De godslamp was bijna uitgedoofd



Dovnload 32.33 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte32.33 Kb.


De godslamp was bijna uitgedoofd”


Samuël geroepen (I Samuël 3)

[1] De jonge Samuël diende dus de HEER, onder de hoede van Eli. Er klonken in die tijd zelden woorden van de HEER en er braken geen visioenen door. [2] Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien. [3] Samuël lag te slapen in het heiligdom van de HEER, bij de ark van God. De godslamp was bijna uitgedoofd. [4] Toen riep de HEER Samuël. ‘Ja,’ antwoordde Samuël. [5] Hij liep snel naar Eli toe en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.’ Toen Samuël weer lag te slapen, [6] riep de HEER hem opnieuw. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.’ [7] Samuël had de HEER nog niet leren kennen, want de HEER had zich niet eerder aan hem bekendgemaakt door het woord tot hem te richten. [8] Opnieuw riep de HEER Samuël, voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Toen begreep Eli dat het de HEER was die de jongen riep. [9] Hij zei tegen Samuël: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, HEER, uw dienaar luistert”.’ Samuël legde zich weer te slapen, [10] en de HEER kwam bij hem staan en riep net als de voorgaande keren: ‘Samuël! Samuël!’ En Samuël antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’ [11] Toen zei de HEER tot Samuël: ‘Let op! Ik ga in Israël iets doen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten! [12] Als die tijd aanbreekt zal ik alles, maar dan ook alles ten uitvoer brengen wat ik Eli en zijn familie heb voorzegd. [13] Ik heb hem aangekondigd dat ik onherroepelijk het vonnis over zijn familie zou voltrekken vanwege het wangedrag van zijn zonen: hij wist dat zij God minachtten, maar hij heeft ze niet terechtgewezen. [14] Daarom heb ik Eli’s familie gezworen dat hun schuld met geen enkel offer kan worden ingelost.’
Gedachten over herbronning (8) 1

In januari 2007 werd in het Missiehuis van SVD in Steyl een roepingenweekend gehouden onder de titel “Ik? Geroepen?”. Acht deelnemers bezonnen zich met elkaar op hun gevoel geroepen te zijn en op de consequenties daarvan. Dit gebeurde op initiatief van de KNR en het Aartsbisdom Utrecht. Op de vorige pagina vindt u een impressie daarvan, geschreven door één van de deelnemers. Hier wil ik graag met enkele overwegingen bij dit gebeuren aanknopen.

Als leidraad voor dit weekend was het verhaal van de roeping van Samuël gekozen. In de kolom in de marge van deze en volgende pagina drukken we het complete verhaal af.

Op een prachtige manier wordt hier verbeeld hoe de jonge Samuël gebracht wordt tot het herkennen van God in de roepstem die hem uit zijn slaap haalt.

Tegelijk wordt hij zelf tot hulpmiddel gemaakt in het letterlijk en figuurlijk wakker roepen van de priester Eli.

Herbronning en roeping reiken elkaar daarbij de hand, maar dan wel op een spanningsvolle manier.

Er klonken in die tijd zelden woorden van de HEER

De schrijver begint met een beschrijvende passage, waarin met slechts een paar scherpe zinnen de sfeer getekend wordt:

De jonge Samuël diende dus de HEER, onder de hoede van Eli. Er klonken in die tijd zelden woorden van de HEER en er braken geen visioenen door. Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien. Samuël lag te slapen in het heiligdom van de HEER, bij de ark van God. De godslamp was bijna uitgedoofd.


(I Sam 3,1-3)

Het zou onze tijd kunnen zijn:



  • In het huis van de Heer ligt iedereen te slapen;

  • Er klinken zelden woorden van de HEER;

  • Er breken geen visioenen door;

  • Zijn ogen zijn dof geworden, hij kan bijna niet meer zien;

  • De godslamp was bijna uitgedoofd.

Een haast hopeloze situatie. Gods licht lijkt wel uitgedoofd. Maar juist dan is het dat Hij zelf van dit dieptepunt een keerpunt maakt: “Toen riep de HEER Samuël.” (I Sam 3,1-3)

Hoewel Samuël slaapt, bezit hij het nog jeugdige vermogen gewekt te kunnen worden, ten diepste gewekt. God zelf keert daarbij de rollen om. Zijn moeder had hem de naam Samuël gegeven. Dat betekent ‘van God afgesmeek­te’, want in de nood van haar onvrucht­baarheid bad zij om dit kind: “Ik heb hem aan de HEER gevraagd.” (I Sam 1,20) 2 Als ‘wederdienst’ had zij hem daarbij aan God toegewijd.3 Nu echter is het de Heer zelf die de jongen roept, Hij vraagt hem zelf in Zijn dienst.




[15] Samuël bleef tot de ochtend liggen en opende toen de deuren van het heiligdom van de HEER. Hij zag ertegen op om Eli te vertellen wat hij had gehoord. [16] Maar Eli riep hem bij zich: ‘Samuël, mijn jongen, kom eens hier!’ ‘Hier ben ik,’ antwoordde Samuël, [17] en Eli vroeg: ‘Wat heeft hij tegen je gezegd? Probeer niet het voor me te verbergen. God mag met je doen wat hij wil, als je ook maar iets achterhoudt van wat hij tegen je heeft gezegd!’ [18] Zonder iets achter te houden vertelde Samuël hem alles wat hij had gehoord, en Eli zei: ‘Hij is de HEER. Laat hij doen wat hij het beste vindt.’

     [19] Samuël groeide op. De HEER stond hem bij en bracht alles in vervulling wat hij had voorzegd. [20] Daardoor kwam iedereen in Israël, van Dan tot Berseba, tot de erkenning dat Samuël door de HEER als profeet was aangewezen. [21] In de jaren daarna bleef de HEER in Silo verschijnen. Hij maakte zich daar aan Samuël bekend door het woord tot hem te richten. (I Sam 3)




‘Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.’

Ja. Hier ben ik”, is meteen Samuëls antwoord op dit roepen, en hij meldt zich snel bij Eli. Bereid­willigheid alleen blijkt echter onvoldoende. Er is een stuk geestelijke bege­leiding nodig om in de onrustig makende kracht die hem wekt, de stem van God te leren horen. Primair zijn we immers geneigd te luisteren met de oren van onze gewone alledaagse manier van ver­staan. Dat geldt voor Samuël zelf, maar ook voor de bejaarde priester Eli, die als ‘professioneel man-van-God’ aanvankelijk geen beter antwoord heeft dan: “Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.” (I Sam 1,6) Het dringt pas tot hem door dat hier een andere roepende aan het werk is, wanneer de jongen hem voor de derde keer wakker maakt met de woorden: “Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?” (I Sam 1,8). Dan pas wordt hij echt wakker:

Toen begreep Eli dat het de HEER was die de jongen riep. Hij zei tegen Samuël: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, HEER, uw dienaar luistert.”

Beiden moesten ze tot luisteren komen, zowel Eli de leraar, als Samuël, de leerling.

Dat is ook de kern van ieder herbronningsproces. Het gaat er uiteindelijk niet om oude teksten te hervinden, maar om zelf – door opnieuw in contact te komen met de bronnen van je bestaan – hervonden te worden en op een nieuwe manier je roeping te verstaan.

Vaak is dat een moeilijke weg, want onze bronnen leiden ons niet alleen naar tradities en inzichten die we op prijs stellen. Onze tekst maakt dat zichtbaar aan het verhaal van Eli en zijn zonen. In het voorafgaande hoofdstuk werd duidelijk dat de zonen van Eli op het verkeerde pad waren en onafwendbaar hun ondergang tegemoet gingen:

De zonen van Eli waren een stel afpersers. Ze trokken zich niets van de HEER aan en maakten misbruik van de rechten die aan het priesterambt verbonden zijn. (...) Ten slotte kwam een godsman tegen Eli zeggen:


(...) Niemand van jouw familie, op één enkeling na, zal mijn altaar nog betreden. Je ogen zullen dof worden van verdriet en je leven zal alle glans verliezen. Al je mannelijke nakomelingen zal ik laten sterven in de kracht van hun leven. (...) Als priester zal ik iemand aanstellen die mij trouw is en al mijn wensen en verlangens uitvoert. Zijn familie zal ik laten voortbestaan, en hij zal degene die op mijn aanwijzing gezalfd wordt getrouw ter zijde staan. (I Sam 2,12-13.27.33-35)

Herbronning is ook een profetisch gebeuren, dat erop gericht is de band met God te herstellen en opnieuw centraal te stellen. (De godslamp was bijna uitgedoofd!) Het heiligdom van Silo is door de zonen van Eli tot een rovershol gemaakt en voor deze heilige plaats betekent herbronning op dat moment niets minder dan een grondige zuivering. De dienst van de priesters moet weer worden uitgeoefend volgens de voorschriften van Mozes en niet, zoals nu, volgens de wetten van de jungle. Samuël krijgt de lastige taak om aan Eli duidelijk te maken dat het voor diens zonen inmiddels te laat is:

Toen zei de HEER tot Samuël: ‘Let op! Ik ga in Israël iets doen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten! Als die tijd aanbreekt zal ik alles, maar dan ook alles ten uitvoer brengen wat ik Eli en zijn familie heb voorzegd. Ik heb hem aangekondigd dat ik onherroepelijk het vonnis over zijn familie zou voltrekken vanwege het wangedrag van zijn zonen: hij wist dat zij God minachtten, maar hij heeft ze niet terechtgewezen. Daarom heb ik Eli’s familie gezworen dat hun schuld met geen enkel offer kan worden ingelost.’ (I Sam 3,11-14)

Eli heeft volgens het verhaal weinig moed getoond in de opvoeding van zijn zonen en hen onvoldoende tot de orde geroepen. Nu blijkt hij wel de moed op te brengen om de ongemakkelijke boodschap te horen die daarvan het gevolg is en die hij al zag aankomen:

Zonder iets achter te houden vertelde Samuël hem alles wat hij had gehoord, en Eli zei: ‘Hij is de HEER. Laat hij doen wat hij het beste vindt.’

Een wonderlijke vorm van berusting spreekt hieruit. Hij aanvaardt Gods woord, zelfs nu dat zo’n catastrofale boodschap inhoudt. Herbronning is een zoeken naar wegen om te leven uit de bron, de oerbron, “als een boom geplant aan stromend water”. (Psalm 1,3) Maar zo’n herbronningsproces kan bijzonder confronterend zijn, omdat het vraagt om verandering. Soms betekent het zelfs een rigoureuze breuk met de weg die tot dan toe bewandeld wordt. Eli is er niet in geslaagd om die omslag met zijn zonen te realiseren. Zij kunnen daarom geen deel hebben aan de nieuwe toekomst die zich aandient.


Wanneer je wordt geroepen…

Het heiligdom van Silo verkeerde op het moment van Samuëls roeping in een diepe crisis. Dat geldt ook voor veel van onze religieuze gemeenschappen; eigenlijk wel voor heel de kerk in het Westen. Daarbij voelen we ons misschien ook wel als die oude priester Eli: nauwelijks meer bij machte om de ‘heiligdommen’ die ons zijn toevertrouwd – onze religieuze instituten – te besturen en op koers te houden. Juist op dat moment komt het erop aan onze godslamp goed brandende te houden, erop te vertrouwen dat het een vlam is die kwijnt maar niet zal doven.

In dat verband is het ook goed ons te realiseren dat we hier eigenlijk een dubbel roepingsverhaal overwegen. Zoals ik op de vorige pagina al schreef: beiden moesten ze tot luisteren komen, zowel Eli de leraar, als Samuël, de leerling. De rol van Eli is in het verdere verloop maar heel beperkt: Wakker worden, luisteren en verhelderen dat het God is die tot Samuël spreekt.4 Maar juist dat luisteren is cruciaal en ook in zijn antwoord aan Samuël is het een kernpunt. Een prachtig advies geeft hij hem: Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, HEER, uw dienaar luistert.” (I Sam 3,9) Een advies in twee samenhangende delen:



  • Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden. Zo simpel is dat. Dat geldt voor het dagelijks leven, maar het is ook les één in het roepingenpastoraat.

  • De tweede les is niet minder belangrijk.“Spreek, HEER, uw dienaar luistert”, zou dat antwoord moeten zijn. Je antwoord moet zijn dat je luistert.

Dat luisteren was ook de insteek van het roepingenweekend van afgelopen maand. Er is in deze drie dagen nauwelijks informatie gevraagd en gegeven. Daar lag de primaire behoefte niet. Samen ertoe komen die roepende ‘stem’ te verstaan, dat stond centraal. Wat heeft mijn verlangen mij te zeggen? Waarheen word ik getrokken? Waarin schuilen mijn kracht en talenten? Tal van vragen die de aanwezige zoekenden zich stelden. Vragen die niet van buitenaf te beantwoorden zijn, maar enkel door samen te luisteren naar wat ons ten diepste beweegt. In een feestrede bij de viering van 150 jaar Abdij van Berne zei prof. Peter Nissen daarover:

Religieus leven begint met goed te luisteren naar wat er leeft in je eigen hart en in dat van anderen, naar wat er gaande is om je heen, in de samenleving dichtbij en ver weg. (...) religieuzen zijn mensen die van luisteren hun professie hebben gemaakt.5

Wat gold voor Eli, namelijk dat hij opnieuw geroepen moest worden tot luisteren, geldt ook voor ons. Van de daar aanwezige zoekenden ging tijdens ons roepingenweekend een duidelijk appèl uit naar de religieuzen. Zij vertelden dat zij wanneer zij met hun verhaal ergens aankloppen, vaak een afhoudende of afwerende houding ontmoeten. De hoge gemiddelde leeftijd bij de meeste gemeenschappen leidt ertoe dat tegen relatief jonge kandidaten (rond de 30 à 35 jaar) al snel wordt gezegd dat ze naar ver­hou­ding te jong zijn. De al wat oudere zoekenden (45-plus) horen daarentegen vaak dat ze te oud zijn.

Vanuit het standpunt van de gevestigde religieuzen is dat heel verstandig. Maar worden wij niet juist geroepen om een ‘íetsiepietsie’ minder verstandig te worden? Paulus was er al van overtuigd:

Heeft God de wijsheid van de wereld niet in dwaasheid veranderd? Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging. De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas. Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid, want het dwaze van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker dan mensen.
Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. (I Kor 1,20-28)

Irritant werd het ook genoemd dat steeds gezegd wordt: ‘Heb je er wel goed over nagedacht?’ Iemand zei in dit verband:

Wat ik niet nodig heb is iemand die zegt dat ik er goed over moet nadenken, dat doe ik sowieso. Ik heb vooral iemand nodig die mijn motieven kan toetsen en intussen alle opties openhouden.

Het gaat om het horen van Zijn stem en daarnaar luisteren en doen. Maar, horen wij de geroepenen wel en horen wij voldoende naar Zijn stem die via hen spreekt? Mag hun appèl iets toevoegen aan ons eigen roepingsverhaal? Wat dat betreft is het goed nog eens terug te keren naar Samuël. Nergens staat dat hij dienst deed in het heiligdom van Eli. Nee, steeds wordt gesproken van “het heiligdom van de HEER.”

Zo horen ook onze religieuze instituten Hem toe. Misschien leeft er onder ons grote twijfel of zij ook voor nieuwe generaties een bedding kunnen zijn voor hun ontmoeting met God. Ook die twijfel heeft bestaansrecht. Maar hoe het ook zij, onze religieuze instituten zijn niet van ons, maar zijn plaatsen waar door ons geleefd en gediend mag worden als in een heiligdom van de Heer. Durven we die Samuël ‘ons huis’ nog een beetje overhoop laten halen? Mag hij er een deur van openen?

Samuël bleef tot de ochtend liggen en opende toen de deuren van het heiligdom van de HEER.


(I Sam 15)

Het is niet de bedoeling met dit pleidooi individuele religieuzen of ieder individueel religieus instituut te belasten. Wat nodig is, is misschien wel vooral een gezamenlijk, onderscheidend, maar vooral verwelkomend antwoord. Wanneer mensen zich aanbieden kunnen we niet blijven zeggen: “Ik heb je niet geroepen, mijn jongen (/ mijn meisje). Ga maar weer slapen.


Pierre Humblet

Dit artikel werd gepubliceerd in: KNR Bulletin, Jaargang 10 (januari 2007) nr.1, p. 25-29.





1 Dit is het achtste deel van een artikelen­reeks over herbronning. De eerste afleveringen verschenen in de KNR-bulletins van decem­ber 2002, februari 2003, april 2003, februari 2004, december 2004, februari 2005 en december 2005. Bij deze reeks hoort ook het artikel: ‘Zal ik nog liefde genieten, nu ik oud ben?’, Nieuw elan voor het religieuze leven, gepubliceerd in het tijdschrift Speling 48 (2006), nr. 1. Al deze voorgaande delen kunt u vinden op de website van de KNR: http://www.knr.nl, onder de menuknop “Publicaties”.

2 We volgen in dit verband de interpretatie die de schrifttekst zelf geeft van de naam Samuël, alhoewel deze etymologisch onzeker is. De naam kan bijvoorbeeld ook betekenen ‘gehoord / verhoord door God’, ‘hoorder van God’ of zelfs ‘zoon van God’. (http://www.jewishencyclopedia.com/)

3 Na zijn geboorte was hij door zijn moeder al op grond van een belofte aan God toegewijd: “HEER van de hemelse machten, ik smeek u, heb toch oog voor mijn ellende. Denk aan mij, uw dienares, ver­geet mij niet. Schenk mij een zoon, dan schenk ik hem voor zijn hele leven aan u.” (I Sam 1,11) Heel zijn jeugd verbleef Samuël daarom al onder de hoede van de priester Eli in het heiligdom van Silo.

4 De functie van Eli in dit verhaal is overigens belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt. Hij is er dan wel niet in geslaagd om via de opvoeding van zijn eigen kinderen voor toekomst te zorgen. Maar door de aan zijn zorg toevertrouwde Samuël heeft hij toch de mogelijkheid gekregen om de kernwaarden van de traditie door te geven. En Samuël zal zich ontpoppen als een man die met behulp daarvan een nieuw fundament legt.

5 Peter Nissen, In gemeenschap geroepen tot getuigenis. 150 Jaar abdijleven in Berne, een groots verleden, een spannende toekomst. Feestrede gehouden op 2 februari 2007 bij de viering van 150 jaar Abdij van Berne in Heeswijk en het afscheid van Piet Al als 69ste abt van Berne.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina