De kantlijn Groninge



Dovnload 97.55 Kb.
Pagina1/3
Datum22.08.2016
Grootte97.55 Kb.
  1   2   3

De kantlijn Groningen. 2009


Indien men zich met een theorie over kunst of vormgeving tot de filosofie van Kant wil verhouden lijkt het voor de hand te liggen om de aandacht te richten op de kritiek van het reflecterend oordeelsvermogen en het eerste deel daarvan waarin Kant een analyse geeft van het esthetisch oordeel en een theorie ontwikkelt over het sublieme en het artistieke genie. Men kan echter niet voorbij gaan aan de kwestie die Kant wil oplossen met het schrijven van de kritiek van het reflecterend oordeelsvermogen. In de secundaire literatuur wordt vrijwel zonder uitzondering opgemerkt dat na het schrijven van de Kritik der reinen Vernunft en de Kritik der praktischen Vernunft Kant wordt geconfronteerd met een op het eerste gezicht onoverbrugbare kloof tussen deze twee werken. Het gegeven dat de kritiek van het oordeels vermogen wordt beschouwd als een synthese tussen de eerste twee kritieken en dat Kant met het schrijven van de derde kritiek die kloof meent te overbruggen brengt met zich mee dat die eerste twee werken kort samen gevat dienen te worden alvorens men zich kan verhouden tot de kritiek van het oordeels vermogen. Dit is al zo vaak gedaan met bijzonder veel scherpzinnigheid en literaire bevlogenheid dat het hier enigszins overbodig lijkt om dat te herhalen.
(( toegevoegd wordt nog een beperkte samenvatting))
Op meerdere plaatsen in het werk van Kant ziet men de filosoof zijn inspanningen vergelijken met het tot stand brengen van een bouwwerk en in die vergelijking voert de inventarisatie van het aanwezige bouwmateriaal tot een eerste inschatting van de afmetingen, stevigheid en kenmerken van de constructie en de waarschuwing om in het werkplan geen blind ontwerp te riskeren maar een opzet aan te gaan voor een architectuur die in relatie staat tot het beschikbare materiaal en die tegelijk met de behoefte aan een onderkomen overeenstemt.

Met ditzelfde perspectief in gedachten is het mogelijk om de titel ‘Grundlegung zur Metaphysik der Sitten’ tegen het licht te houden. In de inleiding van de vertaling wordt aangegeven dat ‘Grundlegung’ hier wordt gedacht als activiteit, het aanbrengen van een fundament ten behoeve van een metafysica van de zeden. De nederlandse vertaling van de titel luidt dan ‘fundering voor de metafysica van de zeden’ en het ‘zur’ wordt met ‘voor’ vertaald aangezien met de vormgeving van het gebouw nog begonnen moet worden. Nu kan met het uitzetten en aanbrengen van een fundament geen begin gemaakt worden zonder iets van de contouren en omtrekken van het daarop te construeren gebouw in gedachten te hebben. Dat het denken van Kant voortdurend in beweging is en dat zijn denkbeelden wat betreft de ethiek tijdens het schrijven van de Fundering nog in ontwikkeling zijn doet uiteindelijk een bouwwerk ontstaan dat op wezenlijke punten verschilt met de architectuur die Kant voor ogen gestaan moet hebben tijdens het schrijven van zijn Grundlegung. In de loop van de tijd ontstaan er verschillen met betrekking tot het formuleren van de categorische imperatief, de volmaakte wil en de verhouding tussen moraliteit en vrijheid. In sommige gevallen zijn die veranderingen van wezenlijke aard een andermaal formuleert Kant genuanceerder en blijft een principe doorheen het gehele oeuvre aan zich zelf gelijk. Deze schets richt zich voornamelijk op het tweede hoofdstuk van de Grundlegung aangezien het erop lijkt dat daarin nog iets van het oorspronkelijke plan terug gevonden kan worden. Het lijkt mogelijk de blauwdruk te achterhalen van een architectonisch plan dat later op meerdere punten afwijkt van de architectuur die uiteindelijk tot vorm gebracht wordt. Uitgangspunt is dat naarmate men in een filosofisch domein meer perspectieven aantreft die onderling niet strijdig zijn, dit domein meer werkelijkheid bevat.


De eerste twee hoofdstukken van de fundering gelden als analytisch van aard. Dat dit niet op alle punten zo is, dat wil zeggen dat de eerste twee hoofdstukken niet louter uitgaan van een analyse van bestaande gegevenheden en dat het een minder passieve onderneming is daarvan getuigt de volgende opmerkelijke introductie van de wil, als het vermogen van redelijke wezens om te handelen volgens de voorstelling van wetten.
1 Elk ding in de natuur werkt volgens wetten. Alleen een redelijk wezen heeft het vermogen volgens de voorstelling van de wetten, dat wil zeggen: volgens principes te handelen, oftewel een wil. Omdat rede nodig is om handelingen uit wetten af te leiden, is de wil niets anders dan praktische rede.
2 Als de rede de wil onvermijdelijk bepaalt, dan zijn de handelingen van zo’n wezen die als objectief noodzakelijk erkent worden, ook subjectief noodzakelijk, dat wil zeggen: de wil is een vermogen om slechts datgene te kiezen wat de rede onafhankelijk van de neiging als praktisch noodzakelijk, dat wil zeggen: als goed erkent.
3 Wanneer echter de rede voor zich alleen de wil niet in afdoende mate bepaalt, dan is deze nog aan subjectieve voorwaarden (bepaalde drijfveren) onderworpen die niet altijd met de objectieve voorwaarden overeenstemmen. Wanneer, kortom, de wil niet op zich volkomen in overeenstemming is met de rede (zoals het bij mensen werkelijk het geval is), dan zijn de handelingen die objectief als noodzakelijk erkend worden, subjectief toevallig en de bepaling van een dergelijke wil in overeenstemming met objectieve wetten is dwang.
4 De voorstelling van een objectief principe, voor zover het dwingend is voor een wil, heet een gebod (van de rede) en de formulering van het gebod heet imperatief. Alle imperatieven worden door een behoren uitgedrukt en duiden daardoor de verhouding aan van een objectieve wet van de rede tot een wil die vanwege zijn subjectieve gesteldheid niet noodzakelijk door die wet bepaald wordt (een dwang).

5 Een volmaakt goede wil zou dus net zo goed onder objectieve wetten (van het goede) staan, maar zou niet voorgesteld kunnen worden als een wil die door die wetten tot wetmatige handelingen gedwongen wordt, omdat hij vanzelf vanwege zijn subjectieve gesteldheid slechts door de voorstelling van het goede bepaald kan worden. Voor de goddelijke en in het algemeen voor een heilige wil gelden derhalve geen imperatieven. Het behoren is hier niet op zijn plaats, omdat het willen al vanzelf met de wet noodzakelijk overeenstemt. (fund. 414)


In de hierboven aangehaalde tekstfragmenten worden vrijwel alle ingrediënten opgevoerd die onmiskenbaar deel uitmaken van Kant’s ethiek. De wil wordt hier opgevoerd als het vermogen van redelijke wezens om te handelen volgens de voorstelling van wetten. De rede lijkt hier de aangewezen instantie om die voorstelling van wetten te organiseren wat min of meer teruggelezen kan worden in het vierde tekstfragment. Tegelijkertijd is rede nodig om handelingen uit wetten af te leiden wat strikt genomen een andere werkzaamheid is dan het genereren van de voorstelling van het objectief principe dat uiteindelijk resulteert in een gebod van de rede en een voor mensen dwingende imperatief. De rede lijkt hier op twee van elkaar te onderscheiden terreinen werkzaam en het lijkt logisch dat deze verschillende werkzaamheden van de rede in het aftastende en analyserende tweede hoofdstuk moeten worden terug gevonden. Dat de wil het vermogen is om te handelen volgens de voorstelling van wetten is een aanduiding die tot in de kritiek van de praktische rede kan worden terug gevonden. Het lijkt erop dat het Kant helder voor ogen staat welk denkbeeld met deze formulering overeenstemt. Dat wezens handelen volgens de voorstelling van wetten en niet volgens wetten zelf is kenmerkend voor het domein van de moraliteit en veronderstelt een bepaalde mate van vrijheid. Deze vrijheid kan naar het inzien van Kant in het analytisch gedeelte van de fundering niet aangetroffen worden maar in de wijze van formuleren bespeurt men toch constant de aanwezigheid ervan en een zekere distantie van mensen ten aanzien van een onvoorwaardelijk en algemeen geldige imperatief.

Het noodzaken dat met de imperatief meekomt dwingt de door rede onvolledig bepaalde wil tot activiteiten die overeenstemmen met de erboven gestelde objectieve wetten van het goede. Die dwang of noodzaak getuigt van het gegeven dat de praktische wet of zeden wet wel alle kenmerken heeft die men van een wet kan verlangen maar dat die wet niet van een determinerende aard is zoals natuurwetten dat wel zijn.

Dit laatste doet de vraag ontstaan hoe de zedenwet dan wel eindige redelijke wezens aan zich bindt. Deze kwestie voert tot de specifieke verhouding van de mens tot de zedenwet en de enig mogelijke drijfveer die zijn handeling een morele waarde verschaft. De wil van eindige redelijke wezens wordt niet slechts aan de wet onderworpen, maar hij wordt er zo aan onderworpen dat hij ook beschouwd moet worden als zelfwetgevend waarbij achting voor de wet de enige drijfveer is die zijn handeling een morele waarde verschaft. De wil die wel onvermijdelijk door de rede bepaald wordt is de volmaakt goede wil. De grenzen en gesteldheid ervan worden in het laatste tekstfragment duidelijk aangegeven en die volmaakt goede wil en zijn contouren vormen in eerste instantie het onderwerp van deze schets en de bepalingen, gesteldheden en verhoudingen zoals die hierboven in kort bestek in de punten 1 tot en met 5 zijn aangegeven vormen het spectrum waarbinnen die volmaakt goede wil als praktische idee geplaatst is.
Eerst is het echter zaak om de categorische imperatief zoals die door Kant wordt opgevoerd nader te beschouwen en te onderscheiden van hypothetische of voorwaardelijke imperatieven waarin de rede op analytische wijze de middelen zoekt bij het doel dat het subject zich stelt. Onvermijdelijk moet hier de term maxime genoemd worden als het subjectief handelingsprincipe;
Maxime is het subjectieve principe om te handelen en moet onderscheiden worden van het objectieve principe, namelijk de praktische wet. De maxime bevat de praktische regel bepaald door de rede volgens de voorwaarden van het subject (vaak volgens diens onwetendheid of ook diens neigingen). Zij is dus het beginsel op grond waarvan het subject handelt. De wet echter is het objectieve principe, geldig voor ieder redelijk wezen, en het beginsel op grond waarvan het behoort te handelen, dat wil zeggen een imperatief.
Voorwaardelijke imperatieven worden door Kant wel als principes van de wil aangegeven maar zijn geen wet in de zin van de onvoorwaardelijke imperatief en het verschil kan teruggevonden worden in de mate waarin zij de wil dwingen. Hypothetische imperatieven monden uit in raadgevingen of voorschriften en men is van een dergelijk voorschift af zodra men zijn bedoeling opgeeft. De categorische imperatief dient zich echter aan als wet en brengt aldus Kant het begrip met zich mee van een onvoorwaardelijke, objectieve en dus algemeen geldige noodzaak waaraan gevolg gegeven moet worden ook tegen de neiging in. De onvoorwaardelijke imperatief eist, beveelt of gebiedt een bepaald gedrag onmiddellijk maar is niet van determinerende aard

In het analyserende deel van de fundering worden de eerste contouren van de categorische imperatief en de voorlopige formuleringen ervan door Kant aangegeven. De contouren kunnen daarom slechts eerst voorlopig worden aangegeven omdat de werkelijkheid van een categorische imperatief niet in de ervaring gegeven is. Men kan vanuit de ervaring en de handelingen die men daarin aantreft nooit besluiten tot de werkelijkheid van een dergelijke imperatief ook al lijken die activiteiten volledig te stroken met dat wat een praktische wet uiteindelijk eist, men krijgt geen inzicht in de werkelijke motieven die achter of onder de handeling schuil gaan. Aangezien de imperatief van de zedelijkheid niet in de ervaring aangetroffen kan worden dient men met het onderzoek ernaar dus boven de ervaring uit te gaan om tot de mogelijkheid en het bestaan ervan te besluiten. Die werkzaamheden worden uitgesteld tot het derde hoofdstuk van de Grundlegung. De categorische imperatief of wet van de zedelijkheid is strikt genomen naar de formulering van Kant een synthetisch-praktische propositie a priori.


De opmerkelijke introductie van de wil en de twee van elkaar te onderscheiden werkzaamheden die de rede daar krijgt toegewezen kunnen worden terug gevonden door na te gaan wat met de wil van het eindig subject a priori verbonden wordt gedacht. De eerste activiteit van de rede lijkt eenvoudig te achterhalen, het is de voorstelling van het objectief principe of de objectief praktische wet. De wil die onvermijdelijk door de rede wordt bepaald en die als volmaakt wordt aangegeven handelt overeenkomstig dit objectief principe, de wil van het eindig redelijk wezen wordt daarentegen nog door andere subjectieve drijfveren bepaald en voor dergelijke wezens heeft het objectief principe van de rede altijd de vorm van een gebod en de formulering daarvan heet imperatief. Het lijkt een bijna overbodige opmerking maar de wil van redelijke wezens (met inbegrip van eindige redelijke wezens) moet a priori (noodzakelijk) met de wet verbonden zijn wil hij in staat geacht worden om overeenkomstig die wet te handelen (Gr426). Kant geeft aan dat het noodzakelijk is om zich in een metafysica van de zeden te begeven om die verbinding te ontdekken. De objectief praktische wet wordt niet in de ervaring aangetroffen en kan daarvan niet op analytische wijze onderscheiden of uitgesproken worden. De categorische imperatief (de vorm van het objectief principe voor mensen) geeft in dit geval dan uitdrukking aan de a priori verbinding tussen de wil van eindige redelijke wezens en de objectief praktische wet. De imperatief bevat dan de wet en de noodzaak voor de maxime om met die wet overeen te stemmen en aangezien de wet geen voorwaarde bevat waartoe zij ingeperkt is blijft er niets over dan de algemeenheid van een wet. de vorm van 0de categorische imperatief luidt in dat geval,
Handel alleen volgens die maxime waardoor je tegelijkertijd kunt willen dat zij een algemene wet wordt. (Gr.421)
De tweede activiteit van de rede waar zij geacht wordt uit wetten handelingen af te leiden lijkt gezocht te moeten worden in de voorstelling van de volmaakte wil. In een voetnoot ter verheldering van het gegeven dat de categorische imperatief een 'praktisch synthetische propositie a priori' schrijft Kant het volgende;
Ik verbind met de wil zonder een voorwaarde vanuit enige neiging te vooronderstellen, de daad a priori, dus noodzakelijk (hoewel slechts objectief, dat wil zeggen onder de idee van een rede die de volledige macht zou hebben over alle subjectieve motieven). Dit is dus een praktische propositie die het willen van een handeling niet analytisch afleidt uit een ander reeds voorondersteld willen (want wij hebben niet een zo volmaakte wil). Maar zij verbindt dat willen met het begrip van de wil van een redelijk wezen op onmiddellijke wijze als iets dat niet in hem vervat is. (Gr.420n)
Dat niet alle voetnoten van Kant leiden tot de verheldering die hem voor ogen moet hebben gestaan lijkt hier het geval. De vraag die zich hier onmiddellijk aandient is, welke wil is het die hier in de eerste alinea opgevoerd wordt? De aanduiding ‘zonder een voorwaarde vanuit enige neiging te vooronderstellen’ lijkt niet anders begrepen te kunnen worden dan dat deze wil als zuivere wil wordt voorgesteld onaangedaan door neigingen terwijl ze verder uitgebreid wordt met een daad. Dit geheel wordt dan onder een rede gedacht die de volledige macht heeft over de subjectieve motieven. Deze constellatie lijkt exact overeen te komen met de volmaakt goede wil (5) waarvan Kant eerder aangeeft dat die gesteld is onder de objectieve wetten van de rede maar door die wetten niet tot overeenstemmende wetmatige handelingen gedwongen wordt aangezien het willen vanwege zijn subjectieve gesteldheid vanzelf en noodzakelijk met de wet overeenstemt. De uitbreiding van de wil met een daad in deze voetnoot doet de mogelijkheid ontstaan om te schrijven over een ''willen'' of het ''willen van een handeling'' wat in de daarop volgende twee alinea's het geval is. In de laatste alinea wordt de synthese toegelicht die in de categorische imperatief wordt aangetroffen. Zij (de propositie waarmee de categorische imperatief zich uitdrukt) verbindt dat willen met het begrip van de wil van een eindig wezen op onmiddellijke wijze als iets dat niet in hem vervat is. Strikt genomen kan men het ''willen'' hier opvatten als een volmaakt willen maar daarmee is nog niet aangegeven wat dat willen behelst of waarin het uitmondt. In de vertaling van de Grundlegung (Boom 1997) treffen we de suggestie aan dat het willen hier uitgebreider begrepen kan worden als het ''willen van een handeling omwille van de zedenwet''.i Behalve dat dit literair fraaier is, is het bovendien juist. Het is daarom juist omdat in die formulering de activiteit van de beide betrokken instanties wordt teruggevonden, het willen van de wil en het willen van een handeling die strookt met de zedenwet wat te herleiden valt tot de activiteit van a, de zuivere wil en haar daad en b, de objectieve bepaling van de rede. Er doet zich in deze voetnoot iets voor wat in bijna alle formuleringen die zich richten op de volmaakte wil en haar activiteit gelezen kan worden en dat als probleem naar voren komt. Eerst is het echter zaak om te constateren dat die activiteit van de rede achterhaald lijkt te zijn waarmee zij geacht wordt uit wetten de handeling af te leiden en het eindig subject ter naleving voor te houden ongeacht iedere gesteldheid van die laatste. Die activiteit lijkt te zijn ondergebracht in de voorstelling van een zuivere wil en zijn daad gesteld onder een bepalende rede. Deze activiteit wordt dan verbonden gedacht met het begrip van de onvolmaakte wil van het eindig subject. De categorische imperatief geeft uitdrukking aan die verbinding.
Het is in deze voetnoot moeilijk om uit te maken waarop de aanduiding de volmaakte wil van toepassing is. De meest voor de hand liggende optie lijkt dat deel in het geheel te zijn dat als zodanig, dus als wil wordt aangegeven. Wij hebben niet een zo volmaakte wil valt dan te herleiden tot het gegeven dat wij mensen niet over een dergelijke zuivere wil beschikken onaangedaan door zintuiglijke prikkels, wat leidt tot het gegeven dat bij ons de rede niet de volledige macht over de subjectieve motieven heeft.

Op het moment dat Kant refereert aan de volmaakte wil dient die aanduiding nauwkeurig beschouwd vergezeld te gaan van een wezen waarin die wil wordt aangetroffen en brengt de aanduiding volmaakt noodzakelijk met zich mee dat dit wezen een louter redelijk wezen is. De rede van dit wezen wordt dan de volledige macht over de subjectieve motieven of het vermogen tot begeren toegekend en bepaalt zo de daaronder gelegen wil naar de voorstelling van haar wetten. strikt genomen komt men dan de twee werkzaamheden van de praktische rede weer tegen, zij staat aan de basis van de voorstelling van het objectief principe en zij gaat over tot de onvermijdelijke bepaling van de wil Een probleem is hier dat men die volmaakte wil niet werkelijk kan isoleren van het wezen waarbinnen zij existeert. Toch lijkt Kant iets dergelijks voor ogen te hebben op het moment dat hij in zijn formuleringen de wil met een daad verbonden denkt terwijl de wezenlijke activiteit uit het geheel van bepalende rede en zuivere wil voortkomt.ii


Het blijft moeilijk te achterhalen hoe Kant zich dat willen voorstelt en vanuit welke instantie het ontspringt. Er wordt in de Grundlegung gerefereerd aan de afzonderlijke delen en hun activiteit maar ook aan het geheel terwijl de activiteit daarvan de ene keer als willen een andermaal echter als bepalen wordt aangegeven. De werkzaamheden en gesteldheden van de afzonderlijke delen zijn af te leiden uit de diverse formuleringen over die volmaakte wil en verschillen aanzienlijk van elkaar. Onafhankelijkheid van neigingen (rede) verschilt van het ontbreken van neigingen (wil), de volledige macht over de subjectieve motieven (rede) verondersteld altijd een onder de rede gestelde wil waarin van subjectiviteit sprake is. De specifieke verhouding van de twee partijen ten aan zien van de neigingen, onafhankelijkheid (rede) en afwezigheid (wil) verzorgt de perfecte match tussen die twee die zodanig perfect is dat men de twee delen en de activiteit van het geheel snel door elkaar haalt. Dit lijkt bijzonder veel aandacht voor een op het eerste gezicht onbelangrijke kwestie. Wat hier echter naar voren komt is dat de rede en haar activiteiten het probleem doen ontstaan dat men boven de volmaakte wil nog een andere actieve partij of instantie aantreft met intenties of een vorm van willen.
Het beantwoorden van de volgende vraag werpt misschien iets meer licht op die constellatie. Wat voltrekt zich in het proces tussen de hier opgevoerde rede en de daaronder gestelde wil? Het antwoord luidt dan als volgt, het objectief noodzaken dat met de praktische wet meekomt transformeert zich tot een subjectief willen. Het verwarrende is dat met objectiviteit en noodzakelijkheid de voorstelling van een zekere onbeweeglijkheid meekomt terwijl het willen een bepaalde mate van activiteit verondersteld. Binnen de context van het tweede hoofdstuk van de fundering lijkt het tegengestelde nu juist het geval. Beschouwt men de twee leden van waaruit het volmaakt willen ontspringt apart dan is; de rede de instantie die overgaat tot de onvermijdelijke bepaling van de eronder gelegen wil en krijgt de rede de idee toegekend van de volledige macht over de subjectieve motieven. Dit zijn opvallende activiteiten terwijl de daaronder gedachte wil een opmerkelijke passiviteit vertoont. De twee van elkaar te onderscheiden perspectieven, die van activiteit en die van passiviteit lijken te corresponderen met de aanduidingen goddelijk en heilig waarmee Kant de introductie van de volmaakt goede wil vergezeld laat gaan.(5) De termen goddelijk en heilig lijken niet zondermeer tot elkaar te herleiden en roepen vragen op behalve wanneer er vanuit gegaan wordt dat de aanduiding goddelijk overeenstemt met het perspectief waarin de rede actief opereert en algemeen heilig meer van toepassing is op de daaronder gedachte wil die zich passief voegt naar de objectieve bepaling van de er boven gestelde rede. Zo is het mogelijk om vanuit twee perspectieven naar het geheel te kijken van waaruit de specifieke activiteit voortkomt en is het soms slechts een kwestie van formuleren om de aandacht te doen uitgaan naar een van beide indien dat de voortgang en helderheid van het betoog ten goede komt wat uiteraard slechts ten dele waar kan zijn. Bovendien lijkt het erop dat naarmate Kant vordert in zijn tweede hoofdstuk de wil steeds meer als actieve instantie wordt opgevoerd en zodoende de activiteit van de rede lijkt te worden ondergebracht in de wil en zijn daad.

Het gaat in deze voetnoot echter om een andere kwestie. Kant geeft met deze kernachtig geformuleerde toelichting aan wat met de a priori synthese (de categorische imperatief) tot uitdrukking wordt gebracht. In tegenstelling tot wat eerder werd aangegeven treffen we hier de verbinding aan tussen de wil van het eindig subject en het willen van de volmaakte wil.


De hierboven geschetste mogelijkheden en perspectieven die van toepassing zijn op de volmaakte wil zijn daarom van belang omdat het willen van de volmaakte wil een fundamenteel onderdeel gaat uitmaken van de categorische imperatief zoals dat in de laatste alinea van de hier aangehaalde voetnoot wordt aangegeven. Het is dan zinvol om alle mogelijke perspectieven die aan de basis staan van die specifieke activiteit (het willen) en het geheel van waaruit ze voortkomt tegen het licht te houden. Zonder hier in te gaan op het derde hoofdstuk van de Grundlegung is het mogelijk om vooruit te lopen op de uitkomst daarvan en te constateren dat de volgende intrigerende vraag zich aandient; indien er een categorisch behoren optreed dat de zintuiglijk geprikkelde wil van het eindig subject verbind met de idee van een zuivere voor zich zelf praktische wil (en zijn activiteit) die tot de verstandelijke wereld behoort en die volgens de rede de bovenste voorwaarde bevat voor de eerste (Gr.) hoe dienen mensen dan gevolg te geven aan dit behoren? Dienen ze hun neigingen te elimineren om zo de overeenkomst na te streven met de zuivere wil die Kant opvoert en onderbrengt in het geheel dat aan de basis staat van het volmaakt willen of dienen ze hun neigingen te reguleren en zich met hun ethisch streven te richten op de idee van een rede die de volledige macht heeft over de subjectieve motieven of het vermogen tot begeren. Slechts die laatste toestand brengt de mogelijkheid van een regulatief principe met zich mee waarin neigingen blijven bestaan en bijvoorbeeld tot een vorm gevoerd kunnen worden waarmee men zich tot zichzelf en tot de ander kan verhouden. Om die vraag naar behoren te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk om alle beschouwingen die op de volmaakte wil van toepassing zijn na te lopen en te toetsen aan hetgeen hier min of meer naar voren komt, het lijkt mogelijk om een actief of goddelijk deel te onderscheiden van een passief of algemeen heilig deel, die beide ondergebracht zijn in de constellatie van waaruit het willen als specifieke activiteit ontspringt.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina