De historische sythese of het specifieke van historische kennis



Dovnload 171.71 Kb.
Pagina1/4
Datum17.08.2016
Grootte171.71 Kb.
  1   2   3   4
DEEL IV

DE HISTORISCHE SYTHESE OF HET

SPECIFIEKE VAN HISTORISCHE KENNIS

  1. De factor tijd: verandering en continuïteit. Een historiografische wandeling II

Langlois & Seignobos: “Opérations synthetiques: la construction historique”

= optimistisch receptenboek voor het historisme, waarop allerlei kritieken komen



    1. Teleologie of theologie: rechte – lijn – theorieën. Geschiedenis en filosofie als tweelingen



  • Teleologische benadering

= doelgerichte benadering

    • Eschatologie

= geschiedenis als Gods heilsplan: evolutietheorie is een door God geschreven scenario van zes aetates, met als eindpunt het Rijk Gods
Augustinus

      • Civitas Dei”

      • Strijd tussen Godsrijk en aardse rijk

      • Succes van de Kerk staat bij voorbaat vast en geeft geschiedenis zin

      • Weerlegt kritiek dat God en de christenen niet bij machte waren Alarik (=Visigotische koning die Rome in 410 veroverde) tegen te houden

      • Geschiedenis van de mensheid = strijd tussen goed en kwaad

Gregorius van Tours

  • Historia Francorum”

  • Typisch ME: geschiedenis laten aanvangen bij Adam en Eva

  • Eersterangs bron voor geschiedenis van de Merovingische koningen



    • Marxisme

  • Marx: onderscheidde 4 periodes

1. oertijd met gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen

2. fase van privé – eigendom berustend op eigen arbeid

3. de kapitalistische privaateigendom van de productiemiddelen

4. de toekomstvisie : gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen





  • Geschiedenis als permanent proces van vooruitgang

Geschiedenis = permanent proces van vooruitgang waarbij de mens evolueert naar een beter bestaan of een ideaal eindpunt

    • Rationalisten XVIII

  • Kant

  • Lessing

  • Voltaire



    • Idealisten

  • Georg W.G. Hegel

Geschiedenis = proces waarin de rede de mensheid naar een toestand van steeds meer bewust beleefde vrijheid brengt

  • Marx



    • Positivisten

Auguste Compte  grenzeloos vertrouwen in de wetenschap

Laatste fase = triomf van de eigen ideologie



Bv. de Condorcet  mens bereikt in 10 stappen de fase van de rede

Hegel  mens evolueert van kindsheid via jeugd en mannenjaren naar rijpheid

        • Kritieken op de rechte – lijn – theorieën

  • Verworpen door cultuurpessimist Jean - Jacques Rousseau

  • Verworpen door cyclushistorici Spengler en Toynbee



    1. De nationale geschiedschrijving: verwetenschappelijkt geloof in de rechte lijn? Van de natiestaat naar de ‘lieux de mémoire’



        • Inleiding

  • Hoogtepunt nationale geschiedschrijving: XIX – XX

  • Eeuwenlang samenleven in een natie of cultuur  gaat lijken op soortgenoten en verschilt (of stelt zich dit voor) van niet – volksgenoten

  • Gelijkschakeling op alle vlakken



        • Europa – centrisme

  • Overtuiging dat grootste en enige homogeniteit van feiten te vinden was binnen de kaders van de eigen, goed gekende beschaving

  • Kolonisatie: had superioriteit van het blanke ras ‘bewezen’

  • Eigen natie kreeg hogere zending mee: de haar onderworpen volkeren civiliseren (= christianiseren!)



          • De Nederlanden

Hollando – centrische geschiedenissen

  • Reden ontstaan = scheiding van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden in de XVI  aparte uitbouw van de geschiedenis

  • Emanuel van Meteren – “Historie der Nederlandscher ende haerder naburen oorlogen” (1599)

  • P.C.Hooft – “Nederlandsche Historiën” (1642-54)

  • Hugo de Groot – “Annales et historiae rerum Belgicis” (1657 – postuum)

Pieter Geyl

  • Gaf kritiek op de Hollando – centrische geschiedschrijving

  • Geschiedenis van de Nederlands stam” (1930 – 52, 4 delen)

  • Groot – Nederlandse optiek: taal als natiemakende factor


In de hand gewerkt door:

  • Nationale revoltes

  • Ontstaan van onafhankelijke naties (België, Polen, Griekenland)

  • Politieke hervormingen: monarchie  republiek (Frankrijk)

GEVOLG: geschiedschrijving waarin de nationale gemeenschap en zijn helden worden opgehemelde

Jules Michelet – “Histoire de France

  • Wilde ‘totaalgeschiedenis’ schrijven

  • Nationale staat = volk (sziel)

  • Anti – klerikaal en liberaal

  • Heel romantisch werk

Henri Pirenne - "Histoire de Belgique

  • Belgische eenmaking start met het eenmakingsproces van de Bourgondische vorsten

  • Veel wetenschappelijker

Braudel

Nora

  • Les lieux de mémoire”

  • Inventaris van plaatsen, symbolen en teksten die cruciaal zijn voor de identiteit van Frankrijk

  • Drie delen: ‘ republiek, natie, de Frankrijken’

  • Postmoderne kijk op de geschiedenis

‘De grootste… ‘

  • Duitser  Adenauer : bouwde de Duitse staat weer op op de resten van het nazi – regime (‘Wirtschaftswunder’)

  • Brit  Churchill: WO II : herinnering aan Engeland in volle glorie (cf. kolonies)

  • Fransman  De Gaulle: personifieerde de ‘grand état’

  • Nederlander  Pim Fortuyn: bood uitweg uit de verdraagzame houding maatschappij tegenover migranten

  • Belg  Pater Damiaan



          • Nationalisme als constructie

Eric Hobsbawm (“The invention of tradition” – 1983)

Benedict Anderson (“Imagined Communities. Reflections on the origin and spread of nationalism” – 1983)

 toonden aan dat nationale gevoelens een historische constructie is en onderhevig is aan postmoderne twijfel


          • Reactie tegen nationalisme

Vico

  • Scienza nuova” (1725)

  • Mensheid vormt eenheid omdat fundamentele begrippen en denkbeelden op identieke wijze door alle volkeren worden ervaren

  • Werkelijkheid waarin we leven = mensenwerk

Voltaire & Montesquieu

  • Voltaire: “Essai sur les moeurs et l’esprit des nations” (1756)

  • Montequieu : “L’esprit des lois” (1748)

  • Verlaten radicaal het eurocentrisme

  • Aanloop voor de universele geschiedenissen



    1. Lineair denken en indelingen van de geschiedenis: de evidentie van de historische periode



  • Oudheid

  • Middeleeuwen

  • Nieuwe Tijden

  • Nieuwste Tijden



        • These van de complementariteit

Stelt dat vooruitgang essentieel ontstaat door het aan elkaar schakelen van twee componenten in een gezamenlijke activiteit die ze afzonderlijk niet zouden kunnen vervullen.

Bv. blok hout + paardenhaar = borstel



        • Dichotomiethese

(variant van de these van de complementariteit)

Telkens twee modellen worden tegenover elkaar geplaatst bij wijze van contrastwerking, waarbij de ene component primitiever is dan de andere.



          • Moderniseringsthesen

  • Europa als model voor de ontwikkelingslanden (westers superioriteitsgevoel ! )

  • Deuken in het superioriteitsgevoel van Europa:

  1. dekolonisatiegolf van de jaren 1950 - 60

  2. religieus moslimfundamentalisme in de jaren ‘70



          • Benjamin R. Barber

    • Jihad vs McWorld. How globalism and tribalism are reshaping the world” (1995)

    • Toekomst heeft 2 scenario’s: * economische commerciële globalisering

* verkrampt religieuze reactie

  • Bedreigend voor democratie en verlichtingsdenken



          • Samuel Huntington

  • Clash of Civilisations” (1996)

  • Werd gelezen (samen met boek van Barber) als voorspelling van 11 / 09



          • Manuel Castells

  • The information age” (1996 – 1998)

  • Al dan niet toegang hebben moderne communicatiemiddelen en informatienetwerken veroorzaakt een totaal nieuwe beleving van tijd en ruimte (space of flows)

  • Wie grote toegang heeft tot info heeft indruk in een tijdloos heden te leven (timeless time)

  • Wie deze toegang ontbeert heeft de ervaring constant in het verleden te leven

  • Drie soorten identiteit

  1. legitimizing identity

= legitimeit ontleend aan een staat / natie in de 19de eeuwse traditie

  1. resistance identity

= identiteit geboren uit doorgaans religieus gefundeerde weerstand

  1. project identity

= identiteit geboren uit idealistisch gefundeerd projecten: vrouwenbeweging, groene beweging…

  • Casus: State of the Union 2002

Gesprek tussen 2 intellectuele islamitische vrouwen: stellen vast dat de realiteit verengd wordt tot een aantal sleutelbegrippen

 taal als wapen: “language is being hijacked”





    1. Cyclus – theorieën

 Cyclus – theorieën impliceren dat essentiële processen zich, al dan niet met regelmaat, herhalen en dat in de evolutie een zekere wetmatigheid heerst, dat ze dus nomothetisch is.

        • Polybius

Politieke regimes: schema van een zich steeds herhalend cyclus:

  • Jeugd

  • Rijpheid

  • Decadentie



        • Ibn Chaldoen

Vervalscenario wordt niet enkel door politiek, maar ook door klimaat en geografie beïnvloedt

        • Oswald Spengler

  • Na ineenstorting Duitse rijk: verwachtte dat geheel Europa onderworpen zou zijn aan de fatale curve van aftakeling en dood, vergelijkbaar met een menselijk organisme

  • Visie = gekleurd door nihilisme en racisme



  • Cultuurpessimisme

> Huizinga – “In de schaduwen van morgen”  waarschuwde voor alarmerend verlies aan ethische, esthetische en intellectuele normen

        • Arnold Toynbee

  • A Study of History”

  • Meende dat er vele parallelle beschavingen bestonden

  • Evolutie van een beschaving kent vier stadia:

    1. natuurlijke omgeving als uitdaging (challenge) waarop al dan niet gereageerd wordt (response)  uitdaging lukt, dan wordt primitieve groep een beschaving (civilization)

    2. groei: actie verplaatst zich van het stoffelijke naar het geestelijke

    3. ineenstorting (breakdown) door tekort aan creatief vermogen

    4. ontbinding  soms vervangen door een verstening waarbij een beschaving zich voortsleept zonder helemaal te verdwijnen

  • positief: ziet beschavingen niet als levende organen die moeten verdwijnen



        • J.B. Vico

  • Optimistische visie

  • Elk volk doorloopt 3 fasen:

    1. goden

    2. helden

    3. mensen  wijsheid van de rede is voor iedereen weggelegd



        • Andere cyclus – theorieën

  • Steunen op factoren buiten de mens

  • Sociaal – economische fenomenen (bv. revoltes) zouden gedetermineerd zijn door natuurverschijnselen

  • Fasen in dit soort onderzoek:

    1. speuren naar regelmatige fluctuaties in de biologische en klimatologische sector (zonnevlekken, dendrochronologie)

    2. voorbarige relaties leggen met sociologische verschijnselen

  • bepaalde verbanden kunnen kloppen, maar dan vooral in de agrarische maatschappij van voor 1800

  • Le Roy Ladurie: stelde verband vast tussen de curve van de plukdata van de druiven en die van de graanprijzen:

late pluk = koude zomer  koude groeitijd voor graan  hoge graanprijzen

    1. L’histoire immobile’: geschiedenis zonder verandering



  • Noties van ‘l’histoire immobile’

    1. menselijk gedrag bezit stereotiepe elementen die altijd terugkeren, waardoor het individu gedetermineerd is en zijn handelingen min of meer voorspelbaar worden

    2. een dusdanig trage ontwikkeling dat ze in het dagelijkse leven en zelfs binnen de termijn van één generatie niet opmerkbaar is

Voorbeelden:

      • doorleven van middeleeuwse driestandentheorie, ook wanneer ze sociaal – economische al geheel uitgehold is

      • schijnbare immobiliteit in ruraal Frankrijk tussen 1300 en 1730

 resulteerde uit het elkaar in evenwicht houden van tegenstrijdige factoren (bv. mortaliteit en nataliteit)

(lijkt van op grote afstand immobiel, maar is op korte termijn en beperkte geografische samenhang het resultaat van stormachtige ontwikkelingen)



  • Nathan Wachtel

      • La vision des vaincus. Les indiéns du Pérou devant la conquête Espagnol“

  • Voor de inca’s : breuk met hun histoire immédiate

  • Confrontatie met nieuwe cultuur leidde tot overnemen (acculturatie) maar ook weerstand

 géén eenrichtingsverkeer: inca’s namen westerse cultuur niet slaafs over, maar speelden vaak komedie en namen het slechts oppervlakkig over

DUS: 2 soorten histoire immédiate: * 1 die verdween met de acculturatie

* 1 die bleef over de breuk van de kolonisatie heen



        • Immobiliteit

  • helpt historici oog te hebben voor het reactionaire in de samenleving

  • weerstanden: * schrik voor de gevolgen van ideologische verandering of technologische vernieuwing

* conservatisme

  1. Oorzakelijkheid



    1. De ondraaglijke onzekerheid van de ongrijpbare oorzaak



  • Vage definities door opdeling van het begrip

    • oorzaak = gebeurtenis F waardoor de loop van de gebeurtenissen die of feit F volgen, er belangrijk anders gaat uitzien dan zonder F

    • opsporen van de oorzaken van een complex gebeuren  speuren in de antecedenten naar die feiten die meespeelden op het gebeuren te realiseren

    • extreem: oorzaak van een historische gebeurtenis ligt in alle gebeurtenissen die voorafgaan  probleem = cruciale en bijkomstige gebeurtenissen uit elkaar halen



  • Moeilijkheid met het begrip ‘oorzaak’

Een bepaald motief determineert niet noodzakelijk tot één, en slechts één soort, daad  motief is een oorzaak waaruit geen noodzakelijk gevolg komt

  • Casus: de machtsovername van Hitler

    • Context filmfragment

Speech 30 januari 1933 (eerste regering waar de NSDAP mee regeert) in het sportpaleis van Berlijn

    • Film van Joachim Fest

  • Retorische truukjes  naar einde toe: parodie op gebed om in te spelen om rechts – katholieken

  • Speech komt spontaan over, maar is in feite tot in de puntje voorbereid (geschreven door Goebbels)



    • Spreekt verschillende groepen aan

  • Middenstanders  zware economische crisis jaren ’30 (cf. beurscrash)  zijn anti – marxistisch en geven joden de schuld

  • Industriëlen  internationale economie: nazi’s  heropleving van de economie door grote openbare werken en oorslogseconomie = goed voor de (staal) economie !

  • Monarchisten  heimwee naar keizerlijke kringen : Hitler, de Führer als alternatief voor keizer

  • Militairen  frustratie over WO I  Hitlers stoere taal over Lebensraum zorgt voor aanhang

  • Nationalisten  misnoegd over Versailles  Hitler wil 1 politieke eenheid creëren voor alle Duitstaligen in Europa (=pangermanisme)

  • Kerkelijke kringen  Hitler en zijn nazi’s zijn een mindere kwaal dan het communisme

  • Arbeiders (NSDAP)  Hitlers partij als arbeiderspartij: werkloosheid aanpakken dmv grote openbare werken



  • Diverse wegen

  • Eerste weg

= op zoek gaan naar daden waarin duidelijk de rol van een bewust en verantwoordelijk handelende persoon optreedt

  • Tweede weg

= oorzaak beschouwen als de som van alle factoren die in relatie staan tot het feit waarvan men de oorzaken wil kennen

  • Factoren moeten afgewogen worden om hun relatief aandeel te bepalen

  • Diepere tendensen beïnvloeden de sociale evolutie grondiger dan accidentele gebeurtenissen



  • Derde weg

= analytische wijsbegeerte

Leo Apostel:



  • Specificeren van de aard van de oorzaak door het onderscheiden van begrippen zoals aanleiding, motief, middel, oorzaak, voorwaarde, invloed is zinloos

  • Vertrekken van historische case – studies en daarin criteria opsporen die historici gebruiken om oorzakelijkheidsverband te affirmeren of ontkennen

  • Einddoel = formules: “in de historische context C wordt een oorzakelijheidsrelatie aanvaard tussen feiten F1 en F2 indien de voorwaarden X en Y aanwezig zijn

  • Inductie is noodzakelijk = algemene uitspraken op basis van een zo groot mogelijk aantal individuele gevallen of waarnemingen van historische feiten



    1. De zoektocht naar oorzaken van verandering



      1. De oorzaak van de interne dynamiek, het individueel gedrag en publiek optreden



  • Robert A. Nisbet

    • The Social Bond. An introduction to the study of society”

    • Relatie tussen interne en externe factoren bij het ontstaan van een crisis (bv. overheid of machtsgroep die controle over de massa verliest)

    • Historische situaties zijn schoksgewijs en onvoorspelbaar



    • Voorbeeld: val van de USSR

Interne factoren

* voedselproblematiek  spanningen

* nationalistische sentimenten en frustraties

Externe factoren

* mislukte Afghanistan - oorlog

* ontwapeningsgesprekken met VS

* voorafgaande instorting van Oostbloklanden



  • Pierre Bourdieu

  • Studie van de rol van het onderwijssysteem in het consolideren en reproduceren van sociale verhoudingen

  • Soorten kapitaal:

    1. economisch kapitaal = eigendomsverhoudingen

    2. sociale kapitaal = sociale netwerken

    3. cultureel kapitaal = status

    4. symbolisch kapitaal  individuen aan de start van een ongelijk parcours dat de bestaande ongelijkheden aandikt en versterkt

  • ‘habitus’

= door hun opvoeding doen mensen schema’s op, ingesteldheden die hen toelaten op verschillende situaties te reageren en dit te doen binnen maatschappelijk aanvaarde gedragspatronen

  • Structures structurantes

= sociale wereld is gekenmerkt door structuren die na verloop van tijd zelf structurerend gaan werken

  • Erving Goffman

  • The presentation of self in everyday life” (1959)

  • Relations in public” (1971)

  • Wees op het belang van hoe een individu zich in de samenleving vertoont en van het beheersen van de indruk die men wenst na te laten

  • Rollenspel: onderscheid tussen performance (=het spelen van een rol) en competence (=het hebben van een rol)



  • Anthony Giddens

  • Ontwerpen van de ‘third way’ = weg tussen het Thatcheriaans neoliberalisme en het socialisme van de traditionele Labour

  • Structuratietheorie

* structuren zijn zowel oorzaak als gevolg van acties

* handelingen en structuren staan in een dialectische relatie

* mens behoudt relatieve vrijheid van handelen, getemperd door het sociaal veld

* gedrag = gevolg van praktisch bewustzijn  groeit uit tot knowhow



  • Jürgen Habermas

  • Beïnvloed door het marxisme

  • Vertegenwoordiger van de eerste Frankfurter Schule

  • Synthese van de opvattingen van Marx en Weber

  • Poging om zin te geven aan het proces van reconstructie van een samenleving in het West – Duitsland van na WO II

  • Publieke ruimte = plaats waar burgers op basis van collectieve en rationele keuzes gestalte kunnen geven aan de samenleving

  • Strukturwandel der Öffentlichkeit: Untersuchungen zu einer Kategorie der bürgerlichen Gesellschaft” (1962)




  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina