De huizen aan de Amsterdamse grachten waren smal en diep, want iedere koopman woonde graag aan zo'n gracht. Dan kon hij de zolder van zijn huis gebruiken als pakhuis voor zijn waren



Dovnload 54.53 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte54.53 Kb.
De huizen aan de Amsterdamse grachten waren smal en diep, want iedere koopman woonde graag aan zo'n gracht. Dan kon hij de zolder van zijn huis gebruiken als pakhuis voor zijn waren. Rijke kooplieden en regenten (mannen die een belangrijke baan in de stad hadden) bouwden hier hun deftige huizen met hoge ramen, kamers als zalen en achter de woning tuinen met bomen, rozen en marmeren beelden. De huizen kregen mooie geveltoppen: trapgevels, halsgevels en tuitgevels, versierd met krullen en slingers van natuursteen. Een rijke koopman of regent wilde met zijn huis indruk maken. Via een hoge blauwe stenen stoep en statige voordeur betraden zij een fraaie hal, waarop de deuren van verschillende vertrekken uitkwamen. Of niet, want er waren ook deuren die er alleen maar waren voor de sier. In de kamers werkte men de zolderbalken weg onder een wit plafond. Die werd versierd met mooie gipskrullen. De muren werden soms behangen met behang. Dat werd toen in kleine vellen met de hand bedrukt en was dus duur. In veel huizen waren de muren echter nog gewoon wit. Daarop staken de schilderijen mooi af. Langs de onderkant van de muren liep een rand van tegels. Dat was om de witkalk te beschermen als de vloer gedweild werd. De vloer in de woonkamer bestond uit tegels of planken. 
Er lag meestal een mat of een kleed op. In het midden van de kamer stond een zware tafel met dikke bolpoten. Die zaten ook onder de kast en onder de ongemakkelijke stoelen met hun hoge, rechte ruggen.  
In de kamer waren ook hoge ingebouwde slaapplaatsen, de bedsteden. Die waren zo kort dat je er alleen zittend in kon slapen. Onder de bedstee stond een "rolkoets" voor drie of vier kleine kinderen. Als het koud was, verwarmde men het bed vooraf met ene koperen beddenpan. In de schouw stond doofpot, waarin halfverbrande stukjes hout en turf bewaard werden. Als je koude voeten had, legde je een paar van die stukjes op het vuur tot ze gloeiden. Dan deed je ze in een stenen bak die in een stoof paste. Als je dan je voeten op de stoof zette, werden ze heerlijk warm. 

Door de smalle diepe kavels werden de huizen met de nok loodrecht op de straat en gracht gebouwd. Het gevolg was een voorgevel met een driehoekige top: de puntgevel. Al meteen ontstond de behoefte om die punt te versieren, om het huis een individueel karakter te geven. Van de vroeg-Renaissance gevels, zoals die in Antwerpen te zien zijn, bestaat er in Amsterdam nog maar één voorbeeld: Sint-Annenstraat 12. De Amsterdamse gevel ontwikkelt zich uit de in Holland gangbare trapgevel: begin 17de eeuw werden de eerste Amsterdamse varianten ontwikkeld. 

De topgevel-traditie bereikt in Amsterdam het hoogtepunt in de 18de eeuw, topgevels met een barokke kuif, waarna een versobering intreedt. Met de rechte houten lijstgevel uit de 19de eeuw komt een voorlopig einde aan een eeuwenoude Amsterdamse topgevel-traditie. In de 20ste eeuw zijn de enige topgevels die nog geplaatst worden, bewaarde oude toppen van gesloopte huizen die op een restauratiepand herplaatst worden. Zal de Amsterdamse traditie in de 21ste eeuw opnieuw worden opgepakt?

Met enkele goed gekozen voorbeelden kunnen we de ontwikkeling van de Amsterdamse topgevel in beeld brengen.

Uit de trapgevel (1) ontstaat geleidelijk de halsgevel (5) doordat het aantal trappen steeds kleiner wordt. De overgangstypes (2 en 3) hebben grote trappen met vleugelstukjes. De verhoogde halsgevel (4) heeft nog een extra trapje.
De volgende ontwikkeling is van halsgevel naar klokgevel (7): de schuine zijden van de klauwstukken worden de ingezwenkte zijden van de klokgevel. Het overgangstype (6) lijkt nog erg op een halsgevel. In de 18de eeuw krijgt de klokgevel een sierlijke vorm en zwenken de zijkanten steeds verder in (8)
De volgende stap is de ontwikkeling van de verhoogde lijstgevel (10): de topgevel is een verhoogde attiek op een omhooggebogen kroonlijst. Het overgangstype (9) heeft een topgevelachtige middenverhoging. De volgende stappen leiden via de rechte lijstgevel met attiek (11) naar de versoberde houten rechte kroonlijst uit de 19de eeuw (12).

1
Herengracht 81
(±1625) 2
Herengracht 203
(±1618) 3
OZ Voorburgwal 239
(1634)



4
Rokin 145
(1642/43) 5
OZ Voorburgwal 19
(1656) 6
Herengracht 607
(1670)



7
Herenstraat 40
(1686) 8
Keizersgracht 322
(±1750) 9
Singel 56
(±1750)



10
Keizersgracht 246
(±1730) 11
Herengracht 252
(±1730) 12
Herengracht 241
(19de eeuw)

Een van de mooiste grachtenhuizen is wel dat van Lodewijk de Geer aan de Keizersgracht. Het huis wordt wel "Het Huis met de Hoofden" genoemd, naar de zeven gebeeldhouwde hoofden in de voorgevel. De Geer was één van de rijkste mannen van zijn tijd. Hij was eigenaar van ijzermijnen in Zweden. De Geer heeft zin zijn huis gewoond van 1634 tot 1652. Een oud verhaal probeert de naam van het huis te verklaren: op een avond wilden zes dieven inbreken en het dienstmeisje was alleen thuis. De dieven zaagden een paneel uit de deur en de eerste stak zijn hoofd erdoor. Het moedige dienstmeisje sloeg zijn kop eraf en trok het lijk naar binnen; de andere dieven verging het stuk voor stuk precies zo. Als herinnering zou de dankbare huisheer in de gevel zeven hoofden hebben laten aanbrengen, namelijk die van de zes dieven en die van het dienstmeisje. Aardig verhaal. Maar, de gevel toont zes koppen en die zijn niet van dieven, maar (van links naar rechts) van Apollo, Ceres, Mars, Minerva, Bacchus en Diana, Romeinse goden waarvoor men in die tijd veel belangstelling had. Het Huis met de Hoofden was gebouwd in de stijl van Hendrick de Keyser, waarschijnlijk door Pieter de Keyser in 1622-1625.


Het dubbele huis naast het tegenwoordige toneelmuseum aan de Herengracht op nr. 170-172 heet het Huis Bartolotti. Het doet sterk denken aan het Huis met de Hoofden. Inderdaad, het is gebouwd door dezelfde architect: Pieter de Keyser, in 1615.
Hendrick de Keyser was de belangrijkste bouwmeester van Amsterdam in het eerste kwart van de 17e eeuw. Zijn stijl is te herkennen aan de manier waarop hij de gevel versiert. Daarvoor gebruikte hij, naar de mode van die tijd, allerlei elementen uit de Romeinse bouwkunst, maar hij speelde ermee op zijn eigen manier. Kenmerkend voor zijn bouwstijl is ook de afwisseling in de kleuren baksteen. Deze stijl van bouwen is in veel Amsterdamse huizen terug te vinden.

Jacob van Campen was de belangrijkste bouwmeester van Amsterdam in het tweede kwart van de 17e eeuw. Hij bouwde onder andere de Coymanshuizen aan de Keizersgracht in 1625. Zijn stijl is veel strenger. Ook hij gebruikte elementen uit de klassieke oudheid, zoals pilasters (platte zuilen tegen de muur) tussen de ramen. Maar hij "versiert" niet. Alles is strak. Toch is er afwisseling. Het middengedeelte (vier ramen breed) springt iets naar voren; de twee middelste delen hiervan, waar de deuren zijn, met de ramen daarboven, zijn net iets breder dan de andere. Er is in later tijd wel aan het huis veranderd; de bovenste verdieping had oorspronkelijk veel lagere ramen.
Naast Jacob van Campen en Hendrick de Keyser was Philip Vingboons de derde belangrijke bouwmeester van Amsterdam. Hij ontwierp o.a. de grachtenhuis aan de Herengracht op nr. 168 waar tegenwoordig het Toneelmuseum is gevestigd. Het was het eerste huis dat hij in Amsterdam bouwde (1638). Het is bovendien de eerste halsgevel. De huizen van Vingboons zijn altijd strak en voornaam. De gevel is nooit van baksteen, altijd van natuursteen. De top werd afgesloten met een strak gesloten geveldriehoek, een vorm, ontleend aan de klassieke oudheid.

Kijk op de munttoren met aan de rechterzijde de bloemenmarkt

We staan hier op de brug van het Singel die rond 1428 werd gegraven. De munttoren ook wel de munt genoemd was een stadspoort uit de middeleeuwen. Verder zien we de beroemde grachtenhuizen met als kenmerk smal en diep want iedere koopman woonde graag aan zo'n gracht. Dan kon hij de zolder van zijn huis gebruiken als pakhuis voor zijn waren. Rijke kooplieden en regenten (mannen die een belangrijke baan in de stad hadden) bouwden hier hun deftige huizen met hoge ramen, kamers als zalen en achter de woning tuinen met bomen, rozen en marmeren beelden. De huizen kregen mooie geveltoppen: trapgevels, halsgevels en tuitgevels, versierd met krullen en slingers van natuursteen.

De Bloemenmarkt gezien vanaf de oneven-genummerde zijde van het het Sing

Het Singel werd rond 1428 gegraven van IJ tot de Boerenwetering en rond 1450 het resterende deel tot de Amstel. Tot de stadsvergroting van ongeveer 1585 vormde het Singel de westelijke stadsgrens. Vanaf 1481 werd de aarden wal vervangen door een stenen muur. In die tijd werd het Singel ook wel Stedegracht genoemd. Deze Stedegracht bestaat tegenwoordig nog uit het huidige Singel, de Geldersekade en deKloveniersburgwal.

In de 17e eeuw noemde men het Singel tijdelijk Koningsgracht als eerbewijs aan Koning Hendrik IV van Frankrijk; destijds een belangrijk bondgenoot van de Republiek. Het gedeelte van het Singel vanaf de Lutherse Kerk tot aan de Lijnbaanssteeg waar de schepen op Londen, de 'Londenvaarders', hun ligplaats hadden, werd ook wel Londense Kaai en Engelse Kaai genoemd. (Een deel van de Geldersekade werd ookLondense of Engelse Kaai genoemd) Tussen de Lijnbaanssteeg en de Torensluis noemde men het Singel de Rouaansche Kaai, vanwege de vaart op Het Kanaal.

De Torensluis uit 1648 is de oudste bewaard gebleven en de breedste brug van de gehele stad. Deze Brug 9 - ter hoogte van de Oude Leliestraat - is zo breed omdat hier de in 1829 gesloopte Jan Roodenpoortstoren stond. De kerkers van de toren maken nog deel uit van het bruggenhoofd. In de keitjes op de brug zijn sinds 2003 de contouren van de vroegere toren herkenbaar gemaakt. Hier staan, naast het beeld van Multatuli (Hans Bayens 1987), vaak terrasjes.

Het Muntplein vormt de afsluiting van het Singel en is in feite een brede brug over de gracht. Deze Brug 1 is de breedste brug van debinnenstad.

de Munttoren, ook wel De Munt genoemd, is een toren in Amsterdam die vroeger deel uitmaakte van de Regulierspoort. Deze stadspoort was één van de drie hoofdpoorten van de Middeleeuwse vestingwerken van de stad. De stadspoort, gebouwd tussen 1480 en1487, bestond uit twee torens en een wachthuis.

Nadat de poort in 1618 in vlammen opging, besloot men alleen de westelijke toren te herbouwen. De stompe toren kreeg in 1619-1620 een achtkantige bovenbouw en een sierlijke open spits naar een ontwerp van Hendrick de Keyser, met een uurwerk met vier wijzerplaten en, 68 jaar later, tevens een carillon.

Het carillon van de Munttoren werd in 1651[bron?] voor de toenmalige Beurstoren gemaakt door de gebroeders Hemony. Toen de Beurstoren wegens een uitbreiding van het beursgebouw moest verdwijnen, werd het Beurscarillon overgebracht naar de Munttoren. Het kleine beurscarillon werd daarbij aanzienlijk vergroot met zes nieuwe, zware klokken, die Pieter Hemony goot in 1668. Er kwamen ook nog enkele nieuwe kleine klokjes bij, zodat het nieuwe Hemonycarillon voor de Munt 33 klokken telde. De grootste van de nieuwe klokken klinkt met toon C# (Cis), en weegt bijna 2000 kilogram. In het jaar 1873 werd het oorspronkelijke mechanische klavier van het carillon verwijderd, omdat men de beperkte ruimte boven in de toren wilde gebruiken voor een nieuw uurwerk, dat nu ook een minutenwijzer zou bedienen. Vanaf 1873 speelde het Hemonycarillon van de Munt alleen nog automatisch, handmatige bespeling was niet langer mogelijk omdat er geen klavier meer was. In 1959 werd het carillon gerestaureerd en werd een nieuw klavier geplaatst, zodat sinds dat moment het Muntcarillon weer regelmatig handmatig bespeeld wordt.

In 1959 werd tevens een aantal van de kleinere Hemonyklokken buiten gebruik gesteld, zij waren door corrosie zozeer beschadigd geraakt dat hun toon niet zuiver meer was. Deze oorspronkelijke kleinere Hemonyklokken zijn nu te bezichtigen in het Amsterdams Historisch Museum. Tegenwoordig bestaat het carillon in de Munttoren uit 38 klokken, 5 meer dan het oorspronkelijke aantal. Elk kwartier zet een mechanische messing speeltrommel, die door Pieter Hemony in 1669 speciaal voor de Munttoren is gegoten, de klokken in beweging en elk heel en half uur geven slagklokken het vereiste aantal slagen. Elke zaterdag van 14 tot 15 uur geeft stadsbeiaardier Gideon Bodden een concert op het carillon van de Munttoren.

De naam van de toren verwijst naar het feit dat er in de 17e eeuw munten werden geslagen. De toren kreeg zijn huidige naam in hetRampjaar 1672, toen Amsterdam tijdelijk het recht van muntslag kreeg omdat Franse troepen grote delen van het land bezit hielden, en het niet mogelijk was zilver en goud te transporteren naar de muntplaatsen Dordrecht en Enkhuizen. In het wachthuis werd munt geslagen.

Het wachthuis, dat de brand van 1618 redelijk had doorstaan, werd in de 19e eeuw afgebroken en vervangen door het het huidige gebouw. Het werd gebouwd tussen 1885 en 1887 in historiserende neorenaissance-stijl, onder leiding van architect Willem Springer. Tijdens een verbouwing in 1938-1939 kwam er op de begane grond een doorgang.

De toren staat op het Muntplein, een druk kruispunt aan het begin van de Kalverstraat en aan het eind van de bloemenmarkt bij hetSingel. Zowel vele Amsterdammers als toeristen lopen onder de kleine poort onderin de toren door, richting de winkels in de Kalverstraat.

Het Muntplein is eigenlijk een brede brug waar het Singel in de Amstel uitkomt. Het is de breedste brug in de Amsterdamse Binnenstad. Deze brug heeft in de Amsterdamse brugnummering het brugnummer 1.



De Munttoren zal een extra stevige fundering krijgen om te voorkomen dat het monumentale pand verzakt door de aanleg van deNoord/Zuidlijn. Hiervoor heeft de gemeente 1,9 miljoen euro uitgetrokken.[1]



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina