De gevolgen van etnische en culturele diversiteit voor de gezondheidszorg, in het bijzonder het medisch onderwijs Geschreven als doctoraalscriptie in het kader van de studie Interculturele Psychologie aan de Universiteit Utrecht



Dovnload 429.56 Kb.
Pagina1/8
Datum25.07.2016
Grootte429.56 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8
De gevolgen van etnische en culturele diversiteit voor de gezondheidszorg, in het bijzonder het medisch onderwijs


Geschreven als doctoraalscriptie in het kader van de studie Interculturele Psychologie aan de Universiteit Utrecht.

Auteur: Katja Natasja Lanting

Begeleider: Professor J.D. Ingleby

Augustus 2008

§

INLEIDING

Aanleiding
Een patiënte komt binnen met haar zoon van 14 jaar, die voor haar moet vertalen tijdens het consult, omdat de arts zich niet realiseert hoe belangrijk een tolk is.
Een huisarts in Amsterdam-West ziet de sikkelcelanemie van een Surinaamse patiënt over het hoofd, omdat deze aandoening onder autochtone Nederlanders nauwelijks voorkomt.
Een huisarts in Spangen vermoedt mishandeling, maar krijgt zijn patiënt niet te zien zonder haar man.
Dit zijn situaties uit de praktijk van verschillende medisch professionals. Nu 19% van alle Nederlanders allochtoon is (CBS, 2008), wordt de gezondheidszorg zeker in de grote steden dagelijks geconfronteerd met de etnische en culturele diversiteit van de samenleving.

Deze diversiteit is de laatste vijftig jaren zowel in Nederland als in de meeste andere Noord-West Europese landen sterk toegenomen, als gevolg van globalisering, dekolonisatie en andere vormen van migratie.


De Landelijke Huisartsen Vereniging stelt dat vrijwel iedere huisarts met diversiteit te maken krijgt (Langeveld, 2007). Deze diversiteit brengt geregeld een andersoortige problematiek met zich mee. Er zijn niet alleen taal- en cultuurverschillen, maar ook verschillen in de prevalentie en de verschijningsvorm van ziektes.
De bestaande gezondheidszorg is ontwikkeld voor de meerderheidsgroep en slaagt er vaak niet in om in de behoeften van andere groepen te voorzien (Watters, 2002). Indien wij gelijkwaardige zorg aan alle mensen in Nederland willen bieden, betekent dit dat de gezondheidszorg voor een uitdaging staat. Niet alleen de medische professionals, maar ook de organisatiestructuur en de verschillende zorgproducten moeten worden afgestemd op de eisen en behoeften van een etnisch en cultureel diverse samenleving (Messing, 2003).
Om tot aanpassing van de zorg aan nieuwe doelgroepen te komen is interculturalisatie, het proces van sociaal-culturele aanpassingen aan de veranderende samenstelling van de bevolking (van Osenbruggen e.a., 2006), nodig. De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (2000) hechtte groot belang aan een beleid “gericht op het cultuurgevoeliger maken van voorzieningen in de gezondheidszorg met het doel allochtone en autochtone (potentiële) zorgvragers gelijkwaardige kwaliteit van en gelijke toegang tot de zorg te verschaffen”.
De vormgeving van interculturalisatie binnen de zorg is niet alleen een interne zaak van de zorgsector, maar ook andere instanties hebben er een aandeel in. De Europese Unie (EU) en de Nederlandse overheid houden zich hier in meerdere of mindere mate mee bezig. Zowel politieke processen als zorginhoudelijke ontwikkelingen spelen dan ook een rol in de vormgeving van de interculturalisatie in Nederland.
Terugkijkend op de voorbeelden uit de inleiding, is te zien dat de diversiteit van de huidige samenleving de spreekkamer van de medisch professional1 inloopt. Deze diversiteit doet een beroep op andere kennis, vaardigheden en houding van deze beroepsbeoefenaars. Naast alle andere instanties die zich hiermee bezig houden vervullen de opleiders van de medisch professional in de toekomst hier een belangrijke rol in.

Immers, elk jaar gaat een nieuw cohort van vers opgeleide medici de kliniek in.


Wat de gevolgen zijn van toenemende etnische en culturele diversiteit voor de gezondheidszorg, in het bijzonder het medisch onderwijs, is de centrale vraag van deze scriptie. Om deze vraag goed te beantwoorden, worden de uitdagingen waar de gezondheidszorg en daarmee de medisch professional te maken krijgt verder uiteengezet.

In dit eerste deel wordt beschreven hoe de samenleving is veranderd en wat de gevolgen hiervan voor de zorg zijn. Het tweede deel wil een context geven aan deze verandering. Zoals gezegd is de gezondheidszorg niet de enige speler in het veld: de Nederlandse overheid, de Europese Unie en andere belanghebbenden hebben een belangrijke positie in deze ontwikkeling. Ook binnen de gezondheidszorg zijn er veel verschillende instellingen, beroepsgroepen en belangen. De vormgeving van het medisch onderwijs heeft uiteraard te maken met het beleid van de bovenstaande partijen. In het derde deel kijken we wat de gevolgen zijn van toenemende etnische en culturele diversiteit voor de gezondheidszorg, in het bijzonder het medisch onderwijs.

Begrippen worden in de bijlage toegelicht.
Memorandum

In een literatuuronderzoek naar de gezondheidszorg voor migranten is niet of nauwelijks te ontkomen aan generalisaties en stereotypering. Om inzicht te krijgen en verbanden te zien is generaliseren noodzakelijk. Verklaringen en discussiepunten moeten daarom ook niet als absoluut opgevat worden. Binnen culturele en etnische groepen zitten vaak grotere verschillen dan tussen groepen. Bij de beschouwing van (de impact van) cultuur is het belangrijk te onthouden dat cultuur een dynamisch begrip is en dat iedereen een cultuur heeft.



Hoofdstuk 1 DE VERANDERENDE NEDERLANDSE SAMENLEVING

IN EEN GLOBAAL PERSPECTIEF

Inleiding

De benodigde veranderingen (interculturalisatie) in de gezondheidszorg zijn een gevolg van de veranderingen die in de Nederlandse samenleving hebben plaatsgevonden. In dit hoofdstuk wordt dan ook besproken hoe Nederland een meer heterogene samenleving is geworden. Vervolgens wordt bekeken wat het betekent dat er mensen uit andere landen in Nederland zijn komen wonen. Hoe de gezondheidszorg inspeelt op maatschappelijke diversiteit heeft ook te maken met het politieke klimaat ten opzichte van ‘allochtonen’. Tot slot wordt dit dan ook in dit hoofdstuk uiteen gezet.


Onderstaande figuur 1 van het IOM laat zien dat wereldwijd het aantal migranten de laatste veertig jaar bijna is verdrievoudigd.

Figuur 1:

Migratie wereldwijd 1965-2000 (Bron: IOM)
Migratie in Europa

De ontwikkeling in de Nederlandse bevolking is vergelijkbaar met de ontwikkeling in andere Noord-Europese landen. Figuur 2 laat zien dat in de meeste Noord-West-Europese landen 10 tot 15 % van de totale bevolking in het buitenland is geboren. Nederland is hierop geen uitzondering.

Het verschil in de percentages tussen Nederland en de rest van Noord-Europa heeft onder andere te maken met de manier waarop allochtonen worden gedefinieerd en gemeten. Daarmee is diversiteit van culturele achtergrond dus niet een exclusief Nederlands verschijnsel, maar één die breder speelt op Europees niveau.

.
Figuur 2:

Percentages van totale bevolking dat in het buitenland geboren is in Europese landen (en Zwitserland).

(Bron: Muenz, 2006, Migration Policy Institute)

Migranten in Nederland

Tussen 1820 en 1960 was de immigratie in Nederland zeer beperkt (zie figuur 3); Nederland was vooral een emigratieland. In figuur 1 was al te zien dat sinds de jaren zestig is het aantal migranten wereldwijd is gestegen. Dat geldt ook voor Nederland (zie figuur 3) De bevolking van Nederland groeit vanwege immigratie. De autochtone bevolking vergrijst en het geboortecijfer is niet hoog.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (2008) wonen er 3.2 miljoen allochtonen in Nederland, 19% van de totale bevolking. Een grote stad in Nederland kan wel 150 nationaliteiten herbergen. Onder de allochtonen zijn veel verschillende groepen te onderscheiden. Het CBS maakt onderscheid tussen westerse en niet westerse allochtonen. Het gaat hierbij respectievelijk om 1,4 miljoen mensen, bijna 9 % van de Nederlandse bevolking (westerse allochtonen) en 1,7 miljoen mensen, 10,6% (niet-westerse allochtonen). Deze indeling is tamelijk willekeurig, maar grofweg hebben ‘niet westerse’ allochtonen een lagere sociaal-economische status dan ‘westerse’. Bij de eerste groep zijn er dan ook meer problemen. Hoewel de interne diversiteit groot is, onderscheidt het CBS vier grote groepen niet-westerse allochtonen in Nederland: Turken (373 duizend), Marokkanen (335 duizend), Surinamers (336 duizend) en Antillianen (inclusief Arubanen) (131 duizend).

Figuur 3:

Nieuwkomers als percentage van de Nederlandse bevolking.

(Bron: Lucassen en Penninx, 1994)



Migratie tendensen in Nederland in de afgelopen 50 jaar

Gedurende de afgelopen vijftig jaar zijn er verschillende groepen migranten naar Nederland gekomen. Penninx (1996) geeft een overzicht van de migranten die zich na de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben gevestigd. Migranten uit de voormalige koloniën kwamen vanaf de jaren vijftig: gerepatrieerde soldaten uit Nederlands-Indië. Vanaf de jaren zestig werden zogenoemde 'gastarbeiders' door de regering uitgenodigd om vooral fysiek zwaar ongeschoold werk te doen. Zij kwamen voornamelijk uit Zuid-Europa en Noord-Afrika. Bij Turken en Noord-Afrikanen is er sprake van veel minder retourmigratie dan bij de gastarbeiders uit andere landen. In plaats van terug te keren naar hun land van herkomst, lieten zij na verloop van tijd vaak hun partner en familie overkomen naar Nederland. Deze groep (voormalige) gastarbeiders en hun volgmigranten maken verreweg het grootste deel uit van alle immigranten uit de voormalige wervingslanden. Vroegere 'gastarbeiders' hebben meer problemen met integratie dan migranten uit de voormalige koloniën, die vaak al bekend waren met de taal en cultuur van de Nederlanders.

In de jaren zeventig zijn veel Surinamers naar Nederland gekomen. Surinamers vormen op dit moment de één na grootste allochtone groep in Nederland.

In de negentiger jaren groeide het aantal landen van herkomst van immigranten, vooral omdat er vanaf midden jaren '90 veel vluchtelingen naar Nederland zijn gekomen. Van 1997 tot 2001 was het aantal asielaanvragen het grootst (Centrale Opvang Asielzoekers, COA). Deze asielzoekers zijn veelal gevlucht als gevolg van een humanitaire crisis in het land van herkomst (Boomstra en Hoogsteder, 2003). Echter, in 2002 daalde het aantal asielaanvragen drastisch (COA) als gevolg van politieke maatregelen en mondiale ontwikkelingen (zie ook de paragraaf 'Politieke verschuivingen').


Politiek in Nederland ten opzichte van immigranten na 1950

Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat Nederland een etnisch-cultureel diverse samenleving is geworden. Maar multiculturaliteit is niet hetzelfde als ‘multiculturalisme’, dat wil zeggen een positief beleid ten opzichte van diversiteit. De aan- en afwezigheid van dit beleid is terug te zien in de politiek ten opzichte van immigranten.


De gruwelijke gevolgen van de rassenleer van de Nazi's plaatsten alle ideeën over de superioriteit van bepaalde bevolkingsgroepen (de 'witte' overheersing, nog uit het koloniale tijdperk van de eeuwen daarvoor) in een kwaad daglicht. “Met de oprichting van de Verenigde Naties in 1945 en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948 stond de notie van gelijke rechten voor het eerst op de internationale agenda” (Ingleby, 2000).

Hoewel het racisme uit de gratie was, was de overheersende politieke visie in de vijftiger en zestiger jaren het monoculturalisme. Er werd geen aandacht besteed aan de integratie van migranten in de Nederlandse maatschappij. Het beleid dat in deze decennia werd gevoerd, wordt door Penninx (1996) gekarakteriseerd als 'de illusie van tijdelijkheid'; de verwachting was dat veel 'gastarbeiders' terug zouden keren naar het land van herkomst, maar veel van hen bleven in Nederland.


Sinds de jaren '70 is het Nederlandse beleid om Niet-Westerse arbeidsmigranten toe te laten restrictief, terwijl secundaire migratie (gezinshereniging) werd toegestaan. In deze periode werd in Nederland vanwege dit groeiend aantal 'allochtonen' en hun sociale achterstandspositie een beleid ten aanzien van diversiteit ontwikkeld. Er waren specifieke zorgen om de marginalisatie van Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten en hun families en om migranten uit Suriname en de Antillen. Deze groepen 'etnische minderheden' hadden recht op extra middelen om opleiding en huisvesting te verbeteren. Ook werden maatregelen genomen om discriminatie te bestrijden.
Langzaam dringt het tot de overheid door dat de immigranten niet meer zullen vertrekken. De kern van het rapport Etnische minderheden (1979) van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid is dat ‘de gedachte dat etnische minderheden slechts tijdelijk in ons land verblijven niet juist is’ (WRR,1979). De notie was dat migranten blijvend aanwezig zijn en dat Nederland daarmee (weer) een immigratiesamenleving is geworden.

Het WRR rapport staat in het teken van de ontwikkeling naar en vormgeving van een multiculturele

samenleving gericht op emancipatie met behoud van de eigen (groeps)identiteit. Om dit te bereiken wordt, aansluitend bij het gedachtegoed van de verzuiling, aan minderheidsgroepen eenzelfde plaats toebedeeld als vroeger de zuilen in Nederland hadden. Van de overheid wordt een actieve opstelling verwacht. Een officieel immigrantenbeleid moet zijn ingebed in een algemeen achterstandsbeleid, maar ook zijn gericht op de bestrijding van de achterstelling, en op het naar elkaar toegroeien van meerderheid en minderheden.
In de jaren tachtig voerde de Nederlandse regering formeel een 'multicultureel' beleid.

In 1983 werd in de Minderhedennota het fundament gelegd voor een beleid dat uit ging van het beginsel van gelijke rechten voor alle bevolkingsgroepen. De overheid nam de verantwoordelijkheid op zich om zorg voor minderheden in het eigen beleid mee te nemen. Er werd vooral gekeken naar verzachtende omstandigheden en het rekening houden met de (on)mogelijkheden van de groep. Onderwijs in eigen taal en positieve discriminatie zijn hier een voorbeeld van. Als gevolg van dit beleid werden etnische minderheden echter niet gestimuleerd om zichzelf te organiseren (In Engeland was dit juist wel het geval).

Naar aanleiding van het multiculturele beleid genoot Nederland tot voor kort een wereldwijde reputatie van tolerantie voor etnische minderheden, als ze eenmaal in het land waren, en een progressieve houding jegens sociale gelijkheid. Maar net als in andere West-Europese landen groeide in Nederland de weerstand tegen cultureel pluralisme. Eind jaren negentig publiceerden opiniemakers Paul Scheffer en Paul Schabel essays over respectievelijk 'het multicultureel drama' (Scheffer, 2000) en 'de multiculturele illusie' (Schnabel, 2000). De problemen die migranten met zich mee brachten overheersten in het discours. Het asielbeleid werd al in 2001 meer restrictief.
Toen na “9/11” en de moord op Pim Fortuyn in 2002 een centrum-rechtse regering aan de macht kwam werd steeds meer een politiek van assimilatie gevoerd. Door de minister van Vreemdelingenzaken (later Integratie) Verdonk (en in mindere mate daarvoor door minister Nawijn) werden maatregelen genomen om de migratie naar Nederland te belemmeren. Voor asielzoekers werd het steeds moeilijker om een status te verkrijgen. De voorzieningen in asielzoekerscentra werden “versoberd”.
Volgens het huidige integratiebeleid in Nederland moeten migranten 'inburgeren': zich aanpassen aan de dominante Nederlandse normen. Hardop wordt het niet gezegd, maar dit is een 'assimilatie' beleid, omdat de essentie van integratie is dat het een tweezijdig proces van aanpassing is (Ingleby, 2006). De heilige koeien van eerdere overheidsdiensten werden opgeofferd, inclusief de verplichting aan het multiculturalisme en het taboe op het victimiseren en stigmatiseren van etnische minderheden (Ingleby, 2005). De last van integratie werd onevenredig op de schouders van immigranten gelegd. Er zijn ook tegenkrachten tegen dit beleid. Zo merkt Penninx (2006) op dat: 'Een dergelijk beleid polariseert, ondersteunt en verhoogt de verdeling tussen de inheemse bevolking en immigranten'.

Hoofdstuk 2 MODELLEN OVER INTEGRATIE VAN MIGRANTEN IN DE SAMENLEVING

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt op verschillende niveaus beschreven welke theoretische modellen er zijn om te kijken naar integratie. Er wordt eerste gekeken naar het niveau van landen met de ideaaltypische modellen van Castles (1995) en het MIPEX model. Dit laatste model van Britse origine biedt een handvat om te kijken naar beleid binnen landen. Daarna kijken we naar integratie op groepsniveau met het model over acculturalisatiestrategieën van Berry (1997). Deze modellen bieden een breder kader om niet alleen te zien hoe de ontwikkeling ten opzichte van diversiteit in de samenleving binnen Nederland in de praktijk is verlopen (zie hoofdstuk 1), maar ook te zien hoe deze ontwikkeling in theorie vorm zou kunnen krijgen in modellen.


Integratiebeleid

Door Castles (1995) worden drie ideaaltypische modellen onderscheiden die landen kunnen gebruiken voor de integratie van immigranten.

Als eerste het multiculturele model, dat gebaseerd is op respect en bescherming van culturele diversiteit en bedoeld is om de identiteit van de migrantengemeenschappen te garanderen. In de jaren 1970 en 1980 werd dit model in Zweden respectievelijk Nederland ingevoerd.

Ten tweede het assimilatie model, waarin gelijkheid slechts is weggelegd voor de mensen die de bevoorrechte positie van 'burgers' hebben. Dit model is gebaseerd op de complete assimilatie van immigranten in de dominante cultuur. Frankrijk is een voorbeeld van dit model.

Ten slotte is er het separatie model, dat gekenmerkt wordt door restrictieve wetgeving en beleid. Er is de wettelijke voorwaarde waaraan moet worden voldaan om toegang te krijgen tot en te kunnen verblijven op het grondgebied. In beleid wordt gedoeld op het tijdelijke karakter van de vestiging van de immigrant. Duitsland, Oostenrijk en Belgie konden voorheen in dit model geplaatst worden.
Volgens Carrera (2006) bestaan deze traditionele modellen echter niet meer, omdat er veel veranderingen hebben plaatsgevonden. Het beleid ten opzichte van de integratie van immigranten is voortdurend onderhevig aan verandering, net als de samenlevingen zelf en de sociale modellen en migratiestromen. Nationale modellen zijn vaak onbeslist ingetrokken vanwege eigentijdse werkelijkheden, politieke en economische prioriteiten ten aanzien van de integratie van immigranten en dramatische gebeurtenissen. Ook variëren de inhoud en structuur van de modellen in termen van doelen, doelgroepen en betrokken instituties (Carrera, 2006).
De Migrant Integration Policy Index (MIPEX) wordt tweejaarlijks gepubliceerd door de British Council. De MIPEX meet het beleid van 25 Europese lidstaten en 3 niet EU landen. Het gebruikt meer dan honderd beleidsindicatoren om een multidimensionaal beeld te geven van de kansen van migranten om te participeren in Europese samenlevingen. MIPEX beslaat zes beleidsgebieden: toegankelijkheid van de arbeidsmarkt, gezinshereniging, lange termijn verblijf, politieke participatie, toegankelijkheid tot naturalisatie en anti-discriminatie. Figuur 4 geeft een overzicht van het Nederlandse beleid.


Figuur 4:

Overzicht Nederlandse integratiebeleid (bron: MIPEX)
Uit de meest recente (2006) MIPEX blijkt dat het Nederlandse beleid voor migranten ‘niet slecht’ is.

Nederland scoort 'goed' op de drie punten: (1) Er is een sterk handhavingsmechanisme voor anti-discriminatie wetgeving; (2) Migranten hebben mogelijkheden voor politieke participatie; (3) Er zijn maatregelen voor toegang tot de arbeidsmarkt en regulatie van werkgelegenheid.



Als 'goed' wordt ook benoemd dat er wetgeving in verband met gezinshereniging is.
Nederland wordt als 'gunstig' beoordeeld op geschiktheid voor lange termijn vestiging.
Als ongunstig bestempeld worden de omstandigheden die worden opgelegd aan migranten uit ontwikkelingslanden om gezinshereniging te bewerkstelligen.
In vergelijking met het Nederlandse beleid van 2004 worden in 2006 twee ongunstige veranderingen geconstateerd:
- minder gunstige integratie voorwaarden voor gezinshereniging en

- minder gunstige condities voor het verkrijgen van een vergunning voor verblijf voor de lange termijn.
Acculturatie

Er zijn verschillende manieren om naar het samenleven van migranten en autochtone bevolking te kijken. MIPEX beschrijft op het niveau van landen. De volgende theorieën gaan in op een smaller gebied: van groepen naar het individu.


Migratie naar een ander land met een of meer verschillende culturen kan resulteren in een proces van het zich vastklampen aan de eigen traditionele cultuur of, het andere uiterste, in een proces waarin men zich volledig aanpast aan de dominante cultuur van het ontvangende land.

Berry (1997) onderscheidt vier acculturatie strategieën van migrantengroepen: integratie, assimilatie, separatie en marginalisatie (zie figuur 5).



Figuur 5:

Vier acculturalisatiestrategieën van migrantengroepen (Bron: Berry, 1997)

* De integratie strategie behelst een verlangen van vasthouden aan aspecten van de migranten cultuur evenals het overnemen van kenmerken van de meerderheidsgroep.
* Assimilatie gebeurt als het vasthouden aan de eigen oorspronkelijke cultuur als onwenselijk wordt beschouwd, terwijl het aannemen van de cultuur van de meerderheidsgroep erg belangrijk is.

* De strategie van separatie verwijst naar de voorkeur om de eigen oorspronkelijke cultuur te behouden en de cultuur van de meerderheidsgroep af te wijzen.

* Marginalisatie houdt in een weigering van de cultuur van zowel de migranten als van de meerderheidsgroep.
Tóth en Van de Vijver werken het model van Berry uit en spitsen het toe op de Nederlandse situatie. Onderzoek (Tóth en Van de Vijver, 2003) laat zien dat er verschillen zijn in de visie op multiculturalisme en acculturatie tussen leden van meerderheids- en minderheidsgroepen in Nederland. Migranten van Turkse origine hebben een veel positievere attitude ten opzichte van multiculturalisme in Nederland dan autochtone Nederlanders (Tóth en Van de Vijver, 2003, p. 259). Uit dit onderzoek blijkt dat leden van de meerderheidsgroep in Nederland de voorkeur geven aan assimilatie boven integratie van migranten. Migranten prefereren integratie (Tóth en Van de Vijver, 2003). Voor de meederheidsgroep zijn cultuurbehoud en aanpassing conflicterende opties: behoud van de minderheidscultuur impliceert een gebrek aan aanpassing aan de meerderheidscultuur en andersom. Migranten maken in hun acculturatiestrategieën onderscheid tussen tussen publieke en privé domeinen: integratie wordt geprefereerd in het publieke domein en separatie in privé domeinen (Tóth en Van de Vijver, 2003). Het privé domein, dat de familie, het opvoeden van kinderen, culturele gewoonten en voornaamste gemeenschap omvat, is een geïntegreerd en structureel onderdeel van het leven. Het speelt een belangrijke rol in de socialisatie van individuen voor deelname in het publieke domein (Rex, 1997). Waar het om de gezondheid van mensen en het contact met de gezondheidszorg gaat, komen de publieke en het privé domeinen samen.

Hoofdstuk 3 GEZONDHEID VAN MIGRANTEN

Inleiding

Gezondheid wordt in beleid, onderzoek en praktijk vooral opgevat als de aan- of afwezigheid van ziekte en beschermende factoren en risicofactoren voor ziekte.

In een belangrijk grootschalig onderzoek (RIVM) naar de gezondheid van Nederlanders wordt ziekte in het VTV-model (de Hollander, 2006, p. 28) - dat dient als conceptueel raamwerk voor de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2006 - opgevat als een multicausaal proces met diverse determinanten (fysiek, sociaal en leefstijl, maar ook persoonsgebonden erfelijke of verworven kenmerken), die resulteren in de individuele gezondheidstoestand. Dit betekent dat niet alleen de gezondheidszorg, maar ook veel andere factoren zoals de behuizing, omgeving en werk een rol kunnen spelen in de gezondheid van migranten.
Wat moet er aan de orde komen als je aandacht besteedt aan etnische en culturele diversiteit?


  • Registratie van etniciteit in de gezondheidszorg zet vergaarde gegevens in het juiste kader.

  • De gezondheidstoestand van migranten.

  • Wat de factoren zijn die een rol spelen (het contextuele model) in de gezondheid van migranten.

  • Welke knelpunten dit oplevert voor de zorg.





  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina