De in dit proefschrift beschreven cross-linguïstische verschillen in de realisatie van H*+L werpen ook meer licht op een tweede tegenstrijdigheid in de literatuur



Dovnload 16.62 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte16.62 Kb.
Samenvatting

Het is een merkwaardige omstandigheid dat er in vergelijkend onderzoek naar de intonatie van het Engels en het Duits geen overeenstemming bestaat over de vraag of de intonatiesystemen van deze talen grote overeenkomsten vertonen of juist fundamenteel verschillen. In dit proefschrift wordt een oplossing voor deze controverse voorgesteld. Door in de contrastieve analyse een autosegmenteel-metrische benadering toe te passen op direct vergelijkbare spraakcorpora wordt aangetoond dat beide talen met behulp van dezelfde inventaris van intonationele basiscategoriéén (toonhoogteaccenten) beschreven kunnen worden. Dit verklaart waarom volgens een aantal onderzoekers de intonatie van het Engels en het Duits sterk met elkaar overeenkomen. De talen verschillen echter in de akoestisch-fonetische realisatie van toonhoogteaccenten, en dan met name wat betreft het dalende toonhoogteaccent H*+L. Er is een verschil in de oplijning van de toonhoogtepiek van H*+L, die anders wordt gerealiseerd wanneer weinig sonorant materiaal aanwezig is, terwijl een gedownstepte H*+L aan het einde van de Intonationele Frase op een andere manier wordt geïmplementeerd. Deze verschillen verklaren waarom andere onderzoekers menen dat Engelse en Duitse intonatiepatronen juist fundamenteel verschillend zijn.

De in dit proefschrift beschreven cross-linguïstische verschillen in de realisatie van H*+L werpen ook meer licht op een tweede tegenstrijdigheid in de literatuur. Zij verklaren in ieder geval tot op zekere hoogte waarom analyses van de intonatie van het Engels het meestal eens zijn over wat de intonationele basiscategoriéén van het Engels zijn, terwijl een dergelijke consensus niet bestaat voor het Duits. In het Engels geeft de fonetische realisatie van H*+L de fonologische structuur tamelijk nauwkeurig weer. H*+L wordt gerealiseerd met wat men een `prototypisch' dalend accent kan noemen, dat wil zeggen, als een duidelijke daling van de toonhoogte: de hoge toon wordt gerealiseerd als een piek op de beklemtoonde lettergreep die direct gevolgd wordt door een daling naar de volgende lettergreep. Dit gegeven kan direct gerelateerd worden aan het succes van de relatief concrete auditieve benadering van intonationele intonatie-analyse zoals die door die door de Britse school wordt voorgesteld. Een grote overeenkomst tussen de fonologische categorie en de fonetische realisatie vergroot de kans op een eenduidige analyse. In het Duits daarentegen is deze overeenkomst minder duidelijk dan in het Engels. Wat betreft toonhoogte en fundamentele frequentie lijkt H*+L meer op een stijgend-dalend patroon en daarom is dit specifieke accent moeilijker te onderscheiden van stijgend-dalende en stijgende accenten dan in het geval van het Engels. Het gebrek aan overeenstemming over de basiscategoriéén die in het Duits onderscheiden moeten worden hangt direct samen met deze bevinding.

Hoofdstuk 1 van het proefschrift geeft een overzicht van het relatief kleine aantal bestaande studies waarin de intonatie van het Engels en het Duits vergeleken worden. Het overzicht laat zien dat deze onderzoeken een breed scala aan opvattingen hebben opgeleverd. In Hoofdstuk 1 wordt betoogt dat deze uiteenlopende opvattingen het gevolg zijn het feit dat de intonationele structuur van de talen een bepaald niveau van de linguïstische representatie vergelijkbaar zijn terwijl ze op een ander niveau juist van elkaar afwijken. De concrete, sterk op de fonetische vorm gerichte benaderingen die tot nu toe in al het contrastieve onderzoek naar de intonatie van het Engels en Duits zijn toegepast, staan geen beschrijving van cross-linguïstische overeenkomsten en verschillen op verschillende niveaus van de representatie toe. Dit is wel mogelijk in een benadering waarin meerdere niveaus van analyse worden aangenomen, zoals de autosegmenteel-metrische benadering. Bovendien hebben eerdere vergelijkende onderzoeken over het algemeen nagelaten hypotheses over cross-linguïstische overeenkomsten en verschillen te genereren op basis van uitingen die direct vergelijkbaar waren tussen de talen, en het is ook niet altijd duidelijk in welke mate de analyses generaliseerbaar waren over grotere groepen sprekers.

Hoofdstuk 2 beschrijft de AM methode van analyse die specifiek ontwikkeld werd voor de vergelijking van het Engels en het Duits. Het was noodzakelijk om een nieuwe methode te ontwikkelen, omdat de twee talen voorheen door middel van verschillende versies van de AM benadering beschreven zijn. De bestaande Engelse en Duitse versies van het ToBI systeem voor prosodische labeling, zo wordt betoogd, zouden een twijfelachtig uitgangspunt voor het comparatieve onderzoek gevormd hebben. Ten eerste is de ToBI inventaris van toonhoogteaccenten voor het Engels en het Duits, waarin bitonale accenten zowel links- als rechtshoofdig kunnen zijn, voornamelijk gebaseerd op Engelse data. Wanneer men met een fonologische inventaris die is ontwikkeld voor de transcriptie van het Engels Duitse intonatie wil transcriberen, moet men over voldoende Duitse data kunnen beschikken om ambiguïteiten in de transcriptie van accenten te kunnen vermijden. Deze data ontbraken echter. Ten tweede stelt ToBI dat er twee niveaus van intonationele frasering zijn, maar specificeert onvoldoende welke fonetische correlaten het mogelijk maken onderscheid te maken tussen de niveaus. Tenslotte biedt ToBI een tamelijk ondoorzichtige beschrijving van de specificaties van Intonationele Frase grenzen. Wanneer twee talen met elkaar vergeleken worden, is een eenvoudigere beschrijving van grenzen wenselijk. Als antwoord hierop zijn in het hier ontwikkelde comparatieve basissysteem alle toonhoogteaccenten linkshoofdig en wordt betoogd dat een enkel niveau van intonationele frasering voldoet. Anders dan in ToBI is de tonale specificatie van Intonationele Frase grenzen optioneel. Dat wil zeggen dat Intonationele Frase grenzen net als in ToBI tonaal gespecificeerd kunnen worden, maar dat ook met een symbool dat alleen de grens markeert kan worden volstaan.

Bovendien wordt in het systeem dat voor het vergelijkend onderzoek gebruikt is aangenomen dat in de fonologische representatie twee niveaus moeten worden onderscheiden, zoals is voorgesteld in Gussenhoven (1984). De basisinventaris van toonhoogteaccenten en grenstonen wordt op het onderliggende niveau gespecificeerd. Op het fonologische oppervlakteniveau worden veranderingen in de tonale structuur van deze basiselementen beschreven die optreden wanneer ze gecombineerd worden in frasen en uitingen. Voor cross-linguïstisch werk heeft deze opsplitsing van de fonologische representatie in een onderliggend niveau en een oppervlakteniveau het voordeel dat overeenkomsten en verschillen tussen intonatiepatronen explicieter beschreven kunnen worden. Immers, niet alle intonatieverschillen hoeven te worden herleid tot verschillen tussen toonhoogteaccenten.

Hoofdstuk 2 sluit af met een voorstel voor een nieuwe methode voor cross-linguïstisch onderzoek naar intonatie. Met behulp van vijf Engelse en vijf Duitse sprekers, die per taal wat betreft leeftijd, sociale achtergrond en opleidingsniveau met elkaar overeenkwamen, werden twee direct vergelijkbare spraakcorpora samengesteld. De sprekers lazen een tekst voor waarmee ze bekend waren: het sprookje Roodkapje. De hoge mate van bekendheid van deze tekst droeg ertoe bij dat hij door alle sprekers op soortgelijke wijze geïnterpreteerd werd. De realisaties van de betreffende tekst, die door de verschillende sprekers in een identieke situationele context was geproduceerd, werden vervolgens vergeleken binnen iedere taal en tussen de twee talen.

In Hoofdstuk 3 worden de data uit het Standaard-Noord-Duitse corpus gegeven, en deze worden in Hoofdstuk 4 met de data uit het Standaard-Zuid-Brits-Engels vergeleken. Het vergelijkend onderzoek laat zien dat beide talen beschreven kunnen worden met behulp van twee fonologisch onderliggende toonhoogteaccenten H*+L en L*+H en een grenstoon H%. Verder wordt betoogd dat de specificatie van een lage grenstoon overbodig is. Op het fonologische oppervlakte-niveau dragen de categorische fonologische regels DOWNSTEP, DISPLACEMENT en DELETION zorg voor aanpassingen in de realisatie van de onderliggende tonale elementen. De aanpassingen die werden aangetroffen in de Duitse data bleken ook van toepassing te zijn op de Engelse data, maar in het laatste geval werd bovendien evidentie gevonden voor Gussenhovens (1984) modificaties DELAY en HALF-COMPLETION. De evidentie voor HALF-COMPLETION was echter beperkt, en het is mogelijk dat een model waarin downstep van Intonationele Frasen wordt aangenomen een adequatere beschrijving zou geven. Dezelfde data lieten ook ruimte voor twijfel over twee typen categorische fonologische aanpassingen die Gussenhoven onderscheidt. In zijn beschrijving van het Engels (1984) worden modificaties toegepast op nucleaire accenten, terwijl verbindingsregels op prenucleaire accenten van toepassing zijn. In de hier geanalyseerde Duitse data werd DELETION echter op zowel nucleaire als prenucleaire accenten toegepast. Daarom beschouwt deze studie modificaties en verbindingsregels als een enkele groep van fonologische aanpassingsregels, en wordt voorgesteld dat de toepassing van bepaalde aanpassingen op bepaalde elementen in de representatie taalspecifiek is. Beide bevindingen, dat HALF-COMPLETION niet duidelijk onderscheiden kan worden van downstep van Intonationele Frasen en dat het verschil tussen prenucleaire en nucleaire aanpassingen niet zo scherp omlijnd is als Gussenhoven doet veronderstellen, vragen om nader onderzoek naar de akoestische en auditieve effecten van aanpassingen om te zien of hun theoretische status herzien zal moeten worden.

Cross-linguïstisch werden verschillen in de akoestische en auditieve fonetische realisatie van H*+L gevonden. Ten eerste vertoonden de talen verschillen in de oplijning van de toonhoogtepiek. In het Duits werd de F0 piek in H*+L steeds opgelijnd met de rechterkant van de beklemtoonde lettergreep, terwijl in het Engels de piek binnen de beklemtoonde lettergreep werd gerealiseerd. Ten tweede vertoonden de talen een verschil in de realisatie van H*+L op lettergrepen met weinig sonorant materiaal. H*+L wordt in het Duits getrunkeerd, d.w.z. niet volledig uitgevoerd, en in het Engels gecomprimeerd, d.w.z. in een kortere tijd uitgevoerd. Het derde cross-linguïstische verschil betrof de akoestisch-fonetische implementatie van downstep. In het Duits kan de piek in !H*+L aan het einde van de Intonationele Frase tot op het niveau van de L gedownstept worden, maar in het Engels wordt !H*+L altijd als een daling in toonhoogte en F0 gerealiseerd. Hoofdstuk 5 en 6 verslaan experimenteel onderzoek dat is uitgevoerd naar aanleiding van twee hypothesen die op grond van de corpusanalyse konden worden geformuleerd. In Hoofdstuk 5 worden de effecten van truncatie en compressie op de realisatie van toonhoogteaccenten nader onderzocht. De data bevestigden de hypothese dat H*+L in het Engels wordt gecomprimeerd en in het Duits wordt getrunkeerd wanneer er weinig sonorant materiaal aanwezig is. L*+H wordt echter in beide talen gecomprimeerd. Vervolgens worden twee analyses van de asymmetrie in de Duitse resultaten besproken. Volgens de eerste analyse worden de realisaties van L*+H in het Duits gecomprimeerd omdat ze door een hoge grenstoon H% gevolgd worden. H*+L wordt daarentegen niet door een tonale specificatie gevolgd en kan daarom getrunkeerd worden. Volgens de tweede analyse worden truncatie en compressie alleen op een nucleair accent en niet op een nucleaire toon toegepast, en een opeenvolging van H en L wordt getrunkeerd terwijl een opeenvolging van L en H gecomprimeerd wordt.

Een vervolgexperiment in het Duits leverde experimentele ondersteuning voor de opvatting dat aanpassingseffecten op accenten betrekking hebben op nucleaire accenten en niet op nucleaire tonen (d.w.z. het nucleaire accent plus de daarop volgende grenstoon). Als L*+H accenten hoe dan ook worden gecomprimeerd, ongeacht of de erop volgende grenstoon-specificatie nu H% of 0% (toonloos) is, dan ondersteunt dit de `nucleair accent hypothese'. De experimentele data onderschreven deze opvatting. Zowel L*+H H% als L*+H 0% bleken gecomprimeerd te worden. Bovendien lieten de data zien dat de keuze voor het toonhoogteaccent L*+H in de realisatie van het experimentele materiaal bepaald werd door de context, terwijl de keuze van de volgende grensspecificatie dat niet was; de aan- of afwezigheid van H% bleek sprekerafhankelijk te zijn. Desondanks gebruikten sprekers de nucleaire tonen L*+H H% en L*+H 0% niet bij het voorlezen van een lijst van nevenschikkende Intonationele Frasen. Zodra de eerste nucleaire toon in een opsomming gekozen was werden alle volgende onderdelen van de opsomming met dezelfde nucleaire toon geproduceerd. Deze bevinding geeft aan dat sprekers op het niveau van de volledige structuur een keuze maken voor H% of 0%, en niet op het niveau van iedere individuele Intonationele Frase binnen de structuur.

Hoofdstuk 6 rondt het proefschrift af met een onderzoek naar downtrends in het Engels en het Duits. Een experimentele vergelijking van F0 patronen in opsommingen waarin downstep wordt toegepast bevestigt de hypothese dat in het Duits de laatste piek een extra verlaging ondergaat, hetgeen in de Engelse data niet het geval is. Deze bevinding is in tegenspraak met de resultaten die door Liberman and Pierrehumbert (1984) worden gerapporteerd voor het Amerikaans-Engels waar final lowering werd aangetroffen aan het eind van gedownstepte series accenten. In het proefschrift wordt verondersteld dat dit verschil in de resultaten tussen het Amerikaans-Engels en het Brits-Engels toegeschreven kan worden aan het effect van declinatie. De resultaten van een vervolgexperiment ondersteunden deze veronderstelling. Met andere woorden, het is mogelijk dat een combinatie van downstep en declinatie een verklaring biedt voor de data op grond waarvan eerder final lowering is vastgesteld.

Kort samengevat kan gesteld worden dat dit proefschrift evidentie aandraagt voor cross-linguïstische intonationele verschillen op verschillende niveaus van de representatie. De intonatiesystemen van het Engels en het Duits vertonen grote overeenkomsten op het niveau van de fonologische representatie, maar verschillen op het akoestisch-fonetische niveau. Verwacht mag worden dat cross-linguïstisch onderzoek er in het algemeen baat bij zal hebben van een dergelijke scheiding van representatieniveaus uit te gaan.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina