De kwalificatie van de (arbeids)overeenkomst



Dovnload 142.9 Kb.
Pagina1/4
Datum22.08.2016
Grootte142.9 Kb.
  1   2   3   4

De kwalificatie van de (arbeids)overeenkomst




1. De (r)evolutie van de cassatierechtspraak inzake de (her)kwalificatie van de overeenkomst
1.1

Tot vóór een cassatiearrest van 23 december 20021 ging de heersende leer, mede gesteund op cassatiearresten2, ervan uit dat de feiten, o.m. de feitelijke gezagsuitoefening, primeerden op de kwalificatie om te bepalen of er al dan niet een arbeidsovereenkomst voorhanden is. De rechter was niet gebonden door de kwalificatie en de kwalificatie was slechts één van de beoordelingselementen, maar de ‘feitelijkheid’ of ‘realiteit’ primeerde3. Bovendien was men van oordeel dat bij herkwalificatie de bewijskracht van de akte niet werd miskend. Komen dan vanaf eind 2002 een aantal cassatie-

arresten die onmiskenbaar een ommekeer van de jurisprudentie inluiden4. In 3 arresten van de derde Franstalige kamer van het Hof van Cassatie beslist ons hoogste rechtscollege dat een wijziging van de kwalificatie van de overeenkomst door partijen slechts is toegelaten indien de aan de rechter voorgelegde gegevens die kwalificatie uitsluiten. De eerste zaak, beslecht op 23 december 2002, was een RSZ-zaak5. Een latere zaak, evenwel een arbeidszaak (Cora), is op bijna identieke wijze gemotiveerd6. In deze zaak was er wellicht geen geschreven overeenkomst en het cassatiemiddel vertrok van de bindende kracht van de overeenkomst en de noties “arbeids- en aannemingsovereenkomst”. Geheel in dezelfde lijn ligt een cassatiearrest van 8 december 20037.

De rechtspraak van de derde Nederlandstalige kamer is enigszins anders geformuleerd. Een cassatiearrest van 3 mei 2004 betrof opnieuw een RSZ-zaak, zonder geschreven overeenkomst aan de grondslag van het geschil. En wederom oordeelt het Hof dat het de feitenrechter toekomt na te gaan aan de hand van de feitelijke gegevens van de zaak of de gezagsverhouding in werkelijkheid bestaat maar dat de kwalificatie door partijen als overeenkomst van zelfstandige samenwerking tussen kinesist en opdrachtgever enkel terzijde mag worden geschoven wanneer die feitelijke gegevens onverenigbaar zijn met zelfstandige arbeid8.

Het Hof stipt nog aan dat er in deze zaak geen wettelijk vermoeden gold, en dat de feitenrechter, door te oordelen dat de feiten niet onverenigbaar zijn met de kwalificatie van de overeenkomst aan deze kwalificatie niet de bewijswaarde van een wettelijk vermoeden toekent. Opnieuw in een RSZ-zaak overweegt het Hof van Cassatie op 6 december 2004 dat de rechter de kwalificatie niet mag wijzigen indien de elementen aan zijn beoordeling onderworpen niet toelaten die kwalificatie uit te sluiten. Het Hof herhaalt zijn overweging inzake kwalificatie en ontstentenis van bewijswaarde van een wettelijk vermoeden. Interessant is evenwel de toevoeging dat de rechter ook rekening mag houden met de wil van de partijen bij zijn onderzoek of de aangehaalde bewijselementen stroken met de kwalificatie9.
1.2

Het belang van deze jurisprudentie is groot. De arresten werden geveld zowel in geschillen tussen werkgever en werknemer als in betwistingen ter inning van de sociale zekerheidsbijdragen voor werknemers. Sociaal recht wordt niet gekenmerkt door aanvullende wetsbepalingen. Zo neemt men over het algemeen aan dat de bepalingen inzake het toepassingsgebied van de sociale zekerheid voor werknemers en zelfstandigen de openbare orde raken10. Niettemin overwoog het Hof van Cassatie in een RSZ-zaak slechts dat de wettelijke omschrijving van een arbeidsovereenkomst, “waarop het sociaalzekerheidsrecht van de werknemer is gestoeld, van dwingend recht is, zodat partijen hiervan niet kunnen afwijken door aan de arbeidsovereenkomst een andere kwalificatie te geven”11.

Het staat vast dat, nu het Hof van Cassatie zijn bakens heeft verzet, zulks zijn weerslag reeds heeft gehad en nog zal hebben op de jurisprudentie van de arbeidsgerechten12. Het valt op dat tot dusverre de feitenrechters de jurisprudentie van het Hof van Cassatie volgen, en hierbij, zoals het Hof van Cassatie zelf, weinig of geen onderscheid maken tussen arbeidszaken en RSZ-geschillen13.
1.3

De gevolgen van deze jurisprudentie zijn verstrekkend.

Ten eerste moet de rechter bij de bepaling van de overeenkomst, d.i. de juridische benaming ervan, de kwalificatie die partijen eraan gegeven hebben, als uitgangspunt nemen14.

Ten tweede dient men de notie ‘kwalificatie’ van de overeenkomst zeer breed te begrijpen, nu het Hof van Cassatie zijn jurisprudentie geenszins beperkt tot geschillen met een geschreven overeenkomst. Minstens in de zaken leidend tot de cassatiearresten van 3 mei 2004 en 6 december 200415, lag er geen geschreven overeenkomst voor. Het Hof van Cassatie maakte tot dusverre geen onderscheid tussen geschillen met of zonder schriftelijk contract. Met andere woorden, er komt groot gewicht toe aan rechtstreekse en onrechtstreekse of impliciete kwalificatie door partijen. M.a.w. de kwalificatie van partijen mag niet van de hand worden gewezen om de enkele reden dat ze onrechtstreeks is16.


Opvallend is ten derde dat het niet gaat om de miskenning van de bewijskracht van de geschriften, maar om de bindende kracht van de overeenkomst, vervat in artikel 1134 BW en van de noties ‘arbeidsovereenkomst’ en ‘aannemingsovereenkomst’17. Wel verwijst het Hof van Cassatie naar de regels inzake de bewijslast18.

Dit betekent ten vierde, geheel in de lijn van de vorige constatering, dat rekening mag en moet worden gehouden met de wil van de partijen19.



Het is gepast hier een kleine rechtsvergelijkende parenthese te formuleren.

Het is opvallend dat in dezelfde periode de Nederlandse Hoge Raad zijn jurisprudentie in dezelfde richting heeft gestuurd als het Hof van Cassatie in die zin dat de bedoeling van de partijen meer centraal komt te staan! In Nederland definieert artikel 7:610 BW de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst op grond waarvan in ondergeschiktheid arbeid wordt verricht tegen loon. Werkzaamheden verrichten buiten gezag om geschiedt krachtens een ‘aanneming’ of ‘opdracht’. De vernieuwing van de rechtspraak werd ingezet met een arrest van 14 november 199720. De Hoge Raad besliste: “Hiermee heeft de rechtbank kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten, en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven”21. Opvallend is dat de partijbedoeling centraal staat22. Aldus overwoog de Hoge Raad in een belangrijk arrest van 10 december 2004: “dat partijen die een overeenkomst sluiten welke strekt tot het verrichten van werk tegen betaling deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven” 23. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad had o.m. het volgende geconcludeerd: “De rechtbank kon de zaak dus niet uitsluitend afdoen op basis van hetgeen is gesteld betreffende de wijze van feitelijk aan overeenkomst uitvoering hebben gegeven: van belang is in de eerste plaats wat beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond”24. Opvallend is dat de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Belgische Hof van Cassatie thans afwijkt van de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie, waar men nog veel meer vast houdt aan het werkelijkheidsprincipe. Aldus overwoog het Franse Hof in het zogenaamde arrest ‘Labbane’-arrest: “Attendu que l’existence d’une relation de travail ne dépend ni de la volonté exprimée par les parties, ni de la dénomination qu’elles ont donné à leur convention mais des conditions de fait dans lesquelles est exercée l’activité des travailleurs (…) Qu’en statuant comme elle l’a fait, alors que, nonobstant la dénonciation et la qualification données au contrat litigieux l’accomplissement effectif du travail dans les conditions précitées prevues par ledit contrat et les conditions générales y annexées, plaçait le ‘locataire’ dans un état de subordination à l’égard du ‘loueur’ et qu’en conséquence, sous l’apparence d’un contrat de location d’un ‘véhicule taxi’ était en fait dissimulée l’existence d’un contrat de travail, la cour a violé les textes susvisés”25.

Ten vijfde onderstreep ik nog het volgende omtrent de nieuwe cassatierechtspraak. Wanneer partijen de overeenkomst als een zelfstandige samenwerking of aanneming hebben gekwalificeerd, weegt er op de partij of derde, b.v. de RSZ, die deze kwalificatie wil betwisten een zware bewijslast. Het volstaat niet dat de betwister het bestaan van de arbeidsovereenkomst aannemelijk maakt; hij moet feitelijke gegevens aandragen die een zelfstandigenovereenkomst uitsluiten of daarmede onverenigbaar zijn, of om het met de woorden van het Hof van Cassatie te formuleren: feitelijke gegevens die de zelfstandige samenwerking ontzenuwen26.

Ten zesde is het natuurlijk zaak na te gaan welke feitelijke elementen een zelfstandige samenwerking uitsluiten of ermee onverenigbaar zijn. Hier ligt een delicate taak voor de feitenrechter om alle gegevens zaak per zaak te beoordelen. Maar in ieder geval kan worden herhaald dat loutere economische afhankelijkheid onvoldoende is27. Emeritus eerste voorzitter van het Hof van Cassatie Marchal wijst er overigens terecht op dat het criterium van de economische afhankelijkheid misschien wijst op de contaminatie van het arbeidsrecht door de sociale zekerheid die de uitbreiding voorziet van het toepassingsgebied van de RSZ-wet tot personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten volgens modaliteiten gelijkaardig aan die van een arbeidsovereenkomst. Het gaat daarbij telkens om personen die arbeiden in een toestand van economische afhankelijkheid28.

Wat natuurlijk wel de kwalificatie van zelfstandige samenwerking uitsluit, is het voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende gezag, en a fortiori gezagsuitoefening29. In geval van kwalificatie van zelfstandige samenwerking volstaan feitelijke gegevens die de mogelijkheid van gezagsuitoefening niet uitsluiten, geenszins.

Septimo. Sommige auteurs hebben in de sterke evolutie van de cassatierechtspraak een civilistische wending gezien30. Anderen zoals de voormalige Eerste Voorzitter van het Hof van Cassatie Marchal betwisten dat het zou gaan om “une dérive ou une régression civiliste”31. Hij wijst erop dat het arbeidsrecht niet afwijkt van het gemene bewijsrecht waarin de voorrang wordt gegeven aan het geschrift. M.i. krijgen we met de nieuwe cassatierechtspraak met twee referentiekaders te maken. Onmiskenbaar vertoont de jurisprudentie een civielrechtelijk trekje door meer dan vroeger de wil van partijen, en dus de wilsautonomie, tot uitgangspunt te nemen via de kwalificatie van de arbeidsverhouding door partijen. Maar een tweede kenmerk van de jurisprudentie kadert in de zgn. (beperkte) autonomie van het arbeidsrecht. De jurisprudentie van het Hof van Cassatie heeft niet teruggrepen naar de civielrechtelijke regels inzake het bewijs, maar naar de verbindende kracht van de overeenkomst. In enkele casussen was er geen geschreven overeenkomst en maakt het Hof van Cassatie kennelijk geen onderscheid tussen rechtstreekse of onrechtstreekse kwalificatie. De ‘kwalificatie’ is de centrale notie in de cassatierechtspraak geworden. Al evenmin is in deze jurisprudentie uitvoerig ingegaan op de interpretatie van overeenkomsten volgens de regels van het overeenkomstenrecht. En tot slot, maar niet in het minst, differentieert het Hof van Cassatie niet tussen de contractspartijen bij de overeenkomst tot arbeidsprestaties en de belanghebbende derde, n.l. de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
1.4
Hierboven werd er reeds kort op gewezen dat in de jurisprudentie van de Hoge Raad van 10 december 2004 de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst het vertrekpunt is van de kwalificatie van de overeenkomst, weliswaar mede in het licht van de feitelijke uitvoering van de overeenkomst32. Dit arrest ligt geheel in de lijn van een eerder arrest van de Hoge raad van 14 november 199733 . Zoals Loonstra en Zondag echter terecht betogen, kan de rechter niettemin, zelfs indien partijen geen arbeidsovereenkomst hadden beoogd, in het licht van de hele rechtsverhouding en met name de uitvoering van de overeenkomst, tot de bevinding komen dat er zodanige gezagsverhouding bestond dat van een arbeidsovereenkomst moet worden gesproken34. Maar de auteurs merken terecht op dat het verstrekken van instructies in de werkrelatie niet zonder meer betekent dat een zodanige gezagsverhouding aanwezig is dat tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet worden besloten.

Voor een goed begrip is bovendien het nuttig te signaleren dat er in Nederland een weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de wet is opgenomen indien de arbeid wordt gekenmerkt door een bepaalde duurzaamheid, d.i. drie opeenvolgende maanden, en een bepaalde omvang, d.i. wekelijks dan wel 20 uur per maand35. Met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid werd er per 1 januari 1999 dus een algemeen vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst gecreëerd. Met dit wetsartikel poogde de wetgever een halt toe te roepen aan onduidelijke situaties36. Dit wettelijke vermoeden impliceert in bepaalde gevallen een omkering van de bewijslast37. Deze omkering van de bewijslast heeft opmerkelijk genoeg evenwel niet geleid tot een substantiële wending in de rechtspraak. En dat was ook niet de bedoeling De bedoeling van de wetgever was op te treden in situaties waarbij onduidelijkheid bestaat over de aard van de relatie38. Ook in Nederland moet rekening worden gehouden met de bewijsregels39. Met name moet rekening worden gehouden met de dwingende bewijskracht van akten, als geregeld in artikel 157 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering40. Sommige auteurs hebben geëxpliciteerd dat artikel 157 Burgerlijke rechtsvordering niet opzij gezet wordt door het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW41, maar dit wordt betwist door andere auteurs,volgens de welke de loutere voorlegging van een schriftelijke andersluidende arbeidsovereenkomst het wettelijke vermoeden niet kan weerleggen42.




2. Wettelijk vermoede arbeidsovereenkomsten
2.1

In een aantal gevallen wordt het bestaan van een arbeidsovereenkomst op weerlegbare wijze vermoed. Dit is het geval voor de arbeidende student43, de apothekers werkzaam in een voor het publiek toegankelijke officina44 en de handelsvertegenwoordigers45. In geval van zulk wettelijk vermoeden kan de kwalificatie van partijen natuurlijk niet tot uitgangspunt worden genomen46. Niettemin hebben de zgn. ‘kwalificatiearresten’ toch hun doorwerking in de recente cassatierechtspraak inzake de weerlegging van het wettelijk vermoeden. Deze rechtspraak van het Hof van Cassatie legt andere klemtonen dan de vroegere jurisprudentie van ons opperste rechtscollege.

Het Hof van Cassatie overweegt dat het tegenbewijs van het in artikel 4, lid 2, WAO gestelde vermoeden niet volgt uit de loutere gemeenschappelijke bedoeling van partijen om een zelfstandige vertegenwoordiging te sluiten, of een andersluidende kwalificatie aan hun overeenkomst hebben gegeven, en het feit dat partijen zich gedurende de hele periode van tewerkstelling niet als door een arbeidsovereenkomst verbonden hebben geacht, maar wel indien is vastgesteld dat de omstandigheden van werkelijke uitvoering van de overeenkomst de gezagsverhouding uitsluiten.

Daarmee wijzigt het Hof van Cassatie eerdere rechtspraak waarin het Hof van Cassatie het middel verwierp dat aanvoerde dat om het wettelijke vermoeden van een arbeidsovereenkomst te weerleggen de werkgever gegevens moet aanbrengen die het bestaan van een arbeidsovereenkomst uitsluiten en niet enkel gegevens waaruit het bestaan van zelfstandige vertegenwoordiging kan worden opgemaakt47. Zoals W. van Eeckhoutte opmerkt, kan men met een beetje goede wil uit dit arrest afleiden dat beslist werd dat het niet nodig is dat de feitenrechter vaststelt dat een arbeidsovereenkomst uitgesloten is. En in 1981 oordeelde het Hof van Cassatie zelfs dat de rechter het tegenbewijs kan afleiden uit de gemeenschappelijke werkelijke bedoeling van de partijen een overeenkomst van zelfstandige vertegenwoordiging te sluiten48.

Het Hof is thans op die jurisprudentie blijkbaar teruggekomen49. Terecht schrijft prof. Van Eeckhoutte “dat het Hof van Cassatie er blijkbaar is voor teruggedeinsd bij het bestaan van een wettelijk vermoeden van een arbeidsovereenkomst, de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen de plaats te geven die de bedoeling, door het valoriseren van de kwalificatie van partijen, wel toekent in geval er geen wettelijk vermoeden van een arbeidsovereenkomst is”50. Er is dus thans minder ruimte om het wettelijk vermoeden te weerleggen51.
2.2

In sommige gevallen hanteert de wetgever een onweerlegbaar vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Zo worden bijkomende prestaties ter uitvoering van een aannemingsovereenkomst op onweerlegbare wijze geacht te zijn uitgevoerd krachtens een arbeidsovereenkomst indien partijen reeds verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor gelijkaardige prestaties52. Terecht schrijven Van Limberghen en Nevens dat voor de toepassing van dit vermoeden het niet volstaat dat de gelijkaardige prestaties enkel ressorteren onder een wetsbepaling die het sociale verzekeringssysteem van werknemers uitbreidt tot personen die arbeid verrichten in gelijkaardige omstandigheden als die van een arbeidsovereenkomst. Deze uitbreiding leidt immers niet ertoe dat de juridische aard van de arbeidsverhouding tussen partijen wordt gewijzigd53.


Een ander geval van onweerlegbaar vermoeden geldt ten voordele van uitzendkrachten54.
2.3

Omstreden is of het wettelijk vermoeden ten voordele van betaalde sportbeoefenaars wel het bestaan van de arbeidsovereenkomst zelf betreft, dan wel dat het enkel gaat om een vermoeden van een arbeidsovereenkomst voor bedienden55.


Van groot belang, en op dit punt maakt de jurisprudentie dus ook geen onderscheid tussen de partijen en een derde, n.l. de RSZ, is dat deze laatste overheidsinstelling zich, zoals de partijen, kan beroepen op de wettelijke vermoedens om het bestaan van een arbeidsovereenkomst aan te tonen56.

3. De bevoegdheid van de rechter om de overeenkomst te herkwalificeren
Alvorens in te gaan op de problematiek van de bewijsvoering en de interpretatie van overeenkomsten moet eerst even ingegaan worden op de vraag in welke mate de rechter wel de bevoegdheid/de taak heeft om de rechtshandeling of overeenkomst te herkwalificeren.

Een juiste taakbepaling van de rechter impliceert volgens de heersende leer dat de rechter ambtshalve de juiste rechtsregel toepast op het geschil, d.i. het gevorderde op basis van een feitenconstellatie (“iura novit curia”). De rechter mag en moet de hem voorgelegde rechtsfeiten of overeenkomst juist kwalificeren, ongeacht de kwalificatie die partijen aan de feiten of de overeenkomst hebben gegeven. Wel moet de feitenrechter ervoor zorgen geen geschil op te werpen waarvan partijen het bestaan door middel van hun conclusies hebben willen uitsluiten. En verder mag hij de oorzaak en het voorwerp van de vordering niet wijzigen. Het recht van verdediging mag niet worden miskend, waarbij de heropening van de debatten een nuttig instrument vormen. Maar de rechterlijke herkwalificatie van de overeenkomst wijzigt op zich niet de oorzaak van de vordering57.

Belangrijk is evenwel dat der rechter met zijn herkwalificatie de bewijskracht van de akten niet mag miskennen58. In een noot bij het besproken cassatiearrest van 23 december 2002 wordt verwezen naar een onderschat cassatiearrest van 23 november 1992. In dit arrest werd ook geoordeeld dat de rechter bij de waardering van de kwalificatie die partijen aan de overeenkomst geven, rekening moet houden met de bewijsregels, zoals Wantiez al opperde59.

4. Bewijsproblematiek
4.1 Bewijs tussen partijen

Een arbeidsovereenkomst kan mondeling worden gesloten. Het bewijs van een mondelinge arbeidsovereenkomst kan, ongeacht de waarde van het geschil, steeds met getuigen geschieden60. Ook feitelijke vermoedens zijn in dat geval toegelaten61.

Nu worden er met betrekking tot arbeidsverhoudingen ook veel geschreven arbeidsovereenkomsten opgemaakt. Artikel 12 Arbeidsovereenkomstenwet doet echter geen afbreuk aan de primauteit van het geschrift bij de bewijsvoering van de arbeidsovereenkomst, zoals die volgt uit artikel 1341 BW62.

In beginsel kan men dus niet met getuigen of vermoedens tegen en boven de inhoud van het geschrift bewijzen. Bovendien moeten partijen die hun overeenkomst schriftelijk vastlegden, overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 BW, de bewijskracht van de akten respecteren63. In een arrest van 10 januari 1994 herinnert het Hof van Cassatie eraan dat bij de interpretatie van overeenkomsten op grond van artikel 1156 BW het geschrift bewijskracht heeft, zowel wat de bewoordingen als wat de inhoud betreft64. Partijen en de rechter moeten dus de wil der partijen in de akte vinden65.

Het is ongetwijfeld de verdienste van Koen Nevens te hebben onderstreept dat de gezagsverhouding een wezenlijk element of onderdeel is van de rechtshandeling die arbeidsovereenkomst heet en als dusdanig geen rechtsfeit stricto sensu dat inter partes met alle middelen van recht zou mogen worden bewezen66. De gezagsverhouding is als wezenlijk onderdeel onderworpen aan de hoger geschetste bewijsregels67. Gezagsuitoefening is in vele gevallen wel een rechtsfeit, maar dat schuift de bewijsregels niet terzijde. Dit is hierdoor te verklaren dat voor de bijzondere categorie van rechtsfeiten sensu lato, n.l. die van de rechtshandelingen, een wettelijk gereglementeerd bewijsstelsel bestaat68. In oudere cassatiearresten69 wordt de gezagsverhouding nog beschouwd als een rechtsfeit. Dit is juist ten aanzien van derden voor de arbeidsovereenkomst en de gezagsverhouding inderdaad een rechtsfeit, maar niet tussen partijen70. De gezagsverhouding is immers het contractuele recht op gezagsuitoefening en de corresponderende verbintenis voor de werknemer de instructies op te volgen. Rechten en verbintenissen uit overeenkomsten zijn geen rechtsfeiten voor de partijen en vallen onder de toepassing van het gereglementeerde bewijsstelsel71,72.

Tot slot moet nog worden gewezen op enkele bijzonderheden met betrekking tot de draagwijdte van artikel 1341 BW.

Artikel 1341 BW impliceert niet noodzakelijk dat tussen partijen uitsluitend het geschrift bewijswaarde heeft. Er mag worden op gewezen dat het geschrift terzijde mag worden geschoven ten voordele van een buitengerechtelijke bekentenis en dat ook wel wordt aangenomen dat de onbetwiste uitvoering van de overeenkomst een buitengerechtelijke bekentenis kan uitmaken73. En in een belangrijk cassatiearrest van 23 november 1992, waarnaar wordt verwezen in een voetnoot bij het kwalificatiearrest van 23 december 2002, wordt geoordeeld dat de regel volgens welke de rechter, bij de beoordeling van de kwalificatie van de (arbeids)overeenkomst tussen partijen, niet alleen rekening dient te houden met de bepalingen van de overeenkomst, maar ook met de wijze waarop de contractuele betrekkingen feitelijk zijn verlopen, is gesteund op de wettelijke bepalingen inzake bewijslevering (art. 1341 BW)74.

Nu kan er nog nuttig worden op gewezen dat het begrip arbeidsovereenkomst wettelijk gedefinieerd is en partijen er niet kunnen over beschikken. Dit impliceert wellicht dat de bekentenis niet kon slaan op de kwalificatie van de overeenkomst75. Verder neemt men ook aan dat er geen bekentenis kan worden afgelegd met betrekking tot materies van openbare orde76. Maar enerzijds heeft het Hof van Cassatie geoordeeld in een RSZ-zaak dat de regel waarop de sociale zekerheid van werknemers steunt van dwingend recht is77. En bovendien neemt dit alles niet weg dat via de figuur van de buitengerechtelijke bekentenis wel niet rechtstreeks de kwalificatie van de overeenkomst kan worden vastgelegd, maar b.v. wel aan de hand van de uitvoering van de overeenkomst dat er gezagsuitoefening was.

De geschetste voorrang van de schriftelijke bewijsvoering en het belang van de bewijskracht van onderhandse akten moet nog enigszins gepreciseerd of gerelativeerd worden. Volgens vaste cassatierechtspraak betekent één en ander niet dat een arbeidsovereenkomst, waarvoor geen wettelijke vormvereiste geldt, niet bij mondelinge overeenkomst zou mogen worden gewijzigd. Het tegendeel is waar: zulke geschreven arbeidsovereenkomst kan zonder geschrift worden gewijzigd of vervangen78.




  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina