De Hussieten of het einde van de feodale samenleving Lieven Van den Brande



Dovnload 36.2 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte36.2 Kb.


De Hussieten of het einde van de feodale samenleving

Lieven Van den Brande

In deze en volgende Aktiefs verschijnen bijdragen over ketterse bewegingen in Europa. Als Masereelfonds hebben we vooral aandacht voor de sociale achtergrond van vele ketterijen en ketterse bewegingen en de relatie tussen de officiële kerk en de machtshebbers bij het onderdrukken van vooral volkse, ketterse bewegingen. In het najaar organiseert Masereelfonds Anderlecht een reeks rond 'ketterijen', maar ook andere afdelingen mogen zich geïnspireerd voelen.

Utopie en ketterij

In de late Middeleeuwen hebben grote groepen mensen gereageerd op de concrete onmenselijke omstandigheden. Ze hebben aangevoeld, zonder te beschikken over wetenschappelijke analyses, dat een andere wereld mogelijk was. Ze hebben daar met wapens en woorden (ideeën) voor gevochten, tot in het utopische toe. Ze zijn in hun opzet mislukt, maar toch is er veel van hun strijd overgebleven. Het wereldbeeld dat zij hadden, is niet meer het onze, het is ons zelfs niet echt meer vertrouwd, wat niet wil zeggen dat er geen parallellen meer zijn met onze wereld. Een van de belangrijkste stromingen en verzetsbewegingen is actief geweest in het Bohemen van de 14de en 15de eeuw; ze zijn bekend gebleven als de hussieten. Zij hebben er mee voor gezorgd dat na hun ontstaan en verdwijnen de feodale maatschappij definitief zou ten onder gaan, en dat West-Europa zou overgaan naar een nieuw, vroegkapitalistisch maatschappijmodel, waarin het monopolie van een enkele alles omvattende ideologie voorgoed zou verdwijnen.

Wie vandaag rondtrekt in Tsjechië zal nog overblijfselen zien van de hussieten: er is de Betlehemkapel in Praag, er zijn de talloze pleinen, straten en monumenten die herinneren aan hussitische helden als Jan Hus en Jan Zizka. En er zijn de kerken van de Tsjechische broeders, herkenbaar aan de kelk die staat op de torens in plaats van het kruis. Het is de tweede belangrijkste kerk in een overigens sterk gelaïciseerd Tsjechië. Verder zijn de hussieten nog steeds een belangrijk element in de Tsjechische nationale geschiedenis omwille van hun immense politieke en culturele rol in de 14de en 15de eeuw.

Hoe zag die periode eruit in West-Europa en Bohemen (het westelijk deel van de huidige Tsjechische republiek)? Om dat te weten komen moeten we eerst een (te) algemeen politiek en ideologisch beeld schetsen van de feodaliteit. Bohemen maakte integraal deel uit van de feodaliteit zoals die bestond van Noord-Spanje tot Hongarije en van Zuid-Scandinavië tot Midden-Italië en van Ierland tot Polen, en dat grosso modo overeenkomt met het gebied dat behoorde tot of bekeerd werd tot het westerse christendom vanaf de 4de eeuw en waarin de laatste heidenen verdwenen in de 13de eeuw. De feodaliteit is een politiek-economisch stelsel dat evolueerde in het hierboven geschetste gebied tussen de val van het West-Romeinse rijk en het begin van de lange 16de eeuw (rond 1450). En alleen daar. Het is een zeer typisch systeem met een zeer typische dynamiek die uniek is in de wereld (in tegenstelling tot wat men zou kunnen concluderen uit een onzorgvuldige en onvolledige lezing van de theorie van het historisch materialisme van Marx), en waarin krachten zijn ontstaan die van ingrijpende invloed waren in latere tijden voor gans de rest van de wereld.



De standenmaatschappij

We hebben in onze geschiedenislessen een goed beeld gekregen van wat de feodaliteit precies is. We volstaan hier met te zeggen dat de driestandenmaatschappij vanaf het einde van de 13de eeuw als gevolg van allerhande economische en ecologische omstandigheden kreeg af te rekenen met vaak zeer gewelddadige opstanden van de boeren en de arme stedelingen. Die opstanden waren enerzijds (vooral in de steden) pogingen om politieke macht te krijgen, maar anderzijds waren de meeste opstanden wanhoopsoffensieven zonder verdere politieke of ideologische drijfveer. Wanneer ze die wel hadden, stonden ze meestal onder invloed van ketterse ideeën, en werden ze door de gevestigde machten als zeer bedreigend ervaren. We kennen uit onze geschiedenislessen vooral voorbeelden uit onze “vaderlandse” geschiedenis, maar in feite was de toestand in het hele gebied van de feodaliteit hetzelfde.

We kennen allen het beeld dat de derde stand had van de feodale heren. De stedelingen en de boeren zouden nog eeuwenlang strijd moeten voeren tegen de voorrechten die deze heren zich toeeigenden.

De eerste stand, die van de geestelijkheid, is de belangrijkste in ons verhaal, als we tenminste het ontstaan van de ketterijen willen begrijpen. Bij de val van het West-Romeinse rijk ging een groot politiek en economisch systeem ten onder. Het werd opgevolgd door vooral Germaanse koninkrijkjes met barbaarse vorsten, die een politiek-juridisch systeem hanteerden dat vergeleken met de Romeinen een grote terugval betekende. Cultuur bestond haast niet in deze koninkrijkjes. Karel de Grote, een van de weinige Europese vorsten tussen 500 en 1200 die van culturele interesse kon worden verdacht, was zelf praktisch analfabeet.



Godsdienst van armen wordt godsdienst van rijken.

Sinds 395 was het christendom de facto de staatsgodsdienst. De antieke filosofie en wat er aan wetenschap bestond, kreeg een tweederangsrol. Alleen wat de kerk kon gebruiken, bleef behouden. Men kende de teksten van Plato en Aristoteles, althans in Latijnse vertaling, en enkele klassieke dichters. De theologie verving de filosofie. Enkele vroege kerkvaders, en vooral Augustinus creëerden aan de hand van de bijbel een gesloten wereldbeeld. Augustinus stelde dat sinds het ontstaan van de kerk het Rijk Gods op aarde was verschenen, en dat de christenheid dus op weg was naar alle heil en dat de enige waarheid zou zegevieren. Wat overbleef van de antieke filosofie, stond ten dienste van de theologie, die de nodige uitleg moest geven over het mysterie van God en zijn eniggeboren zoon Jezus Christus (Philosophia ancilla theologiae).Het is niet te verwonderen dat recent de Engelse historicus Freeman de periode 300-600 na Christus ‘The Closing of the Western Mind’ noemde. De Middeleeuwen kende zijn eigen ‘eenheidsdenken’, met name een soort magisch christelijk denken, waarin alle oplossingen konden gevonden worden in de heilige boeken. Ook de “andersdenkenden” dienden in dezelfde boeken oplossingen te zoeken. De kerk ontleende aan zijn kennis van de antieke cultuur een grote intellectuele macht, en als raadgevers van de vorsten een politieke macht. Ze waren de enigen die de intellectuele wereldtaal, het Latijn, beheersten in een polyglot Europa. De kerk beheerste een invloedrijk netwerk doorheen heel Europa. De ketterse theologen en priesters konden enkel door de kennis van het Latijn hun ideeën op Europese schaal verspreiden.

De kennis van de geestelijkheid inzake theologie en nieuwe technieken (de landbouw in de kloosters) bezorgde hen groot aanzien bij de vorsten, en grote politieke macht en rijkdom. Het feit dat alle hogere geestelijke ambten tegen een aanzienlijke kost moesten gekocht worden, maakte dat alle hogere ambten enkel in adellijke handen terechtkwamen.

Dit is een wel merkwaardige evolutie van een godsdienst, die eerst omarmd werd door armen en achtergestelden (vrouwen, slaven). In prille aanvangsfase deelden de christenen hun goederen met elkaar. In de bijbel stond dan wel dat de Mensenzoon geen steen had om zijn hoofd op te rusten te leggen, maar de middeleeuwse kerk had ondertussen wel iets meer te verliezen dan enkel een steen om het hoofd op te rusten te leggen.



Daarenboven hadden de bedienaars van de kerk problemen met hun eigen ethiek, vooral met de seksualiteit en de lichamelijkheid. Al vanaf de 4de eeuw preekten niet alleen ketters, maar ook pausen en vrome kerkhervormers allerhande tegen losbandige priesters en rondzwervende studenten. Die studenten hebben ons trouwens prachtige drinkliederen (bij voorbeeld de Carmina burana) nagelaten. In de rangen van de studenten zwierven de ketters mee, en verspreidden ze hun onorthodoxe opvattingen. Al het gepreek haalde niet veel uit. Het historisch wel onzekere middeleeuwse verhaal over pausin Joanna in de Middeleeuwen, spreekt boekdelen over de verregaande losbandigheid in de rangen van de kerk.

In het Matteusevangelie, een correct verklaard evangelie, stond dat de armen zalig waren. Dat verklaart waarom een oplossing voor het probleem van de endemische armoede niet werd gezocht in pogingen om de armen welstellender te maken. Integendeel, de staat van armoede werd als het ware bijna een voorwaarde om na de dood in de hemel te komen, en rijken werden uitgescholden omdat zij de rijkdommen die de armen hadden geproduceerd, verteerden. De rijken zouden zeker in de hel komen. Ik citeer uit een boek met modelpreken geschreven door de chancellor van de universiteit van Cambridge (zeer officieel dus): “Aan de linkerkant voor de troon van de Opperste Rechter staan de wrede heren die het volk van God hadden uitgeplunderd met zware lasten, opeisingen en onteigeningen… de slechte geestelijken die gefaald hadden in hun taak om de armen te voeden met de goederen van Christus en zijn armen, … de wellustige en slechte kooplieden die de ledematen van Christus hadden bedrogen. Onder de rechtvaardigen aan de rechterkant stonden de velen die waren aangevallen, geplunderd en overweldigd door de hiervoor vermelde boosdoeners.” Dit is geen oproep tot revolte, maar studenten die dit lazen konden gemakkelijk op het idee komen om de Opperrechter een handje te helpen. Er waren talloze bewegingen die de armoede verheerlijkten, en het was vaak stom politiek toeval dat erover besliste of de stichters van dergelijke bewegingen werden heilig verklaard of veroordeeld werden als ketters. Waldo, de stichter van de Waldenzen, die eind 12de eeuw actief was in Lyon werd ketter genoemd. Zijn volgelingen trokken rond door heel Europa, waarbij zij de verheerlijking van de armoede preekten. Ze zijn ook in Bohemen geweest en hebben invloed uitgeoefend op de hussieten. Francesco Bernardone uit Assisi werd reeds 2 jaar na zijn dood heilig verklaard in 1228. Zijn volgelingen stichtten kloosters in de steden. Maar toen de franciscanen zich evenmin hielden aan de regels van de extreme armoede, trokken de fraticelli ervandoor en begonnen te revolteren tegen de feodale orde die zo slecht omging met de armen. Zij werden beïnvloed door apocalyptische ideeën, die eveneens in het evangelie konden worden gevonden. De Apocalyps voorspelt namelijk de ontzettende gebeurtenissen die zich zouden afspelen op het einde der tijden, wanneer vlak voor de tweede en laatste komst van Christus het gevecht met de Antichrist zal gevoerd en gewonnen worden. De Antichrist staat voor al het slechte, de duivel en zijn volgelingen op aarde. De apocalyptici meenden vele tijdgenoten als handlangers van de Antichrist te herkennen. De fraticelli stonden onder invloed van Joachim da Fiore (1145-1202), een zaligverklaarde abt uit Calabrië. Hij was ervan overtuigd dat er drie tijdperken in de wereld waren, gesymboliseerd door de Heilige Drievuldigheid, en dat het Rijk van de Heilige Geest zeer spoedig zou aanbreken. Dan zou de kerk als instelling van de aarde verdwijnen en terug veranderen in het oerchristendom van het prille begin. Dan zou het derde, Duizendjarige Rijk van de vrede en de ware christelijke vroomheid aanbreken. Voor ons zijn dat allemaal vreemde hersenspinsels. Maar de middeleeuwse ketters konden enkel via deze beschrijvingen de grote nood en de hoop op verlossing van extreme armoede, boosaardige kerkvorsten en wrede landheren verwoorden. Joachim da Fiore en minder vrome van zijn volge-lingen hebben hun invloed laten gelden in het 14de eeuwse Bohemen. Deze apocalyptici die het duizendjarig rijk van Jezus de Messias verwachtten, worden wel eens chiliasten of millenaristen benoemd. Enkele stromingen binnen de hussieten moeten daar zeker toe gerekend worden.

Crisis

In de 14de eeuw, niet voor niets de waanzinnige eeuw genoemd, kwam heel het feodale stelsel in een diepe crisis. De totale politieke chaos heerste, oorlogen, opstanden allerhande waren aan de orde van de dag. Economisch werd de feodaliteit onhoudbaar. De verplichtingen van de onderhorigen aan hun heren werden hoe langer hoe zwaarder. Daarbij kende de 14de eeuw ontzettende natuurrampen. De pest van 1348-1351 roeide een derde van de Europese bevolking uit. Tot rond 1400 bleef de bevolking dalen en pas tussen 1450 en 1475 bereikte ze terug het peil van 1348. Daarenboven was er op het einde van de 14de eeuw een klimaatomslag in Europa. De gemiddelde temperatuur in Europa daalde enkele graden. Dit veroorzaakte wijzigingen in het voedselpatroon. Men zou verwachten dat de boeren een groter inkomen zouden verwerven, omdat de opbrengsten moesten worden verdeeld onder een kleinere bevolking, maar net het omgekeerde gebeurde. Er was immers een overaanbod waardoor de prijzen daalden. Nog in de 14de eeuw zien we de eerste aanzetten tot een nieuw economisch stelsel, het kapitalisme. Men ging namelijk, vooral in Italië, bij de productie en verkoop van goederen meer en meer uit van de ruilwaarde in plaats van de gebruikswaarde.

Vooral de kerk verkeerde in de 14de eeuw in totale crisis. De pausen waren gedwongen naar Avignon te verhuizen en in plaats van geestelijk leiders te zijn van de hele kerk, werden ze marionetten van de Franse koningen. Om hun nieuw paleis te financieren werden de aflaten ingevoerd. De kosten van deze aflaten bracht het aanzien van de kerk bij lage adel, stedelijke bevolking en zelfs bij de theologen tot een dieptepunt. De kritiek werd hoe langer hoe verbitterder en millenaristische ketterijen bloeiden als nooit tevoren. De universiteit van Oxford was zo’n broeihaard van kritiek. Rond 1370 doceerde hier Wyclif, die bezwaren had tegen het uiterlijk vertoon van de kerk. Zijn geschriften hadden grote invloed op ketterse stromingen zoals de lollarden in Engeland. Omdat vele studenten in Oxford uit Bohemen kwamen, raakten de opvattingen van Wyclif ook in Praag bekend.

Maar het bleef van kwaad naar erger gaan met de geestelijkheid. Pausen en tegenpausen volgden elkaar op. Het concilie van Konstanz in 1415 trachtte de 2 pausen af te zetten en een nieuwe paus in hun plaats te kiezen. Daarbij aarzelden de bisschoppen niet de pausen te beschuldigen van simonie, moord, sodomie en overspel. Het enige resultaat van alle gekibbel was dat er gedurende twee jaar drie pausen waren.

Al wat we hiervoor vermeldden over de 14de eeuw in Europa geldt uiteraard ook voor Bohemen, voor sommige facetten zelfs nog in ergere mate. De kerk was schatrijk door plundering van de horigen, er waren weinig steden en die hadden amper invloed. De lagere adel was straatarm door haar verplichtingen tegenover de hogere, Duitstalige adel. Bohemen was namelijk een koninkrijk binnen het Duitse keizerrijk. De koning was zelfs keurvorst. Een van hen, Karel I (koning van 1333 tot 1378) werd in 1355 tot Duits keizer gekroond (als Karel IV). Hij stichtte in 1348-1349 de universiteit van Praag, die nog steeds zijn naam draagt. Theologie was uiteraard het belangrijkste leervak. Nauwelijks 20 jaar later zullen de machthebbers dat geweten hebben.

Hussitisme als hegemonisch gedachtegoed

De economische situatie in Bohemen was lamentabel. Wanneer het overgrote deel van de bevolking fundamentele redenen heeft om ontevreden te zijn over de leiding van een maatschappij, krijg je bijna vanzelf een prerevolutionaire situatie. Het Bohemen van 1380 was een maatschappij waarop je bijna perfect de hegemonietheorie van Gramsci kan toepassen.De ideologie die hegemonisch werd, is de geschiedenis ingegaan als het hussitisme.

Het werd genoemd naar Jan Hus, maar Hus heeft voorlopers gehad. Al vanaf 1360 waren er in Praag belangrijke predikanten die de strijd tegen de Antichrist preekten, want het einde der tijden was nabij. De Antichrist was volgens hen de koning van Bohemen, de volgevreten hogere geestelijkheid en de vadsige monniken. De predikanten leefden in armoede en in gemeenschap. Ze preekten tegen wellust en weelde, zoals voor hen de waldenzen deden. Ze kenden en deelden de afschuw van John Wyclif van heiligenverering, aflaten en rijke monniken. Ze waren voor het nuttigen van de communie onder twee gedaanten (brood en wijn) door alle gelovigen en niet alleen de priester. Die was namelijk niet beter dan de gewone gelovigen. Deze opvattingen, het utraquisme, waren en bleven belangrijk bij de hussieten. Daarom zijn de kerken van de Tsjechische Broeders vandaag nog versierd met een kelk.

Hus, een biografie

Hus werd geboren in 1370 en hij werd door zijn ouders voorbestemd voor een geestelijk ambt. Hij moet grote intellectuele en communicatieve capaciteiten hebben gehad. Hij zette de traditie van apocalyptisch preken verder. In 1402 werd hij rector van de Praagse universiteit. Hij nam de opvattingen van Wyclif over. In 1403 kon hij enkel op basis van z'n welsprekendheid een afgezant van paus Joannes XXIII, die aflaten kwam aftroggelen voor een kruistocht, onverrichter zake laten afdruipen. In 1403 werd hij predikant in de Praagse Betlehemkapel, een zeer sober kerkgebouw dat nu nog altijd wordt gebruikt. Zijn preken en geschriften werden steeds radicaler. Zo schreef hij in 1413 ‘De Ecclesia’ (Over de kerk). Hij verkondigde daarin dat verzet bieden tegen een dwalende paus gelijk staat met gehoorzaamheid aan Christus. Het pausdom was volgens hem een menselijke, en geen goddelijke instelling. Dat kon natuurlijk niet goed aflopen. Hij werd geëxcommuniceerd in 1412. Keizer Sigismond, broer van koning Vaclav IV van Bohemen, sommeerde hem naar het concilie van Konstanz om zijn stellingen te herroepen. Hij weigerde, waarop hij in 1415 te Konstanz als ketter op de brandstapel werd gebracht.

Die brandstapel was de vonk die alles deed losbarsten in Bohemen. Voor het eerst in de Middeleeuwen kwam een ganse bevolking, op de hoge adel, de kerkleiding en het stedelijke patriciaat na in opstand tegen paus, keizer en concilie. Tussen 1415 en 1419 kwam de hervorming op gang met steun van de koning die in onmin leefde met zijn keizerlijke broer. Er kwam een nieuwe kerkleiding die hervormingen doorvoerde, en er kwamen meer democratische stadsbesturen. Toen in 1419 de koning, die onder zware druk stond van de keizer, de hussieten niet langer steunde en de stedelijke macht terug aan het patriciaat gaf, bestormden de ambachten van het stadsdeel Nove Mesto in Praag het stadhuis en gooiden hun verdrukkers uit het raam. Nu het initiatief geheel in handen van de ambachten kwam, radicaliseerde de beweging zienderogen. Kerkelijke goederen werden onteigend en toegewezen aan de steden om armenzorg te bekostigen. Dit was een grote stap op weg naar een egalitaire samenleving, maar onder de ambachten was er nog een lagere categorie van have-nots die helemaal niets te verliezen hadden: de landloze boeren en de havelozen die naar de stad gevlucht waren omwille van de relatieve overbevolking op het platteland. Die laatsten plaatsten zich, onder invloed van radicale predikanten, helemaal buiten de feodale samenleving. Op de heuvels van Zuid-Bohemen richtten ze nederzettingen op. Een daarvan kreeg de veelbetekenende naam Tabor. Op de gelijknamige berg Tabor in Palestina had Jezus Christus namelijk volgens het Marcusevangelie zijn tweede komst als opperrechter en het einde der tijden aangekondigd. Hun geloofsopvattingen radicaliseerden in democratische zin: tegen de rijkdom van de kerk, voor het recht van iedere gelovige om de bijbel vrij te interpreteren, voor de afschaffing van alle wetten en theologische aanbouwsels die de kerk in de loop der eeuwen aan de bijbel had toegevoegd, enz. Op politiek gebied werden hun leiders democratisch gekozen in plaats van aangesteld op basis van afstamming. De Taborieten, zoals ze vanaf nu werden genoemd, waren een zeer heterogene groep. Sommigen, zoals Jan Huska, wilden, in afwachting van het einde der tijden, alle ongelovigen afslachten. Anderen, zoals Petr Chelcicky, zeiden dat bloedvergieten onchristelijk was (in zijn werk O boji duchovnym, over de geestelijke strijd) en riep daarom op tot geweldloos verzet. Later propageerde hij het oerchristendom van voor Constantijn de Grote (in zijn werk “Sit’ very”, het net van het geloof) waarin hij een christelijk-anarchistische maatschappij als ideaal voorhoudt. Hij is ook een van de eerste auteurs die de scheiding van kerk en staat bepleitte.

Wat er ook van zij, het einde der tijden leek nabij, en in afwachting van het duizendjarig rijk en van de dood van de Antichrist (de Duitse keizer) en van de Hoer van Babylon (de kerk van Rome) begonnen de extreme Taborieten te leven volgens de principes van het oerchristendom, wat aanleiding gaf tot de meest bizarre experimenten. Ene Adam-Mozes preekte in de periode 1420-1421 een adamitische tendens, met naaktloperij, zonder privé-bezit en met vrije liefde. Dit ging zelfs de Taborieten te ver, vooral omdat de Adamisten de bezitloosheid nogal eens uitbreidden tot buiten hun eigen gemeenschap, en ze de boeren uit de buurt van Tabor uitplunderden. In 1421 werden ze op één man na totaal uitgemoord. De overlevende moest verslag uitbrengen bij de theologische faculteit in Praag, waar alles nauwgezet werd opgetekend.



Niuewe krijgstechnieken.

De Antichrist was intussen niet blijven stilzitten. Toen Vaclav IV in 1419 stierf, moest keizer Sigismond hem logischerwijze opvolgen. Die stond zeer vijandig tegenover de hussieten en hij trachtte, onder groot protest van de hussieten, alle religieuze en politieke hervormingen terug te schroeven. Het einde van de hussieten als politiek-religieuze revolutionaire kracht leek nabij, maar ze werden gered door een militair genie: Jan Zizka, een afstammeling van de kleine landadel. Hij vond, bijna bij toeval, in de lente van 1420 de wagenburcht (hradba vozova) uit. Het ging om aan elkaar geketende boerenkarren die in geval van een veldslag zeer vlug in een cirkel konden worden opgesteld. Daardoor kon een legertje van gewone boeren en ambachtslieden met eenvoudige maar effectieve wapens, zoals de houwitzer, de goedendag of de dorsvlegel, gemakkelijk winnen tegen een overmacht van specialisten-krijgslieden. Die moesten namelijk van hun paarden stijgen en waren daardoor zeer kwetsbaar. De wagenburcht bleef jarenlang onoverwinnelijk.



De 4 artikelen

Dat kwam ook omdat het hussietenleger het eerste ideologische leger in Europa was. Onder het zingen van de hymne “Gij die strijders zijt van God” trokken ze naar het slagveld, en door hun gezang konden ze paniek veroorzaken bij hun tegenstanders. Met zijn tactiek bracht Zizka in 1420 bij Praag de keizer een verpletterende nederlaag toe. De gunstige krachtsverhoudingen lieten de theologen van de Praagse universiteit onder leiding van Jakoubek van Stribro toe een soort charter voor te leggen aan de keizer. De zogenaamde 4 Artikelen waren een waarlijk revolutionair manifest waarin de volgende vier eisen aan de keizer werden voorgelegd:

1)Gods woord zal in Bohemen vrij gepredikt en verbreid worden.

2)de heilige communie zal aan alle gelovigen vrij worden uitgereikt en wel in beide gedaanten.

3)de wereldlijke macht, alsook rijkdom en aanzien die de geestelijkheid zich in strijd met Christus’ voorschrift en tot schade van eigen ambt en van de wereldlijke arm heeft toegeëigend, zullen haar worden ontnomen, opdat de priesterstand kan terugkeren tot de evangelische deugd en het apostolische voorbeeld van Christus en zijn discipelen.

4)alle doodzonden tegen openbare orde en tucht, die tegen Gods wil indruisen, waartoe ook gerekend worden het heffen van onrechtmatige pachten en woekerrenten, zullen ongeacht rang en stand worden bestraft.

Eigenlijk gaat het hier om niet minder of meer dan het afkondigen van godsdienstvrijheid (artikel 1), het afschaffen van de standenmaatschappij (artikel 4) en van de politieke macht van de geestelijkheid (artikel 3). Opvattingen die pas gemeengoed werden na de Verlichting.

Keizer Sigismond weigerde de Vier Artikelen te aanvaarden. Als reactie daarop konden zelfs de meest gematigde hussieten Sigismond niet langer als koning erkennen. Jan Zizka kreeg met zijn leger geheel Bohemen en Moravië onder controle. De strijd werd zelfs ‘geëxporteerd’ naar Duitsland zelf. Uiteraard omdat de hussieten de rest van de christenen wilden overtuigen van hun gelijk, maar ook omdat de bevolking van Bohemen na enkele jaren de drukkende last van de oorlog begon te voelen. Bovendien begon onenigheid binnen de hussitische gelederen binnen te sluipen. Het ging zelfs zo ver dat twee wagenburchten tegenover mekaar stonden. In 1434 versloegen de legers van de gematigde krachten de radicalen bij Lipany. Jan Zizka zelf heeft dit niet meer moeten meemaken. Hij stierf na een veldslag in 1424. Hij heeft nooit een militaire nederlaag geleden en is voor de Tsjechen nog steeds en grote mythische figuur uit hun geschiedenis, onder meer omdat hij zijn laatste veldslagen leidde terwijl hij volslagen blind was. Hij nam zijn beslissingen door te vertrouwen op de inlichtingen die zijn medewerkers hem gaven. In het hussitisme kan zijn rol vergeleken worden met de rol die Cromwell speelde tussen 1649 en 1660. Hij heeft met name nooit partij gekozen in de ideeënstrijd tussen de verschillende fracties, maar hij heeft steeds zijn groot militair inzicht gebruikt voor de hussitische zaak.

Na 1434 bleek het revolutionair elan van de hussieten voorgoed gebroken. Uiteraard was de godsdienst zelf niet dood. Integendeel. In Bazel werd tussen 1431 en 1433 opnieuw een concilie bijeengeroepen dat onder meer moest erkennen dat Bohemen nooit meer helemaal zou kunnen teruggewonnen worden voor de katholieke zaak. De Vier Artikelen bleven van kracht, zij het in een licht afgezwakte vorm (de compactata). Pas na 1480 werd de macht van de stedelijke democratieën kleiner en werd de compactata uitgehold. Maar helemaal ingetrokken werd ze pas na 1620, toen de Habsburgers in Bohemen aan de macht kwamen. De stad Praag kreeg een hussitische bisschop. Van 1458 tot 1471 regeerde de eerste niet katholieke koning in Europa sinds eeuwen: Jiri Podebrady, stiefzoon van een van de strijdmakkers van Jan Zizka. Het ideeëngoed van de Taborieten ging niet meer verloren. Petr Chelciky bleef tot 1460 verder werken aan zijn christelijk-anarchistisch oeuvre.

De invloed van de Hussieten overstijgt hun tijdperk

De angst voor de Taborieten, hun ketterij en hun revolutionaire inzichten bleef de hele 15de eeuw door spoken in het hoofd van de rijken en machtigen in heel Europa, vooral in Duitsland. Talloze millenaristische ketterijen in het 15de eeuwse Europa zijn door het hussitisme beïnvloed. Hus en zijn volgelingen werden bewonderd door Luther en Calvijn. En zelfs de Boerenoorlog van 1525 herinnert aan de Taborieten. Het is zo goed als zeker dat Müntzer in Bohemen contact heeft gezocht met wat er overbleef van de Taborieten. In laatste instantie, toen de Habsburgers in de 17de eeuw de hussieten de doodsteek trachtten te geven, was in hun rangen Jan Amos Komensky (Comenius), een van de vaders van de moderne pedagogie actief.



De Taborieten waren in veel opzichten hun tijd ver vooruit. Hun ideeën liepen deels vooruit op de Verlichting. Ze hebben voor het eerst in Europa de radicale democratie in de steden kunnen verspreiden. Sommigen van hen waren dromers en visionairen. Ze hebben getracht naar hun dromen te leven en zijn er behoorlijk lang in gelukt. Hun dromen bleven verder bestaan. Maar hun combinatie van dromen en het nuchter omzetten ervan in daden is voor ons nog altijd inspirerend. Ze hebben een zeer belangrijke bijdrage geleverd aan het definitieve einde van de feodaliteit met al zijn misstanden, onwetendheid en fanatisme. Zeer opvallend is dat zonder dat de deelnemers aan de ketterij en de opstand dit wisten of wilden (ze beschouwden zichzelf in zijn geheel als een groep goede christenen), de eisen werden gesteld en de standpunten werden ingenomen als klassenstandpunten avant la lettre. De hoogste standen in de maatschappij namen genoegen met de kleine, meestal uitsluitend religieuze hervormingen. De ambachtslieden stelden radicalere, politiek-democratische eisen. De boeren en de have-nots uit de steden gingen het verst. Zij probeerden, geheel in de geest van het apocalyptisch denken, voor de eerste keer in de geschiedenis van West-Europa een radicale utopie op grote schaal uit.


uit AKTIEF –ledenblad van het Masereelfonds – jrg.2005, nr.2 – blz.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina