De kartelrand van de literatuur Literaire essays in de Nederlandse politieke context



Dovnload 91.45 Kb.
Pagina1/2
Datum25.08.2016
Grootte91.45 Kb.
  1   2


De kartelrand van de literatuur

Literaire essays in de Nederlandse politieke context


Odile Heynders (Universiteit van Tilburg)
Ian Buruma’s1 Murder in Amsterdam, The Death of Theo van Gogh and the Limits of Tolerance (2006),2 is een tekst die bij lezing onmiddellijk een aantal vragen oproept: is het een politiek betoog, zoals het omslag vermeldt, of een literair essay? Waarom zijn de zeven hoofdstukken zo effectief in hun opbouw? Hoe wisselen verbeeldende en betogende passages elkaar af, hoe beschrijven we de conceptual self (Eakin 1999, 23), de vertelpositie van de in Nederland geboren auteur die met deze Engelstalige tekst zijn identiteit als kritische global citizen uitdraagt, en ten slotte hoe serieus nemen we de masterplot (Porter Abbott 2008, 46/47) over de Nederlandse tolerantie? Voordat ik deze vragen beantwoord en plaats in een breder perspectief van onderzoek naar narratieve verbeelding en politiek, citeer ik een typerende passage uit Buruma’s tekst, het begin van het zesde hoofdstuk getiteld ‘A Promising Boy’:
“Wow”, he said. It was July 12, 2005, the last day of Mohammed Bouyeri’s trial. “Mohammed B.” in the Dutch press, “Mo” to his friends, was charged with the murder of Theo van Gogh, the attempted murder of several policemen, threatening Ayaan Hirsi Ali, and terrorizing the Dutch population.

“Wow” was almost the first word Mohammed, a pudgy man in a dark djellaba, had uttered during his trial. He refused to be defended or to defend himself in a court whose authority he didn’t recognize. Only God’s laws, the Shariah, were the true laws. At the beginning of the trial, he confirmed his name. The rest of the time, in the stark, modern courtroom in an Amsterdam suburb, Mohammed smiled thinly, tugged at his wispy beard, adjusted his wire-rimmed glasses, and fiddled his pen. Just once, when the presiding judge, Udo Bentinck, wondered why the defendant had turned his back on a society that offered him complete freedom to follow his faith, did he allow himself to snap into a moment of anger. He shouted: “In the name of Allah, the merciful bringer of mercy.” And then in Dutch: “I worship Allah every day and pray that he protects me from ever changing the way I think now.”

That was it, until that “wow”, an Americanism that crept into the language of the young in the 1960s and somehow got lodged there. “Wow” was like the Nike sneakers that Mohammed wore under his black djellaba, the badge of global youth, nurtured on American street culture. Wrapped around his head like a turban was a black and white kaffiyeh, the Palestinian scarf made famous by Chairman Arafat. Theo van Gogh had posed in a similar scarf for the cover photo of one of his books, entitled Allah knows better. Van Gogh meant to mock, while Mohammed, perhaps no less theatrically, was mimicking the style of the seventh-century prophet.” (187-188).
Buruma beschrijft een scene die plaatsvond op 12 juli 2005, – aangeklaagde in de rechtbank blijft lange tijd zwijgen en slaakt plotseling een kreet – en hij vergroot bepaalde details uit (sjaal, sportschoenen, kriebelen in baard). Hij doseert informatie, construeert en reconstrueert door het beeld te benadrukken van een traditioneel geklede Marokkaanse jongeman die in het dragen van sportschoenen en in zijn taalgebruik sporen toont van de westerse Amerikaanse cultuur. Buruma maakt een verhaal van wat zich voordeed in de werkelijkheid. Het onopvallende wordt in de lens gevangen en krijgt nadruk. In het aangehaalde citaat krijgen we een gekleurd beeld van een dader door de focalisatie van een verteller. We weten dat de dader een in de werkelijkheid bestaand persoon van Marokkaanse komaf is, die vanuit radicale islamistische overtuiging de filmer Theo van Gogh vermoordde op 2 november 2004. Dit citaat plaatst die kennis in een kader door Mohammed Bouyeri af te schilderen als een in de westerse consumerist society opgevoede man, die een Palestijnse sjaal draagt net zoals Van Gogh’s linkse generatiegenoten dat in de jaren zeventig en tachtig deden. Van Gogh zelf verzette zich juist tegen de sympathisanten van de Palestijnse kwestie door de sjaal te dragen als counterstatement, als provocatie.

Cruciaal in deze tekstpassage is de naam van Yasser Arafat, waarmee een verband wordt gelegd tussen Mohammed B. en Theo van Gogh, tussen na-aper (mimicking) en provocateur (mocking), tussen de dader en het slachtoffer. Arafat was decennia lang de held voor linkse kiezers, omdat hij als leider van de Fatah-beweging in opstand kwam tegen het militante Israel dat in 1967 haar grondgebied uitbreidde. Arafat droeg de zwart-witte kaffiyeh als identificerend kledingstuk. Zijn sympathisanten namen de dracht over. De sjaal werd een uitspraak: ‘ik schaar mij achter de Palestijnse zaak’. De vertelstem in deze passage legt een zekere ironie bloot. De islamist en de liberale filmer raken elkaar in een sjaal-gemarkeerde-identiteit van verzet tegen de orde, tegen het machtsspel van Israel en Amerika. Maar met zijn Nike-schoenen verraadt Mohammed B. dat hij ook een kind is van de veramerikaniseerde cultuur. En Van Gogh droeg zijn sjaal niet vanwege sympathie met links, maar om zich uitdagend af te zetten tegen wat hij noemde de geitenneukers. Slachtoffer en moordenaar, degene die mimicry-gedrag vertoont en hij die provoceert, behoren tot eenzelfde cultuur, maken gebruik van eenzelfde beeldtaal.

De gelaagdheid van deze tekstpassage maakt duidelijk dat dit essay meer is dan een journalistieke analyse. Betogende, vertellende, beschrijvende en verbeeldende stemmen klinken door elkaar en geven complexe cultuurhistorische informatie af. Het gaat Buruma denk ik, niet zozeer om een uiteindelijke verklaring van de motieven en het gedrag van Mohammed B., maar om deliberatie: het wikken en wegen en zoeken van een antwoord op de vraag: hoe is het land waar ik als jongen opgroeide veranderd? In die vraag ligt een poging tot zelf begrijpen besloten.3

Mijn argumentatie in dit artikel is als volgt. Buruma’s essay is effectief dankzij de verweving van feitelijke informatie, narratieve verbeelding en conjuncturele omstandigheden of fricties. Met behulp van enkele instrumenten uit de discoursanalyse en de narratologie zal ik het essay nader analyseren. Vervolgens wil ik een aantal andere politieke essays, recentelijk verschenen in de zogenoemde Pamflet-reeks van uitgeverij Querido, naast dat van Buruma plaatsen om meer greep te krijgen op verschillen in strategieën die in essays worden gebruikt. Het gaat me daarbij om de vraag hoe literaire middelen werken in een registratie en bekritisering van de werkelijkheid en in de poging het zelf in die werkelijkheid een plaats te geven. Mijn conclusie is dat de essays aanleiding geven tot narratieve identificatie en tot het doordenken van oppositioneel lijkende noties als esthetiek en politiek, het private en het publieke. Ze geven een beeld van relevante kwesties die in het afgelopen decennium aan de orde waren in de Nederlandse samenleving en dagen de lezer uit tot politieke meningvorming.



Het essay als tekstueel genre
Het essay is een hybride genre waarin de auteur een persoonlijke visie geeft op een actueel probleem en zowel rationele argumenten als verbeelding en ethische overtuiging gebruikt. (Van Gorp e.a. 1998, 147) Meestal is een essay gericht op een relatief breed publiek.4 Het essay wordt gerekend tot het beschouwend proza5 en gekarakteriseerd als ‘one of the most flexible and adaptable of all literary forms’.6 Het blijkt niet altijd makkelijk het genre af te bakenen van de column (meer polemisch), journalistieke tekst (meer informatief), manifest (doelgerichter) en kort verhaal (meer beschrijvend). Het essay is een voertuig van politieke en filosofische ideeën én een literaire vorm. (Meijer 2001, 279). Sinds het poststructuralisme wordt het essay bovendien niet alleen opgevat als zelfstandige literaire uiting maar ook als metatekst: het kritische essay becommentarieert de literaire tekst. Men veronderstelt daarbij dat de essayistische taal even retorisch, figuurlijk en metaforisch is als de literaire. (Vervaeck 2001, 297) Daaraan vooraf gaat de vooronderstelling dat er geen direct refererende (niet-figuratieve) taal bestaat.

Klassieke auteurs als Plutarchus, Marcus Aurelius en Seneca schreven al essays, maar de term als zodanig werd geïntroduceerd door de Franse filosoof Michel de Montaigne (1533-1592) die zich afzette tegen het systematische discours van de filosofen. Een drietal kenmerken maakte zijn honderdenzeven essays tot typerend genre, aldus Ullrich Langer in The Cambridge Companion to Montaigne: 1) Montaigne wantrouwt universele uitspraken en beweegt zich van algemene regel naar uitzondering en geeft ook daar weer een uitzondering op, waardoor een effect van ‘open-einde’ ontstaat, 2) Montaigne besteedt veel aandacht aan lichamelijke invloeden op zijn denken (zijn nierstenen spelen een prominente rol in zijn zelfportretten) en 3) Montaigne zelf is altijd aanwezig in zijn essays die daarom zijn te beschouwen als ‘recordings of the thoughts of a particular man living a particular life’ (Langer 2005, 1-2). Het persoonlijke perspectief dat Montaigne invoerde kunnen we begrijpen als het ontstaan van het moderne subject dat zichzelf als het centrum ziet van waaruit de wereld wordt beschouwd. In zekere zin zijn de essays van Montaigne een vorm van autobiografie, een ‘project of selfportraiture’. (Conley 2000, 74)

Montaigne ontwikkelde in zijn essays een experimentele vorm van schrijven waarin het ging om de constructie van denkbeelden. De werkelijkheid was niet meer een kwestie van traditionele waarheid, van kerkelijke autoriteit, zoals Maaike Meijer schrijft in een themanummer over het essay7, maar van eigen waarneming met de zintuigen. ‘What we see in Montaigne’, schrijft ook hedendaags filosoof Simon Critchley (2008, 132), ‘is something utterly modern: an attempt to write in such a way that captures and evokes the wanderings of the mind, its digressions, its assertions and its hesitations.’ Het moderne impliceert het verwerpen van universele claims op waarheid, van een boven-tijdelijke ratio. Het is Montaigne vooral te doen om het geven van een logische reactie op de inconsistentie in de wereld om hem heen. Die reactie wordt geconstrueerd in het schrijven zelf. Het schrijven impliceert het onderzoeken van een bepaald fenomeen.

Om één intrigerend essay hier als voorbeeld te nemen, in ‘Over innerlijke kracht’ (II, 29) onderzoekt Montaigne wat precies moet worden verstaan onder innerlijke kracht en stelt hij vast dat deze eigenschap meestal op toevalligheid berust. Hij signaleert dat zelfs wij ‘zielige mensjes’ wakker geschud kunnen worden door woorden of het voorbeeld van anderen en dat onze geest ‘een enkele keer een vlucht neemt hoog boven zijn alledaagse toestand uit’. Zijn we eenmaal door die maalstroom heen, dan worden we weer zo gewoon als we altijd al waren. Montaigne beschrijft Pyrrho, de Griekse filosoof en scepticus (360-270 v. Chr.) die zich door niets of niemand van de wijs liet brengen en probeerde alle zwakheid uit te bannen. En daarna vertelt hij twee anekdotes over dorpsgenoten die van de ene op de andere dag het heft in eigen hand namen.8 Deze twee scènes van het Franse platteland worden verbonden met de beschrijving van sati-rituelen in India, waarbij weduwen een indrukwekkende kracht tonen door ervoor kiezen samen met hun man verbrand te worden. Na nog een aantal voorbeelden van onverzettelijk gedrag, eindigt Montaigne zijn essay met Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje, die precies wist wat hij deed: ‘Zo iemand moet inderdaad vastberaden te werk zijn gegaan, bevangen van een innerlijke kracht en passie. […] Dat deze man wist dat hij zijn dood tegemoet snelde, lijdt voor mij geen twijfel. […] De redenen waardoor wij tot zo’n sterke overtuiging komen, kunnen heel verschillend zijn, want ons denken doet wat het maar wil, zowel met zichzelf als met ons.’ (Montaigne 2003, 244) De laatste conclusie is waar het om draait en waardoor het daarvoor beweerde als het ware op losse schroeven komt te staan. Precies dat wat Montaigne aan het doen is, al denkende schrijven, is iets wat eigenlijk buiten hem om gebeurt. Het denken doet wat het wil.

De actualiteit van dit multi-perspectivische essay dat ruim vierhonderd jaar geleden geschreven werd (interessant is dat sati-rituelen vanaf de jaren tachtig weer ter discussie staan, interessant is ook de vraag of je de islamistische overtuiging van Mohammned B. kunt beschouwen als ‘innerlijke kracht’)9, maakt het makkelijk over te stappen van Montaigne naar Buruma, die al even zeer schrijvend probeert te denken en zo een ‘algemene cultuurinterpretatie’ poogt te geven. (Hanssen 2001, 353) Meer in het bijzonder wil Buruma onderzoeken hoe de Nederlandse maatschappij waarin hij opgroeide, is veranderd. Ook Buruma verbindt het anekdotische en het persoonlijk-subjectieve (in passages over zijn jeugd in Wassenaar) aan het filosofische (het nadenken over de roots van de Hollandse tolerantie) en historisch verklarende tekstgedeelten. In het hiernavolgende zal ik het essay nader analyseren met behulp van concepten uit de discoursanalyse, cultural studies en narratieve theorie. Het gaat er daarbij om een instrumentarium in handen te nemen dat de gelaagdheid binnen en buiten de tekst kan ontleden.

Analyse van Buruma’s essay
Ik zal me in eerste instantie richten op de tekst, ik noem dit het micro-niveau van de analyse. Van daaruit bekijk ik de sociale, culturele en historische thematiek, waarbij we van het microniveau van de tekst overschakelen naar een analyseniveau waarop uiteenlopende tekstuele en contextuele elementen op elkaar betrokken worden. Ik gebruik hier de term conjuncture, zoals ingezet door Lawrence Grossberg (2006). Van het microniveau bewegen we dus naar het macroniveau en terug. Deze hermeneutische operatie bouwt voort op het inzicht uit de cultural studies dat we een cultureel fenomeen moeten beschouwen als een gelaagd object, waaromheen conflictuerende redenaties zichtbaar worden. (Grossberg 2006)10

We hebben al een passage uit Murder in Amsterdam besproken, nu wil ik deze relateren aan het grotere geheel. Als gezegd is de tekst opgebouwd uit zeven hoofdstukken die significante titels dragen zoals ‘Holy War in Amsterdam’ of ‘A Dutch Tragedy’. Het essay begint met de beschrijving van de moord en eindigt met een ‘In Memoriam’ en een nog daaraan toegevoegd Postscript waarin de lotgevallen van politica Ayaan Hirsi Ali worden vermeld. Het essay werd gepubliceerd in 2006 en doet verslag van Buruma’s verblijf in Holland in 2004/5. In de traditie van Montaigne bevat het essay zowel een scherpe maatschappelijke analyse als een persoonlijke motivatie: ‘There was something unhinged about the Netherlands in the winter of 2004, and I wanted to understand it better. […] Something had changed dramatically in the country of my birth’ (10). Ik zal me vanwege de ruimte die dit artikel biedt, richten op een detailanalyse van het eerste hoofdstuk om op basis daarvan uitspraken te doen over het geheel. We kunnen het eerste hoofdstuk als representatief beschouwen voor de opbouw, toon en stijl van het gehele betoog.

Het hoofdstuk begint met een citaat uit NRC Handelsblad van 30 juli 2005, waarin de koelbloedigheid van Mohammed B. wordt beschreven door een ooggetuige van de moord. Onmiddellijk daarna wordt verteld hoe de moord werd uitgevoerd: B. ‘shot him calmly in the stomach, and after the victim had staggered to the other side of the street, shot him several more times, pulled out a curved machete, and cut his throat – ‘as though slashing a tire’ (2007, 2). De stijl is helder en zakelijk. Door toevoeging van details en citaten, opgetekend uit de mond van getuigen wordt de spanning opgevoerd. Buruma reproduceert informatie uit de media en lardeert haar met verschillende citaten en interpretaties die hij door de prozaïsche beschrijving verweeft. Zo schrijft hij dat Van Gogh wordt afgeslacht ‘like a sacrificial animal’ en dat de toon van de brief die vastgeprikt werd op de borst van het slachtoffer, was als ‘that of a death cult, composed in a language dripping with the imaginary blood of infidels and holy martyrs’ (2007, 3). De brief zelf was gericht aan Ayaan Hirsi Ali, ‘a delicate African beauty’, met wie Van Gogh de film Submission maakte en aan de burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, die door Van Gogh scherp was aangevallen als een ‘appeaser of Islamic extremism’. Al snel blijkt dat Buruma niet alleen handig is met het verweven van zakelijke en meer suggestieve informatie, hij springt ook van het ene tekstniveau naar het andere, van autobiografische opmerking naar uitspraken over de globaliserende context, van verwijzing naar de intellectuele traditie naar recente politieke verbanden. Ik zal een aantal van deze betoog-lagen die te maken hebben met een bredere contextuele complexiteit, naast elkaar zetten. Ter wille van de helderheid markeer ik terugkerende verwijzingen.

Het eerste hoofdstuk omvat vijf ‘paragrafen’, waarvan de laatste de langste is. In het eerste deel worden de feiten van de moord beschreven, wordt ingegaan op de brief en vervolgens overgeschakeld naar een historische lijn: ‘The shadow of World War II […] is never far from any Dutch crisis’ (2007, 6). Van event time (de moord) gaan we over naar de tijd van grotere historische transformaties. Daarna wordt een aantal uitspraken van politici beschreven. De tweede paragraaf opent vanuit een autobiografische opmaat: er is iets veranderd en Buruma wil daar greep op krijgen. Dan volgt een referentie aan de intellectuele traditie, in het bijzonder aan Johan Huizinga die in de jaren dertig de Hollandse tevredenheid (bourgeois satisfaction) beschouwde als bescherming tegen extremisme. Opnieuw wordt een historische lijn getrokken: ditmaal naar de Molukse kwestie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. In de derde paragraaf krijgen we eerst weer feitelijke informatie over wat gebeurde kort na de moord. Dan volgt een scherpe sociologische analyse van de Nederlandse ‘verongelijktheid’ en daarna wordt een link gelegd naar de grotere mondiale context die sinds 9/11 is veranderd. Mohammed B. wordt in deze context gepositioneerd: ‘The Moluccan problem was a local tragedy. But Mohammed Bouyeri, a sad loner from an Amsterdam suburb, whose social horizons had progressively narrowed to a small radicalized circle, was part of a violent wider world connected by Internet, CD-ROMs, and MSN’. (2007, 17)

De vierde paragraaf trekt opnieuw een historische lijn naar de Nederlandse traditie van opvang van vluchtelingen. Van de gastvrijheid van de Gouden eeuw worden we meegenomen naar de onverschilligheid en schaamte van de twintigste: ‘Holland’s reputation for hospitality is deserved, but immigration in the twentieth century is also a story of horror, opportunism, postcolonial obligations, and an odd combination of charity and indifference’. (2007, 19) Buruma vermeldt dat 71 procent van de Nederlandse joden in concentratiekampen omkwam, het hoogste percentage van West-Europa. Daarna wordt de sociologische geschiedenis van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders beschreven. En opnieuw wordt de positie van Bouyeri duidelijk gemaakt: ‘Such a man was Mohammed Bouyeri, who adopted a brand of Islamic extremism unknown to his father, a broken-backed former guest worker from the Rif mountains’. (2007, 23) De vijfde paragraaf biedt vooral politieke informatie. Zij begint met de weergave van een gesprek met Afshin Ellian, een rechtse intellectueel afkomstig uit Iran. Hij verwoordt zijn opvattingen in een column en moet daarna zwaar beveiligd worden. Buruma vat diens ideeën samen: ‘This is what he believes: Citizenship of a democratic state means living by the laws of a country. A liberal democracy cannot survive when part of the population believes that divine laws trump those made by man. The fruits of the European Enlightenment must be defended, with force if necessary. […] The solution to the problem is a Muslim Voltaire, a Muslim Nietzsche’. (2007, 25) Buruma gaat vervolgens uitgebreid in op het bredere historisch filosofisch perspectief van de Verlichting. Daarna verbindt hij het verlichtingsdenken aan het conservatisme van politicus Frits Bolkenstein en geeft hij een politieke analyse door te laten zien hoe rechts/links-opposities aan het wankelen zijn geraakt door drie ingrijpende gebeurtenissen, de Rushdie-affaire, de aanslagen van 9/11 en de moord op Van Gogh, die een clash of values zichtbaar maakten. Het hoofdstuk eindigt met een sociologische analyse van de ontzuiling in de jaren zestig en de constatering dat de Islam nu een Europese religie is.

Wat laat deze detailanalyse zien? Niet alleen dat het essay is opgebouwd uit argumenten die met elkaar in relatie staan, soms afzonderlijk verder worden uitgewerkt en later weer opgenomen in de redenatie. Het resultaat daarvan is een denkexercitie, schrijven als onderzoeken, een tekst die aanzet tot reactie, meedenken en discussie. Wat we ook zien is dat Buruma met zijn essay een link legt naar grotere ingewikkelder processen die de Nederlandse samenleving in de greep hebben en bepalen. Het is niet duidelijk welk fenomeen precies een gevolg is van welk ander, wel is helder dat sociologische, historische en politieke kwesties en omstandigheden op elkaar inwerken. Het is precies dit grotere verband dat het essay een dynamiek geeft en contingentie. Het ene moment blijft de verwijzing naar Huizinga’s imago van de tevreden Nederlander hangen, het andere moment blijkt de Molukse kwestie ineens opnieuw pregnant. Het essay functioneert in een bepaalde ruimte die we breder kunnen opvatten dan als de ‘context’. Het in de cultural studies gehanteerde begrip conjuncture is hier van toepassing. Ik verwijs naar de omschrijving van Lawrence Grossberg: ‘A conjuncture is a description of a social formation as fractured and conflictual, along multiple axes, planes and scales, constantly in search of temporary balances or structural stabilities through a variety of practices and processes of struggle and negotiation’. (Grossberg 2006, 4) De gelaagdheid (die transparant is maar ook ondoorzichtig) van de tekst is gebaseerd op diverse met elkaar samenhangende en conflictuerende zienswijzen en verwijzingen naar de culturele ruimte erom heen. Buruma probeert verschillende fenomenen uit die ruimte zo helder mogelijk uiteen te rafelen om een scherper beeld te krijgen van wat precies is gebeurd op 2 november 2004, op wat voorafging en volgde.

We kunnen ook een specifiek begrip uit de discoursanalyse inzetten om de tekstuele gelaagdheid te begrijpen. Het verwijzen impliceert een gelaagde simultaneïteit (Blommaert 2005, 129) dat wil zeggen dat verschillende elementen worden gecombineerd en in eenzelfde tijdelijk verband geplaatst. Ik citeer uit Discourse:
we have to conceive of discourse as subject to layered simultaneity. It occurs in a real-time, synchronic event, but it is simultaneously encapsulated in several layers of historicity, some of which are within the grasp of the participants while others remain invisible but are nevertheless present. It is overdetermined […] by sometimes conflicting influences from different levels of historical context (2005, 130-131).
In Buruma’s essay wordt een gebeurtenis (2 november 2004) beschreven en in een historisch perspectief geplaatst. Het essay zelf, gepubliceerd in 2006 is ook een gebeurtenis gebonden aan tijd en plaats, net als mijn analyse in 2010. Al deze momenten veronderstellen een gelijktijdigheid van perspectieven die de betekenisgeving beïnvloeden. In het essay worden feiten en ideeën zichtbaar zonder dat zij precies van elkaar zijn af te bakenen. De moord op Van Gogh is niet los te zien van de Molukse treinkapingen in de jaren zeventig en dus van de postkoloniale geschiedenis van Nederland, de moord hangt ook samen met de ramp (Global tragedy) die drie jaar eerder in New York plaatsvond en met het gedrag van de Nederlander tijdens de Gouden eeuw (gastvrijheid) én tijdens de Tweede Wereldoorlog (onverschilligheid). In de discoursanalyse wordt de gelaagde simultaneïteit vooral bestudeerd met betrekking tot gesproken teksten en spreeksituaties. Dit essay toont hoe in een geschreven tekst ruimte simultane gelaagdheid zichtbaar wordt. We vernemen geen definitieve verklaring voor wat zich heeft voorgedaan. Buruma onderzoekt, probeert te begrijpen, citeert, parafraseert, focaliseert en manipuleert. Om ten slotte vast te stellen: ‘the story is not over. What happened in this small corner of northwestern Europe could happen anywhere, as long as young men and women feel that death is their only way home.’ (2007, 262)

We kunnen ook nog een ander concept inzetten, dat een weer wat andere nuance van de context, opbouw en de stilistische eigenheid van het essay verheldert, namelijk M. Bachtins notie van de veelstemmigheid van de literatuur. Polyfonie houdt in, aldus Bachtin in ‘Discourse in the Novel’, dat literaire karakters een eigen stem hebben zonder dat de verteller deze autoriseert. Verschillende stemmen tonen de ideologische structuren, mogelijkheden en beperkingen van een tekst. Bachtins uitspraken over de roman zijn goed toepasbaar op het literaire essay. Buruma voert ooggetuigen, politici en opiniemakers als personages op en ensceneert gesprekken en dialogen. Een aantal protagonisten komt duidelijk uit de verf: Theo van Gogh, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali en Mohammed Bouyeri. Buruma portretteert hen en geeft hen stem. De veelstemmigheid is letterlijk in citaten en de weergave van gevoerde en gefingeerde gesprekken, en doet zich ook op een meer abstract vlak voor in de voorstellingen van de personages. Zo worden de stemmen van Bouyeri en Van Gogh tot leven gebracht ook al krijgen we van hen nauwelijks letterlijke citaten voorgeschoteld. Een voorbeeld van dit ‘stem geven’ vinden we in de beschrijving van de streek waar Mohammeds vader vandaan komt. We weten niet wie vertelt (de vader zelf of Mohammed (mogelijk zijn het woorden opgetekend tijdens politieverhoren), maar het vertelde suggereert privé-informatie, de intimiteit van een tweegesprek (aan wie vertel je over je armzalige roots?) en is verhelderend met betrekking tot de sociaal-culturele achtergrond van de moordenaar:


Hamid Bouyeri, Mohammed’s father, is a relatively succesful man in terrible physical shape. […] It can’t have been easy to raise a family of eight children in a cramped apartment on the salary of a dishwasher. He worked long hours and did all the shopping on the weekends. His wife barely spoke a word of Dutch. And yet, compared to the people in Douar Ikhammalen, a dirt-poor hamlet in the Rif mountains, where he began tending goats at the age of five, Hamid is a rich man (196).
Naast beschrijvingen van Mohanned B. als extremist, die koelbloedig een moord pleegt, horen we hier een stem die suggereert dat hij vervreemd raakte van zijn achtergrond, dat displacement een ervaring is die zijn handelen bepaald zal hebben. Wanneer we een letterlijk citaat van Mohammed te lezen krijgen, zien we dat ook daar de ideologische veelstemmigheid van Bachtin zich voordoet. Mohammed schrijft de taal van haatdragende islamisten en verklaart dat alle ongelovigen vijanden zijn: ‘To withdraw from the infidels means hating them, being their enemy, being revolted by them, loathing them, and fighting them’ (2007, 212). Het is een ideologische, van het internet overgenomen, niet aan het individu gebonden stem die in de loop van de jaren steeds gewelddadiger taal is gaan spreken.

Het essay beschrijft concrete fenomenen, toestanden en gebeurtenissen, en plaatst deze in de context van politieke, sociale en historische transformaties. Er wordt verbeelding ingezet om de motieven, frustraties en denkbeelden van Mohammed B. dichterbij te halen en de context voor te stellen waarin de man tot zijn daad kwam. Het essay is geen fictie, maar de essayist heeft wel fantasie nodig om zijn voorstelling van zaken scherp te krijgen. We kunnen dit ook algemener formuleren: ieder mens heeft narratieve verbeelding nodig om zich in een ander te verplaatsen en zijn eigen positie in de gemeenschap te bepalen. Narratieve identificatie impliceert dat je een verhaal over jezelf kunt vertellen, toegang tot jezelf krijgt. (Biti, 2008) Niet elk essay zet narratieve verbeelding in. Er is een verschil tussen het persoonlijke Murder in Amsterdam en het twee jaar eerder gepubliceerde essay Occidentalism, The West in the Eyes of its Enemies (2004) dat Buruma samen schreef met de Israëlische filosoof Avishai Margalit. Hoewel ook dat essay een breed cultuurhistorisch panorama toont, is de visualisering van scènes en de profilering van personages minder sterk. Murder in Amsterdam maakt meer gebruik van narratieve middelen dan Occidentalism dat een meer betogende tekst is.

In het voetspoor van Montaigne schrijft Buruma met dit essay ook een zelfportret. Het beeld dat hij van zichzelf creëert, is dat van de geïnvolveerde buitenstaander. Hij kent de taal en gewoonten, maar pretendeert ook afstand te houden om met de blik van de outsider de maatschappelijke ontwikkelingen te beschouwen. Het is evenwel de vraag of dit afstand houden lukt, of het gaat om de anderen (Mohammed B. en Theo van Gogh) of om het ‘ik’, de herbepaling van zijn positie in het land dat hij midden jaren zeventig verliet. Het meest duidelijk blijkt Buruma’s eigen vervreemding, die in zekere zin complementair is aan die van veel moslim-immigranten, uit de manier waarop hij de Wallen in Amsterdam beschrijft als een wijk vol onzedelijkheid, waar openlijk seksuele details worden getoond die een normaal mens niet wenst te zien. Buruma constateert: ‘Maybe these streets are typical of a society without modesty, morally unhinged. Such a naked display of man’s animal instincts could be seen as a form of barbarism’ (2007, 234).

Uiteindelijk lijkt Buruma zich het meest te herkennen in de standpunten van Geert Mak en Job Cohen, die pleiten voor een acceptatie van verschillen en meer een sociaal dan een religieus probleem in de Nederlandse samenleving zien. Maar dat hij zelf toch veramerikaniseerd is, blijkt uit de meest expliciete conclusie die hij trekt: ‘Europeans are proud of their welfare states, but they were not designed to absorb large numbers of immigrants. Immigrants appear to fare better in the harsher system of the United States, where there is less temptation to mil the state. The necessity to fend for oneself encourages a kind of tough integration’ (203). Dat de ‘Europese verzorgingsstaat’ uiteindelijk niet geschikt is voor het opnemen van veel immigranten, is een typerende opinie voor de niet-Europese observator.



Een laatste opmerking in de analyse van het essay betreft de masterplot11 of het frame. Bepaalde woorden framen een betoog, bepalen de redenaties en structuur ervan, vormen de fundamenten van de argumentatie. Het meest framende woord in dit essay is tolerantie. Alle argumenten die worden uiteengezet, hebben op de een of andere manier te maken met deze notie of met het tegendeel ervan: intolerantie, afwijzen, niet accepteren, conformeren. De cruciale redenering van het betoog is dat de befaamde Nederlandse tolerantie het fundament is van een typisch Nederlandse masterplot die in de laat-twintigste eeuw ineens uiteen blijkt te zijn gevallen. Tolerantie als Hollandse deugd is verworden tot onverschilligheid. Onder het mom van het accepteren van andere ideeën en leefwijzen waarmee de samenleving in de zestiende en zeventiende eeuw sterk en welvarend werd, heeft men drie eeuwen later zich van de ander afgekeerd. Koopmansgeest is tot consumentisme en graaigedrag verworden. Men is niet meer in de ander maar alleen in zichzelf geïnteresseerd en uiteindelijk sluit men zich van de ander af. Ik zet drie passages over tolerantie naast elkaar:
The sturdy figure of Rita Verdonk facing the bearded imam became a prime symbol of the Dutch crisis, of the collapse of multiculturalism, the end of a sweet dream of tolerance and light in the most progressive little enclave of Europe (8).
The tolerance of other cultures, often barely understood, that spread with new waves of immigration, was sometimes just that –tolerance—and sometimes sheer indifference, bred by a lack of confidence in values and institutions that needed to be defended (34).
‘Tolerance, then, has its limits even for Dutch progressives. It is easy to be tolerant of those who are much like ourselves, whom we feel we can trust instinctively, whose jokes we understand, who share our sense of irony (128).
Tolerantie was een zoete droom, maar evenmin als de rechtse neo-liberalen kan links progressief Nederland tolerantie opbrengen voor hen die ‘onze’ grappen niet snappen. De drie citaten onderstrepen de cruciale redenering van het essay: zowel de opvattingen van Nederlandse progressieven als Paul Scheffer of Jolande Withuis, als die van de denkers ‘van buiten’ als Asfhin Ellian of Ayaan Hirsi Ali, tonen dat men niet tolerant is, maar conformisme of juist uitsluiting tot stand wil brengen op basis van welke subtiele, rationele argumenten dan ook. Dit is de grootste teleurstelling die in het essaynaar voren komt: Buruma vindt zichzelf (met Geert Mak en Job Cohen) aan het slot van zijn betoog toleranter dan de meeste opiniemakers uit zijn land van herkomst. Toch spreekt afkeer uit zijn opmerkingen naar aanleiding van de herdenking van Van Goghs dood, een jaar later. Theodor Holman, vriend van Van Gogh, schreef daarover in Het Parool in grove, extremistische bewoordingen. Buruma reageert: ‘I hesitate to attach national characteristics to this particular air of aggrieved self-righteousness, but Holman’s outburst, in a perfectly respectable Amsterdam daily, expressed something that is not uncommon in Holland today: offensiveness projected as a sign of sincerity, the venting of rage as a mark of moral honesty’. (2007, 228) Belediging en grofheid ‘moeten kunnen’ onder het mom van eerlijkheid en vrijheid van meningsuiting, maar verhullen nauwelijks de boosaardige gevoelens die er in schuil gaan.

Elke spreker heeft een ‘semiotic resource’ of potentieel waaruit hij put en dat zijn identiteit bepaalt. (Blommaert 2005; 207-214) Wat Buruma tot uitdrukking brengt is dat het hedendaagse Nederlandse semiotische repertoire niet meer het zijne is, dat hij nog steeds vasthoudt aan het meer beleefde, subtieler en verdraagzame discours, dat in de jaren zeventig, het decennium na de ontzuiling, nog vanzelfsprekend was. Veelzeggend is de laatste zin van het Postscript waarin hij beschrijft hoe Hirsi Ali in 2006 door Rita Verdonk naar de zijlijn werd gemanoeuvreerd op basis van zogenaamde nieuwe informatie over haar asielaanvraag, die Verdonk al veel langer kende. Hirsi Ali ‘had to leave the scene’ en, aldus Buruma: ‘My country seems smaller without her’ (2007, 264). Het is het beeld van een ‘klein’ land dat blijft hangen. Deze schrijver die nog steeds spreekt van ‘mijn land’ heeft zich er al lang van gedistantieerd.



De reacties op het essay waren in Nederland negatiever dan daarbuiten. Amsterdamse critici en intimi van Theo van Gogh als Max Pam, Theodor Holman en A.F.Th. van der Heijden verweten Buruma onzorgvuldigheid en journalistieke luiheid. Onjuistheden in de representatie van gesprekken werden breed uitgemeten, de fundamentele argumentatie met betrekking tot de veranderde tolerantie kreeg nauwelijks aandacht. Luuk van Middelaar ging daar in de Volkskrant wel op in en prees Buruma om het leggen van grotere verbanden, bijvoorbeeld naar aanleiding van de Amsterdamse Provo’s die protesteerden bij het monument van de koloniale generaal Van Heutsz. Door de Atheh-rebellen te betitelen als ‘jihadis’ opent Buruma een lijn naar de ideologie achter de moord op Van Gogh, aldus Middelaar. Hij stelt daarna dat de uiteindelijke conclusie van het essay minder duidelijk is dan die van het essay Occidentalism. Ook de buitenlandse critici, over het algemeen zeer lovend over de beschreven analyse, verwijten Buruma dat hij aan het einde geen oplossing geeft. William Grimes schrijft in The New York Times: ‘Mr. Buruma is not sure, and at the end he disappears in a puff of rhetorical smoke. With the battle lines drawn, he expresses the fond hope that reason and moderation will prevail on both sides. The sentiment falls sweetly on ears tuned to that particular frequency. The question is how to transmit it to a fanatic on a bicycle.’ Ook de Engelse socioloog Theodore Dalrymple vindt het essay uiteindelijk te braaf. Hij schrijft, in oktober 2006, in ‘The Avant-Garde of the Apocalypse’: ‘You sense reluctance on the author’s part to tackle the really difficult questions, for fear of being too offensive. He is so judicious that he arrives at no judgment. At the book’s end we are no nearer knowing what the limits of tolerance are or should be than we were at the beginning’. Dalrymple concludeert: ‘The smell of political correctness wafts gently through the book.’ Wat me opvalt is dat deze critici weinig accent leggen op het essay als persoonlijk betoog, op het feit dat de maatschappelijke analyse ook een zoektocht is naar het land van herkomst. Die tocht leidt tot teleurstelling omdat Buruma moet constateren dat verongelijktheid een belangrijker symptoom van de Hollandse samenleving is geworden dan tolerantie. Dat lijkt me een niet mis te verstane kritiek die misschien in Engelse oren niet helemaal doorklinkt omdat die typisch Nederlandse term onvertaalbaar is.



  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina