De kerkelijke kaart van Zeeland in de 20e eeuw



Dovnload 24.9 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte24.9 Kb.
De kerkelijke kaart van Zeeland in de 20e eeuw
Lezing Calvijn College, Goes, 23 april 2010
‘Men kan wijzen op de traditie en de aanhankelijkheid [aan de kerk], doch men mag de ogen niet sluiten voor het feit, dat ons gewest zich momenteel in een stadium van overgang bevindt. Het is immers een overbekend feit, dat het platteland in het algemeen, en daarmede ook de Bevelanden, zich in een gistingsproces bevindt. De oorzaken hiervan zijn door de sociologie enz. reeds meermalen aangewezen: mechanisatie van de landbouw, verkeer, radio, enz. Dat dit alles ook een geestelijke terugslag heeft, zal duidelijk zijn. Wij zijn de overtuiging toegedaan … dat zulks voor de Kerk niet af te meten gevolgen hebben zal.’

Deze woorden schreef de Hervormde predikant Dr. B. Breek begin jaren vijftig aan het slot van zijn artikel over Zuid- en Noord-Beveland in het Handboek Pastorale Sociologie dat uitgegeven werd op initiatief van de hervormde kerk. Juist die oude volkskerk was in een tijd van industrialisatie en sterk verbeterde mogelijkheden op het gebied van personenvervoer – de auto was in opkomst – bang voor grootscheeps ledenverlies. Niet elke plattelander die kerklid was, had een even stevige binding aan de kerk, had het bekende boek van de socioloog Kruijt over secularisatie in Nederland uit 1933 geleerd. Nu werd het Deltaplan ontworpen en wat zou dat gaan betekenen voor kerkelijk Zeeland?

De vrees voor ontkerkelijking was begrijpelijk. De volkstelling van 1947 had laten zien dat 17 procent van de Nederlanders zich niet meer tot een kerk rekende – dat was op 31 december 1899 nog maar 2,3 procent geweest. In Zeeland was het veel minder: 6,6 procent in 1947 tegen 1,2 procent in 1899. Voor een deel wordt ontkerkelijking veroorzaakt door migratie en mobiliteit: als mensen door verhuizing de banden verliezen met hun achtergrond, kunnen ze makkelijker ook de band met een geloofsgemeenschap kwijtraken.

Ook is het bekend dat in grotere steden, in gebieden met zware industrie en in gebieden met uitgebreide bureaucratische systemen de levenskracht van levensbeschouwelijke instellingen zoals kerken afneemt. Dat komt omdat zulke instellingen, zoals de kerkhistorici Chadwick en Evans het zeggen, gebaseerd zijn op persoonlijke en gemeenschappelijke verbanden: ‘Sociale en geografische mobiliteit en snelle veranderingen hollen de band met de geïnstitutionaliseerde godsdienst uit.’


Wel, tot aan de jaren vijftig stond Zeeland nu juist bekend als een traditionele samenleving waar juist weinig veranderde. Veel mensen trokken er weg, maar er kwamen weinig buitenstaanders wonen en er was weinig industrie. De kerkelijke kaart van de provincie vertoonde dan ook een relatief gunstig beeld ten opzichte van heel Nederland. Tot en met de jaren zestig bleef het stijgingspercentage van de niet-kerkelijken bij de volkstellingen in Zeeland achter bij het stijgingspercentage over heel het land. Misschien moet ik gewoon de cijfers eens op een rijtje zetten:

1909: Nederland 5,0 procent onkerkelijken, Zeeland 2,2 %.

1920: Nederland 7,8 procent, Zeeland 2,8 %

Was de verhouding tussen het Zeeuwse en het Nederlandse cijfer in 1899 nog één op twee, in 1920 was het bijna één op drie. Na 1900 is er dus sprake van een vertraging.Maar de volgende volkstelling laat een sprong zien in Zeeland. 1930: Nederland, 14,4 procent onkerkelijk – een kleine verdubbeling.En Zeeland: 6,3 procent. Ruim een verdubbeling. De vertraging van de seculariserende trend in Zeeland geldt dus niet tussen 1920 en 1930.

Vervolgens 1947: Nederland 17 procent onkerkelijken, Zeeland 6,6 procent. En tenslotte 1960: Nederland 18,4 procent, Zeeland 7,9.Pas in de jaren zestig gaat het secularisatieproces in Zeeland sneller dan het landelijk gemiddelde. De volkstelling van 1971 geeft 23,6 procent onkerkelijken voor Nederland en 13,3 voor Zeeland. In het hele land dus toename met ruim een kwart, in Zeeland met ruim tweederde.

In de vijftien jaar die volgen zien we een enorme versnelling. Cijfers uit een steekproef onder de bevolking in 1985 geven voor Zeeland aan dat 40,5 procent zich niet gebonden voelde aan enige geloofsgemeenschap tegen 48,7 procent landelijk. Zeeland is dan vergelijkbaar met Overijssel en Gelderland, de Randstad-provincies en het Noorden zijn onkerkelijker, Brabant en Limburg nog minder geseculariseerd.


Wie het wil hebben over de kerkelijke kaart van Zeeland in de 20e eeuw, ontkomt er niet aan om die relatieve vertraging van de ontkerkelijking – eerst tussen 1900 en 1920 en dan weer tussen 1930 en 1960 – te proberen te verklaren. Dat betekent relatief veel aandacht voor de kerk die de meeste leden verloor, de Hervormde kerk. De kerkelijke kaart van onze provincie gaf immers voor de Rooms-Katholieke kerk, de Gereformeerde Kerk én de kleinere kerken tot en met 1960 heel weinig verschuivingen te zien.

Toch eerst even de Katholieke kerk. Zowel in Zeeland als landelijk groeide die tussen 1900 en 1971: door de bekende grote Katholieke gezinnen en in Zeeland bovendien door de komst van katholieke Belgen naar Zeeuws-Vlaanderen. Die kwamen werken in de fabrieken van Sas van Gent, Sluiskil, Sint-Jansteen en Clinge, óf ze kwamen als pachter of landarbeider naar één van de vele boerderijen in Zeeuws-Vlaanderen met een Franse of Belgische eigenaar. Zulke grootgrondbezitters hadden een voorkeur voor katholieke pachters en personeel, terwijl vooral uit West Zeeuws-Vlaanderen veel hervormden wegtrokken als ze iets méér geleerd hadden dan alleen Lagere School. Het Westelijk Deêl was immers op Breskens na puur agrarisch en werd snel gemechaniseerd.

In feite was de langzame intocht van Katholieken al sinds diep in de 19e eeuw aan de gang. Vooral in Aardenburg, IJzendijke, Sluis, Sint Kruis en Hoofdplaat werden de protestanten steeds meer een minderheid van de bevolking. Helemaal ongemerkt ging dat proces natuurlijk niet voorbij. Vooral in het stadje Aardenburg was er sterk verzet van de oude protestantse elite, met name nadat in 1934 voor het eerst een katholieke burgemeester was benoemd, burgemeester Overmaat.

Het verzet bereikte haar hoogtepunt in de chaotische maanden na de bevrijding door de Canadezen eind 1944, toen Overmaat, tegenin de verwachtingen van de plaatselijke politie – met aan het hoofd enkele gereformeerden – door het Militair Gezag als burgemeester van Aardenburg gehandhaafd werd. Ik citeer nu uit een brief van Overmaat aan Commissaris der Koningin Quarles van Ufford: ‘Ik deel U mede, dat op Zaterdag 3 Februari 1945, des avonds omstreeks 20.10 een moordaanslag op mij is gepleegd door het werpen van vermoedelijk stee handgranaten in mijn werk- en spreekkamer gelegen aan de Markt no. 2 alhier. Door de omstandigheid, dat ik mij een kort ogenblik uit deze kamer had verwijderd, bleef ik ongedeerd.’ Vervolgens vonden de hogere overheden het toch maar beter om Overmaat, gezien de situatie, uit zijn functie te ontheffen.

Goed, wij moeten dus terug naar de eerste helft van de eeuw voor een nadere blik op de kerkelijke kaart. Wáár vond de ontkerkelijking plaats en waar niet? In 1899 was de meest geseculariseerde gemeente van Zeeland, met 5,1 procent onkerkelijken, een Zuid-Bevelandse gemeente: Kruiningen. Dat lag uiteraard aan het dorp Hansweert, waar veel mensen van buiten waren komen wonen door de vestiging van fabrieken en door alles wat te maken had met de drukke scheepvaart: handel, douane, horeca enzovoort. Het interessante aan Hansweert is dat de kerken hier gewoon in de loop van de tijd hun terrein terugwinnen. Bij de volkstelling van 1920 is het aantal onkerkelijken in Kruiningen teruggezakt onder de vijf procent en de gemeente past verder in het algemene patroon van het Zuid-Bevelandse platteland.

De nadruk die kerkhistorici leggen op industrie en mobiliteit als dreiging voor de gevestigde kerken klopt dus wel in het geval van Hansweert. Bij de gemeenten in Zeeland met in 1899 tussen 2 en 5 procent onkerkelijken, zien we ook de steden Middelburg, Vlissingen en Goes en Breskens met zijn fabrieken en havenfunctie. Vlissingen, met zijn vele metaalbewerkers die van overal komen en zijn sterke radicaal-socialistische beweging met destijds een anti-kerkelijke inslag, is vanaf 1920 de Zeeuwse gemeente met de meeste onkerkelijke inwoners. Middelburg, met zijn vele ambtenaren en leraren die elders in Nederland geboren zijn en met toch ook wel wat industrie, neemt vanaf de volkstelling van 1930 wat onkerkelijkheid betreft de tweede plaats in. Daarna komen Souburg, zoals bekend een satellietgemeente van Vlissingen met heel veel werknemers van De Schelde en Breskens. Interessant genoeg, blijkt de secularisatie in Breskens na 1930 tijdelijk op zijn retour: 16,5 procent in 1930, 11,3 procent in 1947. En dat in de gemeente die van alle Zeeuwse gemeenten het zwaarst onder de Tweede Wereldoorlog geleden heeft. Was er misschien sprake van: nood leert bidden? Algemeen wordt toch gezegd dat in tijden van oorlog, en de Tweede Wereldoorlog wordt dan voor Nederland wel als voorbeeld genomen, de kerken weer volstroomden. Zowel de Hervormde, de Gereformeerde áls de Katholieke kerk blijkt in 1947 in Breskens gegroeid ten opzichte van 1930.

Genoeg over de Zeeuwse steden en de industrie. We gaan naar het platteland. Was er buitenkerkelijkheid op het Zeeuwse platteland in de periode vóór de jaren zestig? Die was er zeker en als we goed kijken wáár die buitenkerkelijkheid voorkwam, dan zien we ook weer patronen die we kennen uit de rest van Nederland. Aanzienlijke kerkverlating op het Nederlandse platteland was er vóór en rond 1900 al in delen van Groningen en Friesland en de Zaanstreek. Belangrijke factoren waren de sociale tegenstellingen en daarbij speelde de vroege socialistische beweging rond figuren als Multatuli en Domela Nieuwenhuis een rol. De laatste, een voormalige hervormde predikant, werd door de Friezen ook wel als hun verlosser gezien: Ús Ferloaser.

De Zeeuwse plattelandsgemeente waar in 1920 de meeste buitenkerkelijken woonden, was Dreischor op Schouwen. Hier was in de jaren 1890 al een kern van bewonderaars van Multatuli, Domela Nieuwenhuis, Charles Darwin en Émile Zola. Omdat er naderhand vooral degelijk orthodoxe dominees waren, bleef de kerkverlating in Dreischor echter tot 1970 beperkt tot 5 à 10 procent van de bevolking.

De achtergrond hiervan is natuurlijk – dat moet erbij verteld worden – dat er in grote delen van Schouwen en West Zeeuws-Vlaanderen en enkele plaatsen op Zuid-Beveland, Walcheren en Tholen in de 19e eeuw een hele tijd vrijzinnige dominees stonden. Door de democratisering van de kerkorde sinds 1873 werden er wel op steeds meer plaatsen meer orthodoxe voorgangers beroepen, maar het duurde enige tijd voor dat doorwerkte. Die vrijzinnige achtergrond is vermoedelijk de oorzaak van het voorkomen van buitenkerkelijkheid in gemeenten als Cadzand, Veere, Koudekerke, Brouwershaven en Haamstede al bij de volkstelling van 1930.

Diezelfde volkstelling bepaalt ons bij nog een factor van enig belang: de sociale tegenstellingen. We zien in 1930 als de agrarische gemeente met de hóógste buitenkerkelijkheid in Zeeland een plaatsje in West Zeeuws-Vlaanderen: Retranchement. De oorzaak daarvan is bekend: de grote landarbeidersstaking van 1930. Een sociologisch rapport uit de jaren veertig meldt het volgende: ‘Enige middenstanders, onder wie een ouderling, hebben toen voor de boeren onderkruiperswerk verricht, wat weer aanleiding gaf tot hevige conflicten. Deze ouderling heeft zich later verzet tegen toetreding tot de kerk van een der voormannen der stakende arbeiders. Hij werd toen gedwongen uit de kerkeraad te gaan, maar is later toch weer in dit college opgenomen.’

Oftewel: een deel van de landarbeiders associeerde de kerk met de macht van de heersende boerenstand en keerde de kerk vervolgens de rug toe. Na de Eerste Wereldoorlog vormt de sociale kwestie hét grote item in de politiek en komt ook in Zeeland het socialisme op. Waarschijnlijk is dat de achtergrond waartegen we de relatief sterk doorzettende ontkerkelijking in de jaren twintig moeten zien. De buitenkerkelijkheid wordt véél groter in de steden en ook in plaatsen als Cadzand, Domburg en Brouwershaven zijn de sociale tegenstellingen levensgroot.

In de eerste decennia ná de Tweede Wereldoorlog bepalen de sociale tegenstellingen veel minder de sfeer op het platteland en dat zou ook mede de reden kunnen zijn waarom de kerkverlating in Zeeland weer vertraagt. Het zijn de jaren van de wederopbouw, samen de schouders eronder – en voor het eerst worden de landarbeiders in Zeeland betaald volgens een CAO die voor een groot deel van Nederland geldig is. Er hoeft eindelijk niet meer onderhandeld te worden met de landbouwers in het eigen dorp. Mensen beginnen weer naar de steden te trekken als fabrieksarbeider en zo groeit bijvoorbeeld de Rooms-Katholieke bevolking van Vlissingen, Souburg en Terneuzen door een instroom van mensen uit respectievelijk West- en Oost- Zeeuws-Vlaanderen.

De kerk die vooral leden verliest in Zeeland is – nog steeds – de Hervormde kerk. Níet alleen door kerkverlating, maar ook doordat hervormden, die oververtegenwoordigd zijn onder de landarbeiders, relatief meer dan anderen naar elders verhuizen. Die tendens is aanwijsbaar voor Stavenisse en Scherpenisse op Tholen, Oosterland, Ouwerkerk en Brouwershaven op Schouwen-Duiveland, Nieuwland op Walcheren, Borssele en Nisse op Zuid-Beveland en hier en daar in Zeeuws-Vlaanderen. De buitenkerkelijkheid nam tot 1960 nog het snelst toe in het land van Cadzand, het oude kernland van West Zeeuws-Vlaanderen en in noordelijk Schouwen: Renesse, Noordwelle, Ellemeet en Elkerzee. Hier speelde vooral de vrijzinnige achtergrond van de twee regio´s een rol. Ik citeer nu landbouwhistoricus Piet van Cruyningen:

‘De hervormden van het Land van Cadzand hadden een pragmatische instelling en waren weinig dogmatisch …zowel vrijzinnigen als orthodoxen. Een voordeel daarvan was dat tegenstellingen … niet leidden tot heilloze conflicten met scheuringen als gevolg. Een ‘nadeel’ was dat de leden van de hervormde kerk hier open stonden voor nieuwe niet-religieuze opvattingen en zich daardoor van de kerk konden verwijderen. Dat laatste gebeurde dan ook, op z’n Cadzands, dat wil zeggen geruisloos. Mensen stapten niet bewust uit de kerk, maar gleden er langzaam uit weg. Kinderen werden niet meer gedoopt, degenen die wel gedoopt waren deden geen belijdenis meer.’ Voor een deel van de arbeiders nam het socialisme de rol van de kerk over en later was het snel ontwikkelende toerisme mogelijk ook een duwtje in de rug bij de kerkverlating – dat kan ook voor de vrijzinnigen in het noorden van Schouwen hebben gegolden.

Zo zijn we in feite al beland bij het laatste deel van de 20e eeuw met zijn aanzienlijke kerkverlating vooral bij leden van de grotere kerkgenootschappen. Als we nu kijken naar de volkstelling van 1971, dan zien we een vrij algemeen patroon van secularisatie ten koste van de Hervormde kerk, voornamelijk in het westen van Zeeland: de gemeenten Westerschouwen en Brouwershaven, St. Maartensdijk, Tholen-stad, Kortgene, Westkapelle, Domburg, Valkenisse en Middelburg, Vlissingen en Oostburg.

Kerkverlating zien we verder nog in hervormd Terneuzen, terwijl in hetzelfde Terneuzen de katholieke kerk nog groeit. En dat is dan duidelijk door import uit het Zeeuws-Vlaamse achterland. Vele honderden mensen uit de dorpen vestigen zich in Terneuzen – de stad van de DOW waar in het midden van de jaren zestig vaak méér dan duizend woningen tegelijk in aanbouw zijn.

Ja, hoe is het intussen met Rooms-Katholiek Zeeland? Over heel Zeeland genomen is er in de jaren zestig niet eens kerkverlating onder katholieken. Kijken we naar gemeenten, dan zien we het beginnen in Sas van Gent en in mindere mate Aardenburg. In de regio Hontenisse – Hulst is alles stabiel en die situatie sluit aan bij het katholicisme in een aanzienlijk deel van Brabant en vooral Limburg. ‘Kerkverlating,’ zo schreef een godsdienstsocioloog daarover in 2007, ‘is binnen een relatief homogene cultuur blijkbaar minder aantrekkelijk dan in een pluralistische situatie.’ De Rooms-Katholieken verkeren, nog meer dan hervormden, in een echte volkskerk waarin de leek ‘het passieve object van de zielzorg’ is.

De druk van de onkerkelijkheid van de omgeving, zoals in Holland en Utrecht, stimuleert in dit kerktype het snelst tot kerkverlating. Dat kan ook betekenen dat, als het hek eenmaal van de dam is, dat de kerkverlating onder katholieken dan ook hard gaat. Gezien het aantal parochiesluitingen in de laatste tien jaar op Walcheren en in Zeeuws-Vlaanderen, lijkt de ontwikkeling daar nu in die fase te zijn beland. Waarom de kerkverlating begon in Sas van Gent is duidelijk: veel nieuwkomers, industrie, en een deel van de Belgische import kwam uit een regio over de grens met een sterke socialistische traditie.


Ik heb nu nog vijf minuten om iets zinnigs te zeggen over de allerlaatste fase van de protestantse kerkverlating en het kerkelijk randverkeer in Zeeland. Dat is niet eenvoudig in kort bestek en ik zal me dan ook beperken tot een paar observaties.

In de eerste plaats de kleinere protestantse kerkgenootschappen. Het valt op, aldus een collega wetenschapper in 1992, ‘dat de orthodox protestantse kerken na 1971 hun aandeel in de bevolking vrijwel op peil hebben weten te houden… Ongetwijfeld heeft een hoog geboortencijfer hieraan in belangrijke mate bijgedragen. In de periode 1966 – 1971 lag het ruwe geboortencijfer van deze gereformeerden 31 tot 38 procent boven het landelijk gemiddelde.’ Vanaf circa 1975 gaan er echter ook uit deze kerken meer mensen over tot de onkerkelijkheid en vooral lidmaatschap van een ándere kerk. ‘Slechts de natuurlijke aanwas voorkomt een teruggang in ledental.’

Een bijzondere ontwikkeling in Zeeland is de aanhoudende groei van de Gereformeerde Gemeenten tussen 1990 en 2010 in de regio Zuid-Beveland. Tegenover stagnerende ledentallen in de classes Middelburg en op Tholen en Duiveland, staat een groei van de classis Goes met maar liefst 33 procent. Hier moet de centrale functie van bijvoorbeeld het Calvijn College met zijn aantrekkingskracht op leraren enzovoort mede een rol gespeeld hebben. Zuid-Beveland vertegenwoordigt ook meer de middenrichting in de Gereformeerde Gemeenten, terwijl de classis Middelburg meer aanleunt tegen bijvoorbeeld de Gereformeerde Bond. Bij een landelijke richtlijn ten gunste van de middenrichting of zelfs de meer rechtse richting in de Gereformeerde Gemeenten, zullen vooral in regio’s als Walcheren mensen overgaan naar de PKN of de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Kerkelijk randverkeer zien we trouwens al een rol spelen als we de volkstelling van 1971 vergelijken met die van 1960: tegenin de landelijke trend groeide in Zeeland het aandeel van de gewone Gereformeerden in de bevolking met één tiende. De Gereformeerde Kerken in Nederland vormden blijkbaar een toevlucht voor hervormden in een bepaald deel van de provincie: Middenschouwen, Zierikzee, Duiveland, Bruinisse, Poortvliet en Kapelle. Migratie moet ook een rol gespeeld hebben: hervormden die wegtrekken en gereformeerden, oververtegenwoordigd in de boerenbevolking, die blijven. Een derde factor is het verlies van de kleine gereformeerde kerkgenootschappen aan de Gereformeerde Kerken in deze gemeenten: mensen die de Gereformeerde Gemeenten of de Christelijke Gereformeerde Kerken verlaten, kiezen in deze regio blijkbaar eerder voor de Gereformeerde Kerken waar in deze jaren nog geen sprake is van vrijzinnige neigingen. Zo Ledeboeriaans als Walcheren is bevindelijk Schouwen-Duiveland nooit geweest. Integendeel: de Hervormde kerk had er nu eenmaal vanouds de naam van vrijzinnigheid en al was dat alweer generaties geleden, zulke beelden zullen toch hebben doorgewerkt. Een keuze voor de GKN lag dan voor de hand.



Ik moet nu tot een afronding komen en daarbij maak ik mijn excuses dat ik niet toegekomen ben aan verschijnselen zoals verzuildheid en zuilentrouw en dat bijvoorbeeld de regio Tholen wat buiten beeld is gebleven. Dat was allemaal niet te doen in de mij toegemeten 25 minuten en ik wilde toch de grote lijnen in de 20e eeuw goed neerzetten met duidelijke illustraties, enigszins gespreid over heel Zeeland en de verschillende denominaties. Wat Tholen betreft krijg je toch een verhaal waarin de verschillende typen prediking binnen de Hervormde kerk een aparte rol spelen en dat vergt dan weer extra uitleg – zoiets lukt niet in kort bestek.

Ik hoop in elk geval dat de grote lijnen duidelijk zijn geworden en dat er wat van blijft hangen. De christelijke kerk in Zeeland beperkt zich niet tot de bevindelijk gereformeerden die dit schoolgebouw hebben gesticht en wederzijdse belangstelling overheen de kerkmuren is in de 21e eeuw waarschijnlijk hard nodig – een reden te meer waarom ik hoop dat deze lezing u allen heeft geboeid.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina