De goede plaats op de weg



Dovnload 88.59 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte88.59 Kb.

Naam:

De goede plaats op de weg


Waar mag je spelen op straat? Weet jij waar je wel of niet mag fietsen?
Wil je weten wat de goede plek is, lees dan snel verder.

De weg

De weg loopt van berm tot berm. Bij de weg horen:

-de rijbanen.
-de stoepen.
-het fietspaden of de fietsstroken.
-de bermen.

Als je loopt


Je hoort op de stoep. Soms is er geen stoep. Dan mag je op het fietspad lopen of in de fietsstrook. Je moet zoveel mogelijk aan de kant blijven.
Soms is er ook geen fietspad of fietsstrook. Dan mag je op de rijweg lopen. Blijf altijd zoveel mogelijk aan de kant. Is er een berm? Ga dan daar lopen.
Je mag links of rechts van de weg gaan lopen.
Soms is links veiliger, omdat je het verkeer dan kunt zien aankomen.
Maar soms is rechts beter, bijvoorbeeld als de weg een bocht naar links maakt waar je niet omheen kunt kijken. Ga ook niet links lopen als je er extra voor moet oversteken.

Als je fietst


Je hoort op het fietspad of in de fietsstrook.
Daar mag je alleen uit als het niet anders kan.
Bijvoorbeeld als er een vrachtauto staat uit te laden.
Soms is er geen fietspad of -strook. Dan mag je op de rijweg fietsen.
Je moet zoveel mogelijk rechts rijden.
Je mag niet op de stoep of in het voetgangersgebied fietsen.
Waar je ook fietst: je mag nooit met meer dan twee naast elkaar rijden.
Soms kun je beter achter elkaar gaan rijden. Bijvoorbeeld:

 als de weg smal is

 als het druk is

 als je ergens omheen moet rijden (bijvoorbeeld om een geparkeerde auto)

 als je wilt inhalen

 als iemand jou wil inhalen in een bocht



 als je een helling af fietst. Rem dan op tijd af, vooral bij een bocht of kruispunt.|
Buiten de bebouwde kom


 Als je een stad of een dorp inrijdt, zie je dat aan een bord met een plaatsnaam. Als je dat bord gepasseerd bent, ben je in de bebouwde kom.




 Als je een stad of dorp weer uitgaat, passeer je een bord met een schuine rode streep door de plaatsnaam. Dan ben je buiten de bebouwde kom.




 Buiten de bebouwde kom, moet je voorrang krijgen van de bus, die bij de halte weg wil rijden.

 Auto's mogen op een weg buiten de bebouwde kom harder rijden. Houd daar rekening mee.

 Buiten de bebouwde kom en in dorpen kun je te maken krijgen met landbouwverkeer.

 Als je op een onverharde weg rijdt, moet je voorrang geven aan het verkeer dat op een verharde weg rijdt.

 Geen stoep? Dan loop je op het fietspad. Geen fietspad? Dan loop je aan de kant van de weg.



Voorgaan - doorgaan, afspraken

Afspraken voor voetgangers én fietsers


 Verkeer van rechts gaat voor.
 Je mag voorgaan als er iemand uit een uitrit komt.

 Je mag voorgaan als iemand achteruitrijdt.

 Je mag voorgaan als iemand van een parkeer plaats komt.

 Je moet voertuigen met een blauw zwaailicht voor laten gaan.

 Rechtdoor op dezelfde weg gaat voor.

Afspraken voor voetgangers


 Je moet mensen die slecht zien of blind zijn voor laten gaan bij het oversteken.

Afspraken voor fietsers


 Je moet de bus voor laten gaan als die binnen de bebouwde kom wil wegrijden bij de halte.

 Je mag voorgaan als een bus buiten de bebouwde kom wil wegrijden bij de halte.

 Kleine bocht gaat voor grote bocht.

 Je moet mensen die slecht kunnen lopen voor laten gaan bij het oversteken.

 Mensen die op het zebrapad oversteken of er willen gaan oversteken moet je voor laten gaan.

Let op:


Er gelden géén speciale afspraken voor tractoren.




Wie op een zebrapad oversteekt, mag voorgaan.
Je stapt natuurlijk pas op het zebrapad, als je zeker
weet dat het verkeer voor je stopt!

Zebrapad

Een zebrapad heet eigenlijk voetgangersoversteekplaats. Zebrapad is wel zo gemakkelijk.


Zo zit dat bij het zebrapad


 Als je op een zebrapad oversteekt, mag je voorgaan.

 Kijk goed voordat je het zebrapad opgaat.

 Stap pas het zebrapad op als er niks aan komt of…als je zeker weet dat de auto's, brommers en fietsers nog gemakkelijk voor je kunnen stoppen!

Als je fietst en je nadert een zebrapad, kijk dan goed of er iemand op het punt staat om over te steken. Als dat zo is, dan heeft diegene die over wil steken over het zebrapad voorrang. Jij moet dan stoppen en wachten tot diegene is overgestoken.



Bestuurder of voetganger?

Bestuurder


Je bent bestuurder als je fietst of paardrijdt. Ook als je loopt met een paard aan de teugel, ben je bestuurder. Voorrangsafspraken gelden voor bestuurders.

Voetganger


Je bent voetganger, als je loopt of speelt. Ook op de step ben je voetganger. En let op, je bent ook voetganger als je loopt met je fiets aan de hand. Kom je als voetganger bij een kruispunt, dan moet je iedereen die uit de zijweg komt rijden voor laten gaan.

Als je te maken krijgt met een gehandicaptenvoertuig, gelden deze voorrangsregels:


 Als je te maken krijgt met een gehandicaptenvoertuig op de rijbaan, gelden de voorrangsafspraken voor bestuurders.

Voor gehandicaptenvoertuigen, die op de stoep rijden, gelden de dezelfde afspraken als voor voetgangers



Voorrangsborden

- Voorrangsborden gelden voor bestuurders. Dus ze gelden ook voor fietsers.

- Als je paardrijdt, gelden de voorrangsborden ook voor jou.

- Als je loopt, heb je niets aan de voorrangsborden! Ze gelden dan niet voor jou!



Voorrangsweg

Als je rijdt (fietst), moet je voorrang krijgen van iedereen die uit de zijweg komt rijden.





Einde voorrangsweg



Voorrangsborden

Als je rijdt (fietst), moet je voorrang krijgen van iedereen die uit de zijstraat komt rijden.








Je nadert een voorrangsweg.
Als je fietst, moet je voorrang geven aan iedereen die van links of rechts komt rijden.
Dit bord zie je meestal in combinatie met haaientanden.






Stopbord

Als je rijdt (fietst), moet je stoppen voor de stopstreep. Ook als er niets aan komt rijden. Geef voorrang aan iedereen die van links of rechts komt rijden.








Haaientanden

Als de haaientanden op de weg met de punt naar jou toe wijzen, dan moet jij voorrang geven (ook als er geen voorrangsbord staat).






LET OP! Voor voetgangers gelden de voorrangsborden niet.
Zij moeten iedereen die uit de zijweg komt rijden voor laten gaan.
(Dat geldt dus ook als zij op een voorrangsweg lopen.)
Kruispunten

Gewoon kruispunt



Een gewoon kruispunt is een kruispunt zonder voorrangsborden of verkeerslichten. Het kan een kruising zijn van:

 twee wegen

 een weg en een fietspad.

 twee fietspaden

De wegen of paden die elkaar kruisen moeten gelijkwaardig zijn.
Dat betekent dat ze allebei verhard (van steen of van asfalt) of allebei onverhard (van zand) zijn.

Soms is het wegdek van een kruispunt verhoogd. Dat wordt gedaan om het verkeer langzamer te laten rijden. Voor de verkeersregels maakt het niet uit dat het kruispunt verhoogd is.





Op een gewoon kruispunt gelden de volgende voorrangsafspraken:

 als je fietst moet je voorrang geven aan iedereen die uit een rechterzijweg komt rijden


 als je fiets moet je voorrang krijgen van iedereen die uit een linkerzijweg komt rijden


 als je loopt moet je iedereen die van links en van rechts komt rijden voor laten gaan


~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Een ongelijkwaardig kruispunt


Een ongelijkwaardig kruispunt is een kruising van een verharde weg en een onverharde weg.
Een onverharde weg is meestal een zandweg of een schelpenpad.
Op een ongelijkwaardig kruispunt gelden de volgende voorrangsregels:

 als je op een verharde weg fietst moet je voorrang krijgen van iedereen die uit een onverharde weg komt rijden (van links en van rechts)

 als je op een onverharde weg fietst moet je voorrang geven aan iedereen die op een verharde weg rijdt

 als je loopt moet je iedereen die van links en van rechts komt rijden voor laten gaan. Het maakt niet uit of je op de verharde of onverharde weg loopt


~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~





Voorrangskruispunt

Er zijn ook nog voorrangskruispunten.


Op die kruispunten is de voorrang geregeld met voorrangsborden.

Rechtdoor op dezelfde weg gaat voor



De fietsers zijn niet met elkaar op dezelfde weg.


Niet op dezelfde weg


Meestal heb je te maken met bestuurders van links en van rechts.

Die komen dan uit een zijweg.

Je bent dus niet met elkaar op dezelfde weg.

De afspraak is: geef voorrang aan bestuurders van rechts.

Hier geldt de afspraak: geef voorrang aan bestuurders van rechts.

De jongen moet het meisje voor laten gaan.


______________________________________________________________________________




De fietsers zijn met elkaar op dezelfde weg. Zij rijden elkaar tegemoet; het zijn tegemoetkomers.
Op dezelfde weg


Soms ben je wel met iemand op dezelfde weg. Dan komt de ander jou tegemoet of achterop. Als één van beiden wil afslaan, kun je met elkaar te maken krijgen. Kijk maar eens op het plaatje.

Nu geldt de afspraak: rechtdoor op dezelfde weg gaat voor. De jongen met de pet moet het meisje voor laten gaan. Het meisje mag dus voorgaan, want zij gaat rechtdoor.


______________________________________________________________________________




Fietser en voetganger zijn met elkaar op dezelfde weg. De fietser nadert de voetganger van achteren; het is een achteropkomer.

Voor bestuurders en voetgangers

De afspraak 'rechtdoor op dezelfde weg gaat voor' geldt voor bestuurders én voor voetgangers.

Let op! Ook de stoepen, fietsstroken en fietspaden die langs een weg liggen, horen bij die weg. Daar geldt de afspraak dus ook! Kijk maar naar het plaatje.
De fietser en de voetganger zijn op dezelfde weg.
De fietser wil afslaan. De voetganger wil rechtdoor.
De voetganger mag dus voorgaan.

Let op:


Rechtdoor op dezelfde weg geldt niet als je met de tram te maken krijgt.

De tram mag altijd voorgaan!
Allerlei tekens 1

In het verkeer moet je van elkaar weten wat je gaat doen.


Daarvoor worden tekens gebruikt. Tekens die je zelf geeft of die anderen geven. Tekens kunnen ook op het wegdek staan of langs de weg.

Tekens op het wegdek




De strepen op de weg betekenen dat je Ook fietsers hebben oversteekplekken.


op die plek kunt oversteken. We noemen De witte blokken geven een oversteekplaats
deze strepen een voetgangersoversteek- voor fietsers aan.
plaats (VOF) of zebrapad. Als je bij een Maar let op:
zebrapad oversteekt of wilt gaan oversteken, de blokken betekenen niet dat je voorrang hebt!

moeten bestuurders jou voor laten gaan.





De grote witte fiets die op de weg geschilderd is, De pijlen op de weg geven aan dat je moet


geeft aan dat daar een fietsstrook is. voorsorteren.

Daar moet je fietsen.


Als de haaientanden met de punt naar je toewijzen,

moet je voorrang geven aan bestuurders van links en rechts.
Allerlei tekens 2

In het verkeer moet je van elkaar weten wat je gaat doen.


Daarvoor worden tekens gebruikt. Tekens die je zelf geeft of die anderen geven. Lichten zijn belangrijke tekens. Ook een agent kan tekens geven.


Agent

 Soms geeft een agent tekens om het verkeer te regelen. Hij doet bij een bijzondere gelegenheid; als de verkeerslichten niet werken, als er een optocht of stoet is of als er een ongeluk gebeurd is.

 Staan er op een kruispunt verkeerslichten, maar er staat ook een agent het verkeer te regelen? Je moet je nu houden aan de tekens van de agent.

 Staan er op een kruispunt voorrangsborden, maar staat er ook een agent het verkeer te regelen? Je moet je nu houden aan de tekens van de agent.


De politie-agent kan de volgende tekens geven:

Rijd in de richting die ik wijs.

Stop!
Dat geldt voor iedereen die mij van voren èn van achteren nadert.





Doorrijden! Stop!


Dat geldt voor iedereen die mij van voren nadert.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~



Lichten van een auto


De gele richtingaanwijzer betekent: ik sla af! De rode lichten aan de achterkant van een auto


betekenen: ik rem!


De witte achterlichten betekenen: ik ga achteruit!

Lichten en verlichting 3

In het verkeer zijn allerlei lichten. Die lichten kun je verdelen in twee soorten:


1. lichten die het verkeer regelen
2. lichten die voertuigen verlichten

Lichten die het verkeer regelen

Een verkeerslicht geeft aan of je moet stoppen of niet.


Een geel knipperlicht waarschuwt je: Pas op, hier is het gevaarlijk.
Een zwaailicht kan zeggen: Ga opzij, want er komt een ambulance aan.
Dat zijn allemaal voorbeelden van hoe lichten het gedrag in het verkeer kunnen regelen.
Tot slot heb je ook lichten die jou vertellen wat een ander voertuig gaat doen. Een richtingaanwijzer van een auto bijvoorbeeld geeft aan: Let op, ik ga van richting veranderen.

Lichten die voertuigen verlichten

In het donker of bij slecht zicht ben je niet goed zichtbaar voor anderen. Daarom moet je je verlichting aanzetten. Zorg er dus voor dat de verlichting van je fiets het altijd doet.



Verkeerslichten

Verkeerslichten geven aan dat je moet stoppen, dat je mag doorrijden of die je waarschuwen voor gevaar.


Rood betekent altijd: stoppen!
Groen of wit licht (bij spoorwegovergangen) = doorrijden.
Geel betekent: stoppen als het nog kan.
Kijk altijd goed uit, ook al brandt voor jou het groene licht. Soms rijdt het verkeer van links of rechts gewoon door.

Afslaand autoverkeer op dezelfde weg heeft soms gelijktijdig groen licht met rechtdoorgaande fietsers. Let goed op of je wel voorrang krijgt.


Hier zie je dat het afslaand autoverkeer op dezelfde weg gelijktijdig groen licht heeft met de fietsers die rechtdoor gaan.
De fietsers hebben voorrang. De regel ‘rechtdoor op dezelfde weg gaat voor’ geldt voor de fietsers.

Rood licht is stoppen. Dat weten we allemaal. Maar er is een uitzondering:


Als er onder het verkeerslicht een bord hangt: rechtsaf voor (brom)fietsers vrij, dan mag je ook rechts afslaan als het verkeerslicht rood of geel is. Let wel goed op! Je moet iedereen die van links of van rechts komt voor laten gaan; ook voetgangers dus!

Soms knippert het gele licht in een verkeerslicht. Dat betekent dat het verkeerslicht niet werkt.


Je moet dan zelf heel goed uitkijken en op de voorrangsborden letten als die er staan.

Verkeerslichten met pijlen

In sommige verkeerslichten zie je een richtingspijl. Deze pijl kan rechtsaf, linksaf of rechtdoor wijzen. In dat geval geldt het verkeerslicht alleen voor de richting waarin de pijl wijst.

Fietsverkeerslichten

Ook een fietsverkeerslicht is driekleurig. In de lichten zie je een plaatje van een fiets. Dit verkeerslicht zie je alleen op een verplichte (brom)fietspad.

Voetgangerslichten

Een voetgangerslicht heeft twee kleuren: rood en groen. In de lichten zie je een plaatje van een voetganger.


Dit verkeerslicht vertelt je of je mag oversteken. Groen licht betekent dat je veilig kunt oversteken. Rood licht betekent dat je niet mag oversteken, het is gevaarlijk.
Als het groene licht gaat knipperen betekent dat: het licht wordt zo rood. Dan moet je niet meer beginnen met oversteken.

Lichten bij spoorwegovergang

Je hebt verschillende spoorwegovergangen Meestal zijn er ook lichten.
Rood knipperlicht betekent dat je moet stoppen, want er komt een trein aan. Er gaat dan ook een bel. Als er slagbomen zijn, dan gaan deze ook dicht.
Het witte knipperlicht betekent dat je veilig kunt over steken.
Toch moet je altijd goed uitkijken. De trein kan niet stoppen en gaat altijd voor.

Zwaailichten

Zwaailichten zijn er om:


 aandacht te trekken van andere weggebruikers

 te waarschuwen voor gevaar

 te zorgen voor een snelle en veilige doorgang van de auto met een zwaailicht

Zo zit dat met zwaailichten


 Er zijn twee soorten zwaailichten: blauwe en gele.

 Alleen de politie, de brandweer en de ambulance mogen blauwe zwaailichten gebruiken. Dat gaat altijd gepaard met een sirene.

Je moet een voertuig met blauw zwaailicht en sirene voert altijd voorrang geven.
 Een geel zwaailicht is een waarschuwingslicht. Er is iets bijzonders aan de hand. Let daarom een beetje beter op. Je hoeft een voertuig met een geel zwaailicht geen voorrang te geven.

Zwaailichten en een sirene trekken de aandacht ook van weggebruikers die niks met de situatie te maken hebben. Hun aandacht wordt afgeleid en dat kan juist gevaarlijk zijn. Daarom mogen zwaailichten alleen maar gebruikt mogen worden in bijzondere situaties:


 Bij een ongeluk, door voertuigen die hulp verlenen (bijvoorbeeld de ambulance of de politie). Zij mogen hun zwaailicht aanzetten als ze naar de plek van het ongeluk toe rijden of als ze die plek juist verlaten.

 Bij een ongeluk, door voertuigen die het naderende verkeer moeten waarschuwen.
 Door voertuigen die bezig zijn met het plaatsen of verwijderen van een wegafzetting.

Spoorwegovergangen


1. AHOB bij spoorwegovergang

AHOB staat voor Automatische Halve Overweg Bomen.


Er zijn bij zo'n spoorwegovergang spoorwegbomen die over de helft van de weg komen. Verder is er een bel en er zijn rode knipperlichten.

De bomen zijn nog open:

 Hoor je de bel en begint het rode licht te knipperen? Blijf dan wachten. De bomen gaan zo dicht.



De bomen gaan weer omhoog:

 Hoor je de bel nog en zijn de rode lichten nog niet uit?


Ga niet verder. Er kan nog een trein komen!

2. AKI bij spoorwegovergang


AKI staat voor Automatische Knipperlicht Installatie. Bij zo'n spoorwegovergang zijn geen spoorwegbomen.
Er zijn alleen maar lichten en een bel. Als er een trein aankomt, gaat de bel rinkelen en de twee rode knipperlichten gaan branden. Ga pas verder als de rode knipperlichten uit zijn en het witte knipperlicht gaat branden.

Zo zit dat - bij AKI


 Het witte licht knippert: er komt geen trein. Je kunt oversteken, maar kijk wel uit.

 De rode lichten knipperen en de bel gaat: er komt een trein. Blijf wachten.

 De trein is voorbij maar de rode lichten knipperen nog: blijf wachten. Er kan nog een trein komen.


Dit moet je ook weten over spoorwegovergangen:


 Aan het andreaskruis kun je zien of er meer dan één spoor is.

 Een trein kan nooit op tijd stoppen bij een spoorwegovergang.



Wist je dat?


Het verboden is je zo te gedragen het gevaarlijk op de weg wordt.


En dat je ander verkeer niet mag hinderen?


Wanneer je bij een verkeersongeval betrokken bent, je op die plaats moet blijven!


Auto’s niet mogen parkeren op het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad?


Auto’s minstens 5 meter vanaf een kruispunt moeten parkeren?


Je alleen maar mag bellen/toeteren om gevaar te voorkomen?


Bij “slecht zicht” is (bijv. mist, zware regenval, schemer) je je voor- en achterlamp moet aandoen


Je pas voor in de auto mag zitten als je ouder dan 12 jaar en groter dan 1.50 meter bent.

Jonger dan acht jaar en je zit bij iemand achter op de fiets? dan moet het een veilige zitplaats zijn met voldoende steun voor rug, handen en voeten


Dat je moet stoppen voor verkeersbrigadiers als zij dat aangeven!


Dat aanwijzingen (van o.a een politieagent, een verkeersbrigadier) boven verkeerstekens en verkeersregels gaan.
Rotonde







Een rotonde herken je aan dit bord. Je moet de richting van de pijlen volgen.
Je ziet steeds meer rotondes in plaats van kruispunten.
Misschien is dat bij jou in de buurt ook wel het geval.
Rotondes zijn niet overal hetzelfde. Soms is er bij een rotonde een fietsstrook, soms is er een fietspad. Soms moet je gewoon over de weg rijden.

Rotondes binnen de bebouwde kom





Rotonde met fietspad

De rotonde op de foto heeft een apart fietspad. Het fietspad loopt om de rotonde heen. Je moet op dit fietspad gaan rijden.
Of je op het fietspad bij een rotonde binnen de bebouwde kom mag voorgaan, kun je zien aan de voorrangsborden en haaientanden.
Soms mag je op het fietspad bij een rotonde in twee richtingen rijden.
Vaak hangt er dan onder het fietspadbord een onderbord.
Het kan ook zijn dat er in het midden op het fietspad een witte streep geschilderd is.
En houd er rekening mee, dat niet iedereen fietsers op een rotonde voor laat gaan!
Rotonde zonder fietspad


De rotonde op de foto heeft geen apart fietspad.
Jij fietst dus op de rotonde.
Hier geldt de regel 'rechtdoor op dezelfde weg gaat voor'. Als jij op de rotonde wilt blijven en een auto wil van de rotonde afgaan, dan moet hij jou voor laten gaan.
Houd er wel rekening mee dat lang niet iedereen fietsers op een rotonde voor laat gaan!




Rotondes buiten de bebouwde kom





Bij rotondes buiten de bebouwde kom is er altijd een apart fietspad aangelegd.
Als je fietst, moet je op dit fietspad rijden.
Je mag dus niet op de rotonde rijden.

Op het fietspad rijd je 'buiten de voorrang'.


Je moet bestuurders die de rotonde opgaan én bestuurders die de rotonde verlaten, voor laten gaan.

Let goed op de voorrangsborden en haaientanden. Dan weet je waar je voorrang moet geven.





Uitrit






Een uitrit is een uitgang:


 uit een tuin

 uit een garage of oprit voor een garage

 uit een erf

 uit een parkeerplaats

 uit een 30 km zone, als je daarbij over een uitritconstructie komt




Jaap komt over een uitritconstructie.

Hij moet nu de voetganger en de auto voor laten gaan.

Uitritconstructie


Soms moet je eerst over de stoep van de zijweg, als je bij een kruispunt komt.
De stoep van de zijweg loopt dan door over de weg.
Je ziet dat heel vaak als je uit een 30km zone of een erf komt. Het ziet er dan net uit als een uitrit. We noemen dat wel een uitritconstructie.
Als je over zo'n uitritconstructie komt moet je iedereen die van links en rechts komt voor laten gaan.


Voorrang


Zo zit dat bij uitritten:

 Krijg je (als je loopt of fietst) te maken met iemand die uit een uitrit komt?


Je moet voorrang krijgen van iedereen die uit de uitrit komt rijden.

 Kom je zelf uit een uitrit?


Je moet voorrang geven aan bestuurders en voetgangers van links en rechts.

Voorsorteren



Soms kun je tegen het midden van de weg gaan rijden als je links wilt afslaan.
Dat heet voorsorteren.

Wanneer kun je voorsorteren?


 Als de weg breed en overzichtelijk is.

 Als je goed de zijstraten in kunt kijken.

 Als er een vluchtheuvel in het midden van de weg ligt.

Waarom zou je willen voorsorteren?


Omdat je bij het afslaan dan geen last hebt van auto's en brommers
die achterop komen rijden. Die rijden jou gewoon rechts voorbij.

Zo moet je voorsorteren:





 omkijken
(Wil iemand jou inhalen? Blijf dan rechts. Stop eventueel.
Kijk opnieuw achterom als het verkeer voorbij is.)

linkerhand uitsteken

 naar het midden van de weg gaan of naar het voorsorteervak of de voorsorteerstrook gaan.

 op het kruispunt:


- eventueel stoppen voor rood licht
- goed uitkijken
- voorrang geven als dat moet

 linksaf slaan met een grote bocht


Als er voorsorteervakken of voorsorteerstroken zijn

 Je mag niet in de voorsorteervakken (voor auto’s) gaan rijden als er rechts van de weg een fietspad of fietsstrook is.

 Als er speciale voorsorteerstroken voor fietsers zijn, moet daar gebruik van maken.

 Als je gebruik maakt van de voorsorteerstroken moet je de kant op gaan, die de pijl aanwijst.

 Als je gebruik maakt van de voorsorteervakken, dan moet je rechts in het voorsorteervak blijven.

 Zodra je naast een doorgetrokken streep rijdt, mag je niet meer van voorsorteervak wisselen.

 Fiets in de voorsorteervakken achter elkaar.

Wanneer moet je nooit voorsorteren?


 Als de weg smal is.

 Als je niet goed kunt zien of er verkeer uit de zijstraten komt rijden. (Zij kunnen jou ook niet goed zien)

 Als er druk verkeer is.



Waarom moet je op een smalle weg niet voorsorteren?


Als er een (vracht)auto uit de zijstraat komt, die de bocht maakt naar jou toe, kan hij op jouw weghelft terechtkomen!
Vrachtwagens

Vrachtauto's zijn niet van glas. Daarom kan een chauffeur vaak niet zien wat er naast en achter de auto gebeurt. Dat noemen ze de dode hoek. Als je een vrachtauto ziet moet je niet in zijn dode hoek komen. Hoe? Kijk maar eens naar deze vier vuistregels!

Vuistregels:

 Loop nooit vlak voor of achter een vrachtauto langs.

 Stop bij een stopbord of stoplicht altijd voor de stopstreep.

 Gaat de vrachtauto de bocht om? Blijf rechts en ruim achter de vrachtauto.

 Zorg dat je de chauffeur ziet, dan kan hij jou ook zien.


TIPS:


  • Als een vrachtwagen of bus de bocht om komt, heeft hij veel ruimte nodig. Houd daar rekening mee.




  • Komt een vrachtwagen je tegemoet? Fiets dan achter elkaar!
    Ook als je weet dat er een vrachtwagen achter je rijdt, fiets je achter elkaar, zodat de vrachtwagen goed langs jullie kan.




  • Als een vrachtwagen je aan het inhalen is, denk er dan aan dat hij vaak langer is dan je verwacht. Denk ook aan de windvlaag. Je kunt gaan slingeren. Houd je stuur stevig vast.




  • Blijf ruim achter een vrachtwagen als hij wil stoppen.




  • Krijg je te maken met een vrachtwagen die achteruit rijdt? Stop ruim achter de auto. Zorg ervoor dat de chauffeur jou kan zien. Wacht tot je zeker weet dat de chauffeur je gezien heeft en ga dan pas verder.




  • Staat een vrachtwagen uit te laden op de stoep en jij moet eromheen lopen? Kijk goed om de vrachtwagen heen en achterom. Loop pas door als er niets aankomt.




  • Staat een vrachtwagen uit te laden en jij moet eromheen fietsen? Laat tegemoetkomend en achteropkomend verkeer voorgaan. Ga achter elkaar fietsen als je met zijn tweeën bent.




  • Wil je linksaf op de fiets en komt er van links een vrachtwagen aan, dan moet je nooit voorsorteren naar het midden van de weg. De kans is namelijk heel groot dat die vrachtwagen over het midden van de weg komt.




Bron: http://www.3vo.nl/nl/kids/home.htm

© Marjan de Ruijter




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina