"De Güegüense" Jorge Eduardo Arellano



Dovnload 19.75 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte19.75 Kb.
"De Güegüense"

Jorge Eduardo Arellano
Lid van de Raad van Deskundigen van El Güegüense

Van de 43 traditionele uitingsvormen die in 2005 door UNESCO tot immaterieel erfgoed van de mensheid werden verklaard, waren er twee theaterstukken die toebehoren aan Midden-Amerika: het drama "Rabinal Achí" uit Guatemala en de komedie "El Güegüense" uit Nicaragua. Zoals bekend werden het drama in de taal Quiché en de komedie in het "Spaansnahuat” in de 19e eeuw ontdekt in het land van hun oorsprong door de Europeanen. Charles Etienne Brasseur de Bourbourg stelde vast dat het eerste stuk in 1856 werd geschreven en hij vertaalde het later in het Frans. Het tweede stuk werd in 1874 door Carl Herman Berendt overgeschreven, waarbij hij twee manuscripten samenvoegde. Dankzij deze uit Europa afkomstige Spaans-Amerikadeskundigen konden beide stukken aan de mondelinge overlevering worden onttrokken; ze vinden nu wereldwijde waardering en erkenning naast de Kabuki in Japan en andere culturele uitingsvormen: elf zowel in Azië als in Europa, negen in Afrika, vijf in Latijns-Amerika en de Cariben, vier in Arabische landen en nog eens vier met een multinationaal karakter.



1.DE ASPECTEN IDENTITEIT EN SOCIAALCULTUREEL VERZET

De Rabinal Achí en De Güegüense zijn vaak bestudeerd als aspecten van identiteit en sociaal-cultureel verzet. Het eerste stuk geeft een beeld van de oorspronkelijke inheemse Maya-Quiché bevolking, de grootste bevolkingsgroep in Guatemala; het tweede stuk kan niet worden begrepen zonder de inheemse bevolking van het Nicaragua van de 18e eeuw, of eigenlijk van het voormalige gebied Manquesa, het huidige Meseta de los Pueblos.

Wel moet worden bedacht dat beide stukken werden uitgevoerd in een sacrale omgeving, zoals de verplichte katholieke rituelen tijdens de patroonsfeesten en dat er, in ons stuk, sprake was van een carnavaleske ontwikkeling waardoor het stuk een wereldlijk karakter krijgt. De structuur van het stuk vindt feitelijk zijn oorsprong in het in het Nahuatl uitgevoerde theater zoals dat vanaf de tweede helft van de 16e eeuw door de missionarissen werd gestimuleerd: dat waren kluchten en dansen afgewisseld met dialogen. Door de Mexicaanse onderzoeker Ignacio Cristobal Merinos Lanzilotti worden ze omschreven als volks. Deze waren in een koloniale omgeving ontstaan en tot ontwikkeling gekomen, hadden geen religieus thema, maar bevatten wel precolumbiaanse elementen.

2. INHEEMSE EN SPAANSE OORSPRONG

Terwijl de Rabinal Achí, met behoud van zijn inheemse verschijningsvorm, in zijn kostuums en het geheel van zijn religieuze rituelen nauwelijks kenmerken van de vermenging van de culturen laat zien, heeft De Güegüense, zoals die tot ons is gekomen, zowel een inheemse als Spaanse oorsprong. Daarom wordt het beschouwd als het meesterwerk van de dramatische kunst van het volk en van de gemengde cultuur in de regio Midden-Amerika; het eerste authentieke Spaans-Amerikaanse theaterstuk met een koloniaal thema en de grondlegger van de Nicaraguaanse literatuur.

“In de meeste Europese landen,” zo heeft Gunther Schmigalle geconstateerd, “begint de historische ontwikkeling van de literatuur met een monumentaal werk, meestal een episch heldendicht: de Ilias in Griekenland, El Cantar del Mío Cid in Spanje, De Lusiaden in Portugal enz. Daarentegen heeft in Latijns-Amerika alleen Chili met La Araucana een soort episch gedicht, en je kan zelfs nog discussiëren over de vraag of het werk van Alonso de Ercilla behoort tot de Chileense of tot de Spaanse cultuur. Het is daarom opvallend dat het eerste Nicaraguaanse monumentale literaire werk, De Güegüense, een danskomedie is, met een intrige die even ver afstaat van het epische als van het heroïsche.” Beter gezegd: het is satirisch-kolderiek.

3. ONAFHANKELIJK VAN HET KOLONIALISTISCHE GEDACHTEGOED

Opvallend is ook dat ons theaterstuk onafhankelijk van het kolonialistische gedachtegoed is ontstaan. Het bevoegde gezag bracht zijn dominante positie tot uiting in een literatuur van onderwerping, kerkelijke literatuur, met nadruk op de Europese afkomst en met lofredes op de macht. De Güegüense is van geheel andere orde, het staat los van de geestelijke stromingen van de gedrukte teksten. De oorsprong is oraal; een nieuwe vorm van orale overlevering, die moest ontstaan, of opstaan, in de tijd dat de Spaanse heerschappij over de inheemse bevolking van Midden-Amerika al was gevestigd, met het hoogtepunt in het begin van de 18e eeuw. Dat wil zeggen, met een verhaal dat zich afspeelt in een kleine en marginale provincie van het Spaanse imperium in crisis dat belastingen opeiste om te kunnen voortbestaan. Het toneel draagt in het decor en de mimiek, de muziek en de dans het stempel van de achttiende-eeuwse barok, wat bijvoorbeeld is waar te nemen in de kostuums en de subtiele vioolklanken; dat alles wordt aan elkaar geregen door de leidraad van een levendige en schelmse dialoog, met de hoofdrolspeler in het centrum. Die treedt daardoor op de voorgrond en geeft ons prachtige en unieke stuk zijn naam, zoals Salomon de la Selva het omschreef.

Uniek, omdat in Midden-Amerika nooit meer een vergelijkbaar stuk is verschenen. Een uitzonderlijk voorbeeld van syncretisme: de hoofdrolspeler is zowel de platvloerse zwendelaar uit de precolumbiaanse tijd, als de vindingrijke schelm uit de Spaanse Gouden Eeuw. Het is geschreven in een mengeling van authentiek Spaans en de streektaal Nahuatl (zonder tl), of Nahuate; een soort Lingua Franca, of 'gemengd dialect" dat zich, na een snelle en vroegtijdige dominantie van het Nahuatl over de andere talen van voor de komst van de Spanjaarden, uitbreidde over Centraal-Amerika en het zuiden van Mexico. Zo ontwikkelde het zich, volgens Brinton, tot "de gangbare taal van de mestiezen". Maar in dit “mengdialect", dat Mario Cajina Vega omdoopte tot "Spaansnahuat", overheerst het Spaans, zowel wat betreft de zinsbouw, als de formele en informele woordenschat.

4. "GROTE LASTPOST"

Via deze taal, met het Spaans als de taal die de oorspronkelijke taal in het nauw bracht, wordt vanuit het perspectief van de onderdrukte, of, zoals men in Noord-Amerikaanse academische kringen zou zeggen, de ondergeschikte, kritiek geuit op het heersende gedachtegoed. Hoe? In de eerste plaats met spontane humor: soms scherpzinnig, dan weer brutaal en sarcastisch. Niet simpelweg om aan het lachen te maken, of voor de ontspanning. De humor is eerder een vorm van verzet; een defensieve humor die voortkomt uit de relatie tussen onderdrukten en onderdrukkers. Barbara Harlow voert in haar Resistance Literatura (1987) als theorie aan dat het kenmerkend is voor onderdrukte groepen, dat onder hen een personage opstaat dat als "grote lastpost" (de kwalificatie, dit ter verduidelijking, is van de schrijfster) in staat is met en te midden van de zijnen te overleven, ondanks alle strubbelingen.

In de tweede plaats is ons werk een parodie op de hoofse en bureaucratische retoriek die de provinciaalse autoriteiten proberen op te leggen. Dat zijn: de Gouverneur Tastuanes (gedelegeerde van de koninklijke macht), de Sheriff (slaafse verantwoordelijke voor de openbare orde), de Notaris (die gaat over de legaliteit), en de Raadsman, lid van het Koninklijke Inheemse Gemeentebestuur, die wordt aangeklaagd wegens zijn corruptie en belachelijk wordt gemaakt. Alleen de Ezeldrijver, die de vracht van de hoofdpersoon vervoert, staat buiten deze retoriek. Hij bemiddelt, hoewel slechts bij drie gelegenheden, in achtregelige verzen volgens het manuscript dat door Walter Lemann werd ontdekt en bewerkt in de Nicaraguaanse stad Masaya van 13 tot 18 december 1908.

Deze retoriek wordt tegengesproken door een oude rondzwervende scharrelaar, een mesties, arm en onafhankelijk, die in de samenleving wil integreren en probeert te worden opgenomen in het systeem. Dat is Güegüense, bijgestaan door zijn wettige zoon, de krachtpatser "don Forsico", en tegengesproken door zijn stiefzoon "don Ambrosio". Zij bereiken hun doel door een "deal en een contract", dat wordt bezegeld met het huwelijk van de jonge "doña Suche Malinche" (de dochter van de "Gouverneur" of Volksbestuurder), een slot dat goed aansluit bij het kluchtige karakter van het stuk dat uitloopt op een gemaskerd bal.



5. HET WEERWOORD VAN DE ONDERDRUKTE

In deze lijn wordt Güegüense geconfronteerd met de dynamiek van de macht en de opvattingen binnen de gevestigde orde. Hij gaat daar tegenin met het weerwoord van de onderdrukte, om zo de tekortkomingen en beperkingen van het systeem in het hier en nu te signaleren. Zijn doel is een ander beeld van de maatschappelijke werkelijkheid te schetsen. Het weerwoord van de onderdrukte versterkt echter, paradoxalerwijs, de positie van de onderdrukker, en belicht uiteindelijk de ideologische beginselen waarvan hij zich wil bevrijden.

Met dit alles geeft ons werk een stem aan de onderworpenen en, met de verbeeldingskracht als onbegrensd hulpmiddel, wordt het verheven tot een collectief verlangen: de gelijkwaardigheid van de mensen. Dat wordt mogelijk doordat een wereld en een cultuur in integrale kunst tot uitdrukking worden gebracht. Daarom kan De Güegüense niet goed noch volledig worden begrepen als het niet als geheel maar slechts gefragmenteerd wordt bestudeerd, als het wordt beperkt tot een van zijn aspecten zonder dat in het geheel te integreren. Daarom mag het niet slechts worden gedefinieerd als literatuur, of als theatraal fenomeen, of als dansstuk, of als linguïstisch document, of als zangspel, en al helemaal niet als overblijfsel uit de folklore.

6. DE CULTUUR TRIOMFEERT OVER DE MACHT

De Güegüense is al het voorgaande en nog veel meer: een overwinning op de Macht vanuit de armoede of de marginaliteit. Een overwinning die wordt bereikt door de autoriteiten te misleiden en door de schalkse dubbele betekenis van de tekstregels. Door de minachting voor de gekunsteldheid en door de bijtende kritiek op de onrechtvaardigheid. Door de onderdanigheid aan de kaak te stellen met kritische woorden, verwaande ironie en onbegrensde verbeeldingskracht. Kortom, een overwinning vanuit de Cultuur. De absolute meester Pablo Antonio Cuadra zegt het zo: "Güegüense zal op zijn muziek blijven dansen zolang er nog op een centimeter van de vaderlandse grond armoede en politieke hypocrisie heersen. Maar de Güegüense is al een overwinning van de Cultuur op de Macht".

"Een dag en een nacht zijn niet lang genoeg om de rijkdom van mijn vader te beschrijven", zegt don Forsico, op een overdreven manier, als hij Güegüense bijstaat die in al zijn armzaligheid wordt aangeklaagd door zijn stiefzoon, don Ambrosio, en hij pleit hem vrij van de kwalificaties: dom, bleekscheet, opgeblazen, met gezwollen ogen, van slechte komaf, feest nachten lang door, ogen van een dooie pad. Inderdaad, Don Ambrosio was heel openhartig en direct geweest:

“God beware me, Heer Gouverneur Tastuanes! Ik schaam me om de zaakjes van Güegüense uit de doeken te doen, die oplichter, want hij wacht alleen maar tot het donker wordt om dan de huizen af te struinen en uit de keukens mee te pikken wat er van zijn gading is, voor hem en zijn zoon don Forsico. Hij zegt dat hij allerlei kistjes van goud heeft, en het is een oud kistje van blik; dat hij een met zijden bekleed veldbed heeft en het is een oude op de grond gesmeten plunjezak; hij zegt dat hij kousen van zijde heeft en het zijn een paar oude versleten laarzen; dat hij schoenen van goud heeft en het zijn een paar oude sloffen zonder zolen; dat hij een geweer van goud heeft en het is alleen maar een stok, want het wapen hebben ze hem afgenomen.”

De waarderingen van het stuk (van Martí tot Valle-Castillo)

1884 Meesterlijke komedie geschreven in een ruw dialect, waarin dialogen en dansen elkaar afwisselen, hilarisch en vol grove, pikante en vleierige grappen, vol listen en bedrog van iemand van de Latijns-Amerikaanse stam waarmee hij een gerechtsdienaar om de tuin leidt, voor wie hij was voorgeleid om de straf te ondergaan voor een vermeende of echte schurkenstreek. José MARTÍ. 1892 De Güegüense is het personage uit de naïeve klucht die de eigentijdse inlander heeft doorspekt met Spaanse woorden en zinnen uit het moederdialect, waarin een zweem van lyriek waarneembaar wordt. Ruben DARIO. 1931 Theaterstuk van onbetwistbare literaire waarde, het overtreft de Griekse komedies zoals we die kennen van voor Aristofanes. Met scènes van de zuiverste lyriek. Met passages met een zo rijk woordgebruik dat Aristofanes zelf dat niet overtreft. Salomón DE LA SELVA. 1968 Met De Güegüense kreeg Nicaragua het voorrecht de bakermat te zijn van de Spaans-Amerikaanse theaterkunst. Een kind dat is voortgekomen uit de vermenging van culturen, barok en primitief, geboren met deugden en ondeugden die door geen enkele theaterproductie uit de eeuwen daarna is overtroffen. Rolando STEINER. 1977 Ik aarzel niet om dit de eerste satirische spreekbuis van de Latijns-Amerikaanse bevolking te noemen. Manuel GALICH. 1978 De Güegüense is iets fantastisch: theater van de analyse en de synthese. Tragedie en komedie. Het heeft de juiste distantie zoals die van Bertold Brecht. Feitelijk zijn alle vondsten van het hedendaagse theater in de hele structuur van De Güegüense aanwezig. Albert YCAZA. 1991 De Güegüense behoort tot het domein van de lach, en zij stelt zich op tegenover het officiële, het serieuze en het religieuze binnen de cultuur. Pablo KRAUDY en Elisa ARÉVOLO. 1992 Barok. De Güegüense vraagt om ogen, moet vertoond en gezien worden als verbaal, beeldend en bewegend object. Zijn personage snoeft en overdrijft en leidt de Koninklijke Bestuurder om de tuin, hij beeldt de mesties uit en verschaft informatie over het conflict binnen zijn samenleving en beeldt dat uit. Maar het is meer dan literatuur. Het geeft vooral een beeld van onszelf, door voor ons op te komen en ons te typeren. Julio VALLE-CASTILLO.

De vergunning van Güegüense

(Regel 118-125)

Gouverneur: Güegüense, wie heeft jou toestemming gegeven om voor mijne hoogheid te verschijnen?

Güegüense: God beware me, Heer Gouverneur Tastuanes: is daar een vergunning voor nodig?

Gouverneur: Daar is een vergunning voor nodig, Güegüense.

Güegüense: Oh God beware me, Heer Gouverneur Tastuanes! Toen ik door dit gebied landinwaarts trok, door Veracruz, door Verapaz, door Antepeque, en ik mijn lastdieren aanspoorde en mijn knechten leidde, komt die onnozele hals van een don Forsico bij een herbergier en vraagt hem om een dozijn eieren. We gaan eten en we doen onze behoeften en ik ga weer p(k)akken, en ik ga er weer vandoor (maakt gebaren van een stoelgang). En daarvoor heb je geen vergunning nodig, Heer Gouverneur Tastuanes.

Gouverneur: (herhaalt met nadruk): Maar hier heb je een vergunning nodig, Güegüense!

Güegüense: God beware me, Heer Gouverneur Tastuanes! (Het decor verandert en je ziet de dromerige ontmoeting van Güegüense met een dame die in het raam zit te zingen en een groepje vrouwen dat naar hem toekomt.) Toen ik aan de rechterkant van de straat liep, ontwaarde ik een dame voor een gouden raam, en ze zei tegen me: “Wat is die Güegüense toch een heer, wat is die Güegüense toch een held (zij betast haar buik), hier is een dekenkist voor je, Güegüense. Kom binnen, Güegüense. Ga zitten, Güegüense; (ze wijst naar haar geslachtsorgaan) hier zijn lekkernijen, (ze betast haar borsten) hier zijn limoenen.” En omdat ik zo'n grappenmaker ben, sprong ik de straat op met een paardrijcape met zoveel versieringen dat je niet meer kon zien wat het was, tot de grond behangen met goud en zilver. (Weer gewoon): En zo gaf een dame mij toestemming voor "je- weet-wel", Heer Gouverneur Tastuanes. (Muziek).

Gouverneur: Maar een dame mag helemaal geen toestemming verlenen, Güegüense.

Güegüense: God beware me, Heer Gouverneur Tastuanes! Laten we niet dom zijn. Laten we vrienden zijn en zaken doen over al het moois dat ik hier heb. In de eerste plaats heb ik kisten van goud, kisten van zilver, kleding uit Castilië, kleding van de smokkelarij, blouses, geborduurd en bewerkt met veren, zijden kousen, gouden schoenen, hoeden van beverbont, stijgbeugels met gouden en zilveren schakels, die allemaal ongetwijfeld bij uw Heer Gouverneur Tastuanes in de smaak zullen vallen.

(Bewerking van JEA en toneelbewerking van Cézar Paz)

'De Güegüense spreekt voor het volk"



Baanbrekend werk van de Midden-Amerikaanse dramatische kunst en grondlegger van de literaire traditie van Nicaragua, De Güegüense belichaamt kritiek op het kolonialisme, het is een poëtisch leerboek van de humor, een weerwoord van de onderdrukte, een proclamatie van de menselijke gelijkwaardigheid, een totale kunst, een triomf van de Cultuur. Het is niet voor niets dat Rubén Dario in 1896 tot deze conclusie kwam: "De Güegüense spreekt voor het volk". (Met dank aan de schrijver en de AGHN [academie van geografie en geschiedenis van Nicaragua], evenals voor de teksten van de baanbrekende historische publicaties sedert februari 2004).



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina