De hermeneutische keuzes van de eindtijdvisies ten aanzien van het Bijbelboek Openbaring


Hermeneutische keuzes ten aanzien van het boek Openbaring



Dovnload 0.56 Mb.
Pagina3/16
Datum25.07.2016
Grootte0.56 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16

2.2Hermeneutische keuzes ten aanzien van het boek Openbaring


De hermeneutische keuzes zullen aangegeven worden als regels1. Als belangrijkste hermeneutische principe gaan we in deze scriptie dan ook uit van Openbaring 22:18-19. HR1 (Hermeneutische regel 1): Aan de letterlijke tekst mag niets toegevoegd worden of afgenomen worden bij de uitleg. Ook als dit leidt tot een conflict met de conclusies die getrokken zijn uit voorgaande Bijbelboeken die we in deze scriptie prolegomena zullen noemen. De aanname is dat er dan een fout zit in de prolegomena.

Er is een grote verscheidenheid aan hermeneutische keuzes die invloed hebben op hoe het boek openbaring uitgelegd wordt. Ook als we bovenstaand principe volgen zijn er nog veel keuze mogelijkheden over. Daarom volgt eerst een overzicht van de mogelijke hermeneutische keuzes. Allereerst is er de letterlijke uitleg2. De (grammaticaal historisch) letterlijke uitleg neemt de tekst letterlijk zo als hij er staat in zijn historische, culturele context en zijn grammaticale betekenis. Dit houdt ook in dat historische gegevens letterlijk genomen worden. Vooral de Antiocheense school volgde deze methode, mede als reactie op de Alexandrijnse school waar de allegorische methode leidde tot diverse uitwassen in de uitleg. De voordelen van de letterlijke uitleg zijn3:



  1. Het brengt de uitleg terug tot feiten

  2. Het is controleerbaar

  3. Het heeft zijn voordelen bewezen (o.a. Reformatie)

  4. De gemiddelde gelovige kan dit ook zelf

  5. Het behoed voor mystiek en redeneringen

De nadelen zijnError: Reference source not found:

  1. De Bijbel bevat vaak figuurlijke taal vooral bij poëzie maar ook bij profetie. Dit kan niet letterlijk vertaald worden.

  2. De belangrijkste lessen uit de Bijbel zijn geestelijk en worden vaak weergeven met gebruikmaking van aardse voorwerpen (geestelijke typologie4) of symbolen.

  3. Het Oude Testament is de basis waarop het Nieuwe Testament voortbouwt. In het Nieuwe Testament wordt regelmatig verwezen naar voorbeelden uit het Oude Testament die dan een “type” zijn van de geestelijke betekenis in het Nieuwe Testament.

Kijken we naar de eerste hermeneutische regel die we vastgesteld hebben dan ontkomen we niet aan het zoveel mogelijk letterlijk uitleggen van het boek Openbaring omdat bij elke andere methode er al heel gauw dingen toegevoegd of weggehaald worden. De interpretatie van de lezer gaat anders de symbolische/allegorische uitleg bepalen. HR2 (Hermeneutische regel 2): Alles moet zoveel mogelijk letterlijk uitgelegd worden.

Hierboven is al genoemd dat er een aantal nadelen zijn van de letterlijke uitleg. Hieraan zal dus aandacht besteedt moeten worden. De eerste is de figuurlijke taal die gebruikt wordt bij poëzie en profetie. Uitgaande van hermeneutische regel 1 en het feit dat Openbaring begint en eindigt met de aanduiding dat het een profetie is gaan we er van uit dat het boek Openbaring woorden van profetie zijn. HR3: Het boek Openbaring moet als profetie uitgelegd worden. Wat de figuurlijke taal betreft gaan we er van uit dat dit uit de tekst van Openbaring zelf moet blijken welke soort van figuurlijke taal gebruikt wordt. In de bijlage is een overzicht van figuurlijke taal te vinden1. De belangrijkste worden hier besproken.



Het tweede nadeel van de letterlijke uitleg is dat veel lessen uit de Bijbel geestelijk zijn en vaak weergegeven worden met gebruik van aardse voorwerpen (typologie) of symbolen. Belangrijk is hierbij om verschil te maken tussen geestelijk (de geestelijke werkelijkheid) en vergeestelijking (o.a. allegoriseren) van de betekenis. Geestelijk is dan te verstaan als een werkelijkheid in de geestelijke wereld terwijl vergeestelijking inhoud dat iets vertaald wordt naar een abstracte werkelijkheid die alleen in het denken bestaat maar los van de Bijbeltekst en los van de geestelijke werkelijkheid staat. De letterlijke uitleg omvat dus wel de geestelijke werkelijkheid zoals de troon van God, engelen, demonen en de duivel, maar niet vergeestelijking zoals Bultmann doet als hij zegt dat de Bijbelse boodschap met name belangrijk is voor het zelf verstaan van de mens. Zonder dit verschil bestaat de neiging om alles materialistisch uit te leggen en dit hoeft niet altijd correct te zijn. HR4: De letterlijke uitleg omvat ook de geestelijke werkelijkheid. Het feit dat de geestelijke werkelijkheid vaak weergegeven wordt met behulp van aardse voorwerpen (geestelijke typologie) of symbolen verdient ook de aandacht. Typologie is breder want die omvat ook het feit dat bijvoorbeeld verhalen uit het Oude Testament een voorbeeld kunnen zijn voor later. Een goed voorbeeld hiervan is 1 Korinthiërs 10. Christus wordt hier de rots genoemd waaruit het volk Israël in de woestijn water kreeg. Het manna wordt geestelijk voedsel genoemd. Een aards voorwerp is dus een type, voorbeeld voor een latere (geestelijke) werkelijkheid. Wie het boek Openbaring leest weet dat het hier vol mee staat. Al in Openbaring 1:12-20 is dit duidelijk. Jezus geeft hier zelf al aan dat het hier niet om sterren en kandelaren gaat maar om de zeven engelen van de gemeentes en de gemeentes zelf. In elke uitleg over het boek Openbaring wordt hier gebruik van gemaakt. In geen enkele uitleg worden de paarden met ruiters ook echt beschreven als paarden met ruiters. HR5: In het boek Openbaring worden (aardse) ‘voorwerpen’ gebruikt om andere aardse en geestelijke ‘voorwerpen’ of waarheden weer te geven. We noemen dit (geestelijke) typologie. De vraag die we ons dan moeten stellen is wat wel een type is van iets anders en wat niet. Vanuit de letterlijke uitleg zouden we alles zoveel mogelijk naar de letterlijke / materialistische betekenis kunnen vertalen. Het voorbeeld van Openbaring 1:12-20 geeft al aan dat dit niet correct is. Sterren kun je niet in je hand houden, dat betreft dus een type/symbool van iets anders. Kandelaren zijn echter wel realistisch voor te stellen. Maar ook de kandelaren geven hier iets anders aan namelijk de gemeente. Hermeneutisch levert dit een behoorlijk probleem op. Wanneer is er sprake van een typologie en wanneer niet. Uitgaande van de letterlijke tekst moeten we dus bepalen wat typologie is en wat letterlijk. Alle hoofdstukken in Openbaring gaan over de geestelijke wereld. In elk hoofdstuk zijn er engelen die dingen uitvoeren. Er zijn hoofdstukken waarvan het zeker is dat ze helemaal in de geestelijke wereld afspelen en hoofdstukken die ook deels letterlijk aards kunnen zijn maar niet altijd realistisch. Een letterlijke uitleg sluit zich zo veel mogelijk aan bij de context waarin iets vertelt wordt. Als de context geestelijk is dan moeten we ook geestelijke zaken verwachten tenzij expliciet duidelijk is dat dit niet bedoeld is. Als de context aards is dan moeten we ook aardse dingen verwachten tenzij expliciet duidelijk is dat het anders is. HR6: Uit een aardse context blijkt of we aardse materiële dingen moeten verwachten en uit een hemelse/geestelijke context blijkt dat we geestelijke dingen moeten/kunnen verwachten tenzij expliciet anders vermeld. Dan vraagt een letterlijke uitleg ook dat een geestelijke typologie consequent overal hetzelfde uitgelegd wordt1. Bij voorkeur moet het in de directe context of het zelfde hoofdstuk en anders hetzelfde Bijbelboek uitgelegd worden of duidelijk zijn wat het type betekent. De volgende stap is dan het Nieuwe Testament en daarna het Oude Testament. Ook kan het zijn dat een ander Bijbelgedeelte geciteerd wordt. Pas als deze stappen nog geen duidelijkheid geven kan aan de hand van de prolegomena gekeken worden naar een verklaring. In de Bijlage Beelden, symbolen en typen in Openbaring op bladzijde 72 staat een voorbeeld van een aantal veelgebruikte typen in Openbaring en de betekenissen. HR7: Een type moet altijd door hetzelfde vervangen worden tenzij expliciet blijkt dat we met een uitzondering te maken hebben. HR8: De betekenis van een type moet eerst in de directe context of hetzelfde hoofdstuk gezocht worden, daarna in Openbaring, daarna in het Nieuwe Testament, daarna het Oude Testament en daarna aan de hand van de prolegomena.

Er wordt niet altijd onderscheid gemaakt tussen een type/typologie en een allegorese.

Een allegorese voldoet vaak aan de volgende kenmerken1:


  1. Het zijn teksten die een “onopgeefbare gezaghebbende status” hebben. Dit noodzaakt tot het vinden van de betekenis.

  2. Er is een ervaringskloof tussen (de wereld van) de tekst en de eigen belevingswereld. De uitleg overbrugt dit op een creatieve manier.

  3. Er is behoefte om meer met de tekst te doen dan simpel aanvaarden wat er staat. De uitleg heeft de tekst op meerdere wijzen toepasbaar en interpreteerbaar gemaakt.

  4. De uitleg gebruikt de tekst voor eigen/andere doelen die niet direct in de tekst naar voren komen.

  5. De uitleg maakt verschil tussen mensen die ingewijd zijn en niet-ingewijden.

  6. De uitleg sloot aan bij het toenmalige lezerspubliek die een geestelijke betekenis in de tekst verwachtte en de allegorische methode hiervoor gebruikelijk vond.

Deze methode werd vooral sterk toegepast op de Alexandrijnse school met Origenes, die de drievoudige schriftzin ontwikkelde: de lichamelijke, de psychische en de geestelijke uitleg. Hij hield vast aan de letterlijke tekst als spreken van de Geest, bracht een kader aan waardoor het binnen de traditie moest staan maar veroorloofde zich grote vrijheid in de allegorische uitleg, en maakte daarbij gebruik van filosofische begrippen. Hierdoor sloot deze methode van uitleg goed aan bij de belevingswereld in die tijd, zij sloot de letterlijke uitleg niet uit en bood meer mogelijkheden om de ketters uit die tijd van repliek te dienen. Daarom werd dit de belangrijkste methode in de middeleeuwen.

De gevaren van de allegorische methode zijn2:



  1. Het kijkt niet naar de betekenis die de schrijver er aan gegeven heeft maar naar de interpretatie van de betekenis door degene die het uitlegt. Degene die het uitlegt kan er dus eigen dingen aan toevoegen die meespelen in zijn interpretatie.

  2. Er wordt geen Schrift met Schrift uitgelegd maar de interpretatie van de uitlegger is belangrijk. Hierdoor kunnen doctrines van de uitlegger mee gaan spelen in de uitleg.

  3. Er zijn geen toetsingsregels

Kijkend naar Openbaring 22:18-19 dan moeten we concluderen dat de allegorische uitleg een heel groot risico inhoud omdat de letterlijke betekenis niet gevolgd wordt en er vaak iets weggelaten wordt of toegevoegd.

Daarnaast wordt in samenhang met Openbaring vaak gesproken over het literair genre apocalyptiek. Daarbij wordt het boek Openbaring vergeleken met Daniël en Ezechiël maar ook buiten Bijbelse boeken. Omdat velen het moeilijk voorstelbaar vinden dat Openbaring letterlijk bedoeld is wordt uit de historische context van de schrijver gezocht naar de betekenis. De belangrijkste bedoeling van Openbaring is dan om de vervolgde gemeente een hart onder de riem te steken1. Persoonlijk denk ik dat je op deze manier de deur open zet naar tal van uitleggingen die voorbij gaan aan wat er met Openbaring 22:18-19 bedoeld is.

Omdat de Bijbel geschreven is in een bepaalde tijd met een eigen hermeneutische stijl is het belangrijk om te weten wat de gangbare methodes van uitleg waren in die tijd. Ook vinden we regelmatig deze invloed terug als men opnieuw op zoek ging naar de bronnen en er een joods-christelijke hermeneutiek gebruikt werd.

Er waren twee richtingen/scholen in de joodse Bijbelexegese, Hillel en Sjammai. Sjammai kende een strikte uitleg van de wet, Hillel was hier gematigder in. De school van Hillel zeven regels:



  1. Licht en zwaar. Wat geld voor iets van klein belang geldt ook voor iets van groot belang.

  2. Gelijke beslissing. Als twee verzen met elkaar overeenstemmen dan gelden de conclusies ook voor beide verzen.

  3. Maken van hoofdregel uit 1 vers. Een uitdrukking of situatie die voorkomt in meerdere verzen daarvan is de betekenis uit 1 vers ook geldig voor de andere verzen.

  4. Maken van een hoofdregel uit twee Schriftplaatsen. Twee teksten die verband met elkaar houden kunnen als basis dienen voor de uitleg van vergelijkbare andere teksten.

  5. Het algemene en het bijzondere, het bijzondere en het algemene. Een algemeen uitgangspunt kan beperkt worden voor een bijzondere toepassing in een ander vers en omgekeerd.

  6. Het gelijke in een andere plaats. Een probleem in een vers kan opgelost worden door vergelijking met een andere tekst die hier overeenstemming mee heeft.

  7. Een zaak die uit de samenhang wordt afgeleid. De betekenis van een vers kan uit de context worden afgeleid.

Deze regels kunnen heel behulpzaam zijn mits het de betekenis van een tekst niet veranderd. De uitleg van Hillel en Sjammai, en hun leerlingen (o.a. Jochanan ben Zakkai, Gamaliël en Akiba), zijn bewaard gebleven in de Misjna die weer een onderdeel is van de Talmoed (Palestijnse en Babylonische). In de loop van de tijd kwamen er nog andere hermeneutische regels bij. Bekend1 is de letterlijke (ultraletterlijk) betekenis. Hierbij is er eerst de gewone letterlijke betekenis. Hier wordt de ultraletterlijke betekenis aan toegevoegd. Deze betekenis rekt de letterlijke betekenis op over een groter toepassingsgebied dan de eigenlijke tekst toestaat. HR9: De ultraletterlijke betekenis en de allegorese kunnen niet gebruikt worden omdat dit iets toevoegt/afneemt aan de letterlijke betekenis en dus strijdig is met Openbaring 22:18-19.

Ook de Gematria (geometria) vindt zijn toepassing binnen de eschatologie. Hierbij wordt er een diepere (mystieke) betekenis gezocht in de getalswaarde van namen en letters. Het getal 666 is hier het bekendste voorbeeld van.

Dan is er de uitleg van profetie. Bij profetie is het belangrijk om te weten waar de profetie betrekking op heeft. We kunnen het doel van profetieën onderverdelen in een aantal mogelijkheden2. Een profetie gaat soms over het verleden en geeft daar betekenis aan. Ook kan een profetie gaan over het heden en waarschuwen voor zonde en oordeel of juist hoop geven. Daarnaast kan een profetie over de toekomst gaan vanuit het perspectief van de toehoorder. Dit kan de nabije toekomst zijn maar ook de verre toekomst. HR10: Een profetie kan gaan over het verleden (betekenis gevend), heden en toekomst. HR11: Een profetie kan meerdere vervullingen hebben en soms fragmentarisch zijn3. Daarbij kan het zijn dat het er uit ziet als een berglandschap waarvan de toppen in elkaar overvloeien (profetisch perspectief) en waarbij verschillende toppen beschreven zijn als dezelfde gebeurtenis terwijl in werkelijkheid er vele jaren tussen liggen. HR12: Bij een profetie kunnen meerdere gebeurtenissen als vlak na elkaar beschreven worden die in werkelijkheid verder van elkaar verwijder zijn. Er worden 4 belangrijke profetische punten herkend waar veel profetieën over gaan zoals aangegeven in de onderstaande figuur. Hiernaast kunnen de profetieën ook slaan op het tijdperk van Israël tussen 1 en 3 en de gemeente tussen punt 3 en punt 4. De profetieën van Openbaring gaan allemaal over de periode na punt 3.


Figuur 1 De vier profetische punten1
Een profetie kan ook als waarschuwing dienen waaraan voorwaarden verbonden zijn. Dit betekent dan dat de reactie van de toehoorder er toe doet of het voorspelde feit werkelijkheid wordt of niet. Profetieën vertellen ook iets over God, wie Hij is en wat Hij doet. HR13: Een profetie is vaak in beeldende/symboliserende taal geschreven.

Bij Augustinus kwamen de Alexandrijnse (Origenes, allegorese) en de Antiocheense school (letterlijk, heilshistorisch) samen. Hij vond het belangrijk dat men altijd eerst op zoek ging naar de letterlijke, historische betekenis van de tekst. Daarna kon men op zoek gaan naar de geestelijke betekenis van de tekst. Ook moest alles in het geheel van de Bijbel gelezen worden en onduidelijke gedeeltes uitgelegd worden met behulp van duidelijke gedeeltes1. De uitleg moest altijd uitlopen op de liefde voor God en de naaste. Als dit via de letterlijke uitleg niet lukte dan moest men via de allegorische methode verder zoeken. Er wordt dan afstand genomen van de letterlijke betekenis van de tekst. Hierbij moest de kerk als leergezag de kaders aangeven waarbinnen de uitleg plaats moest vinden. Hij was van mening dat verlichting door de Heilige Geest nodig was voor het begrijpen van de Bijbel. Ook maakte hij onderscheid tussen het teken en de zaak waar het teken voor stond (semiotiek)2.

Het hermeneutische principe dat Luther volgde was “was Christum treibt”. Hij ging uit van de doorzichtigheid en de helderheid van de Schrift. Passages die onduidelijk zijn worden vooral veroorzaakt door onkunde van de lezer over de betekenis van de woorden en/of de grammatica. Hij verwierp de allegorische methode. Wel maakte hij af en toe van de allegorische methode gebruik om Christus in het Oude Testament te herkennen. Er waren drie redenen om een tekst allegorisch uit te leggen: de tekst geeft zelf aan dat hij niet letterlijk uitgelegd moet worden, een andere tekst geeft aan dat het niet om de letterlijke betekenis gaat of er ontstaat ander een conflict met de belijdenissen. Hiermee creëerde hij een canon in de canon3. Ook hierbij wordt soms de letterlijke betekenis losgelaten.

Calvijn ging nog sterker uit van Sola Scriptura. Hij probeerde steeds de oorspronkelijke betekenis/bedoeling van de tekst te achterhalen. Hij verwierp nog sterker dan Luther de allegorische methode. Bij Calvijn heeft het OT een meer zelfstandige plaats. Wel maakt Calvijn ook gebruik van geestelijke typologie. Het Oude Testament maakt gebruik van letterlijke en materiële voorbeelden, het nieuwe testament spreekt daar direct over. Maar ook in het Oude Testament zagen ze niet alleen uit naar het aardse Kanaän maar ook naar het hemelse Kanaän.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina