwijs. Veel hing af van de kennis, belezenheid en wijsheid die een leraar bezat. Zowel de leraar als de leerlingen waren of werden gewoonlijk monnik of priester.
In de Middeleeuwen werden de boeken met de hand geschreven en waren dus vrij kostbaar. In veel scholen gebruikten de leerlingen geen of zeer weinig boeken. De meester las een tekst voor uit zijn boek en de leerlingen leerden de psalmteksten vervolgens uit het hoofd.

Alle boeken in deze tijd werden geschreven in het Latijn. Het Latijn werd in de kerken en in de wetenschap gebruikt, en dus ook in de scholen onderwezen.


Schrijven oefende men met een schrijfschrift op een wastafeltje. Evenals bij het lezen werden eerst letters, dan lettergrepen en vervolgens psalmteksten nageschreven. Zingen was een belangrijke vak op de scholen. De leerlingen waren verplicht om aan diverse godsdienstige oefeningen deel te nemen en daar de psalmen te zingen. Het vak rekenen werd belangrijk vanaf het moment dat burgerjongens tot de kloosterschool werden toegelaten.
Schoolkinderen konden zich maar het beste aan de regels houden. Op veel afbeeldingen van scholen is te zien, dat er zeer hardhandig gestraft werd. In de middeleeuwen vond men het slaan met de stok of de roede heel gewoon. In de bijbel staat immers:

‘’tuchtroede en terechtwijzing geven wijsheid;

maar een kind, dat aan zijnen eigen wil wordt overgelaten, doet zijn moeder schande aan.’’

Op de muren zijn schilderingen te zien van de kruisiging, het Lam Gods en Christus Triomfator met de vier evangelisten: Matthëus (engel), Marcus (leeuw), Johannes (adelaar), Lucas (stier). Ook hieruit blijkt nog eens duidelijk dat onderwijs in de middeleeuwen voor alles een kerkelijke aangelegenheid was.


SCHOLEN IN DE ZEVENTIENDE EEUW.
OPKOMST VAN DE STEDEN: het ontstaan van nieuwe scholen.
In de veertiende eeuw ontstonden er steeds meer steden en dorpen waar de burgers een ambacht uitoefenden of leefden van de handel. Hierdoor kwam er een vraag naar ander onderwijs. Naast de kloosterschool die toegankelijk was voor burgerjongens, ontstond de zogenaamde ‘parochieschool’. Meestal werd er lesgegeven door de pastoor. Het onderwijs was nog geheel in handen van de kerk. In de loop der tijd ontstonden vanuit de parochiescholen dorpsscholen, stadsscholen en bijscholen.

Naast de kerk hadden de stadsbesturen ook het recht gekregen ( of beter gezegd: van de graaf gekocht) om scholen op te richten en te beheren. Veel stadsbesturen richtten een Latijnse of Grote school op met daar aangekoppeld de Cleyne of lage school. Deze laatste school was in eerste instantie vaak een onderafdeling van de Latijnse schol. Langzamerhand verzelfstandigde deze onderafdeling zicht tot een aparte Laege of Nederduitse school. Op de Laege school gaf de meester in de landstaal les in zang, geloofkennis, lezen, schrijven en rekenen en in een heel enkel geval ook de eerste beginselen van het Latijn. Deze school was min of meer de voorloper van de huidige basisscholen. De Laege, Cleyne of Nederduitse scholen waren geschikt voor kinderen tot 8 ä 9 jaar en duurt ongeveer 2 tot 3 jaar. overigens stuurden veel stedelingen hun kinderen liever naar particulieren bijscholen. Het onderwijs op veel van deze bijscholen was afgestemd op de praktijk van alledag. Leerlingen kregen er les in de moedertaal, het briefschrijven, rekenen, boekhouden en soms het spreken en schrijven van de Franse taal. ook waren er in veel steden enige kleinkindjesschooltjes, matressenschooltjes, ABC- schooltjes en bewaarschooltjes waar niets of maar weinig aan onderwijs werd gedaan.


Deze bijscholen, hoe eenvoudig ze vaak ook waren, vormden wel degelijk een bedreiging voor de stadscholen. De inkomsten konden door de aanwezigheid van bijschooltjes drastisch afnemen. De stadscholen zetten traditie van de kerkelijke scholen voort. De stad had de scholen namelijk niet overgenomen om een andere vorm van onderwijs te bewerkstelligen, maar om een betere greep te krijgen op alles wat in de stad gebeurde. De bijscholen pasten het onderwijs veel meer aan aan de vraag van de maatschappij naar ander onderwijs. Zo specialiseerden zij zich bijvoorbeeld op lessen in Frans en rekenen, vakken die op de stadscholen niet gegeven werden. Ook waren er bijscholen die zich richtten op meisjes en jonge kinderen. Om de concurrentie zoveel mogelijk te beperken, stelden de steden bepalingen op waaraan de bijscholen zich moesten houden. De meeste voorkomende bepaling was het verbod les te geven in Latijn. Daarnaast moesten de bijscholen vaak het schoolgeld vergoeden dat de stadschool mis liep doordat de leerling hier niet heen ging. Over het algemeen kan gezegd worden dat de bijscholen werden toegestaan voor meisjes, jonge kinderen en voor onderwijs van een lagere niveau, niet in het Latijn en in vakken die niet op de stadscholen werden onderwezen.
Er was dus in de zeventiende eeuw voor de meeste kinderen gelegenheid om naar school te gaan: naar een gerenommeerde stadsschool, een bijschool of een eenvoudig dorpsschooltje. Toch ging lang niet iedereen.

Humanisten zoals Erasmus (1469-1536) hadden al eerder het belang van onderwijs ingezien. Meer echter dan het Humanisme was de Reformatie van belang voor het stichten van scholen.


DE REFORMATIE.
In 1517 spijkerde Luther een papier, met daarop een aantal bezwaren tegen de katholieke geloofsleer, aan de deur van de kapel te Wittenberg. De al langer durende discussie over kerkhervormingen raakte in een stroomversnelling. Er brak een strijd uit tussen protestanten en katholieken.

In de meeste steden in ons land kregen de hervormingsgezinden de overhand. Het verkondigen van het katholieke geloof in kerk en school werd officieel verboden.

Doel van het onderwijs werd nu kinderen de calvinistische leer bij te brengen.
DE SYNODE VAN DORDRECHT.
In de jaren 1618 en 1619 werd op de synode (kerkvergadering) te Dordrecht een aantal afspraken gemaakt over de nieuwe geloofsleer. Daarbij stelde men ook enkele regels voor het onderwijs op:


  • katholieke schoolmeesters, monniken, priesters en nonnen mochten niet langer meer lesgeven op de scholen.

  • Schoolmeesters moesten beloven dat zij hun leerlingen in de geest van het protestantisme onderwijzen;

  • Paapsgezinde (katholieke) leerboeken werden op de scholen verboden.

Veel regels van de Dordtse Synode werden in allerlei stadsverordeningen voor het onderwijs aangehaald. De schoolmeester moest voortaan de besluiten van de Dordtse Synode onderschrijven door de ‘’formulieren van de confessie’’ te ondertekenen.

Aanvankelijk werden schoolmeesters die weigerden te tekenen niet direct ontslagen. Tot 1650 was er namelijk een tekort aan protestantse schoolmeesters die heb konden vervangen.
EEN DORPSSCHOOL IN HET MUSEUM.
In de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw was het in Nederduitse Laege scholen vaak letterlijk een rommeltje.

Leerlingen van verschillende leeftijden zaten in een groot, meestal erg smerig schoollokaal bij elkaar. vroeger werden er geen speciale gebouwen neergezet om een school te huisvesten. Een leegstaande schuur, een kamer of de keuken van de schoolmeesterswoning vond men goed genoeg. Verlichting en verwarming ontbraken op veel scholen. Een aantal schoollokalen werd s’winters door een open vuur verwarmd. Als de schoorsteen slecht trok of zelfs ontbrak, dan zaten de kinderen als gerookte haringen in een ton. Geen wonder dat veel kinderen op school ziek werden.

De kinderen waren niet ingedeeld in klassen of schooljaren. Er werd ‘hoofdelijk onderwijs’ gegeven. Ieder kind kreeg van de meester een opdracht. Twee maal per dag moest de leerling bij de lessenaar van de meester komen waar de opdracht werd nagekeken of overhoord. Na het overhoren gaf de meester het kind nog een aanwijzing en een nieuwe taak zodat de leerling zelfstandig verder kon leren. De kinderen leerden lezen, schrijven en in sommige gevallen, als de ouders daarvoor wilde betalen. Rekenen was het duurste vak en werd op eenvoudige dorpsscholen niet veel gegeven. Als de kinderen niet naar school gingen, hoefde er dus niet betaald te worden. Schoolverzuim was voor de schoolmeester dus erg onvoordelig. Of een leerling nu knap of dom was, niemand kon blijven ‘’zitten’’. Er waren immers geen klassen. Elk kind leerde in een eigen tempo zijn lesje. Op een gegeven moment werd de leerling door zijn ouders van school gehaald om te werken.
De dorpsschool is ui 1662 naar een schilderij van Adriaan van Ostade, is een goed voorbeeld van een eenvoudige schooltje uit die tijd. Er is veel te zien. De ruimte is klein,donker en vies. Aan het plafond hangt een plank om levensmiddelen te zetten zodat ongedierte (muizen en ratten) er niet aan kan komen. Er zitten veel kinderen (jongens en meisjes) van alle leeftijden door elkaar. Zij krijgen hoofdelijk onderwijs en worden bij de lessenaar overhoord. De ouderen helpen de jongeren (meisjes vooraan). Er wordt hardop geleerd.
Met name in de dorpsscholen stelde het onderwijs weinig voor mede omdat veel schoolmeesters nauwelijks voor hun vak waren opgeleid. Sommige meesters konden amper lezen of schrijven. De schoolmeester ontving onregelmatig schoolgeld: kinderen bleven vaak weg in oogsttijd, betaalden per week of per vak. Om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien hield de meester er verschillende bijbaantjes op na, zoals koster, doodgraver, klokkenluider, schapenscheerder en voorzanger in de kerk. De meesters waren daarom vaak ‘even een uurtje’ van school weg. In de meeste gevallen nam zijn vrouw dan voor hem waar. Bij dronkenschap of onzedelijk gedrag werd hij ontslagen.

Ook in deze tijd was een aframmeling met roe en stok, of een tik op de hand niets bijzonders. De pechvogel speelde daarbij een speciale rol. Wanneer de meester merkte dat een leerling kattenkwaad uithaalde, gooide hij de ongeluks-of pechvogel naar het kind. De deugniet moest de met zemelen gevulde pechvogel naar de meester terugbrengen. Voor de lessenaar van de schoolmeester werd meteen de straf uitgedeeld. De leerling was een pechvogel. Hij kreeg klappen met de plak.


Verder werd in deze tijd gebruik gemaakt van het ezelsbord en het schandbord. Kinderen kregen het ezelsbord omgehangen als zij dom waren geweest en bijvoorbeeld veel fouten hadden gemaakt. Het schandbord, dat heel zwaar was, werd gebruikt als het kind iets schandelijks had gedaan zoals liegen, plagen, appels stelen of onbeleefd zijn. Terwijl het ezelsbord in de school werd gebruikt, moest het kind met een schandbord, vooral in de dorpen, vaak buiten de school staan zodat iedereen het kon zien.
Kinderen leerden lezen met behulp van ABC- plankje of hornbook. Dit waren houten plankjes et daarop het alfabet of het alfabet en het Onze Vader. Een plankje dat afgedekt is met een laagje hoorn wordt een hornbook genoemd. Het ABC- plankje en het hornbook waren spelmethodes: eerst werd geleerd alle letters uit het alfabet te spellen, vervolgens leerden de kinderen al spellen lettergrepen en eenvoudige woorden lezen. Leren lezen nam op deze wijze veel tijd in beslag.

Schrijven gebeurde met een ganzenveer, voor het kladwerk werden meestal lei en griffel gebruikt. Veren en papier waren te koop bij de meester. Ook voor het aanpunten van de veer kon men tegen betaling bij de meester terecht.

De kinderen bewaarden hun spullen in een houten schooltas of schrijfladeke. Deze werd niet of nauwelijks mee naar huis genomen en was bedoeld als opbergkastje. Soms werd de houten schooltas gebruikt als schrijftafeltje op de knie.
SCHOLEN IN DE NEGENTIENDE EEUW.
EEN KRUISTOCHT TEGEN ARMOEDE EN ONWETENDHEID: de onderwijshervormingen in de jaren 1780-1850.
In de achttiende eeuw kwam er veel kritiek op het onderwijs. Er waren meer scholen, waar kinderen naar toe gingen.

Door middel van armscholen had men geprobeerd de ongeschooldheid van de benedenlaag van de bevolking aan te pakken, om zo de armoede te helpen te helpen bestrijden. Door goed onderwijs zou het volkskind zich ontwikkelen tot een brave burger en een deugdzame christen, die in zijn eigen onderhoud kon voorzien. Door het volksonderwijs zou de grote armoede en de daarmee samenhangende criminaliteit verdwijnen.

Onder invloed van verlichtingsidealen werd de lagere school een nieuwe functie toebedacht. De Rede moest zegevieren over onkunde, armoede en bijgeloof. Maar onderwijs moest meer inhouden dan het opleiden tot goed burger en lidmaat van een kerk. Onderwijs moest helpen de menselijke mogelijkheid te ontwikkelen.

Daarom werden uitbreidingen van de leerstof en een andere methode wenselijk geacht. In plaats van klakkeloos memoriseren, moest begrip van en inzicht in de lesstof worden geoefend.

Daarnaast ontstonden allerlei nieuwe ideeën over de opvoeding van kinderen (comenius 1592-1670, Locke 1632-1704, Rousseau 1712-1778: Emile). De tijd dat kinderen als kleine volwassenen werden gezien en behandeld, was voorbij. Kinderen hadden recht op een aanpak die aansloot bij hun ontwikkeling.

In de tweede helft van de achttiende eeuw zien we de uitwerking van deze ideeën in de praktijk, waardoor van 1780 tot 1850 het onderwijs in Nederland veranderde. Er werden naar aanleiding van de nieuwe ideeën vele vernieuwingen ingevoerd die tot op de dag van vandaag het onderwijs in de lagere scholen hebben beïnvloed.



DE MAATSCHAPPIJ TOT NUT VAN ’T ALGEMEEN.
De maatschappij tot nut van ’t algemeen was één van de belangrijkste geleerde genootschappen in ons land. Dit genootschap werd in 1784 door dominee j. van Nieuwhuizen opgericht. De maatschappij schreef vele prijsvragen uit om tot oplossing te komen voor allerlei problemen in het onderwijs. De beste prijsverhandelingen werden meestal gepubliciteerd, door schoolopzieners en meesters besproken en in een aantal scholen toegepast. Naast de prijsverhandelingen gaf de maatschappij ook schoolboekjes uit. Verder verbeterde zij de opleiding voor onderwijzers door enkele kweekscholen op te richten.
DE OVERHEID EN HET ONDERWIJS.
Tot 1795 had de zelfstandigheid van de gewesten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een gecentraliseerde onderwijsbeleid tegenhouden. Na de Bataafse eenwording werd onderwijs echter één van de kernpunten van de centrale regering.

In 1801, 1803, en 1806 werden er door de overheid drie onderwijswetten uitgevaardigd.

Verbeteringen die de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen had voorgesteld, kwamen in de wetten duidelijk naar voren.

De vakken die in de wet genoemd werden waren lezen, schrijven, rekenen en Nederlandse taal. Hiervoor werd een boekenlijst opgesteld. Leerstelling onderwijs werd verboden, dit hoorde door de kerken zelf gegeven te worden. Wel werd men geacht in christelijke geest onderwijs te geven en over godsdienst te praten ‘ voor zoover deszelfs geschied- en zedenkundig gedeelte betreft’. Geloofsverdeeldheid moest voorkomen worden. Wel sprak er uit de boekjes op de lijst een duidelijk protestants- christelijke geest.

Het verbod van leerstellig onderwijs leidde tot het begin van de schoolstrijd. In de grondwet van 1848 werd de eerste principiële discussie hierover afgesloten. De wet gaf een garantie voor de aanwezigheid van, voor iedereen toegankelijke welingerichte openbare scholen, maar gaf tevens de vrijheid om bijzondere scholen op te richten.

DE MODELSCHOOL.
Het tafereel in het museum is een modelschool uit 1830 zoals de overheid en de vooruitstrevende onderwijsvernieuwers van de Maatschappij tot nut van ’t Algemeen zich die voorstelden. Veel van de vernieuwingen die in dit tafereel tot uiting komen, werden langzamerhand ook daadwerkelijk in de praktijk gebracht.

BETERE SCHOOLGEBOUWEN.


De klachten van medici over de bedompte lucht in de veel te lage en donkere schoollokalen, werden vanaf 1800 steeds meer serieus genomen. De overheid vaardigde allerlei richtlijnen uit voor schoolmeubilair en de bouw van scholen. De leus was: meer frisse lucht en licht. Dit schoollokaal was dus speciaal gebouwd voor het geven van onderwijs, in tegenstelling tot het vorige tafereel. Goede schrijftafels en banken, een kachel met schoorsteenpijp in plaats van een open voorplaats, hoge ramen waarvan de bovenlichten open konden en de houten vloer in plaats van de koude stenen vloer waren belangrijke bouwkundige verbeteringen.

HET ONTSTAAN VAN KLASSEN.


Het traditionele hoofdelijk onderwijs voldeed niet meer. In de paar jaar die kinderen op de Nederduitse Laege school zaten, leerden ze te weinig. Een nieuw systeem van lesgeven werd sterk gepropageerd. In plaats van hoofdelijk onderwijs moest de schoolmeester klassikaal lesgeven. De leerlingen werden daartoe in drie klassen verdeeld. De schoolmeester gaf gedurende een gedeelte van de dag aan één van de drie klassen les terwijl de kinderen van de overige twee klassen voor zich zelf werkten. De overgang van de ene naar de andere klas vond plaats via een examen. Als een kind niet voor dat examen slaagde, bleef hij of zij in de bank zitten en moest een half jaar overdoen. Het ‘zitten blijven’ of ‘overgaan’ was een feit. In het lokaal kun je goed zien dat de jongste kinderen alleen leerden lezen, zij hadden alleen bankjes, geen tafels. De andere leerlingen krijgen ook schrijven en rekenen. Bij het klassikaal lesgeven maakte de onderwijzer gebruik van het zwart schoolbord, dat voor het eerst in de scholen verscheen.

VERBETERING VAN DE OPLEIDING TOT SCHOOLMEESTER.


Tot de negentiende eeuw kon iedereen schoolmeester worden. Een echte opleiding was er niet. Een jongen leerde het vak meestal van zijn eigen schoolmeester. Veel schoolmeesters waren erg geschikt om kinderen te onderwijzen. Er waren zelfs meesters die nauwelijks konden lezen en schrijven! Met de onderwijswet van 1806 werd er een eerste serieuze poging gedaan om de kwaliteit van de onderwijzer te verbeteren. Iedereen die schoolmeester wilde worden, moest voortaan een examen afleggen om minimaal de akte van de vierde rang te behalen. Zonder deze akte mocht men niet lesgeven. Daarna kon een schoolmeester verder leren om een akte van de derde, tweede, of eerste rang te halen.

Aan het eind van de achttiende en het begin van negentiende eeuw werd de eerste kweekscholen in Amsterdam, Groningen, en Rotterdam door de Maatschappij tot Nut ’t Algemeen opgezet. Pas in 1816 stichtte het Rijk een kweekschool in Haarlem.

De schoolmeester had het niet makkelijk. Pas wanneer een school meer dan 70 leerlingen had werd er namelijk een hulponderwijzer aangesteld. Dit was vaak een jongen van een jaar of 14. Pas bij meer dan 100 leerlingen werd er een tweede onderwijzer aangesteld.

BETERE LEERMETHODE.


In de leer- en lesboeken werd weinig rekening gehouden met de gevoelens en de ontwikkeling van het jonge kind. Ook de methode waarop de stof aangeleerd werd moest beter bij de ontwikkeling van het kind aansluiten. Het klakkeloos uit het hoofd leren moest volgens de onderwijsvernieuwers plaats maken voor het methodische, inzichtelijk leren. Schoolboeken van de Maatschappij tot nut ’t Algemeen, de zwarte schoolborden, aanschouwelijke methoden en de letterkast, letterplankjes (voor de leerlingen) en leesplaten van P.J. Prinsen vonden in de eerste helft van de negentiende eeuw hun weg naar de lagere school.

P.J. Prinsen had een belangrijke nieuwe methode om te leren lezen ingevoerd: de KLANKMETHODE. Volgens de oude spelmethode leerde een kind bijvoorbeeld het woord BOOM als volgt lezen: Bee..OO..Emm= BOOM. De klankmethode gaat, simpel gezegd, uit van de klank zoals je een letter ook echt uitspreekt: Bu- Oo- Mm.

Ook voor het rekenen kwamen er methodische hulpmiddelen zoals het telraam, dat volgens de verhalen in 1813 door de terugtrekkende Franse troepen uit Rusland zou zijn meegenomen, de decimale inhoudsmaten boven de deur van ‘het secreet’ ( het decimale rekenstelsel werd rond 1820 ingevoerd) en de houten klok in de vorm van een kerkklok.

Er werd door de leerlingen soms geschreven met inkt uit inktpotjes op papier. Omdat papier echter vrij duur was, schreven ze de meeste oefeningen met een griffel op een leitje.

BELONEN IN PLAATS VAN STRAFFEN.
Volgens de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen moesten lijfstraffen, evenals eer- en schandborden door lof en beloning worden vervangen. Ook de overheid stelde zich op het standpunt dat lijfstraffen nodeloos kwetsend waren voor de opvoeding van kinderen. De nieuwe schoolwetten verboden min of meer de lijfstraffen. In 1823 verkondigde de overheid dat elke schoolmeester die een kind mishandelde, gerechtelijk vervolgd zou worden.

Grote nadruk legde men op de deugd. Tijdens officiële prijsuitreikingen kregen de braafste leerlingen een prijsboek.



ONDERWIJS IN DE TWINTIGSTE EEUW.
Rond 1860 veranderde de Nederlandse maatschappij van een agrarisch ambachtelijke in een industriële samenleving. De bevolking trok in grote getale naar de steden.

Hoewel het oprichten van bijzondere scholen was toegestaan gaf dit de nodige politieke strijd, aangezien de overheid hiervoor geen financiële basis wilde leggen. Pas in 1920 kwam aan de schoolstrijd een einde toen de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs een feit werd.

In deze periode was er tevens een algemeen economisch probleem betreffende het onderwijs. De kosten voor onderwijsvoorzieningen werden hoger en hoger terwijl de eisen die aan het onderwijs gesteld werden toenamen. Het was voor de samenleving van belang dat zoveel mogelijk kinderen ook daadwerkelijk gebruik maakten van het onderwijs, en dat dit onderwijs meerdere jaren zou duren en een aantal vakken zou bevatten.

De wet van 1857 bevatte een groot aantal maatregelen om de gewenste kwaliteitsverbetering tot stand te brengen. Ten eerste werden de vakken geschiedenis, aardrijkskunde, kennis der natuur, vormleer (meetkunde) en muziek opgenomen in de wet, naast de al verplichte vakken lezen, schrijven, rekenen en Nederlandse taal. De positie van de onderwijzer verbeterde door de vaststelling van een minimumsalaris en het instellen van een pensioen.


Overigens merkte een aantal kinderen tot 1900 weinig van alle vernieuwingen in het onderwijs. Van jongs af aan werkten kinderen mee op de fabriek of in de landbouw en zagen zij nauwelijks een school van binnen. Pas in 1900 werd, met slechts één stem meerderheid in de tweede kamer, de leerplichtwet aangenomen. Ieder kind moest vanaf het zevende tot en met het twaalfde jaar onderwijs volgen. Het laten werken van jonge kinderen was officieel verboden. De leerplichtwet was minder ingrijpend dan men wellicht zou denken. Tussen 1890 en 1900 ging namelijk ongeveer 90% van de kinderen al min of meer geregeld naar school. Wel maakte de leerplichtwet een einde aan het vroegtijdig verlaten van de school. Ook werd het aantal kinderen dat hun ouders s’ zomers in de land –en tuinbouw hielp en daarom lange tijd van school wegbleef, steeds kleiner.

EEN KLASLOKAAL UIT 1910.
In de loop van de negentiende eeuw vonden er meer verbeteringen plaats. De meeste leerstof was nog te weinig op de kinderen toegespitst. Daar kwam langzamerhand verandering in. M.B. Hoogeveen ontwikkelde bijvoorbeeld een nieuwe leesmethode, het bekende Aap- Noot- Mies, die beter aansloot bij de belevingswereld van het kind.
Voor het aanschouwingsonderwijs werden allerlei schoolplaten ontwikkeld. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd er op veel Nederlandse scholen aanschouwingsonderwijs gegeven. Men verwachtte veel van deze nieuwe vorm van leren, waarbij leerlingen actief werden aangesproken op hun waarnemings- en denkvermogen. Naar aanleiding van een simpel voorwerp uit de directe omgeving van de kinderen, zoals een stoel of een kandelaar, stelde de onderwijzer een eindeloze reeks vragen die de leerlingen nauwkeurig moesten beantwoorden. Door goed te kijken (het aanschouwen) en te luisteren, leerden zij de verschillende kleuren, onderdelen, materialen en de functie van allerlei voorwerpen te onderscheiden en te benoemen. Om het de onderwijzer gemakkelijker te maken, werden er uitgebreide series schoolplaten uitgegeven waarop alledaagse situaties, voorwerpen, ambachten en beroepen stonden afgebeeld. Ook opgezette dieren en modellen van werktuigen en planten werden gebruikt voor het aanschouwingsonderwijs en langzamerhand ook voor nieuwe vakken zoals aardrijkskunde, geschiedenis en kennis der natuur (wet van 1857).
Door aanschouwingsonderwijs leerde het schoolkind niet alleen goed naar iets te kijken en allerlei eigenschappen op te noemen, het kreeg ook kennis van diverse zaken en voorwerpen.

Deze basiskennis stelde de leerlingen in staat om in een later stadium nieuwe kennis aan te leren.

Naast het leren kijken was het aanschouwingsonderwijs op deze manier tevens eens voorbereiding op de zaakvakken in de hogere klassen zoals aardrijkskunde, kennis der natuur en geschiedenis. Daarom werd het aanschouwingsonderwijs ook wel zaakonderwijs genoemd. Rond 1900 voerde deze laatste opvatting over de functie van het aanschouwings- of zaakonderwijs de boventoon in het Nederlandse onderwijs.
Dit tafeleer is het eerste voorbeeld in de vaste presentatie van een klaslokaal waar puur klassikaal onderwijs werd gegeven. De onderwijzer uit 1990 kon al zijn tijd besteden aan het lesgeven aan ‘’zijn’’ groep kinderen die allemaal van ongeveer dezelfde leeftijd waren. Met het invoeren van het klassikale onderwijs, met name in de aparte klaslokalen, werd het zogenaamde ‘zitten blijven’ of ‘overgaan’ aan het eind van het schooljaar voor elk kind berucht. Als een kind bleef zitten dan was hij of zij vaak gelijk alle vriendjes kwijt. Alle leerlingen moesten gedurende een jaar een bepaalde hoeveelheid lesstof op een bepaalde niveau hebben verwerkt, wilden ze overgaan naar de volgende klas. Dit tafereel is dus de uitbeelding van een klas waarin het ‘leerstof-jaarklassensysteem’ centraal staat.

Opvallend in het lokaal waren de zeer hoge ramen (altijd in de linkerkant van het lokaal vanwege het schrijven met de rechterhand) waarvan de bovenlichten open konden klappen, de hoogte van het vertrek (vier meter) en de aanwezigheid van gasverlichting. Deze nieuwigheden verwezen naar de door medici gepropageerde gedachte van ‘ruimte, licht en lucht’. Iedere leerling had recht op minimaal 6m frisse lucht. De grote gietijzeren kolenkachel maakte het verblijf in het lokaal gedurende de wintermaanden een stuk gerieflijker. De leerlingen zaten niet langer op lange banken maar in tweezitters van gietijzer en hout. Deze banken waren gebaseerd op een Amerikaans model uit het eind van de negentiende eeuw. Vanaf 1860 waren er allerlei brochures en artikelen gewijd aan de constructie van schoolbanken om ruggenwervelvergroeiingen tegen te gaan (‘rechtop zitten!’). Deze banken waren dan ook in verschillende hoogten verstelbaar. Ook kreeg elk kind een eigen inktpotje voor het schrijven. De vloer bestond uit, minimaal iedere week schoon te maken, houten delen.



EEN KLASLOKAAL UIT 1930.
Een bekende wet in de geschiedenis van het lager onderwijs is de wet van 1920 waarin de financiële gelijkschakeling van het bijzonder en het openbaar lager onderwijs werd geregeld.

Zowel de katholieke, protestants-christelijke als de openbare scholen, ontvingen van de overheid hetzelfde bedrag voor de aanschaf van schoolgebouwen, leermiddelen, de salarissen voor de onderwijzers en dergelijke. De schoolstrijd, die lange tijd voor veel beroering had gezorgd, was hiermee officieel afgesloten.

Daarnaast verbood deze wet het zogenaamde standenonderwijs. In theorie wordt vanaf 1920 op elke lagere school in Nederland hetzelfde onderwijs gegeven en leiden zij de kinderen op tot alle vervolgopleidingen. In de praktijk bleven er echter tot in de jaren vijftig en zestig ‘volksscholen’ en ‘opleidingsscholen’ bestaan. De laatste gaven lager onderwijs gericht op de toelating van leerlingen op de H.B.S. en het gymnasium. Op de volksschool was dat niet of veel minder het geval. Het U.L.O. was voor de leerling van de volksschool meestal het hoogst haalbare.
De banken in dit tafereel werden volgens Rijksnormen gemaakt. Er waren verschillende maten banken: de leerling moest tegen de deurpost gaan staan, waarop streepjes waren gezet. De lengte van de leerling bepaalde de plaats in de klas. De gasverlichting verdween en werd vervangen door elektrische verlichting, de kolenkachel werd vervangen door centrale verwarming en nieuwe leermiddelen zoals de schoolradio (1929-1988) deden hun intrede in de klas. In 1928 werden de eerste schoolradioprogramma’s uitgezonden door de NCRV.

Evenals in het tafereel van 1910 is hier een houten schoolbord opgesteld. De vloer bestaat uit linoleum. De hoge lessenaar bevestigt de autoriteit van de meester.


Op een zogenaamde ‘blinde kaart’ die voor de klas hangt is de provincie Zuid- Holland te zien.

De leerlingen in de klas moesten allen tegelijk de door meester of juf aan te wijzen plaatsen opdreunen. De vogel op de kast verwijst naar het vak natuurlijke historie.

In verband met het sterk stijgend aantal omgevallen met kinderen, ontstond in deze periode ook het verkeerdsonderwijs. De eerste serie schoolplaten werd in 1925 uitgebracht door de A.N.W.B., al snel gevolgd door schooluitgevers. Een voorbeeld hiervan is het verkeersbord van Heeroma.

EEN KLASLOKAAL UIT 1960.
DEMOCRATISERING VAN HET LAGER ONDERWIJS?
Pas na de Tweede Wereldoorlog vonder er weer ingrijpende veranderingen plaats in de lagere school. Vooroorlogse denkbeelden van een kleine elite van onderwijsvernieuwers, dat het kind in zijn eigen tempo de natuurlijke persoonlijkheid moest ontwikkelen, gingen het lager onderwijs beïnvloeden. Ook keek men, meer dan voorheen, naar de creatieve vermogens van de leerling en de mate waarin het kind met andere kon samenwerken.
Een school met een lokaal zoals te zien is in het museum noemt men een ‘licht-lucht-school’: de ramen zijn groot, ze kunnen goed open gezet worden en de kinderen kunnen naar buiten kijken. Bij de tafel van de onderwijzer staat de luidspreker van de ‘radio- Distributie’ of ‘Draadomroep’. Dit was een systeem van geselecteerde zenders die storingsvrij door de P.T.T. werd uitgezonden. De knop aan de muur regelde de zenderkeuze van 4 zenders en het geluidsvolume. Tot in de jaren zestig beschikten duizenden gezinnen over draadomroep. Door de uitvinder van de F.M. kanalen won uiteindelijk de radio vanwege de veel grotere zenderkeuze.
Het traditionele klassensysteem (vanaf ca. 1800) met zijn afgewogen porties leerstof per jaar en het daaraan gekoppelde ‘overgaan’ of ‘zitten blijven’ ondervond gaandeweg steeds meer kritiek. Mede door de toenemende stimulans van de overheid experimenteerden aan het eind van de zestiger en het begin van de zeventiger jaren veel scholen in Nederland met ‘lossere klassenverbanden’. Naast de al eerder genoemde persoonlijke ontplooiing werd democratisering van het onderwijs de leus. Ieder kind moest, ongeacht rang, stand of huidskleur zoveel mogelijk de kans krijgen zich in zin eigen tempo en op zijn eigen specifieke wijze te ontplooien. Men hoopte op deze wijze leerlingen naar zijn of haar beste vermogens op te leiden en gereed te maken voor het vervolgonderwijs en een beroep.
Uit de inviduele leerlingensetjes blijkt dat de aanpak van het onderwijs in de lagere school langzamerhand verschoof van het klassikale lesgeven naar het lesgeven in niveaugroepjes. Er werd meer dan voorheen aandacht geschonken aan de creatieve vakken in de school: het kind kreeg meer kansen om zich individueel op allerlei terreinen (ook op expressief gebied) te ontplooien.

Leerlingensetjes werden geïntroduceerd in 1953. de leerlingen zaten toen in rijen. De opstelling in groepen zoals in dit lokaal, heeft dan ook pas na 1960 plaatsgevonden, end an nog niet eens op alle scholen.

De ontwikkelingen in het onderwijs zijn natuurlijk niet opgehouden na 1960. in 1984 werd de nieuwe Wet Basisonderwijs aangenomen, waarin kleuterschool en lagere school werden samengevoegd in de nieuwe basisschool.

BOEKENLIJST

Op deze lijst staan verschillende soorten boeken, verhalen en informatieve boeken. Deze boeken gaan niet alleen over school, maar ook over het leven van kinderen vroeger en nu,

Natuurlijk kun je ook in je eigen bibliotheek zoeken naar boeken waar je meer informatie uit kunt halen.
VERHALENDE BOEKEN.
*Corrie Hafkamp, Een heel schrift wachten, heemstede 1989

in dit boek vertelt de schrijfster over haar kindertijd, tijdens de Tweede Wereldoorlog. In hoofdstuk 6 beschrijft ze haar schooltijd.


*Janus Korczak, als ik weer klein ben, Utrecht 1989

Janus Korczak was een onderwijzer uit Polen aan het begin van deze eeuw. In dit boek wordt zijn wens om weer kind te zijn vervuld. Hij schrijft zijn belevenissen als kind op.

Vooral de eerste twee hoofdstukken gaan over zijn school.
*J. Ligthart en W. Scheepstra, het boek van Ot en Sien, Leiden 1976.

Dit is een kinderboek, dat aan het begin van deze eeuw geschreven is. Als je wilt lezen wat kinderen rond 1920 lazen, is dit een goed boek.


*Henriëtte Theunissen, Wie was je opa’s opa, opa? , Amsterdam 1990.

In dit boek wordt verteld over het leven van kinderen in Nederland. Het begint in de Middeleeuwen en eindigt met het verhaal van een vrouw die aan het begin van deze eeuw geboren is en nu nog leeft. Alle kinderen in dit boek hebben echt bestaan. In de verhalen in dit boek kun je lezen hoe gewone kinderen vroeger leefden.


*Willem van Toorn, Rooie en andere verhalen over mijzelf en mijn klas, Amsterdam 1991.

Dit boek gaat over een groepje jongens en meisjes van ongeveer 15 jaar in de jaren ’60. ze zitten op een nogal aparte school, waar geëxperimenteerd wordt met andere lesmethodes.


INFORMATIE BOEKEN
*A.F. Manning, Op zoek naar het alledaagse vaderland, Amsterdam 1975.

Dit is een boek met veel illustratie. Het gaat over het leven van gewone mensen in Nederland. Blz. 59-61, blz.118-122 en blz. 132-136 geven vooral informatie over school en het leven van kinderen.


*Vivian Voss, Iene miene mutte, Kinderen van alle leeftijden. Bussum 1978.

In dit boek wordt uitgebreid verteld over het leven van kinderen in vroegere tijden. In hoofdstuk 3 en 4 (‘’Mijn spelen is leren..’’en’’..En mijn leren is spelen’) wordt het onderwijs behandeld.


*C. Wilkeshuis, Daantje zou naar school gaan toe gaan, honderd jaar ‘’volksonderwijs’’, Utrecht 1966.

In dit boek wordt het lager onderwijs tussen 1866 en 1966 besproken. Het boek bevat veel foto’s.


*C. Wilkeshuis, meester wel bedankt! De school van 1900 tot nu. Leiden 1968.

In dit boek wordt heel uitgebreid verteld over de school in deze eeuw.


*Dr. P.Th.F.M. Boekholt en dr. E.P. de Booy, Geschiedenis van de school in Nederland, Assen/Maastricht 1987
*Dr. L.C. Stilma, Van kloosterklas tot basisschool, een historisch overzicht van opvoeding en onderwijs in Nederland. Nijkerk 1995



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina