De liefde overleeft zichzelf 1 Kor. 13: 8-13



Dovnload 45.63 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte45.63 Kb.
VII. DE LIEFDE OVERLEEFT ZICHZELF

1 Kor.13:8-13


8.De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.

9.Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;

10.Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.

11.Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.

12.Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.

13.En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.
Een meisje in de onderwereld van Chicago. Ze was gangster van beroep, bracht ganse dagen door in beruchte kroegen en verknoeide haar jonge lichaam. Ongrijpbaar voor iedereen, zelfs voor de recherche.
Ongrijpbaar, maar niet onvindbaar voor de liefde van haar moeder. Elke dag verlangend naar haar kind. Op een dag besluit die moeder haar verloren dochter een brief te schrijven. Maar hoe kan een moeder een brief schrijven aan een spoorloos en zoekgeraakt kind, zonder vaste woonplaats?

Wat doet die vrouw? Ze laat een foto maken van haar door verdriet gerimpelde gezicht. Plakt die op een stuk papier en schrijft daaronder de woorden: 'Kom naar huis. Je moeder wacht.' Daarna laat ze er posters van maken en brengt die in de kroegen van Chicago waar ze een plaats krijgen aan de wanden.


En dan komt er een nacht waarin er iets schokkends en ongelooflijks gebeurt. Een jong meisje met een vergooid lichaam en een leeg hart zwerft door één van die lokalen van de onderwereld. Opeens staat ze stil. Daar aan de wand.... 'Kom naar huis; je moeder wacht.'

Moeder, thuis. Twee woorden die haar blijven achtervolgen en die haar straks weglokken van de weg van de dood en de ondergang. Ze gaat tenslotte. De weg naar één die wacht. De weg van de trekkende liefde. De weg naar het liefhebbende moederhart.


Terecht zegt de Bijbel, dat 'de liefde sterk is als de dood' Terecht zegt de Bijbel, dat de liefde nooit vergaat (1 Kor. 13:8). De liefde krijgt alles tegen de vlakte en gaat zelf nooit omver. Dat geldt van moederliefde. Hoeveel te meer van die liefde die God uitstort in het hart door Zijn Heilige Geest en die daarna doordringt tot de diepste schuilhoeken van ons binnenste en de verste uithoeken van de donkere onderwereld.De liefde uit God: één en al zichzelf wegschenkend en het verlorene opzoekend. Vgl. Hoogl. 8:6.
Als de zon opgaat, verbleken alle sterren
Er zijn vele dingen in dit tijdelijke leven die voorbijgaan. Ze zijn soms ook de moeite niet waard om ervoor te leven of er meer dan gewone aandacht aan te geven. Er zijn echter ook dingen die tot dit tijdelijke leven behoren en die wel de moeite waard zijn. Het zijn de dingen van Gods Geest, van Zijn 'meesterlijke' gaven, van het geloof en van de hoop. Maar zelfs ook van deze dingen kan gezegd worden, dat ze goed zijn voor een tijd; ze zijn dus in feite van relatieve waarde. De liefde echter is niet maar goed voor dit leven. Ze omspant tijd en eeuwigheid.

Voor dat laatste wordt onze aandacht gevraagd in de vss. 8-13 van het Lied der Liefde 1 Kor.13. De liefde vergaat nimmermeer; ; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden (vs.8).

Paulus doet hier een greep uit de veelheid van gaven, door hem eerder genoemd. Gaven die hij zeer waardeerde. Gaven (vooral de tongentaal en de kennis) die in Korinthe boven aan de lijst stonden. Opbouwend voor het gemeenteleven. Aanprijzenswaardig.

De apostel wil Korinthe en ons echter opgeroepen hebben om de zaak niet te overspannen en in alles de liefde de boventoon te laten voeren. Daarom laat hij de onvergankelijke waarde van de liefde zien tegen de achtergrond van vele op zich goede en nuttige zaken die evenwel toch slechts een tijdelijk karakter dragen.

In de 'tussentijd' waarin de gemeente van Christus thans leeft, de tijd tussen Christus' eerste en tweede komst zijn er de geweldige uitingen van de Geest waardoor die gemeente het kan uithouden. Er wordt geprofeteerd: God zet haar de verrekijker van Zijn Woord voor de ogen, zodat zij door de tijd heen mag zien en moed mag vatten. 2. Zij kan haar tong en lippen niet bedwingen, zodat zij in beslag genomen door Gods overmachtige Geest taalbarrières doorbreekt. Zij ziet de glorie van Gods wonderdaden in de geschiedenis, al breekt alles haast bij de handen af.

Komt allen, ziet Gods wijze wegen;

Wat is Zijn werking hoog geducht,

Hetzij Hij 't mensdom met Zijn zegen

Bezoekt of met Zijn strenge tucht.

(Ps. 66:2 ber.)


Toch komt er aan dit alles een keer een einde. Dan behoeft het niet meer. Dan gaat het allemaal aan de kant, zoals de steigers worden weggenomen, wanneer het bouwwerk gereed is. Het was niet meer dan wat krukken zijn voor een kreupele. Hij kan ze gaan inleveren bij het Witte Kruis, als hij een geslaagde operatie heeft ondergaan en voortaan rechtop door het leven kan gaan.

Aan alles is een begin en een eind. Ook aan de dingen die de apostel in 1 Kor. 12:8 noemt. Ze zijn tijdens de woestijntocht van het leven voor de gelovigen 'teerkost op de levensweg' geweest. Maar als ze mogen zijn ingegaan in het Kanaän dat boven is, behoeven ze dit 'manna' niet meer. Zij gaan huppelen van zielevreugd in het weerzien van hun Heiland op de wolken des hemels.

Dat zal een ware zonsopgang voor hen zijn! En het zal voor hen dan ook niet verdrietig zijn, als zij al hun bekwaamheden waardoor zij aanzienlijk werden in dit leven en waardoor zij het hier uithielden, mogen inruilen voor 'de rust die er overblijft voor het volk van God'.
Als de zon eenmaal is opgegaan, verbleken alle sterren.
Hun blijdschap zal dan onbepaald,

Door 't licht dat van Zijn Aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.'

(Ps. 68:2 ber.)


Trouwens het voornaamste blijft. De liefde. Die zal hun het hoogste aanzien geven. En die zal hun eeuwige energiebron zijn.

Dat gaat de apostel dan verder uitwerken in de verzen 9vv van 1 Kor.13. 3. Hij stelt het 'nu' en het 'dan' scherp tegenover elkaar. Het onvolkomene (vs. 9v), het onvolwassene (vs.1Ov) en het 'duistere' en raadselachtige (vs.12) van het leven hier en nu tegenover het voleindigde, het volgroeide en heldere/ directe van het leven straks. Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele; doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden (vs. 9, 1O). Kennis en profetie (de tongentaal noemt Paulus hier niet meer) zijn ten dele. 4. Een greep uit de volle korf van Gods genade. Een handvol koren. Straks komt de volle oogst. Dan zal alles gaaf en compleet zijn.

Onze kennis en profetie mogen overigens wel voor het leven hier en nu toereikend heten. We kunnen ermee leven. Zoals een kind kan leven met de antwoorden die moeder geeft op al zijn vragen. 'Mamma, hoe lang duurt het nog, voordat ik jarig ben?' 'Nog tien nachtjes slapen, kind.' Is dat een wiskundig juist antwoord? Nee. Maar het kind heeft er genoeg aan. Het telt de nachten. Zo is het ook met alles wat de gelovigen van hun God horen en uitzeggen. Het is iets van de volle waarheid. Geen leugen. Geen zoethoudertje. Maar toch ook niet de waarheid voor de volle honderd procent.
Gods kinderen hebben door het geloof kennis van (heils)zaken; ze hebben een heldere kijk op de dingen van alledag, soms ook zelfs een vooruitziende blik. Daarom behoeven ze niet bij de pakken neer te gaan zitten, als de stormen woedend slaan. Het zal hun niet berouwen, de keus van 't smalle pad. Maar het volmaakte bezitten zij nog niet. Gods doen en laten tot op de bodem peilen, dat kunnen ze nu nog niet. In de verste verte niet.
Hoeveel onopgeloste en onoplosbare dingen blijven er immers niet over? Hoe ondoorzichtig is het leven vaak? Met welke 'waaroms' gaan de gelovigen soms niet het graf in? Zij hebben zich slechts gerustgesteld met de wetenschap, dat God alle dingen kent en ziet. En er ook in zal voorzien. Dat is alles. Daar is mee te leven.
Beveel gerust Uw wegen,

Al wat u 't harte deert,

Der trouwe hoede en zegen

Van Hem Die 't al regeert.


Laat Hem besturen, waken!

't Is wijsheid wat Hij doet.

Zo zal Hij alles maken,

Dat g' u verwond'ren moet.

(Paul Gerhardt;1607-1676)
Het is allemaal genoeg. Er mankeert gewoon niets aan. Maar het is tegelijk ten dele. Iets, nog niet alles. Incompleet. Als het alles tot zijn bestemming gekomen zal zijn, als alle sluiers zullen zijn weggerukt, dan behoeven er geen duistere nachten meer te worden doorwaakt. Dan is het kind jarig. Het is alles ten volle bewaarheid. Het diepste inzicht in de dingen van Gods Koninkrijk is geworden tot de zaligste beleving van Gods onmiddellijke tegenwoordigheid. Het uitzicht van het geloof is ingang geworden in het Vaderhuis met vele woningen.

Alle uitkomsten van dit tijdelijke leven worden één machtige thuiskomst.



Niet meer dan een onnozel kind

Wanneer de apostel nog eens dit leven van het geloof met dat geweldige uitzicht overziet, dringt zich willekeurig het beeld van het kind op. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind (vs.11a). Een onnozel wicht. 5. Zo is het met elke gelovige gesteld in de 'tussentijd' (tussen wedergeboorte in de tijd en wederkomst aan het eind der tijden). 'Wil mij als een kind behandelen, dat alleen de weg niet vindt.' Een kind praat anders dan een volwassene. Het heeft geen groot woordenarsenaal. En zo is het ook met Gods kind hier en nu. Het stottert en stamelt, het vindt vaak geen woorden om uit te drukken, hoe groot God is.

Het is als dat jongetje dat aan zijn vriendjes wilde zeggen, hoe geweldig hij zijn vader vond. En daarbij stak hij zijn kleine handje omhoog en zei: 'Mijn vader is zo....groot.' Maar als hij de werkelijke grootte van zijn vader had willen aanwijzen, had hij toch wel op een tafel moeten gaan staan. Wat hij zei, was echter gaaf. Hij sprak de taal van de liefde.
Een kind leeft in een kinderlijke denkwereld. Het voelt soms meer aan dan dat het beschikt over begrippen waarmee het zijn gedachten kan uitdrukken. We spreken dan ook wel over: een kinderlijk oordeel of een kinderlijke redenering 6.

Niet anders is het in het Koninkrijk van God. Laat de wereld zeggen, dat onweer een natuurverschijnsel is, dat verband houdt met zich ontladende elektriciteit in het wolkendek. De Bijbel zegt: 'De God der ere dondert' (Ps.29:3).


Laat iedereen zeggen, dat het riskant is om dichtbij een luchthaven als Schiphol te wonen. Ook al komt het haast nooit voor, dat vliegtuigen bij de start verongelukken net als dat vliegtuig dat op 4 oktober 1992 in de Bijlmermeer dat zo'n afschuwelijke ravage teweeg bracht. Maar Gods kind zal net iets meer zeggen dan:' Toevallig woonde ik daar niet; of toevallig was ik daar net weg, op bezoek bij vrienden.' Het zal in ontzag en verwondering zeggen:' O, God, waarom ik niet?'
Toen ik een kind was...Paulus bedoelt, dat Gods kind op aarde nooit verder komt dan zo'n kind. Nooit verder dan dat kind dat bij het zien van een heldere sterrenhemel concludeerde: Als de hemel er van de buitenkant al zo mooi uitziet, hoe schitterend moet hij dan niet van binnen zijn?'
Toen ik een kind was... Maar zo blijft het niet. Het wordt allemaal anders, als ik volwassen ben geworden. Maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen van een kind was (vs.11b). Dat is dan voorgoed voorbij. En dat is goed. Paulus bedoelt: als ik van de leef- en denkwereld van het nog onverloste bestaan, ook al zijn daar de machtigste ervaringen en uitingen van de Geest, mag overgaan tot de aanschouwing van God, dan mag ik alle dingen van bovenaf en van binnenuit zien en kennen. 'Ik zal het na dezen verstaan.' Nog klaarder dan toen Gods Geest het mij op aarde heeft doen verstaan. Al het tijdelijke is weg. Het eeuwige is daar. De eeuwige God Zelf met Zijn vriendelijk Aangezicht, vol vrolijkheid en licht. Vgl. Joh. 13:7.
Waarom is dat zo? Waarom kan het verschil tussen het 'nu' van het leven van geloof en het 'straks' van de zalige aanschouwing van God met zo'n treffend beeld als dat van het kind en van de man worden uitgedrukt? Wel, de Korinthiërs moeten eraan herinnerd worden, dat het beste van het geloofsleven nu alleen maar iets is uit de volle maat, het optimale van de eeuwige nabijheid in de tegenwoordigheid van God in de toekomst.

Spiegelschrift



Want wij zien nu 7. door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben (vs. 12). Kortom, wat wij op aarde van de dingen van het geloof zien, is een duistere rede. Of liever: een geheimenis ofte wel een raadsel. 8. Niet glashelder. Niet oplosbaar vaak. Er is zoveel kroms in ons levenslot. En wat we ervan in beeld krijgen, is voor ons besef spiegelschrift. Heldere letters, maar op hun kop.

Paulus gebruikt hier het beeld van de spiegel niet, omdat een spiegel een duister of vertekend beeld geeft. In Korinthe wist men wel beter. Daar werden de meest kunstzinnige spiegels vervaardigd. 9. Maar de apostel heeft het hier over een spiegel, omdat deze altijd een indirect beeld geeft. Iets of iemand in een spiegel zien is op zijn best er een weerkaatsing van zien. En zo is het ook met de dingen die geloofd worden. We zien ze, maar doorgronden ze niet. Dat komt later voor al Gods kinderen. Als ze zullen zien aangezicht tot aangezicht. Vgl. Jak. 1:23.


Het is hier als met de woorden van profeten. Diepzinnig zijn ze. Onthullend ook. Maar ze verhullen tevens. De profeten krijgen de waarheid om zo te zeggen door de spiegel van gezichten en dromen te zien. Niet onzuiver of vertekend. Maar toch ook niet meer dan in spiegelbeeld. Het is indirect. Van Mozes echter staat geschreven, dat hij God aangezicht tot aangezicht zag en ontmoette. Direct en onverhuld. Vgl. Num. 12:6vv.

Denk aan Jezus. Toen Hij het volk leerde, sprak hij in gelijkenissen. Geheimenissen die alleen te verstaan waren door hen die een antenne van de Geest hadden. Overigens bleef er steeds iets onpeilbaars en ondefiniëerbaars in zitten. 1O. Hij was een geweldige profeet. Maar ook sprak Hij wel als de meerdere Mozes, vanuit de verhulde tegenwoordigheid van God.


En zo is het ook met wat het geloof ziet en zegt. Het is reflectie van de werkelijkheid. Het beeld is zuiver en betrouwbaar. Maar het is tegelijk verhuld.Er zitten nog zovele verborgenheden in, zoveel knopen die nog niet ontbonden zijn. Het behoeft gedurig nadere explicatie.
Laat ik enkele voorbeelden geven. Wij weten, dat God heilig is en barmhartig in één adem. Maar wie krijgt die twee 'eigenschappen' van God ooit in elkaar gedacht? Alleen in het kruis van Golgotha zien we het als in een spiegel: Gods barmhartigheid bevestigt Zijn heiligheid en Zijn heiligheid staaft Zijn barmhartigheid. En verder is het nooit tot op de bodem te peilen, dat er een 'leven in Zijn goedgunstigheid is'.
Nog een voorbeeld. Wij weten, dat God de alleen wijze God is. Maar wat wijsheid bij God is, is in vele gevallen een compleet raadsel in onze ogen. Waarom moest ik mijn kind loslaten, toen het mij door de dood ontviel of toen het als een arm verloren schaapje ging dwalen? Waarom, waarom...? Maar als die 'waaroms' nu eens verslonden worden in het 'waarom' van Jezus Christus aan Golgotha's kruis: 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' Geeft dat niet de zoete troost van Zijn zalige nabijheid in al mijn moeite, angst en pijn? En is dat niet de heldere spiegel waarin de 'duistere rede' van mijn beproefde bestaan zich weerkaatst? Overigens mag ik leren, dat mijn 'waaroms' straks alle veranderd zullen zijn in één machtig 'daarom' of liever 'daartoe'.

Om te zien, of een paal recht in de grond staat, moet ik er op een afstand naar kijken.


Nog een voorbeeld. Wij weten, dat God een uitverkiezende God is. Hij heeft van eeuwigheid het lot beslist van al de Zijnen. Maar krijgen wij dat op aarde ooit geheel doordacht? Breken onze hersenen op Gods verkiezend welbehagen niet stuk? Zitten 'bekommerde' gelovigen daar vaak niet tegen aan te kijken als tegen een 'fatum', iets noodlottigs? Ja, maar als zij nu eens naar Christus zien. Hij is spiegel. De spiegel van hun verkiezing door God. Dan aanbidden ze het. Al doorgronden ze 't niet.
Straks worden alle nevelen opgeklaard. Straks zijn alle raadselen opgelost. Alsdan.... Nu is mijn kennis nog ten dele. Ik ken God zeker niet zoals Hij mij kent. Hij moet telkens weer Zijn Woord voor mij open doen; en zo mag ik Hem steeds meer en meer leren kennen. Dat Woord is mijn heldere spiegel. Maar dan nog ken ik Hem nu niet tot op de bodem. Zoals Hij mij kent: door en door. En zoals Hij mij gekend heeft, toen Hij mijn verloren bestaan peilde in Zijn verkiezend welbehagen. En zoals Hij mij kende, d.w.z. naar mij omzag, toen ik door Zijn almachtige handen als een vondeling uit mijn ellendestaat werd opgeraapt. Zo doorgrondt en kent God mij. Niemand behoeft ooit tegenover Hem een boekje over mij open te doen. Omgekeerd mag ik God straks ook zo door en door kennen, dat er geen raadsels voor mij meer in Hem zijn. Wel eeuwige aanbidding. Wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 11. Vgl. Joh. 10:4; 1 Kor. 8:2v; Gal. 4:9; 2 Tim. 2:19; 1 Joh. 3:2,
Tenslotte. Het komt tot een afronding in 1 Kor.13. Vs.13: En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde. Het bekendste, maar tegelijk het moeilijkst te verklaren vers van dit lied der liefde. Uit de zeer verschillende verklaringen die van deze laatste regels van 1 Kor.13 gegeven zijn, kiezen we er één die o.i. het meest voor de hand ligt. 12. Vgl. Kol. 1:4v; 1 Thess. 1:3; 5:8; Hebr. 10:22v.
Paulus heeft hier steeds het tegenwoordige in een fel contrast met het toekomstige leven getekend. Hij sluit af met nog eenmaal te zeggen waar het op aankomt in het leven hier en nu. De hartader van het christenleven. De 'setting' van Christus' gemeente, nog midden in de strijd. Dat wat blijft, zolang de zon opgaat. En wat het leven richting, uitzicht en kracht geeft. Geloof, hoop, liefde.

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou.

(Ps. 27:7 ber.)

Hoop op God, sla 't oog naar boven;

Want ik zal Zijn Naam nog loven.

(Ps. 42:3 ber.)

Waar liefde woont, gebiedt de Heer' de zegen.

(Ps. 133:3 ber.)
Daar hebt u het 'mengelmoesje' van het reislied van Gods beproefde kerk op de aarde. Kreten, flarden van belijdenissen. Al Gods kinderen houden het daarmee uit. Want al dragen zij het bedelaarskleed, een armzalige bedelaarsplunje behoeft het niet te zijn. Ze gaan van kracht tot kracht steeds voort. Met dit blijvende draagvlak van geloof, hoop en liefde onder zich zijn er al die machtige geloofs- en Geestesuitingen waarover de apostel in 1 Kor.12-14 spreekt. Vgl. Gen. 32:31.
Eén ding echter moet nog worden gezegd. Een ding over straks. Het geloof zal overgaan in aanschouwen. Het zal ontdaan zijn van al zijn begeleidende duisternissen. Het naakte Woord zal gezien worden. In het Lam dat geslacht is. Voor de troon van God. Vgl. 2 Kor. 5:7.

En de hoop. Wat gezien wordt, behoeft niet langer gehoopt te worden. Het wordt alles bezitten. Hij, eeuwig de mijne. Ik eeuwig de Zijne. Vgl. Rom. 8:24.

Alleen de liefde gaat mee. Want die steekt onvergelijkbaar hoog boven geloof en hoop uit. Ze is de wortel waarop alles stoelt. Ze is de meeste. 13. Ze is eeuwig.
Niet veel, maar alles. Niet iets, maar het meest. Zonder de liefde is het beste slecht en het grootste niets. Beter één ding in de liefde gedaan dan tien dingen zonder de liefde. Het gaat om deze kwaliteit. Nooit om kwantiteit alleen. Vgl. Rom. 8:35vv

Als de liefde er maar is en blijft. In ons hart. In onze gemeente. In ons huwelijk. In storm en nachtgedruis. In nood en dood.


‘De liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heeren. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten'. Vgl. Hoogl.8:6v.

NOTEN



1. Het Griekse werkwoord 'piptoo'= vallen, tegen de vlakte gaan (vgl. Luk. 16:17). Sommige handschriften hebben 'ekpiptoo' = uitvallen. De liefde gaat er nooit aan. Dat staat tegenover het 'aan een eind komen 'van profetieën’ (meervoud), talen en kennis. Dit ophouden en aan een eind komen wordt aangegeven met het Griekse werkwoord 'katargeoo' dat 'krachteloos maken' betekent (in de passieve vorm: werkeloos worden/ afgedaan heb ben. Inhoudelijk is dat hetzelfde als 'pauoo', het Griekse werkwoord dat hier gebruikt wordt bij 'talen' en dat (in de passieve vorm) vertaald moet worden met 'ophouden, verstommen'. Er komt een keer een eind aan. Voor 'katargeoo' zie: 1 Kor. 1:28; 2:6; 6:13; 15:24vv; 2 Thess. 2:8.
2. Voor onze uitleg van wat de profetie, de tongentaal en de kennis in 1 Kor.1214 betekent, zie 1 Kor. 12. Voor kennis in het bijzonder: zie 1 Kor. 12:8; 13:2.
3. Vs. 9 en vs. 12 beginnen met het redengevende 'want'. Paulus noemt hier dus de grond voor het 'verdwijnen' van de Geestesgaven. Het woord 'want' is een in Paulus' wijze van argumenteren veel gebruikt woord.
4. Gr.'ek meroes' = gedeeltelijk (zie 1 Kor. 12:27), deel van het geheel. Hier tegenover (Gr.) 'to teleion' (zie 1 Kor. 2:6): het tot zijn bestemming (Gr.'telos'), tot zijn volle wasdom gekomene. Volmaakt is niet: perfect (tegenover defect). Vgl. Matth. 5:48.
5.Gr.'nèpios' = 'onnozel' kind dat nog niet in alles kan meepraten. Vgl. Matth. 21:16; Gal.4:1. Paulus bedoelt met de vergelijking kind-man hier niet te zeggen (wat hij in Ef. 4:14 b.v. wel wil zeggen), dat de Korinthische gemeente nu reeds boven het 'kinderlijke' stadium uit moet zien te komen.
6. De twee Griekse werkwoorden die hier gebruikt worden voor 'was ik gezind als'('phroneoo') en 'overlegde ik' ('logidzoo') brengen ons in de denkwereld van het kind. Het eerste duidt de meningsvorming aan, het tweede de redeneertrant van het kind. De werkwoordstijden zijn imperfecta. Bij 'wanneer ik een man geworden ben' schrijft Paulus in de aoristusvorm.
7. 'Nu' (gr.'arti') = in deze bedeling (tussentijds), heden ten dage (vgl. Matth. 9:18). Sommige handschriften hebben het woord 'als', soms voor 'door een spiegel', soms voor 'in een raadsel'.
8. Gr. 'ainigma' (alleen hier in het NT) = raadsel, 'masjaal' (Hebr. voor 'gelijkenis, diepzinnige rede). De vertaling 'duistere rede' moet niet associaties oproepen aan: een rede waar geen touw aan vast te knopen is. Het woord 'ainigma' wil er de nadruk op leggen, dat de dingen niet onmiddellijk duidelijk en doorzichtig zijn. Men moet naar de diepe zin vragen en zoeken als bij de 'masjaal' (Hebr.)gelijkenis. Vgl. Joh. 16: 25, 29.

9. Het beeld van de spiegel (Gr.'esoptron'; vgl. ook 2 Kor. 3:18) wordt hier niet gebruikt om aan te geven, dat we een onzuiver of vertekend beeld van de dingen krijgen. Korinthe was bekend om zijn specifieke bronzen spiegels (zie Gordon D.Fee, a.w. p.648 f (vooral ook note 45). Zie ook Nicos Papahatzis, Das antike Korinth, die Museen von Korinth, Isthmia und Sikyon, Athen 1977, S.21 met enkele afbeeldingen van bronzen spiegels uit Korinthische werkplaatsen.

Het beeld van de spiegel roept in 1 Kor. 13:12 de associatie op van het indirecte. Wat er echter door gereflecteerd wordt, is in onze tekst 'de werkelijkheid in al zijn raadselachtigheid'. Zie verder H.L.Strack-P.Billerbeck, a.w., Bnd.III, S. 452 ff; volgens hen hebben de rabbijnen de uitdrukking 'zien door een spiegel'( = profetisch zien) ontleend aan de astrologie. Zie ook G.Kittel, a.w. Bnd. I, S.178. J. Calvijn, a.w., blz. 126 denkt bij 'spiegel' vooral aan de dienst des Woords.


1O. Aldus is het gesteld met het spreken van profeten. Het is ontcijfering van spiegelschrift (in droom of gezicht). In tegenstelling tot het directe spreken van Mozes met God (vgl. Num. 12:6vv) waaraan Paulus hier denkt. O.i. wil hij zeggen: ons weten en spreken nu is indirect (via het Woord en de Geest) en het is weten en spreken van dingen die wij nu nog niet tot op de bodem doorzien. Het blijft daarom ook altijd met vragen en sluiers omgeven. Terwijl straks de laatste vragen zijn opgelost in de onthulling van alle dingen.
11. Voor het 'kennen (alsdan)' wordt het Griekse werkwoord 'epignooskoo' gebruikt, d.i. een nadrukkelijk, volledig kennen, een door en door kennen. Vgl. Ps. 139; Rom. 8:29.
12. De moeilijkheden liggen vooral in de Griekse woorden 'nuni de'(nu dan) en 'menei' (blijft; tegenwoordige tijd en in het enkelvoud). Is het woord 'nu' temporeel op te vatten (voor het tegenwoordige) en bedoelt Paulus dus met het woord 'blijven' aan te geven, dat geloof, hoop en liefde voor dit leven blijvende betekenis hebben? Of gebruikt hij het woord 'nu' om zijn uitspraken samen te vatten? (nu dan...). En bedoelt hij met 'blijven' te zeggen, dat bij alles wat met de tijd weg zal wegvallen, deze drie (geloof, hoop en liefde) eeuwig blijven?

Gordon D.Fee (a.w., p. 649f) kiest voor de eerstgenoemde uitleg. Daarmee is dan tevens ook de richting al wel aangegeven van de uitleg van het woord 'blijven': de 'trias', het drietal geloof , hoop en liefde is voor het tegenwoordige de blijvende ondertoon. Maar de liefde is eeuwig. Zo ook J. Calvijn, a.w., blz. 227 O.i. is deze uitleg gelet op de context het meest voor de hand liggend. De volgende teksten laten zien, dat Paulus de Griekse woorden 'nuni de' ook nogal eens aanwendt om het belang van het 'hier en nu' te accentueren. Zie: Rom. 3:21; 6:22; 7:6, 17; 15:23, 25; 1 Kor. 15:2O; 2 Kor. 8:11, 22; Kol. 1:21; 3:8; Filem. 9, 11.


13. Gr. 'meidzoon' een comparatief in de betekenis van een superlatief; groter, nl. het grootst. Zie onze verklaring van 1 Kor. 12:31 (zie ook 1 Kor. 14:5). Voor de trias 'geloof, hoop en liefde' zie: Rom. 5:15; Gal. 5:5v; Kol. 1:4v; Ef. 4:25; 1 Thess. 1:3; 5:8; Tit. 2:2; Hebr. 6:1Ovv; 1O:22vv; 1 Petr. 1:38. Vermoedelijk betekenen de drie Griekse woorden 'ta tria tauta': dat ook bij u bekende drietal.

G E S P R E K S V R A G E N
1. Er zijn in uw en mijn leven 'waaroms' waarop tijdens ons leven nooit een antwoord komt. Hoe kunnen wij met die onopgeloste levensraadselen leren leven? Vindt u het juist om te zeggen, dat God nu eenmaal aan ons geen rekenschap geeft van Zijn daden?
2. Is het de bedoeling van 1 Kor. 13 ons op te roepen om ons neer te leggen bij en te berusten in het onvolmaakte? Maar wat is dan de bedoeling van wat Jezus zei: 'Wees dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is, volmaakt is.' (Matth. 5:48).
3. Wat zou bedoeld zijn met de woorden: wij zien nu door een spiegel in een duistere rede? (vs. 12).
4. Wat bedoelt Paulus met de woorden: gelijk ook ik gekend ben? (vs. 12).
5. Is het juist om te zeggen, dat we in de hemel niet meer zullen geloven, omdat het geloof daar is overgegaan in aanschouwen en dat we in de hemel niet meer zullen hopen, omdat de hoop daar een eeuwig bezitten is geworden?








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina