De gruwel der verwoesting



Dovnload 37.23 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte37.23 Kb.
DE GRUWEL DER VERWOESTING
‘Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden’ (Matth.24:28)
Het is een diepzinnig woord van Jezus, dit woord uit een van Zijn toespraken over de laatste dingen, een soort spreekwoord over arenden (ofte wel gieren) 1 die zich verzamelen boven een dode.

Met hun scherpe ogen zien die roofvogels vanuit grote hoogte hun prooi: een dood lichaam ergens beneden op de aarde. Als u dit soort roofvogels in grote zwermen ziet rondcirkelen, dan weet u: daar is wat voor hen te halen. Zij zijn daar waar de dood het voor het zeggen heeft. Dat is hun verzamelpunt.

Lees het na bij Job: ‘Van daar speurt hij de spijze op, zijn ogen zien van verre af. Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij’ (Job 39:32. 33) Of bij Jesaja, die Edom een en al woestenij voorspelde: ‘Ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden’ (Jesaja 34:15b). 2

Gruwel der verwoesting

Het is zeker niet gemakkelijk om dit diepzinnige woord van onze Meester te verstaan. Uit het verband waarin deze woorden in het Evangelie naar Mattheüs staan, blijkt evenwel, dat het in dit deel van Jezus’ zogenaamde laatste rede gaat over de bange dagen van de grote ver- drukking die aan Zijn wederkomst voorafgaan. Hier speciaal toegespitst op wat Zijn Joodse volgelingen binnen afzienbare tijd zullen meemaken, als Jeruzalem een puinhoop zal worden. In deze ‘apocalyptische’ rede van Jezus geeft Hij antwoord op de vraag van Zijn discipelen, wanneer deze dingen zullen zijn… (in vs.3; vgl. Mark.13:4).

Jezus herinnert hier allereerst aan wat in de profetie van Daniël ‘de gruwel der verwoesting’ wordt genoemd. En daarbij hebben Zijn toehoorders zeker gedacht aan wat er was gebeurd, toen de Seleucied de Syrische Antiochus IV Epifanes in 168 voor Christus in de tempel van Jeruzalem een altaar had laten oprichten ter ere van de Griekse god Zeus Olympus. Dat alles was de aanleiding geworden voor de opstand der Makkabeeën, eindigend in een overwinning van de Joden en de herinwijding van de tempel, op 25 Kislev 164 v.Chr..Een onvergetelijk gebeuren dat onder Israël nog steeds wordt levend gehouden in de viering van het ‘lichtfeest’ in de winter, het Chanoeka-feest (Gr.’engkainia’ = feest van de vernieuwing/ inwijding van de tempel). Vgl. 2 Makk. 5:27; Joh.10:22.

In Mattheüs 24 ziet de Heere Jezus weer die ‘gruwel der verwoesting’ voor Zich, waarin het pure heidendom zich opnieuw meester zal maken van Jeruzalem en van de tempel. Deze gruwel der verwoesting zal staan in de heilige plaats, de tempel en het heilige terrein schenden. 3 Is hiermee de verschijning van de Antichrist bedoeld? (vgl. 2 Thess.2:3vv; Openb. 13). Jezus voorziet in elk geval de verwoesting van de stad en van de tempel in 70 nChr., toen een Romeinse soldaat een brandende fakkel in die tempel wierp.Vgl. Mark. 13:2; Luk. 21:20.


Getrouwe God, de heid’nen zijn gekomen.

Zij hebben stout Uw erfland ingenomen:

Jeruzalem, de tempel, Uw altaren,

’t ligt al verwoest door die geweldenaren!

Uw knechten zijn geveld

door hun verwoed geweld.

Hun lijken, onbegraven

verzaden na hun dood

’t gediert’ in hongersnood

en gier en kraai en raven. (Ps.79:1 ber.)



Een overhaaste vlucht
Dat zullen dagen van grote verdrukking zijn, als nooit tevoren. Voor hen die in Judea zijn (Mark.13:14b). Ook voor Jezus’ Joodse volgelingen. De geschiedenis vertelt ons, dat de Messiasbelijdende Joden van die dagen massaal zijn weggevlucht, van Judea naar de bergen, om tenslotte een onderkomen te vinden in het overjordaanse Pella. 4

In allerijl zijn ze gegaan. Weg uit Jeruzalem. Geen tijd meer om van het dak – de plaats van gebed en rust – via de trap aan de buitenkant van het huis even naar binnen te gaan om iets uit hun huis weg te halen. Geen tijd om van de akker even nog naar huis te gaan om zijn mantel op te halen (Gr.’himation’; kleding/ mantel; vgl. Matth5:40). Vgl. Gen.19:17. Daar gaan ze: een droeve stoet. Een pijnlijk gebeuren, vooral voor vrouwen die in verwachting zijn of zojuist een kind ter wereld hebben gebracht. Vgl. Luk. 23:29. Jezus heeft in Mattheüs 24 vooral aan hen gedacht.


‘Bid maar’, zegt Jezus, ‘dat dit allemaal niet gebeurt, als het wintert en de wegen onbegaanbaar zijn. De Joden die naar Pella zijn gevlucht, zouden zeker in dat geval door de hoge waterstand in de Jordaan niet in het Overjordaanse zijn gekomen. Of op een sabbat, de dag waarop iedereen behoort te rusten naar Gods gebod en Joden/ Jodenchristenen door op die dag te vluchten zich van die rust zouden beroven. Het zullen dagen zijn, die hun weerga niet kennen in de geschiedenis. Als de Heere die dagen niet zou inkorten (de onderdrukking zou beperken), waar zouden de uitverkorenen van God dan blijven? 5

Is er, als dit alles gebeurt, dan nog wel wat voor u te hopen? Zult u niet roepen en schreeuwen om de komst van de Messias? Waar blijft Hij toch?



De roep om de Messias

Maar juist dan moet u uw ogen goed de kost geven. Want er zullen er zich bij u aandienen, die pretenderen de Messias te zijn: Hier moet u zijn, bij ons moet u wezen.

Wellicht dacht Jezus bij het uitspreken van deze waarschuwing aan Qumran waar zich in Zijn dagen de wetsgetrouwen verzameld hadden. Zij verwachtten de eindstrijd op korte termijn. En Flavius Josephus vertelt, dat als de tempel in Jeruzalem in 70 nChr. in vlammen is opgegaan, de overlevende Joden als laatste gunst van de Romeinen een vrije aftocht vroegen om met vrouw en kinderen naar de woestijn te mogen gaan. 6 Vgl. verder Fl. Josephus, Oudheden.. 18, 85-87 en Joodse oorlogen II, 13.4
Als alles in het land van Israël en in de heilige stad een puinhoop is geworden, ligt het dan niet voor de hand om vanuit de woestijn een Messiaanse beweging op touw te zetten? Vgl. Hand. 21:38. Heeft Simon bar Kochba, de leider van de Joodse verzetsbeweging (131-135 nChr.) door rabbi Akiba, ‘de ster uit Jakob’ genoemd, dat niet geprobeerd? En kon hij Israëls Messias zijn? 7
‘Zoek uw Messias niet in de woestijn’, zegt Jezus. ‘Ook niet in binnenkamers, in het verborgene. Denk niet, dat Israëls Messias er slechts is voor enkele ingewijden: een mystieke Messias die zich openbaart in een zeer geleerde rabbijn. Zoek het daar niet, mensen. Ook al doen deze misleiders grote tekenen. Vgl. Deut. 13:2-4. En heb inmiddels hoop. Want Hij komt echt, de Zoon des mensen. Niet in een of ander klein hoekje. Maar evident en plotseling, zoals de bliksem die van oost naar west te zien is. Iedereen zal Hem zien, wereldwijd. Hij komt geheel onverwacht en tegelijk voor ieder zichtbaar. Vgl. Mark. 13 :24vv ; Luk. 17:24. Het is Zijn dag. Hij komt om te oordelen, zoals oudtijds God op de Sinaï, als in een onweer. Hij komt als Rechter van de ganse aarde. Niemand ontkomt.
Hoe, wanneer? Wie kan het zeggen? Zeg het maar met die diepzinnige raadselspreuk van Mattheüs 24:28 (zie ook Lukas 17:37). 8 Als u een zwerm gieren ziet, weet u: daar is een lijk te vinden. Daar moet u op letten. ‘Zoals gieren zich verzamelen, als er ergens aas te vinden is, zo zal Christus met Zijn engelen de ongerechtigheid met Zijn oordeel weten te treffen’ (zo A. Schlatter, Allen en Zahn).’ 9 De beeldspraak over het dode lichaam en de verzameling van de gieren kan dus het beste verstaan worden als aanduiding van iets heel onheilspellends. Zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn; er gebeuren vreselijke dingen. Het gericht breekt los.

Grote verdrukking – nu

Wat er aan Israël is gepasseerd, toen de Romeinen er een puinhoop van maakten, is het teken van de grote verdrukking vlak voor de komst van de Messias die op doorbreken staat. Een verdrukking zoals vanaf het begin van de schepping tot het einde nooit en nergens is voorgekomen. Vgl. Ex. 9:18; Joël 2:2. De grootste verdrukking van heel de mensheidsgeschiedenis.

Nu, die dagen van grote verdrukking, te beginnen bij de gruwelijke verwoesting van Jeruzalems stad en tempel, zijn nog niet voorbij.
Ook wij leven er aan het begin van het derde millennium middenin. Dagen van grote verdrukking die haar weerga niet kent in de geschiedenis van de mensheid. Let op het teken van de adelaar (gier). Het teken van Hitler en zijn derde rijk, van…vult u maar in. Let op de satanisch georganiseerde Israël-genocide, op wat er passeerde in Auschwitz. Het waren dagen waarin gieren zich verzamelden boven het aas. En dat gaat nog maar steeds door.
Gods vijanden zijn nog steeds bezig om de gruwel der verwoesting onder Israël overeind te houden in het Midden-Oosten. Alles concentreert zich weer op dat ene volk, Israël. Het zijn dagen waarin gieren zich verzamelen boven het aas. Weg met dat volk, weg met het boek van dat volk (de Bijbel).
Wij, ook wij leven in dagen van grote verdrukking voor de uitverkorenen onder de volkeren. Zij delen in het leed en lijden dat de eeuwen door over Israël ging. Let op de gieren…Let op de groten der aarde die het gemunt hebben op Gods uitverkorenen. In Noord Korea, in Sudan, in Eritrea en waar niet al. Let op de haatcampagnes van het Moslimterrorisme.

Ook in onze maatschappij waar de Joods-christelijke fundamenten steeds meer worden verwoest, waar niets meer veilig is: het ongeboren leven niet, het leven van demente bejaarden niet, het heilig huwelijk niet, de dag des Heeren niet.


Dagen van grote verdrukking. Het zijn dagen van misleiding. In de kerk waar de leugengeest hoogtij viert in de afbraak van Gods Woord, in de loochening van de maagdelijke geboorte van Christus Jezus, van de Godheid van Gods Zoon, van verzoening door voldoening. In de wereldkerk die er blind voor is, dat het gevreesde aidsvirus wat te maken heeft met seksuele losbandigheid. Een op de vier mensen in Zimbabwe lijdt aan deze ziekte. Inmiddels droomt de mensheid van een vrederijk met een nieuwe wereldorde.

Alle ogen zullen Hem Zien

Laten we het ons voor gezegd houden, door niemand minder dan door Jezus Christus, de enige dienenswaardige Messias. Hij komt eraan. In hoogst eigen Persoon. Hij verschijnt, zoals de bliksem schijnt. Voor iedereen zichtbaar. Alle ogen zullen Hem zien. De geboorteweeën van het Godsrijk zijn er reeds. De gieren verzamelen zich. Het wordt hoog tijd, dat u zich bezint. J. Calvijn schrijft: ‘Indien de scherpzinnigheid der vogels zo groot is, dat zij op grote afstand in grote getale om één lijk zich vergaderen, dan is het schande, indien de gelovigen zich niet rondom de Werkmeester des levens vergaderen, in Wie alleen hun wezenlijk voedsel te vinden is’ (a.w. blz. 342).

Christus komt. En Hij komt om Zijn uitverkorenen onder Israël bijeen te brengen.10 Hij zal Zich aan Israël openbaren, zoals Jozef eenmaal in Egypte: ‘Ik ben Jozef’ Gen.45:3a). En Hij zal Zich aan al Zijn uitverkorenen openbaren, alom op de aarde. Geloof dat. Geloof het, dat Hij uit de vier windhoeken van de aarde Zijn uitverkorenen bijeen zal vergaderen, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan (Matth.24:31).
Wat ons te doen staat? Waakt, waakt, waakt…! Let op het azen van de gieren. Of doe als dat kind dat uit school thuiskwam en tegen zijn moeder zei: ‘Mamma, ik heb onderweg naar Jezus gezwaaid.’ ‘Maar kind’, zei moeder, ‘jij hebt toch de Heere Jezus niet gezien?’ ‘Nee, mama’ , zei het kind, ‘maar de Heere Jezus heeft mij wel gezien.’
Zo kinderlijk eenvoudig geloven, dat Hij, de Overwinnaar van zonde, dood en satan, op de uitkijk staat. Zie, Hij komt spoedig.


1 Het Griekse woord ‘aetos’ kan zowel adelaar als gier betekenen. Het verschil tussen deze twee roofvogels is, dat de adelaar zijn prooi doodt en daarna verslindt en bij uitzondering alleen dood aas eet, terwijl de gier nooit levende dieren eerst doodt en daarna opeet, maar een echte aaseter is (zich slechts aan dood aas tegoed doet). Om die reden is in onze tekst waar het dode lichaam wordt genoemd, meer te denken aan gieren dan aan adelaars. Zie VILH. MØLLER-CHRISTENSEN/ K. E. JORDT JØRGENSEN, Dierenleven in de Bijbel (BBB-serie; Baarn), vert.van Jacoba M. Vreugdenhil, s.v. gier (blz.99).

2 De afbeelding toont een aasgier, een van de kleinste gieren in het Middellandse Zeegebied.

3 De uitdrukking ‘gruwel der verwoesting’ (Gr.’to bdelugma tès erèmooseoos’) (Dan.11:31; 12:11) kan verstaan worden als: de gruwel die bestaat in verwoesting; het gruwelijke van de destructie (verwoestingsgruwel) van de tempel. De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen: ‘Dat is, het gruwelijk verwoestende leger der Romeinen, gelijk verklaard wordt in Luk. 21:20.’ De woorden ‘staande in de heilige plaats’ is een aanduiding van (de ontwijding van) de tempel. Markus zegt van deze gruwel der verwoesting’ , dat hij staat waar hij niet behoort te staan’.

J. van Bruggen schrijft: ‘De grote verdrukking van het Joodse volk is de tijd zonder tempel, een tijd van verdrukking zoals dit volk nog nooit eerder had meegemaakt. Toch wordt het nooit een complete holocaust: er blijft een volk leven onder de vervolgingen. Dat is ter wille van het uitverkoren deel van Israël, te beginnen bij Jezus’ leerlingen…’. Zo Dr. Jakob van Bruggen, Matcus, het evangelie volgens Petrus (Commentaar op het Nieuwe Testament; derde serie). Kampen 1988; blz.312v.



4 Ook Rudolph Pesch in zijn verklaring van Mark.13:14 ziet in deze woorden een aanduiding van ‘de vlucht van de Jeruzalemse (en de naburige Joodse) christengemeente(n) naar Pella. Zo Rudolf Pesch, Das Markus-evangelium; 2e Teil (Herders theologischer Kommentar zum Neuen Testament); 3e, erneut durchgesehene Auflage..1984. Freiburg-Basel-Wien. Blz.291.

5 De Kanttekeningen van de Statenvertaling geven de betekenis van deze woorden aldus weer: ‘Want gelijk Josefus getuigt, de bello Jud. lib. 4,5,6 en 7, cap. 17, zijn door het zwaard, den honger en de pest vergaan, alleen binnen Jeruzalem elf honderd duizend mensen, en boven de zeven en negentig duizend tot slaven verkocht. Dergelijke verwoesting wordt in geen andere historiën gelezen.’ Voor de vlucht naar Pella zie: Eusebius (HistEccl III, 5.2-3), Epiphanius (c.haer.19.7; 30.2) en PsClem Recogn 1.39. Epiphanius zegt, dat deze vlucht geschiedde op bevel van Christus. Rudolf Pesch (a.w., blz.296) vermeldt ook, dat rabbi Jochanan ben Sakkai in 68 nChr. met zijn jongeren het belegerde Jeruzalem verliet. Het Joodse sanhedrin zetelde vanaf die tijd (na 70 nChr.) in Jabne.

6 Aldus Dr. J. T. Nielsen, Het Evangelie naar Mattheüs III, (De prediking van het Nieuwe Testament); Nijkerk 1974; blz. 48.

7 ‘In Farizese kringen is toenmaals de verwoesting van de tempel met het komen van de Messias verbonden (zo F. Dexinger; geciteerd door Rudolf Pesch, a.w., blz.296). Zo evenwel ligt het niet in Matth. 24:26vv.

8 Nieuwtestamentici veronderstellen, dat de evangelisten Mattheüs en Lukas gebruik hebben gemaakt van een zg.Q-bron (Logia toe Kurioe - woorden des Heeren) waarin deze uitspraak van Jezus voorkwam. Markus geeft deze tekst in de parallelle perikoop Mark.13:14-23 niet.

9 Dr. F. W. Grosheide ziet ‘de gemeente Gods als het aas waarop de valse profeten en christussen als op hun prooi afkomen’ (zo Dr. F. W. Grosheide, Het heilig Evangelie volgens Mattheüs (Kommentaar op het Nieuwe Testament); Amsterdam Bottenburg serie, 1922; blz. 290. Dr. van Bruggen distantieert zich van deze uitleg. Hij schrijft: ‘Het verdient dan ook aanbeveling, met het aas deze valse christussen en valse profeten te zien aangeduid. Bij hen worden de gieren (die lijken liefhebben) verzameld (in de woestijn of in de binnenkamers), maar de Levende verschijnt zelf aan de hele wereld in één keer’. Zo Dr. Jakob van Bruggen, Matteüs, het evangelie voor Israël (in Commentaar op het Nieuwe Testament; derde serie); Kampen 1990; blz.422.De Kanttekeningen van de Statenvertaling verklaren deze tekst als volgt: ‘ Van dit spreekwoord, bij de Hebreën gebruikelijk, zie Job 39:33, en wordt hiermede geleerd dat waar Christus met Zijn lijden en sterven oprecht gepredikt wordt de gelovigen zich aldaar zullen vergaderen, gelijk zij ook in het laatste oordeel tot Christus zullen vergaderd worden om altijd bij Hem te blijven; 1 Thess. 4:16,17; Joh. 17:24.’ In deze geest verklaart ook M.Henri deze tekst. Dit lijkt ons echter een gezochte verklaring. Aannemelijker is wat de Kanttekenaren erop laten volgen: ‘Sommigen verstaan dit spreekwoord van de verwoesting des Joodse volks, hetwelk door het aas zou verstaan worden, en de Romeinen door de arenden; gelijk de Chaldeën bij Hab.1:8….’ M.i. moeten de verzen 27 en 28 van Matth.24 opgevat worden als betrekking hebbende op de wederkomst van Christus.



10 J. Calvijn schrijft in zijn commentaar op Matth.24:22, dat de Heere Zijn toorn tegen alle menselijke verwachting in gematigd heeft, opdat geen van de uitverkorenen zou omkomen. ‘God heeft, daar de zaligheid uit de Joden komen moest, enkele druppels uit een uitgedroogde fontein tot rivieren gemaakt, die de gehele wereld zouden besproeien. Immers het had, daar de Joden de haat van alle volken op zich geladen hadden, weinig gescheeld, of zij waren, op een gegeven teken, allen op één dag en aan alle plaatsen, waar zij zich bevonden, ter dood gebracht. Ook lijdt het geen twijfel, of het was de hand Gods, die, toen velen erop aandrongen om een algemene slachting onder hen aan te richten, Titus weerhield, zodat hij zijn soldaten en anderen, die maar al te begerig daarnaar waren, de vergunning daartoe weigerde. Dit verhinderen nu van de uitroeiing van het gehele volk, was het verkorten van die dagen, waarvan hier gesproken wordt, met het doel om enig zaad over te houden….Omdat Zijn genade rustte op het volk, dat Hij tot het Zijne aangenomen had, en opdat het verbond niet vernietigd worden zou …(Rom.11:5).’ Aldus J. Calvijn in De Evangeliën van Mattheus, Markus en Lukas in onderlinge overeenstemming gebracht en verklaard. Derde deel, 3e druk. Goudriaan 1979, blz. 335.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina